zonder hierop te letten, "vraagt mij ten huwelijk. De vraag, die ik
mij zelve te doen heb, is: Zal ik hem trouwen? Zoo is het, vader,
niet waar? Gij hebt mij zoo gezegd, vader, hebt ge niet?"
"Zekerlijk, kindlief."
"Laat het dan zoo zijn. Daar het mijnheer Bounderby behaagt mij te
nemen, ben ik genegen om zijn voorslag te aanvaarden. Zeg hem, vader,
zoo spoedig als het u belieft, dat dit mijn antwoord was. Breng het
hem woord voor woord over, als ge kunt, want ik had gaarne dat hij
wist wat ik zeide."
"Het is zeer goed, kindlief," antwoordde haar vader weltevreden,
"zeer goed om nauwkeurig te zijn. Ik zal uw zeer gepast verzoek in
acht nemen. Hebt gij eenig verlangen, mijn kind, wat den tijd van
het huwelijk betreft?"
"Neen, vader. Wat maakt dat uit!"
Mijnheer Gradgrind had zijn stoel een weinig naderbij geschoven en
haar bij de hand gevat; maar de herhaling dezer woorden scheen hem
wanluidend in het oor te klinken. Hij zag haar met bevreemding aan,
en haar nog steeds bij de hand houdende, zeide hij:
"Louisa, ik heb het niet van belang geacht u ééne vraag te doen, omdat
de mogelijkheid, die zij vooronderstelde, mij al te ver verwijderd
voorkwam. Maar misschien behoor ik haar toch te doen. Hebt gij ooit
in het geheim eenig ander voorstel aangenomen?"
"Vader," antwoordde zij, bijna met verachting, "welk ander voorstel
kon mij gedaan zijn? Wie heb ik gezien? Waar ben ik geweest? Welke
ervaring heeft mijn hart gehad?"
"Mijne lieve Louisa," hervatte mijnheer Gradgrind gerustgesteld en
tevreden, "gij hebt gelijk, dat ge mij zoo terecht wijst. Ik wenschte
alleen aan mijn plicht te voldoen."
"Wat weet ik, vader," zeide Louisa op haar bedaarden toon, "van
smaak en verbeelding, van verlangens en neigingen, van eene plaats
in mijn gemoed, waar zulke beuzelachtige dingen konden aangekweekt
zijn? Wanneer ben ik ooit vrij geweest van problema's, die men
demonstreeren, en werkelijkheden, die men tasten kan?" Terwijl zij
dit zeide, sloot zij onwillekeurig hare hand, alsof zij een tastbaar
voorwerp greep, en opende ze weder langzaam, alsof zij er stof en
asch uit liet vallen.
"Zeer waar, kindlief, zeer waar," zeide haar uitnemend practische
vader.
"Wel, vader," vervolgde zij, "welk eene zonderlinge vraag dan om
mij te doen! Zelfs de kinderlijke voorkeur, die ik gehoord heb dat
bij kinderen gewoon is, heeft nooit hare onschuldige rustplaats in
mijne borst gehad. Gij hebt zoo goed op mij gepast, dat ik nooit een
kinderhart gehad heb. Gij hebt mij zoo goed onder tucht gehouden,
dat ik nooit een kinderdroom heb gedroomd. Gij hebt zoo verstandig
voor mij gezorgd, vader, dat ik, van mijne wieg af tot op dit uur,
nooit kinderlijk geloof of kinderlijke vrees heb gekend."
Mijnheer Gradgrind was opgetogen en aangedaan over den gelukkigen
uitslag van zijn opvoedingsstelsel en deze getuigenis daarvan.
"Mijne lieve Louisa," zeide hij, "gij beloont mij rijkelijk voor al
mijne zorg. Geef mij een kus, meisjelief."
Zijne dochter gaf hem een kus. En haar in zijne armen houdende,
vervolgde hij:
"Ik mag u nu verzekeren, mijn geliefkoosd kind, dat het verstandige
besluit, waartoe gij gekomen zijt, mij gelukkig maakt. Mijnheer
Bounderby is een uitstekend man: en welke kleine ongelijkheid men
ook tusschen u kan vinden--indien er eenige bestaat--zij wordt meer
dan opgewogen door de stemming, die uw gemoed heeft verkregen. Het
is altijd mijn doel geweest u zoo op te voeden, dat gij, terwijl
gij nog in uwe prille jeugd waart (als ik mij zoo mag uitdrukken)
bijna stokoud zoudt wezen. Geef mij nog een kus, Louisa. En laten
wij nu uwe moeder gaan opzoeken."
Zij gingen naar het salon, waar de achtenswaardige dame, die van
geene malligheid wist, volgens gewoonte op eene sofa lag, terwijl
Sissy bij haar zat te werken. Toen zij binnenkwamen, gaf zij eenige
flauwe teekenen van herleving, en weldra kwam het schemerachtige
damesportret overeind.
"Mevrouw Gradgrind," zeide haar echtgenoot, die met eenig ongeduld
naar het volbrengen van dit kunststuk had gewacht, "laat ik u mevrouw
Bounderby mogen presenteeren."
"Zoo!" zeide mevrouw Gradgrind; "dus hebt gij het in orde gebracht? Nu,
Louisa, ik hoop, dat gij eene goede gezondheid moogt houden; want als
uw hoofd begint te splijten zoodra gij getrouwd zijt, gelijk met het
mijne gebeurd is, kan ik u niet benijdenswaardig vinden, hoewel gij
dat nu zeker doet, evenals alle meisjes. Evenwel, ik feliciteer u,
kindlief,--en ik hoop, dat gij nu nut zult hebben van al uwe ologische
studiën, dat doe ik. Ik moet u een felicitatie-kus geven, Louisa;
maar raak mijn rechterschouder niet aan, want het is mij al den
geheelen dag alsof er ik weet niet wat langs loopt. En nu, ziet ge,"
vervolgde zij op een jammerenden toon, terwijl zij na den afloop
der aandoenlijke plechtigheid hare shawls weder terecht schikte,
"zal ik mij zelve nacht en dag, ochtend en avond moeten martelen,
om te weten hoe ik hem zal moeten noemen!"
"Mevrouw Gradgrind," zeide haar echtgenoot op plechtigen toon,
"wat meent gij?"
"Hoe ik hem zal moeten noemen, mijnheer Gradgrind, als hij met
Louisa getrouwd is. Ik moet hem toch iets noemen. Het is onmogelijk,"
vervolgde mevrouw Gradgrind, met eene mengeling van beleefdheid en
wreveligheid, "hem gedurig aan te spreken en hem nooit een naam
te geven. Ik kan hem geen Josiah noemen, want die naam is mij
onuitstaanbaar. Gij zoudt niet van Joe willen hooren, dat weet ge
zelf wel. Zal ik mijn eigen schoonzoon dan mijnheer moeten noemen? Ik
geloof van neen, of de tijd moet gekomen zijn, dat ik als eene arme
zieke door mijne betrekkingen vertrapt moet worden. Hoe zal ik hem
dan moeten noemen?"
Daar geen der aanwezigen in deze buitengewone verlegenheid eenigen
raad had aan te bieden, liet mevrouw Gradgrind zich voorshands weder
in hare levenloosheid verzinken, nadat zij bij het reeds gezegde nog
het volgende codicil had gevoegd:
"Wat de bruiloft betreft, Louisa, is al wat ik vraag--en dat vraag
ik met eene hartklopping, die ik tot in mijne teenen voel--dat zij
spoedig mag plaats hebben. Anders weet ik wel, dat zij weder een van
die dingen zal zijn, waarvan ik nooit het einde zal hooren."
Toen mijnheer Gradgrind zijne dochter als mevrouw Bounderby
presenteerde, hief Sissy eensklaps haar hoofd op en zag Louisa met
eene mengeling van aandoeningen aan--verwondering, medelijden, spijt
en twijfel. Louisa had dit opgemerkt zonder haar aan te zien. Van
dit oogenblik af was zij stug, koud en trotsch--hield zij Sissy op
een afstand--en was voor deze geheel veranderd.
XVI.
MAN EN VROUW.
De eerste ongerustheid, die mijnheer Bounderby kwelde, nadat hij zijn
geluk had vernomen, was de noodzakelijkheid om dit geluk aan mevrouw
Sparsit mede te deelen. Hij kon het met zich zelven niet eens worden
hoe hij dit zou doen en welke gevolgen die stap zou kunnen hebben. Of
zij oogenblikkelijk met pak en zak zou opbreken en naar Lady Scadgers
gaan, of dat zij hardnekkig weigeren zou het huis te verlaten; of zij
zou jammeren en schelden, schreien of uitvaren; of het haar het hart
zou breken, dan of zij den spiegel zou stuk slaan; mijnheer Bounderby
was niet in staat om er iets van te berekenen. Evenwel, daar het
moest gedaan worden, bleef hem geene andere keus dan het maar te doen:
en nadat hij verscheidene malen had beproefd een brief te schrijven
en dit hem telkens mislukt was, besloot hij het mondeling te wagen.
Onderweg naar huis, op den avond die tot dat gewichtig doel was
uitgekozen, nam hij de voorzorg van bij een apotheker aan te gaan en
een fleschje allersterkste spiritus te koopen. "Waarachtig," dacht
mijnheer Bounderby, "als zij aan het flauwvallen verkiest te gaan,
zal ik haar toch het vel van den neus branden." Doch, niettegenstaande
hij zich aldus had gewapend, trad hij met eene alles behalve moedige
houding zijn huis binnen, en verscheen voor het voorwerp van zijn
vreesachtig wantrouwen met het voorkomen van een hond, die bewust is
dat hij zoo pas uit de etenskast komt.
"Goedenavond, mijnheer Bounderby."
"Goedenavond, juffrouw, goedenavond."
Hij schoof zijn stoel bij, en mevrouw Sparsit schoof den haren
achteruit, als wilde zij zeggen: "Het is uw haard, mijnheer. Dat
geef ik gewillig toe. Gij kunt hem geheel in beslag nemen, als het
u zoo belieft."
"Verhuis maar niet naar de noordpool, juffrouw," zeide mijnheer
Bounderby.
"Wel verplicht, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit en schoof weder
bij, hoewel niet zoo dicht als te voren.
Mijnheer Bounderby bleef naar haar zitten kijken, terwijl zij met de
punt eener scherpe, spitse schaar gaatjes in een lap kamerdoek stak,
die op eene of andere onverklaarbare manier tot sieraad moest dienen;
een werk, dat met de donkere oogen en den arendsneus in verband
gebracht, aan een havik deed denken, die een klein vogeltje de oogen
uitpikte. Zij vestigde zoozeer hare aandacht op deze bezigheid, dat
er vele minuten verliepen eer zij van haar werk opkeek; toen zij dit
eindelijk deed, verzocht mijnheer Bounderby, met eene zenuwachtige
beweging van zijn hoofd, om hare opmerkzaamheid.
"Mevrouw Sparsit," zeide mijnheer Bounderby, zijne handen in zijne
zakken stekende, en zich met zijne rechterhand verzekerende of de kurk
van het fleschje gemakkelijk losging. "Ik behoef u niet te zeggen,
dat gij niet alleen eene geborene dame, maar ook eene drommels
verstandige vrouw zijt."
"Mijnheer," antwoordde de dame, "het is waarlijk de eerste maal niet,
dat ge mij met dergelijke uitdrukkingen van uwe goede meening hebt
vereerd."
"Mevrouw Sparsit," hervatte mijnheer Bounderby. "Ik zal u eens doen
verbazen."
"Zoo, mijnheer?" antwoordde mevrouw Sparsit vragenderwijs en op den
bedaardst mogelijken toon. Zij droeg gewoonlijk mofjes, en legde nu
haar werk neer en streek die mofjes glad.
"Juffrouw," vervolgde mijnheer Bounderby, "ik zal met Tom Gradgrind's
dochter gaan trouwen."
"Zoo, mijnheer?" antwoordde mevrouw Sparsit. "Dan hoop ik dat gij
gelukkig zult wezen. Waarlijk, ik hoop, dat gij gelukkig zult wezen,
mijnheer!" Zij zeide dit met zooveel nederbuigende goedheid en zooveel
medelijden voor hem, dat mijnheer Bounderby--veel meer ontsteld,
dan wanneer zij haar werkdoosje naar den spiegel had gesmeten, of op
het haardkleedje was flauw gevallen--de kurk van het fleschje in zijn
zak stijf vastduwde en dacht:
"Dat drommelsche wijf! Wie zou gedacht hebben, dat zij het zóó zou
opnemen?"
"Ik wensch met al mijn hart, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit, op
een toon van hooge meerderheid (want zij scheen, hoe dan ook, in een
oogenblik het recht te hebben verkregen om hem voortaan ten diepste
te beklagen), "dat gij in alle opzichten zeer gelukkig zult zijn."
"Wel, juffrouw," antwoordde mijnheer Bounderby, met zekere geraaktheid
in zijn toon, die echter, hoewel zijns ondanks, aanmerkelijk lager
werd; "ik ben u zeer verplicht. Ik hoop het ook."
"Doet ge, mijnheer?" zeide mevrouw Sparsit met buitengemeene
vriendelijkheid. "Maar dat is natuurlijk. Het spreekt vanzelf, dat
gij het doet."
Er volgde eene stilte, die voor mijnheer Bounderby zeer lastig
was. Mevrouw Sparsit nam zeer bedaard haar werk weder op en liet
nu en dan een kuchje hooren, waaruit de bewustheid van overmacht en
goedertierenheid scheen te klinken.
"Wel, juffrouw," hervatte mijnheer Bounderby, "onder deze
omstandigheden verbeeld ik mij, dat het voor iemand van uw karakter
niet aangenaam zou zijn om hier in huis te blijven, hoewel gij hier
zeer welkom zoudt zijn."
"O Heere, neen, mijnheer, daaraan zou ik nooit kunnen denken!"
Mevrouw Sparsit schudde zeer deftig haar hoofd en veranderde het
kuchje een weinig--nu zóó kuchende alsof de geest der profetie in
haar opsteeg, maar liever gesmoord moest worden.
"Evenwel, juffrouw," zeide mijnheer Bounderby, "er zijn aan het kantoor
nog kamers open. Eene geborene dame daar tot huishoudster te hebben,
zou eene soort van recommandatie zijn; en als dezelfde condities..."
"Ik verzoek wel verschooning, mijnheer. Gij zijt zoo goed geweest mij
te beloven, dat gij altijd de uitdrukking van jaarlijksch compliment
zoudt bezigen."
"Welnu dan, juffrouw, jaarlijksch compliment. Als hetzelfde
jaarlijksche compliment u voldoende mocht zijn, dan zie ik geene
reden waarom wij zouden scheiden, of gij moest dat willen."
"Mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "dat is een voorstel, waarin
ik uwe gewone manier van handelen herken; en als de positie, die ik
aan het kantoor zal verkrijgen, zoodanig is, dat ik die kan aannemen
zonder tot een lager trap in de maatschappij te dalen..."
"O, dat spreekt vanzelf," zeide Bounderby. "Als het zoo niet was,
juffrouw, denkt gij dan dat ik ze zou aanbieden aan eene dame, die
in de kringen heeft verkeerd, waarin gij verkeerd hebt? Niet dat ik
om zulke kringen geef, dat weet gij. Maar gij doet het wel."
"Ge zijt zeer beleefd, mijnheer Bounderby."
"Gij zult uwe eigene kamers hebben, en uwe steenkolen en kaarsen
en dat alles, en gij zult eene meid hebben om u te bedienen, en een
kantoorknecht, die in huis slaapt tot uwe veiligheid, en gij zult een
leventje hebben, dat ik zoo vrij ben voor een heerlijk, gemakkelijk
leventje te houden," zeide Bounderby.
"Zeg niets meer, mijnheer," hervatte mevrouw Sparsit. "Als ik mijn
post hier verlaat, zal ik niet bevrijd zijn van de noodzakelijkheid
om het brood der afhankelijkheid te eten;" zij had wel mogen zeggen
de bestellen der afhankelijkheid, want dat fijne gebak met eene
lekkere bruine saus was haar geliefkoosd avondmaal; "en ik wilde dat
liever uit uwe hand ontvangen, dan uit eene andere. Ik neem dus uw
aanbod met dankbaarheid aan, mijnheer, en betuig u mijne oprechte
erkentelijkheid voor uwe vroegere gunsten. En ik hoop, mijnheer,"
zoo besloot zij op een deftig medelijdenden toon, "ik hoop hartelijk,
dat Miss Gradgrind alles mag wezen wat gij verwacht en verdient!"
Niets was verder in staat om mevrouw Sparsit uit deze stemming te
brengen. Het was vruchteloos, dat mijnheer Bounderby snoefde of
zich op zijne opvliegende manier liet gelden; mevrouw Sparsit had
zich voorgenomen medelijden met hem te hebben als een ongelukkig
slachtoffer. Zij was beleefd, oplettend, opgeruimd en gemoedelijk;
maar hoe beleefder, oplettender, opgeruimder en gemoedelijker zij
was, des te ongelukkiger slachtoffer was hij. Zij had zulk een teeder
medelijden met zijn droevig lot, dat zijn groot rood gezicht in een
koud zweet uitbrak als zij hem maar aanzag.
Intusschen werd er bepaald, dat het huwelijk over acht weken zou
worden voltrokken, en elken avond ging mijnheer Bounderby als
erkend minnaar naar Stone Lodge. Zijne vrijage had den vorm van
braceletten, en nam gedurende de bruidsdagen bij alle gelegenheden
een fabriekmatig voorkomen aan. Er werden kleedjes gefabriceerd,
kleinooden gefabriceerd, taarten en handschoenen gefabriceerd,
huwelijksvoorwaarden gefabriceerd--een geheel assortiment van feiten
deed het contract eene gepaste eer aan. De zaak was geheel prozaïsch
van het begin tot het einde. De uren maakten geen van die rooskleurige
kunstjes, welke dwaze poëten hun in zulke dagen hebben toegeschreven;
en de klokken liepen, ook niet sneller of langzamer dan in ieder
ander tijdperk. De statistieke tijdmeter in het observatorium van
mijnheer Gradgrind bleef elke seconde, die geboren werd, met zijne
gewone regelmatigheid op den kop tikken en begraven.
Zoo kwam de dag, gelijk alle andere dagen komen voor menschen, die
zich maar bij het gezond, verstand houden; en toen hij kwam, werden
in de kerk met de geornamenteerde houten beenen Josiah Bounderby
Esquire van Coketown, en Louisa, oudste dochter van Thomas Gradgrind
Esquire van Stone Lodge, lid van het Parlement voor genoemde stad,
met elkander getrouwd. En toen zij in den heiligen echt vereenigd
waren, begaven zij zich naar Stone Lodge om te ontbijten.
Er was bij die heilspellende gelegenheid een gezelschap van wel
onderwezen lieden verzameld, die wisten waarvan alles wat zij te eten
en te drinken kregen gemaakt was, en hoe het ingevoerd of uitgevoerd
werd, in welke hoeveelheden én welke bodems, en of het inlandsch of
buitenlandsch product was, en zoo voorts. De speelnootjes der bruid,
zelfs tot aan de kleine Jane Gradgrind toe, hadden gevoeglijk met den
vermaarden kleinen rekenmeester, die een jeugdig wonder van aangeboren
rekentalent was, gepaard kunnen worden; en niemand van het gezelschap
had eenige malligheid over zich.
Na het déjeuné sprak de bruidegom de gasten met de volgende woorden
aan:
"Heeren en dames, ik ben Josiah Bounderby van Coketown. Daar gij
mijne vrouw en mij de eer hebt bewezen van op onze gezondheid en geluk
te drinken, vermeen ik u daarvoor te moeten dankzeggen; hoewel gij,
die mij allen kent en weet wie ik ben, geene mooie redevoering zult
verwachten van een man die, als hij een paal ziet, zegt: "dat is een
paal," en als hij eene pomp ziet, zegt: "dat is eene pomp," en er niet
toe te krijgen is om den paal eene pomp of de pomp een paal, of een van
beide een tandenstoker te noemen. Als gij van morgen eene redevoering
wilt hebben, mijn vriend en schoonvader, Tom Gradgrind, is lid van het
Parlement, en dus weet gij waar gij terecht kunt komen. Ik ben uw man
niet. Evenwel, als ik mij eenigszins onafhankelijk gevoel, wanneer ik
vandaag deze tafel rondzie, en bedenk hoe weinig ik er aan dacht om Tom
Gradgrind's dochter te trouwen, toen ik nog een havelooze straatjongen
was, die nooit zijn gezicht waschte of het was op straat aan eene pomp,
en dat niet meer dan eens om de veertien dagen, hoop ik dat men mij
verontschuldigen zal. Ik hoop dus dat het u niet mishaagt, dat ik mij
onafhankelijk gevoel; zoo ja, dan kan ik het niet helpen. Ik gevoel
mij toch onafhankelijk. Nu heb ik er van gesproken, en gij hebt er van
gesproken, dat ik vandaag met Tom Gradgrind's dochter ben getrouwd. Ik
ben zeer blij, dat het zoo is. Het is lang mijn wensch geweest dat het
eens zoo wezen zou. Ik heb hare opvoeding gadegeslagen, en ik geloof,
dat zij mijner waardig is. Tegelijkertijd--om er maar geen doekjes
om te winden--geloof ik, dat ook ik harer waardig ben. Ik dank u dus
in ons beider naam voor de welwillendheid, die gij ons bewezen hebt,
en de beste wensch, dien ik voor het ongetrouwde gedeelte van het
aanwezige gezelschap kan uitbrengen, is deze: ik hoop, dat ieder
ongetrouwd vrijer zulk eene goede vrouw mag vinden als ik gevonden
heb. En ik hoop, dat elke ongetrouwde vrijster zulk een goed man mag
vinden als mijne vrouw heeft gevonden."
Kort na deze redevoering--want men zou een bruiloftstoertje naar
Lyons doen, dewijl mijnheer Bounderby de gelegenheid wilde waarnemen,
om te zien hoe de fabrieksarbeiders het in die streken maakten,
en of zij ook met gouden lepels wilden gevoerd worden--begaf het
gelukkige paar zich naar den spoorweg. Toen de bruid, voor de reis
gekleed, de trap afkwam, vond zij Tom naar haar staan wachten, met
een gloeiend rood gezicht, hetzij van aandoening of van den wijn,
dien hij onder het déjeuné had gedronken.
"Welk eene cordate meid zijt ge toch, en welk eene allerbeste zuster,
Louisa!" fluisterde Tom.
Zij sloot hem in hare armen, gelijk zij dien dag een wezen van veel
beter aard in hare armen had moeten sluiten, en voor de eerste maal
scheen hare strakke bedaardheid eenigszins geschokt te worden.
"Oude Bounderby is al klaar," zeide Tom. "Het is tijd. Goedendag. Ik
zal naar u staan uitkijken, als ge terugkomt. Zeg eens, lieve Louisa,
is dat nu niet razend prettig!"
TWEEDE BOEK, MAAIEN.
XVII.
KANTOORZAKEN.
Een zonnige zomerdag. Zoo iets had men somtijds zelfs te Coketown.
Bij zulk weder, op een afstand gezien, lag Coketown in een
eigenaardigen damp verscholen, die voor de zonnestralen ondoordringbaar
scheen. Men wist alleen dat de stad daar lag, omdat men wist dat
er zonder stad niet zulk een vuile vlek op het vergezicht had
kunnen zijn--een veeg van roet en rook, die ongeregeld nu naar den
eenen, dan naar den anderen kant afdreef, nu eerzuchtig naar het
hemelgewelf opsteeg, dan groezelig langs de aarde kroop, naarmate de
wind aanwakkerde of verflauwde, of naar eene andere streek omliep;
eene dichte, vormlooze dwarrelwolk, met flikkerende lichtstralen er
dwars doorheen, die echter niets dan massa's van duisternis zichtbaar
maakten.--Zóó deed Coketown zich op een afstand herkennen, al was er
nog geen steen van te zien.
Het verwonderlijkste was, dat de stad nog bestond. Zij was reeds zoo
dikwijls geruïneerd, dat men zich moest verbazen, hoe zij zoovele
schokken had doorgestaan. Zeker was er nooit brozer porselein dan dat,
waarvan de fabrikanten van Coketown gemaakt waren. Men behoefde hen
maar even aan te tasten, en zij vielen zoo gemakkelijk in stukken, dat
men wel vermoeden kon dat zij vroeger al gekraakt waren. Zij werden
geruïneerd, als men van hen vorderde dat zij de arbeidende kinderen
naar school zouden zenden; zij werden geruïneerd als er inspecteurs
werden aangesteld om toezicht in hunne fabrieken te houden; zij werden
geruïneerd, wanneer zulke inspecteurs het voor twijfelachtig hielden of
de eigenaars wel recht hadden om menschen tusschen hunne machinerie te
laten klein-malen; zij werden geheel in den grond geboord, als men er
een wenk van gaf, dat zij misschien niet altijd zooveel rook behoefden
te maken. Behalve mijnheer Bounderby's gouden lepel, waaraan men in
Coketown algemeen geloofde, was nog eene andere fictie daar zeer in
zwang. Deze had den vorm van een dreigement. Wanneer een Coketowner
fabrikant begreep, dat hij mishandeld werd--dat is te zeggen, wanneer
men hem niet geheel en al zijn eigen weg liet gaan en er over sprak
om hem voor de gevolgen van sommige zijner bedrijven verantwoordelijk
te stellen--kwam hij steeds met het geduchte dreigement voor den dag,
dat hij "veel liever al zijn eigendom in de zee wilde smijten." Dit had
den minister van binnenlandsche zaken bij verschillende gelegenheden
een doodschrik op het lijf gejaagd.
Evenwel waren de Coketowners toch zoo vaderlandslievend, dat zij
nog nooit hun eigendom in de zee hadden gesmeten, maar integendeel
vriendelijk genoeg waren geweest om er zeer goed op te passen. Zoo lag
daar nog de stad in gindschen damp; en zij werd al grooter en grooter.
De straten waren op dien zomerdag heet en stofferig, en de zon was zoo
helder, dat zij zelfs door den dikken nevel, die over Coketown hing,
heen scheen en men haar niet strak kon aanzien. De stokers kwamen
uit lage deuren onder den grond de fabriekwerven op, en zaten op
trappen, palen en staketsels hunne zwarte gezichten af te vegen en
naar de hoopen steenkool te turen. De geheele stad scheen in olie te
braden. Overal heerschte een verstikkende reuk van heete olie. De
stoommachines blonken er van, de kleederen der arbeiders waren er
mede besmeerd, en door al de talrijke verdiepingen der fabriekgebouwen
sijpelde en druppelde zij heen. De dampkring dier Tooverpaleizen geleek
naar den adem van den Simoum; en hunne bewoners, smeltende van hitte,
sloofden in de woestijn kwijnend voort. Doch geen warmtegraad maakte
de zwaarmoedige olifanten razender of stiller. Hunne vervelende koppen
gingen, in warm en koud, in nat en droog, in fraai en slecht weder,
op dezelfde maat op en neer. De afgemetene beweging hunner schaduwen op
de muren was het surrogaat, dat Coketown voor de schaduw van ritselende
boschjes kon vertoonen; terwijl het voor het zomergegons der insecten,
het geheele jaar door, van den dageraad van maandag tot den avond
van zaterdag, het snorren van spillen en raderen kon aanbieden.