tip van haar doek in zijne hand, en de woorden van berisping stierven
op hare lippen, toen zij in zijne trekken zijne ontroering opmerkte.
"Ik kwam wanhopig naar huis. Ik kwam naar huis zonder eenige hoop, en
dol van de gedachte, dat ik voor een onredelijk onvergenoegd mensch
werd gehouden, als ik maar een enkel woord klaagde. Ik zeide u, dat
ik een schrik had gehad. Dat was de flesch met vergif op de tafel. Ik
heb nog nooit een levend wezen kwaad gedaan; maar toen ik dat zoo kort
daarop zag, dacht ik: Hoe kan ik zeggen wat ik mij zelven, of haar,
of ons beiden had kunnen doen?"
Zij legde, met een gezicht vol schrik, hare beide handen op zijn
mond om hem te beletten iets meer te zeggen. Hij vatte hare handen
met de hand, die hij vrij had, en terwijl hij nog den rand van haar
doek vasthield, vervolgde hij haastig:
"Maar ik zag u zoo bij het bed zitten, Rachel. Ik heb u dezen geheelen
nacht gezien. In mijn onrustigen slaap wist ik toch, dat gij daar nog
waart. Altijd zal ik u daar zoo zien. Nooit zal ik haar meer zien of
om haar denken, of gij zult naast haar wezen. Ik zal nooit iets zien
of om iets denken, dat mij kwaad maakt, of gij, die zooveel beter
zijt dan ik, zult er naast wezen. En zoo zal ik mijn best doen om te
wachten naar den tijd, en op dien tijd vertrouwen, wanneer gij en ik
eindelijk vereenigd zullen zijn ver van hier, aan den overkant van
die diepe kloof, in het land waar uw zusje nu al is."
Hij kuste nog eens den rand van haar doek en liet haar gaan. Zij
wenschte hem met eene haperende stem goedennacht en ging de straat op.
De wind waaide met kracht van den kant waar spoedig de dag zou
aanbreken. De lucht was aan dien kant opgehelderd, en de regenwolken
hadden zich geledigd of waren verder gedreven. Hij stond blootshoofds
op straat en zag haar na tot zij verdween. Gelijk de helder blinkende
sterren bij de duister brandende kaars voor het venster, zoo was
Rachel, voor de onbeschaafde verbeelding van dien man, bij de gewone
ervaring van zijn leven.
XIV.
DE GROOTE FABRIKANT.
De tijd liep te Coketown voort gelijk eene machine in eene
fabriek:--zóóveel grondstof verwerkt, zóóveel brandstof verteerd,
zóóveel kracht versleten en zóóveel geld gewonnen. Doch minder
onbarmhartig dan ijzer, staal en koper, bracht die tijd ook de
afwisselende jaargetijden mede, zelfs in die woestenij van rook
en baksteenen, en hij alleen bestond den kamp tegen de akelige
eentonigheid, die de stad beheerschte.
"Louisa wordt haast een volwassen meisje," zeide mijnheer Gradgrind.
De tijd, met zijne onberekenbare paardekracht, werkte voort, zonder
er zich aan te storen wat iemand zeide, en weldra bleek het dat de
jonge Thomas een voet langer was dan de laatste maal toen zijn vader
bijzonder op hem had gelet.
"Thomas," zeide mijnheer Gradgrind, "wordt haast een volwassen
jongmensch."
De tijd werkte aan Thomas voort, terwijl zijn vader er over dacht,
en daar stond hij, met zijn rok met lange panden en stijve boordjes.
"Waarlijk," zeide mijnheer Gradgrind, "het is tijd geworden dat Thomas
naar Bounderby behoort te gaan."
De tijd bleef met Thomas bezig, schoof hem voort in Bounderby's
kantoor, maakte hem een bewoner van Bounderby's huis, noodzaakte hem
tot het koopen van zijn eerste scheermes en oefende hem vlijtig in
zijne berekeningen betrekkelijk nommer een.
Dezelfde groote fabrikant, altijd met eene ontzaglijke verscheidenheid
van werk onderhanden, bleef ook met Sissy bezig en maakte haar waarlijk
tot een heel aardig dingetje.
"Ik vrees, Jupe," zeide mijnheer Gradgrind, "dat het nutteloos zou
zijn u langer te laten schoolgaan."
"Dat vrees ik ook, mijnheer," antwoordde Sissy, voor hem nijgende.
"Ik kan het u niet ontveinzen, Jupe," hervatte mijnheer Gradgrind,
zijn voorhoofd fronsende, "dat de uitslag van uw proeftijd op school
mij teleurgesteld heeft--mij grootelijks teleurgesteld heeft. Gij
hebt onder mijnheer en mevrouw Choakumchild lang niet zoovele
nuttige kundigheden verkregen als ik verwacht had. Gij zijt nog zeer
achterlijk in de kennis van feiten, en uwe wetenschap van cijfers is
zeer beperkt. Gij zijt over het geheel zeer achterlijk en staat lang
niet met anderen gelijk."
"Het spijt mij zeer, mijnheer," antwoordde zij; "maar ik weet wel, dat
het de waarheid is. En toch heb ik mij veel moeite gegeven, mijnheer."
"Ja," zeide mijnheer Gradgrind, "ja, ik geloof wel dat gij u veel
moeite hebt gegeven. Ik heb op u gelet en ik kan in dat opzicht niet
over u klagen."
"Ik dank u wel, mijnheer. Maar ik heb wel eens gedacht" (Sissy sprak
nu zeer schroomvallig) "dat ik misschien al te veel poogde te leeren,
en dat, als ik vergunning had gevraagd om het met wat minder te
beproeven, ik misschien..."
"Neen, Jupe, neen," zeide mijnheer Gradgrind, op zijne diepzinnigste
en stelligste manier zijn hoofd schuddende. "Neen. De cursus, dien gij
hebt gevolgd, was naar het systeem ingericht--naar het systeem--en
daarop is dus niets te zeggen. Ik kan alleen onderstellen, dat de
vroegere omstandigheden van uw leven al te ongunstig waren voor de
ontwikkeling uwer redelijke vermogens, en dat wij te laat begonnen
zijn. Maar toch, gelijk ik reeds gezegd heb, ik ben teleurgesteld."
"Ik wenschte, dat ik meer erkentelijkheid had kunnen bewijzen,
mijnheer, voor uwe goedheid voor een arm, ongelukkig, meisje, dat
geene aanspraak op uwe bescherming had."
"Schrei maar niet," zeide mijnheer Gradgrind. "Schrei maar niet. Ik
klaag niet over u. Gij zijt een goed, ijverig en hartelijk meisje,
en--en daarmede moeten wij maar tevreden zijn."
"Ik dank u wel, mijnheer, dat ge dit zegt," zeide Sissy met werkelijke
dankbaarheid en ootmoedig voor hem nijgende.
"Gij zijt nuttig bij mevrouw Gradgrind, en gij zijt ook (zoo in het
algemeen) aan de familie van dienst; zoo hoor ik van Miss Louisa, en
ik heb het ook zelf opgemerkt. Ik hoop dus," ging mijnheer Gradgrind
voort, "dat gij u in deze betrekkingen kunt tevreden stellen en
vergenoegd zijn."
"Ik zou niets meer te wenschen hebben, mijnheer, als..."
"Ik begrijp u," zeide mijnheer Gradgrind, "gij doelt weer op uw
vader. Ik heb van Miss Louisa gehoord, dat gij nog altijd dat fleschje
bewaart. Nu, als uwe opleiding in de redeneerkunde beter geslaagd was,
zoudt gij in dit opzicht wijzer zijn geweest. Ik wil er niets meer
van zeggen."
Hij hield inderdaad te veel van Sissy om verachting voor haar te
koesteren; anders hield hij haar redeneervermogen voor zoo uiterst
gering, dat hij tot die gevolgtrekking had moeten geraken. Hij was,
hoe dan ook, op het denkbeeld gekomen, dat dit meisje iets in zich had,
dat moeielijk in eene tabel gebracht kon worden. Hare vatbaarheid
voor definitiën kon men gemakkelijk als zeer gering opgeven; hare
mathematische kundigheden als nul; en toch twijfelde hij er aan, of
hij, indien hij haar bij voorbeeld in de kolommen eener statistieke
opgaaf had moeten becijferen, wel recht zou geweten hebben, onder
welke hoofden hij haar moest verdeelen.
Op sommige trappen van zijn fabriekarbeid met den mensch werkt de tijd
zeer snel voort; en daar de jonge Thomas en Sissy zich juist op zulk
een trap bevonden, werden deze snelle veranderingen in een jaar of twee
bij hen tot stand gebracht, terwijl mijnheer Gradgrind zelf op zijne
baan scheen te blijven stilstaan en geene verandering onderging--ééne
uitgezonderd, die echter met zijne overige noodzakelijke bewerking
in de fabriek des tijds in geen verband stond. De tijd stopte hem in
eene kleine, veel gerucht makende en tamelijk smerige machine, die
in een hoek achteraf stond, en maakte hem tot lid van het Parlement
voor Coketown: tot een der hooggeachte vertegenwoordigers van maten,
gewichten en cijfers, een dier honourable gentlemen, die voor alle
andere dingen doof, stom, blind, lam en dood zijn. Waarvoor leven
wij ook anders in een Christelijk land, achttienhonderd en ettelijke
jaren na onzen Meester?
Al dien tijd was Louisa blijven voortleven zoo stil en afgetrokken,
zoo gewend om in de schemering naar de gloeiende vonken te turen, die
door den haardrooster vielen en in de asch wegstierven, dat zij van
den dag af, toen haar vader had gezegd, dat zij haast een volwassen
meisje werd--en dit scheen pas gisteren te zijn geweest--nauwelijks
zijne aandacht wederom getrokken had, tot hij bevond dat zij geheel
een volwassen meisje was geworden.
"Geheel een volwassen meisje," zeide mijnheer Gradgrind
peinzende. "Wel, wel!"
Kort na deze ontdekking werd hij eenige dagen lang meer nadenkend dan
gewoonlijk, en scheen hij zich geheel in één onderwerp te verdiepen. Op
zekeren avond toen hij uitging en Louisa vóór zijn vertrek goedennacht
kwam zeggen--daar hij eerst laat zou thuis komen en zij hem niet voor
den volgenden ochtend zou terugzien--sloot hij haar in zijne armen,
zag haar op zijne vriendelijkste manier aan, en zeide:
"Mijne lieve Louisa, gij zijt nu eene volwassene vrouw."
Zij antwoordde met den scherpen, uitvorschenden blik van dien avond,
toen zij bij het paardenspel werd betrapt. Daarna sloeg zij hare
oogen neer en zeide: "Ja, vader."
"Kindlief," hervatte mijnheer Gradgrind, "ik moet eens alleen en
ernstig met u spreken. Kom morgenochtend na het ontbijt in mijne
kamer. Zult gij?"
"Ja, vader."
"Uwe handen zijn eenigszins koud, Louisa. Zijt gij niet wel?"
"Heel wel, vader."
"En vroolijk?"
Zij zag hem weder aan en glimlachte op hare eigenaardige manier. "Ik
ben zoo vroolijk, vader, als ik gewoonlijk ben, of gewoonlijk ben
geweest."
"Dat is goed," zeide mijnheer Gradgrind.
Zoo gaf hij haar een kus en ging heen, en Louisa keerde terug naar het
vroolijke vertrek, dat zoo naar de kamer van een haarsnijder geleek,
liet haar elleboog in hare hand rusten en tuurde weder naar de vonken,
die zoo kort leefden en zoo spoedig tot asch werden.
"Zijt gij daar, Louisa?" zeide haar broeder, zijn hoofd binnen de
deur stekende. Hij was nu een echte lichtmis geworden en niet zeer
innemend van voorkomen en manieren.
"Beste Tom!" antwoordde zij, terwijl zij opstond en hem
omhelsde. "Hoelang is het geleden, dat ge mij niet eens hebt
opgezocht?"
"Och, 's avonds heb ik andere dingen te doen, en over dag houdt oude
Bounderby mij tamelijk vast. Maar ik maak hem bang met u, als hij te
lastig wordt, en zoo blijven wij op een goeden voet. Zeg eens! Heeft
vader u vandaag of gisteren iets bijzonders gezegd, Louisa?"
"Neen, Tom. Maar van avond heeft hij mij gezegd, dat hij dat
morgenochtend wilde doen."
"Juist! Dat is het wat ik meen," zeide Tom. "Weet gij wel waar hij
van avond heen is?" En daarbij zette hij een zeer slim gezicht.
"Neen!"
"Dan zal ik het u zeggen. Hij is naar ouden Bounderby. Zij hebben
eene ernstige onderhandeling aan het kantoor. En waarom aan het
kantoor zoudt ge denken? Wel, dat kan ik u ook zeggen. Om de ooren
van mevrouw Sparsit op een goeden afstand te houden, geloof ik."
Met hare hand op haar broeders schouder bleef Louisa in het vuur staan
turen. Haar broeder zag haar met meer belangstelling dan gewoonlijk
in de oogen, sloeg zijn arm om haar middel en trok haar liefkoozend
naar zich toe.
"Gij houdt veel van mij, niet waar, Louisa?"
"Dat doe ik waarlijk, Tom, hoewel gij zulk een langen tijd laat
verloopen, zonder mij eens te komen zien."
"Wel, zusje," hervatte Tom, "als gij dat zegt, zijt ge niet ver van
mijne gedachten. Wij zouden veel meer bij elkander kunnen wezen,
niet waar? Het zou mij veel goed doen, als gij besluiten kondt tot
iets dat ik weet, Louisa. Het zou een heerlijk ding voor mij zijn. Het
zou allerpleizierigst voor mij wezen."
Haar peinzenden blik verijdelde zijne listige nasporing. Hij kon uit
haar gezicht niets opmaken. Hij drukte haar in zijn arm en gaf haar
een kus op de wang. Zij beantwoordde den kus, maar bleef nog naar
het vuur staren.
"Zeg eens, Louisa. Ik dacht dat ik eens moest aankomen en u even
een wenk geven van wat er omgaat; hoewel ik dacht, dat gij het wel
raden zoudt, al wist gij het niet zeker. Ik kan niet blijven, omdat
ik van avond afspraak heb met eenige vrienden. Gij zult niet vergeten
hoeveel gij van mij houdt?"
"Neen, lieve Tom, dat zal ik niet vergeten."
"Gij zijt een best meisje," zeide Tom. "Goedennacht, Louisa."
Zij wenschte hem hartelijk een goedennacht en ging met hem naar de
deur, waar men de fornuizen van Coketown kon zien, die den hemel in
de verte met een rooden gloed kleurden. Zij bleef daar staan, strak
naar dat licht starende en naar zijne voetstappen luisterende. Zij
verwijderden zich snel, alsof hij blijde was dat hij Stone Lodge
achter den rug had; en zij bleef nog daar staan toen zij niets meer
hoorde. Het scheen alsof zij, eerst in het vuur in haar eigen huis, en
toen in den vurigen nevel in de verte, poogde te ontdekken, welk soort
van webbe de oude Tijd, de grootste en langst gevestigde fabrikant van
allen wel weven zou van de draden, die hij reeds tot eene volwassene
vrouw gesponnen had. Maar zijne fabriek is eene geheime plaats,
zijn werk maakt geen gerucht en zijne arbeiders zijn stom.
XV.
VADER EN DOCHTER.
Hoewel mijnheer Gradgrind niet naar Blauwbaard aardde, had men zijne
kamer toch wel de blauwe kamer mogen noemen, zulk eene menigte van
blauwe boeken (de welbekende Parlements-rapporten met hunne blauwe
omslagen) lag daar altijd voor de hand. Wat deze blauwe boeken maar
konden bewijzen (en gewoonlijk is dit al wat men maar wil), bewezen zij
daar in een leger, dat gedurig door de aankomst van nieuwe recruten
werd versterkt. In dat betooverde vertrek werden de ingewikkeldste
maatschappelijke quaestiën becijferd, tot juiste totale sommen gebracht
en voorgoed afgedaan--als zij, die er in betrokken waren, het maar
hadden willen gelooven. Alsof men een sterrenkundig observatorium
zonder vensters had gemaakt, en de sterrenkundige daarbinnen het
sterrenheelal enkel met pen, papier en inkt naar zijn zin in orde
had gebracht, zoo behoefde mijnheer Gradgrind in zijn observatorium
(en er zijn vele dergelijke) geen oog te werpen op de door elkander
wemelende millioenen van menschelijke wezens om hem heen, maar kon
al hunne aangelegenheden op een lei uitcijferen en al hunne tranen
met een vochtig stukje spons wegvegen.
Naar dit observatorium dus--een sombere kamer, met eene doodelijke
statistieke klok er in, die elke seconde aftelde met een tik,
alsof men op het deksel eener doodkist klopte--begaf zich Louisa op
den bepaalden ochtend. Het venster zag naar Coketown uit; en toen
zij zich aan de tafel van haar vader neerzette, zag zij de hooge
schoorsteenen en de lange rookwimpels, die in de benevelde lucht
zwaarmoedig voortkronkelden.
"Lieve Louisa," zeide haar vader, "ik heb er u gisteren op voorbereid
om mij uwe ernstige aandacht te verleenen onder het gesprek, dat wij nu
met elkander zullen houden. Gij zijt zoo wel onderwezen, en gij doet,
tot mijn genoegen, zooveel eer aan de opvoeding, die gij ontvangen
hebt, dat ik het volste vertrouwen stel in uw gezond verstand. Gij
zijt niet hartstochtelijk, gij zijt niet romanesk; gij zijt gewend om
alles uit het onpartijdig en onbevooroordeeld oogpunt van redeneering
te beschouwen. Uit dat oogpunt alleen, weet ik wel, dat gij datgene,
wat ik u nu ga mededeelen, zult beschouwen en overwegen."
Hij wachtte alsof hij gaarne had gewild dat zij iets zeide; maar zij
sprak geen woord.
"Louisa, kindlief, gij zijt het onderwerp van een huwelijksvoorstel,
dat mij gedaan is."
Wederom wachtte hij, en wederom antwoordde zij geen enkel
woord. Dit verraste hem zoozeer, dat hij zachtjes herhaalde: "Een
huwelijksvoorstel, kindlief." Waarop zij, zonder eenige zichtbare
aandoening hoegenaamd, antwoordde:
"Ik hoor u wel, vader. Ik luister met aandacht, dat verzeker ik u."
"Wel!" zeide mijnheer Gradgrind, tot een glimlach overgaande,
nadat hij een oogenblik verlegen had gestaan, "gij zijt nog minder
hartstochtelijk dan ik verwacht had, Louisa. Of misschien zijt gij
niet onvoorbereid op het bericht, dat ik belast ben u te geven?"
"Dat kan ik niet zeggen, vader, eer ik het hoor. Voorbereid of niet,
ik wensch het alles van u te hooren. Ik wensch het u te hooren
uiteenzetten, vader."
Hoe vreemd het luidde, mijnheer Gradgrind was op dit oogenblik niet zoo
bedaard als zijne dochter. Hij nam een papiermes in de hand, draaide
het om en om, legde het neer, nam het weer op, en moest het toen nog
een poos bekijken, terwijl hij zich bedacht hoe hij zou voortgaan.
"Wat gij zegt, Louisa, is volkomen redelijk en billijk. Ik heb op
mij genomen u te doen weten, dat--dat mijnheer Bounderby mij kennis
heeft gegeven, dat hij uwe ontwikkeling langen tijd met bijzondere
belangstelling en genoegen heeft gadegeslagen, en lang gehoopt heeft,
dat eindelijk de tijd zou komen, wanneer hij u zijne hand ten huwelijk
zou kunnen aanbieden. Die tijd, dien hij zoolang, en voorzeker met
groote standvastigheid, heeft afgewacht, is nu gekomen. Mijnheer
Bounderby heeft mij zijn huwelijksvoorstel gedaan, en hij heeft
mij verzocht het u mede te deelen en zijne hoop te kennen te geven,
dat gij het in gunstige overweging zult nemen."
Beiden zwegen--het tikken der doodelijk-statistieke klok klonk luid
en hol--de rook in de verte dwarrelde woest en zwart.
"Vader," zeide Louisa, "denkt gij, dat ik mijnheer Bounderby liefheb?"
Mijnheer Gradgrind werd door deze onverwachte vraag zeer uit het
veld geslagen.
"Wel, mijn kind," antwoordde hij, "dat zou ik--waarlijk niet durven
zeggen."
"Vader," hervatte Louisa, met juist dezelfde stem als te voren,
"eischt ge van mij, dat ik mijnheer Bounderby zal liefhebben?"
"Neen, lieve Louisa, neen, ik eisch niets."
"Vader," hernam zij weder, "eischt mijnheer Bounderby, dat ik hem
zal liefhebben?"
"Inderdaad, melieve," antwoordde mijnheer Gradgrind, "het is moeielijk
die vraag te beantwoorden..."
"Moeielijk om er ja of neen op te antwoorden, vader?"
"Zeker, melieve, omdat" (hier was iets te demonstreeren en dit hielp
hem weder op weg) "omdat het antwoord geheel afhangt, Louisa, van den
zin waarin men die uitdrukking gebruikt. Nu doet mijnheer Bounderby u
zooveel onrecht niet aan, en ook zich zelven niet, om iets romanesks
of hersenschimmigs, of (ik gebruik die woorden als synoniemen)
of sentimenteels van u te verlangen. Mijnheer Bounderby zou u met
zeer weinig nut onder zijne oogen hebben zien opgroeien, indien hij
zoo ver kon vergeten wat hij aan u, om niet te zeggen aan zijn eigen
gezond verstand, verschuldigd is, om u op zulk een voet aan zich te
willen verbinden. Derhalve zal misschien de uitdrukking zelve--ik
geef u dit maar in bedenking, lieve--een weinig misplaatst wezen."
"Welk woord zoudt ge mij raden, in plaats daarvan te gebruiken, vader?"
"Wel, mijn lieve Louisa," zeide mijnheer Gradgrind, die zich nu
geheel hersteld had, "daar ge mij dit vraagt, zou ik u raden om dit
onderwerp eenvoudig in het licht van een tastbaar feit te beschouwen,
gelijk ik u alle andere dingen heb leeren beschouwen. Onkundige en
ijlhoofdige jongelieden mogen zulke onderwerpen met onwezenlijke
hersenschimmen en andere ongerijmdheden, die geen werkelijk bestaan
hebben, verdonkeren, maar het is geen compliment u te zeggen, dat gij
beter weet. Wat zijn nu de feiten in dit geval? Gij zijt, wij zullen
maar een rond getal nemen, twintig jaren oud; mijnheer Bounderby,
wij nemen wederom maar een rond getal, is vijftig. Er bestaat eenige
ongelijkheid in uwe jaren, maar in uwe positie en middelen bestaat
deze ongelijkheid niet; integendeel, daarin past alles zeer wel bij
elkander. Dan komt de vraag: Is zulk eene ongelijkheid genoegzaam, om
een beletsel voor zulk een huwelijk uit te maken? Bij het beschouwen
dezer vraag is het niet ongewichtig, de statistiek van het huwelijk,
gelijk men die in Engeland en Wallis heeft opgemaakt, in overweging te
nemen. Ik vind, wanneer ik de cijfers naga, dat een groot getal dezer
huwelijken wordt aangegaan tusschen personen van zeer ongelijke jaren
en dat bij meer dan drie vierden dezer voorbeelden de oudste der twee
contracteerende partijen de bruidegom is. Het is opmerkelijk--daar het
de uitgebreide heerschappij van dezen regel aantoont--dat de beste
middelen van berekening, die ons nog door reizigers zijn geleverd,
ook onder de inboorlingen der Engelsche bezittingen in Indië, in een
aanzienlijk gedeelte van China, en bij de Kalmukken in Tartarije,
dergelijke uitkomsten geven. De ongelijkheid, die ik vermeld heb,
houdt dus bijna op eene onmogelijkheid te zijn, is om zoo te zeggen
als verdwenen.
"Wat raadt gij dan, vader," zeide Louisa, zonder dat hare strakke
bedaardheid in het minst door die streelende uitkomsten werd geschokt,
"dat ik in de plaats zal stellen voor de woorden, die ik zoo even
heb gebruikt--voor die misplaatste uitdrukking?"
"Louisa," antwoordde haar vader, "het komt mij voor, dat niets
duidelijker kan wezen. Als gij u stiptelijk bij de feiten bepaalt,
is het feitelijke, dat gij u zelve afvraagt, dit: Vraagt mijnheer
Bounderby mij om hem te trouwen? Ja, dat doet bij. De eenige
overblijvende vraag is dan: Zal ik hem trouwen? Mij dunkt, dat niets
duidelijker kan zijn dan dit."
"Zal ik hem trouwen?" herhaalde Louisa met groote bedaardheid.
"Juist. En het is eene gerustheid voor mij, als uw vader, mijne lieve
Louisa, te weten, dat gij die vraag niet in overweging gaat nemen
met die dwaze aanwensels van denk- en levenswijze, die vele jonge
vrouwen eigen zijn."
"Neen, vader," antwoordde zij, "dat doe ik niet."
"Ik laat u nu voor u zelve oordeelen," hervatte mijnheer Gradgrind. "Ik
heb de zaak voorgesteld, gelijk zulke zaken gewoonlijk tusschen
practische menschen voorgesteld worden; ik heb ze voorgesteld, gelijk
de zaak tusschen uwe moeder en mij indertijd voorgesteld werd. Het
overige, mijne lieve Louisa, staat aan u te beslissen."
Van het begin af had zij hem strak zitten aanzien. Terwijl hij nu in
zijn stoel achterover leunde en op zijne beurt zijne diepliggende
oogen op haar vestigde, had hij misschien een weifelend oogenblik
bij haar kunnen waarnemen, waarin zij eene aandrift gevoelde om zich
aan zijne borst te werpen en het opgekropte vertrouwen van haar hart
voor hem uit te storten. Maar om dit te zien, had hij zich met een
sprong over de kunstmatige scheidsmuren moeten heenzetten, welke
hij sedert vele jaren tusschen zich zelven en de fijne roerselen
van het menschelijk gemoed, die alle rekenkunst teleurstellen, had
opgericht. De scheidsmuren waren te veel en te hoog voor zulk een
sprong. Hij zag het niet. Met zijn strak rekenaarsgezicht verhardde
hij haar weder; en het oogenblik snelde voorbij en stortte in de
peillooze diepte van het verledene, om zich te vermengen met al de
verlorene gelegenheden, die daar verdronken liggen.
Hare oogen van hem afwendende, zat zij zoo lang in stilte naar de stad
te turen, dat hij eindelijk zeide: "Raadpleegt gij de schoorsteenen
van de fabrieken te Coketown, Louisa?"
"Daar schijnt niets te wezen dan trage, eentonige rook. En toch,
wanneer de nacht komt, barst het vuur uit, vader," antwoordde zij,
zich snel naar hem omkeerende.
"Dat weet ik waarlijk wel, Louisa. Ik zie het toepasselijke van die
aanmerking niet." Om hem recht te doen, hij deed het waarlijk niet.
Zij wuifde even met hare hand, alsof zij daarmede van de zaak wilde
afstappen, en wederom hare aandacht op hem vestigende, zeide zij:
"Vader, ik heb dikwijls gedacht, dat het leven zeer kort is."
Dit punt was zoo bepaald een der onderwerpen zijner studie, dat hij
er dadelijk op inviel:
"Het is kort zonder twijfel, melieve. Maar toch is het bewezen,
dat de duur van het menschelijk leven over het algemeen in de
laatste jaren verlengd is. De berekeningen van verschillende
levensverzekerings-maatschappijen en kantoren van lijfrenten, onder
andere cijfers, die niet kunnen missen, hebben dat feit bevestigd."
"Ik spreek van mijn eigen leven, vader."
"Ei zoo?" zeide mijnheer Gradgrind. "Maar ik zal u toch niet behoeven
te zeggen, Louisa, dat dit beheerscht wordt door dezelfde wetten,
die het leven in het algemeen beheerschen."
"Zoolang het duurt, zou ik wenschen dat weinige te doen wat ik kan
en waartoe ik geschikt ben. Wat maakt het uit?"
Mijnheer Gradgrind scheen niet wel te weten hoe hij de vier laatste
woorden moest verstaan, en antwoordde: "Hoe uitmaken? Wat uitmaken,
kindlief?"