voorbijganger nog warmer en slaperiger als hij de brommende muren
der fabrieken genaakte. Zonneblinden en watersprenkelen verkoelden
de voornaamste straten en winkels een weinig; maar de fabrieken,
de steegjes en hofjes werden tot eene gloeihitte geblakerd. Op de
rivier, zwart en dik van opgeloste stoffen, waren eenige jonge knapen
aan het pleizier hebben--een zeldzaam gezicht aldaar--en roeiden eene
wrakke boot voort, die een schuimachtig spoor op het water naliet,
terwijl elke indompeling van een roeiriem een vuilen stank deed
oprijzen. De zon zelve, hoe weldadig ook in het algemeen, was minder
vriendelijk voor Coketown dan eene harde vorst, en tuurde zelden met
aandacht in de dichtst bevolkte wijken, zonder meer dood dan leven
voort te brengen. Zoo wordt het oog des Hemels zelfs een boos oog,
wanneer er onbekwame of onreine handen worden gehouden tusschen dat
oog en datgene, wat het met zijn blik wil zegenen.
Mevrouw Sparsit zat in hare namiddagkamer in het kantoor, aan de
schaduwzijde der bradende straat. De kantooruren waren voorbij, en op
dien tijd van den dag vereerde zij meestal de bestuurskamer, boven het
eigenlijke kantoor, met hare hoogst fatsoenlijke tegenwoordigheid. Hare
eigene zitkamer was eene verdieping hooger en daar was zij elken
morgen op haar observatiepost voor het venster, gereed om mijnheer
Bounderby, als hij de straat overstapte, met het medelijdende knikje,
dat een ongelukkig slachtoffer toekwam, te begroeten. Hij was nu een
jaar getrouwd, en mevrouw Sparsit had hem nooit een oogenblik van
haar vastberaden medelijden ontslagen.
Het bankierskantoor van Bounderby en Comp. deed de heilzame
eentonigheid der stad geen geweld aan. Het was insgelijks een van
roode baksteenen gemetseld huis, met zwarte luiken van buiten,
groene rolgordijnen van binnen, eene zwarte straatdeur met eene
witte stoep van twee treden, een koperen naamplaatje en een koperen
deurknop als een sluitteeken. Het was een soort grooter dan het
woonhuis van mijnheer Bounderby, gelijk andere huizen van een tot
zes soorten kleiner waren; in alle andere opzichten was het strikt
volgens het patroon.
Mevrouw Sparsit was er zich van bewust dat zij, door in den avond
tusschen de lessenaars en het schrijfgereedschap te komen zitten,
het kantoor eene vrouwelijke, om niet te zeggen aristocratische,
elegantie mededeelde. Met haar naai--of knoopwerk bij het venster
gezeten, streelde haar het gevoel, dat zij door hare damesachtige
houding het onbehaaglijk kantoorachtige voorkomen van het vertrek veel
verbeterde. Met deze bewustheid van haar veredelenden invloed, hield
zij zich zelve eenigermate voor de Fee van het kantoor. De lieden uit
de stad, die haar in het voorbijgaan zagen zitten, beschouwden haar
als den draak van het kantoor, die de wacht hield over de schatten
der mijn.
Waarin die schatten bestonden, wist mevrouw Sparsit evenmin als
deze voorbijgangers. Gouden en zilveren munt, kostbare papieren,
geheimen die, als zij ontdekt werden, zekere onbestemde personen
(maar zij dacht meestal aan menschen die haar mishaagden) met een
onbestemd ongeluk zouden overstelpen, waren de voornaamste artikelen
op hare denkbeeldige lijst daarvan. Voor het overige wist zij, dat
zij na den kantoortijd de opperheerschappij over alle kantoormeubelen
voerde, en ook over de geslotene ijzeren kamer met drie sloten, tegen
welker deur de kantoorlooper elken avond zijn hoofd neerlegde op een
kermisbed, dat met het hanengekraai weder verdween. Verder was zij
opperheerscheres over zekere gewelven in de kelderverdieping, die door
een hekwerk met scherpe pennen van alle gemeenschap met de diefachtige
wereld waren afgescheiden; en over de overblijfselen van het loopende
kantoorwerk, bestaande uit inktspatten, afgesletene pennen, gebrokene
ouwels en stukjes papier, zoo klein gescheurd dat zij er, als zij dit
beproefde, niets van eenig aanbelang op kon ontcijferen. Eindelijk
was zij voogdesse over een klein arsenaal van sabels en karabijnen,
dreigend boven een der schoorsteenmantels opgehangen, en over die door
de overlevering eerwaardige voorwerpen, welke de verbeelding nimmer van
een rijk bankierskantoor kan afscheiden--eene rij brandemmers, dingen,
die bij geene gelegenheid van eenig nut kunnen zijn, maar die men
waarneemt dat op de meeste beschouwers een krachtigen moreelen invloed
uitoefenen, bijna gelijk staande met dien van het gemunt metaal.
Eene doove schoonmaakster en de kantoorlooper voltooiden het gebied
van mevrouw Sparsit. Van de doove schoonmaakster zeide het gerucht dat
zij rijk was; en jarenlang had onder de lagere klasse te Coketown de
voorspelling rondgeloopen, dat zij eens op een avond, als het kantoor
gesloten was, om haar geld zou vermoord worden. Men hield het er
zelfs algemeen voor, dat haar tijd reeds om was en zij al voorlang
had moeten ontsnappen; maar zij behield haar leven en haar post met
eene koppigheid, die veel ergernis en teleurstelling veroorzaakte.
Het theegoed van mevrouw Sparsit was juist voor haar gereed gezet op
een nuffig tafeltje, met zijne drie pootjes in een zeer geaffecteerde
houding, dat zij na den kantoortijd in het gezelschap der stugge,
lange, met leer bekleede bestuurstafel inschoof, die het midden van
het vertrek besloeg. De kantoorlooper plaatste het theeblad daarop,
en drukte als bewijs van hulde zijne kneukels tegen zijn voorhoofd.
"Dankje, Bitzer," zeide mevrouw Sparsit.
"Ik bedank u, juffrouw," antwoordde de kantoorlooper, die er nog even
flauw en kleurloos uitzag als toen hij voor het meisje Nommer Twintig
eene definitie van een paard gaf.
"Alles gesloten, Bitzer?" zeide mevrouw Sparsit.
"Alles gesloten, juffrouw."
"En wat nieuws is er vandaag?" hervatte mevrouw Sparsit, terwijl zij
een kop thee voor zich inschonk. "Is er iets?"
"Wel, juffrouw, ik kan niet zeggen dat ik iets bijzonders gehoord
heb. Ons volkje is een slechte troep, juffrouw; maar dat is ongelukkig
geen nieuws."
"Wat zijn die onrustige kerels nu weer doende?" vroeg mevrouw Sparsit.
"Zij gaan hun gang maar op de oude manier, juffrouw, maken
vereenigingen en verbonden en beloven elkander bij te staan."
"Het is zeer te beklagen," zeide mevrouw Sparsit, met eene strengheid,
die haar arendsneus nog krommer en hare wenkbrauwen nog zwaarder
deed worden, "dat de gezamenlijke meesters zulke vereenigingen van
die klasse toelaten."
"Ja, juffrouw," zeide Bitzer.
"Daar zij zelven vereenigd zijn, moesten zij beletten dat er iemand
als werkman aangenomen werd, die zich met iemand anders vereenigde,"
zeide mevrouw Sparsit.
"Dat hebben zij ook gedaan, juffrouw," antwoordde Bitzer; "maar het
lukte niet heel goed."
"Ik wil niet beweren, dat ik verstand van die zaken heb," zeide mevrouw
Sparsit met deftigheid, "daar het lot mij door mijne geboorte in een
geheel andere sfeer had geplaatst, en mijnheer Sparsit, als een Powler,
insgelijks buiten den kring van zulke geschillen was. Ik weet alleen,
dat die lieden tot rede gebracht moeten worden, en dat het hoog tijd
is dat dit voor eens en voor altijd gedaan wordt."
"Ja, juffrouw," antwoordde Bitzer, met een vertoon van grooten eerbied
voor het gezag der orakelspreuken van mevrouw Sparsit. "Gij zoudt
het iemand niet duidelijker kunnen doen begrijpen, juffrouw."
Daar dit het gewone uur voor hem was, om een vertrouwelijk praatje met
mevrouw Sparsit te hebben, en hij reeds aan hare oogen had gezien dat
zij hem iets wilde vragen, hield hij zich eene poos bezig met linialen,
inktkokers en zoo al meer in orde te schikken, terwijl de dame haar
kop thee uitdronk en door het opene venster naar de straat keek.
"Is het een drukke dag geweest, Bitzer?" vroeg mevrouw Sparsit.
"Geen heel drukke dag, mevrouw. Zoo wat een gewone dag." Nu en dan
liet hij zich het woord "mevrouw" in plaats van "juffrouw" ontglippen,
als eene onwillekeurige erkentenis van het deftige voorkomen der dame
en haar recht op eene eerbiedige bejegening.
"De klerken," zeide mevrouw Sparsit, terwijl zij zorgvuldig een
onmerkbaar broodkruimpje van haar linkermofje veegde, "zijn natuurlijk
trouw en ijverig?"
"Ja, juffrouw, dat schikt nogal. Met de gewone uitzondering."
Hij bekleedde den vereerenden post van spion en aangever-generaal
op het kantoor, voor welken vrijwilligen dienst hij met Kerstmis een
douceur ontving, boven en behalve zijn wekelijksch loon. Hij was een
buitengemeen schrander, berekenend en voorzichtig jonkman geworden,
die onfeilbaar in de wereld zou vooruitkomen. Zijne opvoeding had zijn
gemoed zoodanig onder bedwang gebracht, dat hij nu geene neigingen
of hartstochten meer had. Al zijne bedrijven waren uitkomsten van
de fijnste en koelste berekening; en het was niet zonder reden,
dat mevrouw Sparsit gewoon was van hem te zeggen, dat zij nooit een
jongmensch met vaster beginselen had gekend. Toen hij zich, na den
dood van zijn vader, had verzekerd, dat zijne moeder te Coketown
recht tot onderstand had, had deze uitmuntende jeugdige beoefenaar
der staathuishoudkunde dat recht zoo krachtig voor haar doen gelden,
dat zij sedert in een werkhuis was opgesloten. Het is echter niet
te ontkennen, dat hij haar een half pond thee in het jaar toestond,
hetgeen eene zwakheid van hem was; vooreerst omdat alle giften de
onvermijdelijke strekking hebben om den ontvanger tot een bedelaar te
maken, en ten tweede omdat het eenige, wat hij redelijkerwijze met die
waar had kunnen doen, zou geweest zijn, ze voor zoo weinig mogelijk
te koopen en voor zooveel als hij maar met mogelijkheid krijgen kon
te verkoopen, daar het thans door zekere schrijvers duidelijk is
bewezen, dat hierin de geheele plicht des menschen begrepen is--niet
een gedeelte van des menschen plicht, maar het geheel.
"Dat schikt nogal, juffrouw; met de gewone uitzondering," herhaalde
Bitzer.
"Ah ah!" zeide mevrouw Sparsit, schudde haar hoofd boven haar theekopje
en nam toen een langen slok.
"Mijnheer Thomas, juffrouw. Ik twijfel zeer aan mijnheer Thomas. Zijne
manieren bevallen mij gansch niet."
"Bitzer," zeide mevrouw Sparsit op een zeer nadrukkelijken toon,
"weet gij niet wat ik u eens gezegd heb over het noemen van namen?"
"Ik verzoek u verschooning, juffrouw. Het is waar dat gij mij
gewaarschuwd hebt tegen het noemen van namen, en dat het ook het best
is dit te vermijden."
"Wees zoo goed om te bedenken, dat ik hier een post van vertrouwen
bekleed," zeide mevrouw Sparsit zeer statelijk. "Ik heb hier een post
van vertrouwen, Bitzer, onder mijnheer Bounderby. Hoe onwaarschijnlijk
mijnheer Bounderby en ik zelf het zou gevonden hebben, dat hij mijn
patroon zou worden, kan ik hem, die mij een jaarlijksch compliment
maakt, niet anders dan in dat licht beschouwen. Ik heb van mijnheer
Bounderby alle erkentenis van mijn maatschappelijken rang en mijne
afkomst genoten, die ik met mogelijkheid kon verwachten--meer, veel
meer zelfs. En daarom wil ik mijn patroon met nauwgezette stiptheid
getrouw zijn. En ik houd het er niet voor, ik wil het er niet voor
houden," zeide mevrouw Sparsit, die een zeer grooten voorraad van
eer en zedelijkheid in magazijn had, "dat ik hem met nauwgezette
stiptheid getrouw zou zijn, indien ik toeliet dat er onder dit dak
namen genoemd worden, die ongelukkig--zeer ongelukkig--daaraan is
niet te twijfelen--met den zijnen in betrekking staan."
Bitzer drukte zijne kneukels nog eens tegen zijn voorhoofd en verzocht
nog eens verschooning.
"Neen, Bitzer," vervolgde mevrouw Sparsit, "zeg: "een persoon," en
ik zal u aanhooren; maar als gij "mijnheer Thomas" zegt, moet gij
mij verontschuldigen."
"Met de gewone uitzondering, juffrouw," zeide Bitzer, den aangewezen
uitweg inslaande, "van een persoon."
"Ah-h!" mevrouw Sparsit herhaalde dien uitroep, en tevens haar
hoofdschudden over haar kopje en den langen slok, alsof zij het
gesprek weder opnam op het punt waar het gestoord was geworden.
"Één persoon, juffrouw," zeide Bitzer, "is nooit geweest wat hij had
moeten zijn, zoolang hij hier is. Hij is een losbandige knaap, een
verkwister en een luiaard. Hij is zijn zout niet waard, juffrouw;
en hij zou dat ook niet krijgen, als hij geene vriendin uit zijne
familie aan het hof had, juffrouw."
"Ah-h!" zeide mevrouw Sparsit, nogmaals treurig haar hoofd schuddende.
"Ik hoop maar, juffrouw," vervolgde Bitzer, "dat die vriendin hem de
middelen niet zal verschaffen om zoo voort te gaan. Anders, juffrouw,
weten wij wel uit wiens zak dat geld komt."
"Ah-h!" zuchtte mevrouw Sparsit alweder en schudde nogmaals treurig
het hoofd.
"Hij is te beklagen, juffrouw. De laatste persoon, dien ik meende,
is te beklagen, juffrouw," zeide Bitzer.
"Ja, Bitzer," antwoordde mevrouw Sparsit, "ik heb altijd zijne
verblinding beklaagd--altijd."
"Wat den eersten persoon betreft, juffrouw," zeide Bitzer, terwijl hij
zijne stem liet dalen en naderbij kwam, "hij heeft zoo weinig overleg
als iemand van de lieden hier in de stad. En gij weet wel hoe weinig
overleg zij hebben. Niemand zou kunnen wenschen dat beter te weten,
dan eene dame van uwe afkomst het weet."
"Zij zouden wèl doen," antwoordde mevrouw Sparsit, "als zij aan u
een voorbeeld namen, Bitzer."
"Wel verplicht, juffrouw. Maar daar gij zoo goed zijt om van mij
te spreken, zie mij dan eens aan, juffrouw. Ik heb al een weinigje
opgespaard, juffrouw. Dat douceur, dat ik met Kerstmis krijg,
juffrouw--ik raak er nooit aan. Zelfs mijn weekgeld verteer ik niet
geheel, hoewel het niet hoog is, juffrouw. Waarom kunnen zij niet
doen zooals ik gedaan heb, juffrouw? Wat de eene mensch kan doen,
kan de ander ook."
Dit behoorde insgelijks onder de fictiën van Coketown. Een
kapitalist, die een halven schelling tot zestien duizend pond had
doen aangroeien, veinsde zich altijd te verwonderen, waarom de zestig
duizend fabriekarbeiders om hem heen dit ook niet deden, en rekende
het elk van hen min of meer tot verwijt, dat ook hij dit kunststukje
niet volbracht. "Wat ik gedaan heb, kunt gij ook doen. Waarom gaat
gij dan niet heen en doet het?"
"Wat hunne behoefte aan uitspanning betreft, juffrouw," hervatte
Bitzer, "dat is maar onzin en gekheid. Ik heb geene behoefte aan
uitspanningen; die heb ik nooit gehad, en zal ze nooit hebben; ik houd
er niet eens van. En wat hunne vereenigingen aangaat, ik twijfel niet,
of er zijn velen van hen, die door op elkander te letten en aan te
geven, nu en dan eene kleinigheid, hetzij in geld of gunst, konden
verdienen en zoo hun bestaan verbeteren. Waarom verbeteren zij het
dan niet, juffrouw? Dat is de eerste zorg van een redelijk schepsel,
en dat is het juist wat zij voorgeven te wenschen."
"Ja, wèl voorgeven," zeide mevrouw Sparsit.
"Onophoudelijk, juffrouw, zoodat wij er waarlijk een walging van
krijgen, hooren wij hen van hunne vrouwen en kinderen spreken," zeide
Bitzer. "Zie mij dan eens aan, juffrouw. Ik verlang niet naar vrouw
en kinderen. En waarom doen zij het dan?"
"Omdat zij onoverleggend zijn," antwoordde mevrouw Sparsit.
"Ja, juffrouw," hervatte Bitzer, "daar zit het juist. Als zij meer
overleg hadden en minder koppig waren, juffrouw, wat zouden zij dan
doen? Zij zouden zeggen: terwijl mijn hoed--of terwijl mijne pet,
al naar het uitkomt, juffrouw--mijn geheele huisgezin bedekt, heb
ik er maar één den kost te geven, en dat is de persoon, dien ik het
liefst den kost geef."
"Juist," zeide mevrouw Sparsit en hapte in een gebakje.
"Ik ben u wel verplicht, juffrouw," zeide Bitzer, wederom zijne
kneukels tegen zijn voorhoofd duwende, tot dank voor de gunst van
mevrouw Sparsit's leerzaam onderhoud. "Moet ge ook nog wat heet water
hebben, juffrouw, of is er iets anders dat ik voor u kan halen?"
"Op het oogenblik niet, Bitzer."
"Wel verplicht, juffrouw. Ik zou u niet gaarne onder den maaltijd
willen storen, juffrouw, vooral niet onder de thee, waarop ik weet dat
gij bijzonder gesteld zijt," zeide Bitzer, zijn hals uitrekkende om
van de plek waar hij stond op straat te zien; "maar ik zie daar een
heer, die al eene poos voor het huis naar boven heeft staan kijken,
en nu is hij de straat overgestoken alsof hij wilde aankloppen. Dat
is hij zeker, die daar klopt, juffrouw."
Hij stapte naar het venster, stak zijn hoofd daarbuiten, en nadat hij
het weder had binnengehaald bevestigde hij zijne gissing met een: "Ja,
juffrouw. Zoudt ge willen, dat die heer werd binnengelaten, juffrouw?"
"Ik weet niet wie het zijn kan," antwoordde mevrouw Sparsit, haar
mond afvegende en hare mofjes gladstrijkende.
"Het is duidelijk een vreemdeling, juffrouw."
"Wat een vreemdeling op dezen tijd van den avond aan het kantoor kan
noodig hebben, of het moet om zaken zijn, waarvoor het toch te laat
is, begrijp ik niet," zeide mevrouw Sparsit: "maar ik bekleed hier
een post van vertrouwen, en ik zal mij nooit daaraan onttrekken. Als
het een gedeelte van den plicht is, dien ik op mij heb genomen, om
hem te spreken, dan zal ik met hem spreken. Doe gelijk gij zelf het
best oordeelt, Bitzer."
Hier herhaalde de vreemdeling, die de grootmoedige woorden van mevrouw
Sparsit niet hooren kon, zijn kloppen met zooveel kracht, dat Bitzer
naar beneden snelde om de deur te openen; terwijl mevrouw Sparsit de
voorzorg nam van haar tafeltje met al wat er op stond in eene kast
te bergen, en zich toen naar boven haastte, om, zoo het noodig was,
met des te grooter deftigheid voor den dag te komen.
"Met uw verlof, juffrouw, mijnheer zou u willen spreken," zeide
Bitzer, met zijn oog voor het sleutelgat van mevrouw Sparsit's
kamerdeur. Mevrouw Sparsit, die van deze tusschentijd gebruik
gemaakt had om hare muts terecht te zetten, ging nu met klassieke
gelaatstrekken weder de keldertrap af, en trad de bestuurskamer
binnen in de houding eener Romeinsche matrone, die zich buiten de
poort begeeft om met een aanrukkenden vijand te onderhandelen.
Daar de vreemdeling naar het venster was gekuierd en nu onverschillig
naar buiten keek, maakte deze statige intrede zeer weinig indruk
op hem. Hij stond zoo koelbloedig als men zich maar verbeelden kan
bij zich zelven te fluiten, met zijn hoed nog op het hoofd en zeker
uitzicht van afmatting en lusteloosheid, gedeeltelijk een gevolg van
de buitengewone warmte, gedeeltelijk van zijn buitengewoon fatsoen;
want met een half oog kon men al zien dat hij een echte gentleman was,
volkomen naar het laatste patroon gemaakt, wien alles verveelde en
die aan even weinig geloofde als Lucifer zelf.
"Ik hoor, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit, "dat ge mij verlangt
te spreken."
"O, neem mij niet kwalijk," zeide hij, zich omkeerende en zijn hoed
afnemende, "ik verzoek wel verschooning."
"Hm!" dacht mevrouw Sparsit, terwijl zij eene statige buiging
maakte. "Vijf en dertig, goed uitzicht, goed postuur, goede tanden,
goede stem, welgemanierd, welgekleed, donker haar, levendige
oogen." Dit alles merkte mevrouw Sparsit met hare vrouwelijke
schranderheid op--gelijk de sultan die zijn hoofd in den emmer
met water stak--in het oogenblikje terwijl zij dook en zich weder
oprichtte.
"Wees zoo goed om plaats te nemen, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit.
"Wel verplicht. Laat mij maar zoo staan." Hij zette een stoel voor
haar, maar bleef zelf achteloos tegen de tafel staan leunen. "Ik heb
mijn knecht aan het station gelaten om voor de bagage te zorgen--een
bijzonder zware trein en een aantal koffers in den goederenwagen--en
ben maar voortgewandeld om eens rond te kijken. Eene zonderlinge
plaats, deze stad. Mag ik wel vragen of het hier altijd zoo zwart is?"
"Doorgaans veel zwarter," antwoordde mevrouw Sparsit op hare niets
vergoelijkende manier.
"Is het mogelijk! Excuseer mij--gij zijt hier niet geboren zou
ik denken?"
"Neen, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit. "Het is mijn geluk
of mijn ongeluk geweest--ik weet niet hoe ik het noemen zal--om,
eer ik weduwe werd, mij in een geheel anderen kring te bewegen. Mijn
man was een Powler."
"Neem mij niet kwalijk," zeide de vreemdeling; "was een..."
"Een Powler," herhaalde mevrouw Sparsit.
"Van de familie Powler?" zeide de vreemdeling, nadat hij een oogenblik
had nagedacht. Mevrouw Sparsit gaf door een knikje hare toestemming
te kennen, en de vreemdeling scheen een weinigje meer afgemat dan
te voren.
"Gij moet u hier zeer vervelen!" was de gevolgtrekking, die hij uit
het ontvangen bericht opmaakte.
"Ik ben de nederige dienares der omstandigheden, mijnheer," antwoordde
mevrouw Sparsit, "en ik heb mij zelve sedert lang onderschikt aan de
macht, die mijn leven bestuurt."
"Zeer philosophisch," hernam de vreemdeling, "en zeer loffelijk
en voorbeeldig en..." Het scheen hem niet de moeite waardig dit
gezegde ten einde te brengen, en dus speelde hij verstrooid met zijn
horlogeketting.
"Mag ik zoo vrij zijn u te vragen, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit,
"waaraan ik de eer te danken heb van..."
"Wel zeker," antwoordde de vreemdeling. "Zeer verplicht dat gij er mij
aan herinnert. Ik heb een brief van introductie aan mijnheer Bounderby,
den bankier, bij mij. Onder het wandelen door deze buitengemeen
zwarte stad, terwijl men in mijn hotel het diner gereedmaakte, vroeg
ik iemand wien ik ontmoette--een van de werklieden, die een stortbad
van iets slibberigs scheen genomen te hebben, dat waarschijnlijk
onder de materialen zal behooren..."
Mevrouw Sparsit boog haar hoofd.
"Waar mijnheer Bounderby, de bankier, woonde, en hij, waarschijnlijk
niet beter wetende, wees mij naar het kantoor. Ik vermeen evenwel,
dat mijnheer Bounderby niet woonachtig is in het gebouw, waar ik de
eer heb deze opheldering aan te bieden."
"Neen, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "dat doet hij ook niet."
"Wel verplicht. Ik had juist geen oogmerk om nu mijn brief te
overhandigen, maar om den tijd te korten, kuierde ik toch maar eens
naar het kantoor, en toen ik het geluk had van u voor dat venster te
zien," en met eene lichte buiging wuifde hij even met de hand naar het
venster, "eene dame van zulk een deftig en innemend voorkomen, begreep
ik niet beter te kunnen doen dan de vrijheid te nemen van die dame
te vragen, waar mijnheer Bounderby, de bankier, eigenlijk woont. En
dit waag ik dus thans, met alle gepaste verontschuldigingen, te doen."
De achteloosheid en onverschilligheid zijner manieren werden,
naar het gevoelen van mevrouw Sparsit, genoegzaam vergoed door
zekere ongedwongene galanterie, waarmede hij haar tegelijk zijne
hulde bewees. Daar stond hij bij voorbeeld tegen de tafel te leunen,
zoodat hij er bijna op zat, maar tegelijk boog hij zich zachtjes aan
naar haar over, alsof hij eene aantrekkingskracht in haar erkende,
die haar op hare manier bekoorlijk maakte.
"Een bankierskantoor, dat weet ik, is altijd wantrouwig; officieel
moet het dat ook zijn," vervolgde de vreemdeling, met eene losheid en
vlugheid van spraak, die insgelijks innemend waren, en zijne woorden
een klank gaven, alsof er iets veel meer verstandigs of geestigs in
school dan inderdaad het geval was--hetgeen misschien eene schrandere
vinding was van den stichter dezer talrijke secte, wie die groote
man dan ook mag zijn geweest--"en daarom mag ik wel aanmerken,
dat mijn brief--hier is hij--van het Parlementslid voor deze stad
komt--Gradgrind,--wien ik in Londen het genoegen heb van te kennen."
Mevrouw Sparsit herkende de hand, zeide dat zulk eene bevestiging
geheel onnoodig was, en gaf daarop het adres van mijnheer Bounderby
met alle vereischte terechtwijzingen.
"Duizendmaal dank," zeide de vreemdeling. "Natuurlijk zult gij den
bankier zeer wel kennen?"
"Ja, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit. "In mijne afhankelijke
betrekking tot hem heb ik hem tien jaren lang gekend."
"Eene gansche eeuwigheid! Ik meen, dat hij met Gradgrind's dochter
getrouwd is?"
"Ja, mijnheer, zeide mevrouw Sparsit, eensklaps hare tanden
samenklemmende. "Hij heeft--die eer."
"Die dame is eene groote philosofe, heeft men mij gezegd?"
"Inderdaad, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit. "Zou zij dat?"
"Excuseer mijne onbescheidene nieuwsgierigheid," hervatte de
vreemdeling, op een verzoenenden toon, die mevrouw Sparsit's
wenkbrauwen deed ophelderen, "maar gij kent de familie en gij kent
de wereld. Is die dame wezenlijk zoo geducht? Haar vader geeft haar
den naam van zoo vervaarlijk verstandig, dat ik brand van verlangen
om het rechte te weten. Is zij volkomen ongenaakbaar? Zoo knap, dat
men er van versteld staat en voor terugschrikt? Ik zie wel, aan uw
geheimzinnig lachje, dat gij zoo niet denkt. Gij hebt balsem in mijne
angstige ziel gegoten. En nu hare jaren. Veertig? Vijf en dertig?"
Mevrouw Sparsit begon hardop te lachen.
"Nog half een kind," zeide zij. "Nog geen twintig toen zij trouwde."