"Ik ben van morgen met den eersten spoortrein gekomen," zeide

zij. "Veertig mijlen ver ben ik van morgen gekomen, en ik ga van

middag dezelfde veertig mijlen ver terug. Ik heb van morgen negen

mijlen ver naar het station gewandeld, en als ik onderweg niemand vind,

die mij een eindje laat mederijden, zal ik van avond weder die negen

mijlen moeten terugwandelen. Dat is tamelijk wel op mijne jaren,

mijnheer!" zeide de spraakzame oude vrouw, terwijl hare oogen van

genoegen glinsterden.

"Dat is het zeker. Maar dat doet gij toch niet dikwijls, juffrouw?"

"Neen, maar eens in het jaar," antwoordde zij, haar hoofd

schuddende. "Eens in het jaar verteer ik zoo mijn spaargeld. Dan kom

ik geregeld over, om door de straten te kuieren en de heeren te zien."

"Alleen om te zien?" hervatte Stephen.

"Dat is genoeg voor mij," antwoordde zij met grooten ernst en alsof het

onderwerp van het gesprek haar bijzonder belang inboezemde. "Ik vraag

niet meer. Ik ben aan dezen kant van de straat blijven wachten, om dien

heer" (daarmede keek zij weder naar het huis van mijnheer Bounderby)

"te zien buitenkomen. Maar hij blijft laat in huis dit jaar, en ik heb

hem nog niet gezien. Gij zijt buitengekomen in plaats van hem. Als

ik nu weder vertrekken moet, zonder hem even te hebben gezien--ik

wil hem maar even te zien krijgen--welnu, dan heb ik u gezien, en

gij hebt hem gezien, en daarmede moet ik mij maar vergenoegen." Dit

zeggende zag zij Stephen aan, alsof zij zijne gelaatstrekken in haar

geheugen wilde prenten, en hare oogen waren zoo helder niet meer als

zij geweest waren.

Met alle inschikkelijkheid voor het verschil van smaak, en met alle

onderdanigheid voor de patriciërs van Coketown, kwam de belangstelling

der oude vrouw hem toch zoo zonderling voor, dat hij niet wist wat hij

van haar moest denken. Doch zij kwamen nu eene kerk voorbij, en toen de

wijzerplaat der klok hem in het oog viel, versnelde hij zijne schreden.

Hij ging zeker naar zijn werk, zeide de oude vrouw, en verhaastte

insgelijks haar tred, hetgeen haar geene moeite scheen te kosten.--Ja,

zijn tijd was bijna om. Toen hij haar zeide waar hij werkte, werd de

oude vrouw nog zonderlinger dan te voren.

"Zijt ge niet gelukkig?" vroeg zij hem.

"Wel, juffrouw, er is bijna niemand of hij heeft zijn verdriet,"

antwoordde hij ontwijkend, dewijl de oude vrouw het er voor scheen te

houden, dat hij zeer gelukkig moest wezen en hij het hart niet had

om haar teleur te stellen. Hij wist, dat er verdriet genoeg in de

wereld was; en indien de oude vrouw zoo lang geleefd had en er toch

op rekenen kon, dat hij zoo weinig verdriet had--wel, des te beter

voor haar, en hij was er daarom ook niet erger aan toe.

"Ja, ja! Gij hebt uw verdriet thuis, meent gij?" zeide zij.

"Somtijds. Nu en dan," antwoordde hij flauwtjes.

"Maar als gij onder zulk een heer werkt, volgt het u toch niet in

de fabriek?"

Neen, het volgde hem daar niet, zeide Stephen. Daar was alles naar

behooren. Hij ging zoover niet, om ten haren genoegen te zeggen, dat

daar een soort van Goddelijk recht heerschte; maar ik heb in de laatste

jaren bijna even hooge aanspraken voor de fabrieken hooren maken.

Zij waren nu in een smal, zwart berookt straatje dicht bij het

fabriekgebouw en de arbeiders kwamen bij troepen aan. De klok

luidde, en de slang kronkelde zich door de lucht en de olifant stond

gereed. Zelfs de klank der klok scheen de oude vrouw in verrukking te

brengen. Het was de mooiste klok die zij ooit gehoord had, zeide zij,

en zij klonk zoo deftig.

Zij vroeg hem, toen hij haar goedhartig de hand gaf eer hij binnenging,

hoelang hij daar gewerkt had.

"Twaalf jaren," antwoordde hij.

"Ik moet de hand kussen," zeide zij, "die twaalf jaren lang in die

mooie fabriek gewerkt heeft!" En hoewel hij dit wilde verhinderen,

tilde zij zijne hand op en bracht die aan hare lippen. Welke harmonie,

behalve haar ouderdom en hare eenvoudigheid, haar eigen was, wist hij

niet; maar zelfs in dit zonderlinge bedrijf lag iets, dat op dien tijd

en die plaats niet ongepast scheen te wezen; iets, waardoor het scheen

alsof niemand anders dit zoo ernstig of op zulk eene natuurlijke en

treffende manier had kunnen doen.

Hij had een half uur bij zijn weefgetouw gestaan, gedurig over die oude

vrouw denkende, toen hij, om zijn getouw heen gaande, ten einde iets in

orde te brengen, door een venster keek, en zag dat zij daar nog stond

en in bewondering verzonken naar het gebouw opzag. Zonder aan den rook,

de modder en het natte weder, of aan hare twee verre reizen te denken,

stond zij het aan te staren, alsof het dreunende stampen, dat uit

elk der vele verdiepingen klonk, eene heerlijke muziek voor haar was.

Later verdween zij en de dag volgde haar voorbeeld, en de lichten

werden weder aangestoken, en de laatste spoortrein snorde dicht bij

het Tooverpaleis over de bogen eener brug, weinig gevoeld onder het

dreunen der machinerie, en bijna niet gehoord onder het kletteren en

ratelen. Lang voor dien tijd waren zijne gedachten weder teruggekeerd

naar die akelige kamer boven het winkeltje en naar de afschuwelijke

gedaante, die zoo zwaar op zijn bed, maar nog zwaarder op zijn

hart lag.

De machinerie werd trager; zij stampte nog maar flauw, alsof er een

bezwijkende pols klopte, en bleef stilstaan. Wederom luidde de klok;

de gloed van licht en hitte werd uitgedoofd; de fabriekgebouwen stonden

als zwarte klompen in den donkeren, regenachtigen nacht, en de hooge

schoorsteenen verhieven zich in de lucht gelijk wedijverende torens

van Babel.

Hij had Rachel pas den vorigen avond gesproken, dat was waar, en

een eind met haar medegegaan; maar hij had zijn nieuw ongeluk op het

hart, waaronder niemand anders hem een oogenblik verademing kon geven,

en daarom, en omdat hij wist dat hij behoefte had aan eene stem, die

zijne gramschap kon verzachten, hetgeen geene andere stem dan de hare

kon doen, begreep hij dat hij, in weerwil van wat zij den vorigen

avond had gezegd, wel weder naar haar mocht wachten. Hij deed dit,

maar zij was hem reeds ontsnapt. Zij kwam niet meer. Op geen anderen

avond in het jaar had hij haar gezichtje vol zachtaardig geduld zoo

slecht kunnen missen.

O, beter geen thuis te hebben waar hij zijn hoofd kon neerleggen,

dan een thuis te hebben en om zulk eene reden bevreesd te zijn er

naar toe te gaan. Hij at en dronk, want hij was uitgeput, maar hij

wist bijna niet wat hij at en dronk, hij dacht er niet eens aan,

en hij bleef ronddwalen in den kouden regen, al denkende en morrende.

Geen woord over een nieuw huwelijk was ooit tusschen hen gewisseld;

maar Rachel had reeds jaren geleden innig medelijden met hem gekregen,

en voor haar alleen had hij in al dien tijd zijn gesloten hart geopend

en van de oorzaak zijner ellende gesproken; en hij wist zeer wel,

dat zij hem zou hebben genomen, indien hij haar had kunnen vragen. Hij

dacht aan het thuis, dat hij op dat oogenblik met trotsche blijdschap

had kunnen opzoeken; hij dacht welk een geheel ander mensch hij dien

avond had kunnen geweest zijn, hoe licht zijne nu zwaar beladene borst

had kunnen wezen, hoe hij zijne eer, zijne achting voor zich zelven,

zijne rust, die hij nu allen had verloren, had kunnen terugkrijgen. Hij

dacht hoe het beste gedeelte van zijn leven verspild was, welk eene

nadeelige verandering zijn karakter daardoor in alle opzichten had

ondergaan, en hoe schrikkelijk en akelig zijn toestand was, zoo met

handen en voeten aan eene doode vrouw gebonden en door een boozen geest

in hare gedaante gepijnigd. Hij dacht aan Rachel, hoe jong zij waren

toen zij elkander onder die omstandigheden voor het eerst ontmoetten,

en hoe zij nu tot rijpen leeftijd waren gekomen en spoedig oud zouden

worden. Hij dacht aan het aantal meisjes en vrouwen, dat zij had zien

trouwen, hoeveel huisgezinnen met kinderen zij om zich heen had zien

opgroeien, en hoe zij toch weltevreden haar eigen eenzaam pad was

blijven bewandelen--om zijnentwil--en hoe hij somtijds eene schaduw

van zwaarmoedigheid op haar hemelsch gezichtje had gezien, die hem

met wroeging en wanhoop vervulde. Hij plaatste hare beeltenis naast

het afschuwelijke beeld van den vorigen nacht, en peinsde er over,

hoe het wezen kon, dat de geheele aardsche levensloop van een wezen,

zoo goed, zoo zachtaardig en vol zelfverloochening, aan zulk eene

rampzalige ondergeschikt moest wezen.

Vol van zulke gedachten--zoo vol, dat hij een zonderling gevoel

had, alsof hij zelf grooter werd en in eene nieuwe, onnatuurlijke

betrekking werd geplaatst tot de voorwerpen welke hij voorbijging, en

alsof de stralenkrans om ieder beneveld licht eene roodachtige kleur

aannam--begaf hij zich naar zijne woning om schuilplaats te zoeken.

XIII.

RACHEL.

Een flauw kaarslicht brandde voor het venster, waartegen dikwijls

de zwarte ladder was opgezet, om alles wat voor eene radelooze vrouw

en een troep hongerige kinderen het dierbaarste in deze wereld was,

te laten wegglijden; en bij Stephen's andere gepeinzen kwam nog de

wrevelige gedachte, dat van alle wisselvalligheden van dit aardsche

leven geene met grilliger hand en ongelijker werd uitgedeeld dan de

dood. De ongelijkheid van geboorte was nog niets daarbij; want indien

bij voorbeeld het kind van een koning en dat van een wever dien nacht

op hetzelfde oogenblik geboren werden, wat was die ongelijkheid bij

den dood van een menschelijk wezen, dat voor een ander nuttig of

dierbaar was, terwijl deze losbandige vrouw bleef voortleven!

Zoo dacht hij terwijl hij, buiten staande, naar zijne kamer opzag,

en met ingehouden adem en langzamen tred ging hij naar binnen. Hij

klom de trap op, opende zijne deur en kwam zoo de kamer in.

Stilte en rust heerschten daar. Rachel was daar en zat bij het bed.

Zij keerde haar hoofd naar hem om en het licht van haar aangezicht

scheen in den middernacht van zijn gemoed. Zij zat bij het bed en

waakte bij zijne vrouw. Dat is te zeggen, hij zag dat er iemand in

het bed lag en wist maar al te wel dat zij het moest wezen; maar

Rachel's handen hadden eene gordijn opgehangen, zoodat zij voor zijne

oogen verborgen was. Hare afzichtelijke kleeren waren weggeruimd,

en er lagen eenige kleeren van Rachel in de kamer. Alles was op zijne

plaats en in orde, gelijk hij het altijd gehouden had; het vuur was pas

bijgelegd en de haard was pas aangeveegd. Het kwam hem voor, dat hij

dit alles in Rachel's gezicht zag en naar niets anders omkeek. Terwijl

hij haar aanzag, werd haar beeld beneveld door de weemoedige tranen,

die zijne oogen vulden, maar niet voordat hij gezien had hoe ernstig

zij hem aanzag en hoe hare eigene oogen ook vol tranen stonden.

Zij keerde zich weder naar het bed, en na zich overtuigd te hebben dat

alles daar stil was, sprak zij met eene zachte, kalme, heldere stem:

"Ik ben blij, dat gij eindelijk komt, Stephen. Gij komt heel laat."

"Ik heb wat op en neer gewandeld."

"Dat dacht ik wel. Maar het is van avond te slecht weer daartoe. Het

regent aanhoudend en de wind is opgestoken."

De wind? 't is waar, het waaide hard. Hoor maar naar dat bulderen

in den schoorsteen en dat geloei. Dat iemand in zulk een wind buiten

was geweest en niet eens wist dat het waaide!

"Ik ben hier vandaag al eens geweest, Stephen. De juffrouw hier uit

het huis kwam in het etensuur naar mij toe. Er was iemand hier, die

noodig had dat er naar haar omgekeken werd, zeide zij. En zij had

wel gelijk. Geheel buiten besef, Stephen; en ook gekwetst en gekneusd."

Hij ging langzaam naar een stoel, zette zich neer en liet het hoofd

hangen.

"Ik ben hier gekomen om het weinigje te doen dat ik kon; vooreerst,

omdat ze met mij gewerkt heeft toen wij beiden nog jonge meisjes waren,

en omdat gij haar gevrijd en getrouwd hebt toen ik hare vriendin was--"

Hij liet zijn gerimpeld voorhoofd in zijne hand zinken en slaakte

een kermenden zucht.

"En vervolgens omdat ik uw hart kende en zeker weet, dat gij veel

te barmhartig zijt om haar hulpeloos te laten sterven, of ook maar

gebrek te laten lijden. Gij weet wel wie gezegd heeft: "Laat hij,

die onder u zonder zonde is, den eersten steen op haar werpen." Er

zijn er genoeg geweest om dat te doen; maar gij zijt de man niet om

den laatsten steen te werpen, Stephen, nu zij zoo diep ellendig is."

"O Rachel, Rachel!"

"Gij hebt schrikkelijk geleden, de Hemel loone het u," zeide zij

op medelijdenden toon. "Ik ben uwe arme vriendin, met al mijn hart

en ziel."

De kwetsuren, waarvan zij gesproken had, schenen aan den hals

der ellendige te zijn, die zich zelve uit de maatschappij had

verstooten. Rachel verbond ze nu, maar nog zonder haar zichtbaar te

laten worden. Zij doopte een linnen lap in eene kom, waarin zij zeker

vocht uit een flesch had gegoten, en legde die met zachte hand op de

gekwetste en ontstokene plek. Het ronde tafeltje was dicht bij het

bed geschoven, en twee flesschen stonden daarop;--deze was de eene.

Zij zat niet zoo ver af, of Stephen, die hare handen met zijne oogen

volgde, kon het woord lezen, dat met groote letters op de flesch

stond. Hij werd doodsbleek, en eene plotselinge huivering van afgrijzen

scheen hem te bevangen.

"Ik zal hier blijven, Stephen," zeide Rachel, terwijl zij stil weder

ging zitten, "tot de klok drie slaat. Om drie ure moet het nog eens

gedaan worden, en dan kan zij zoo blijven tot morgenochtend."

"Maar gij moet toch rust hebben om morgen te kunnen werken, beste

Rachel."

"Ik heb van nacht goed geslapen. Ik kan nachten achtereen waken, als

het van mij gevergd wordt. Gij zijt het, die rust noodig hebt: gij ziet

er zoo bleek en vermoeid uit. Beproef eens of gij daar op dien stoel

kunt slapen, terwijl ik waak. Gij hebt verleden nacht geen slaap gehad,

dat kan ik wel gelooven, en morgen moet gij zwaarder werken dan ik."

Hij hoorde het bulderen en loeien buiten de deur, en het was hem alsof

zijne vorige toornige stemming daar rondwaarde en beproefde om weder

bij hem te komen. Zij had die weggedreven en zou haar van hem afhouden;

hij verliet zich op haar, om hem tegen zich zelven te verdedigen.

"Zij kent mij niet, Stephen. Zij kijkt mij maar slaperig aan en

mompelt verwarde woorden. Ik heb meer dan eens tegen haar gesproken,

maar zij let er niet op. Het is zóó wèl zoo goed. Als zij weder bij

hare zinnen komt, zal ik gedaan hebben wat ik kan en zij behoeft er

niets van te weten."

"Hoelang, Rachel, is het te denken dat zij zoo blijven zal?"

"De dokter zeide, dat zij misschien morgen weder bij hare zinnen

zou komen."

Zijne oogen vielen weder op de flesch en eene siddering liep door

al zijne leden. Zij dacht, dat hij van koude verkleumd was. "Neen,"

zeide hij, "dat was het niet. Hij had een schrik gehad."

"Een schrik?"

"Ja, toen ik binnenkwam. Toen ik zoo ronddwaalde. Toen ik aan het

denken was. Toen ik--"

Het tastte hem weder aan; en hij stond op, zich aan den

schoorsteenmantel vasthoudende, terwijl hij zijne koude, klamme haren

gladstreek met eene hand, die beefde alsof hij de koorts had.

"Stephen!"

Zij kwam naar hem toe, maar hij strekte zijn arm uit om haar tegen

te houden.

"Neen! Och neen, doe dat niet. Laat ik u maar bij het bed zien

zitten. Laat ik u maar zien, zoo goed en barmhartig. Laat ik u zien

zooals ik u zag toen ik binnenkwam. Ik kan u nooit beter zien dan

zoo. Nooit, nooit, nooit!"

Hij begon nog sterker te beven en zonk toen op zijn stoel neder. Na

eene poos bedwong hij zich, en kon, met den eenen elleboog op eene

knie en zijn hoofd op die hand, naar Rachel opzien. Met zijne vochtige

oogen voorbij het flauwe kaarslicht gezien, was het alsof zij een

blinkenden stralenkrans om het hoofd had. Hij had kunnen gelooven,

dat het zoo was. Hij geloofde het werkelijk, toen het gerucht van

buiten het venster schudde, de deur beneden deed klapperen en huilend

door het huis gierde.

"Als zij beter wordt, Stephen, is het te hopen, dat zij u weder

alleen zal laten en u niet meer plagen. In allen gevalle, wij willen

nu zoo maar hopen. En nu zal ik mij stilhouden, want ik zou u gaarne

zien slapen."

Hij sloot zijne oogen, meer om haar genoegen te geven dan om zijn

vermoeid hoofd te laten rusten; maar terwijl hij naar het geloei van

den wind luisterde, hoorde hij dit langzamerhand niet meer, of het

kwam hem voor, dat het overging in het geraas van zijn weefgetouw,

of in de stemmen, welke hij dien dag had gehoord (zijne eigene

ingesloten), en die weder zeiden wat er werkelijk gezegd was. Zelfs

deze onvolkomene bewustheid verdween eindelijk, en hij droomde een

langen, onrustigen droom.

Hij dacht, dat hij en eene vrouw, op welke hij lang zijn hart had

gezet--maar het was Rachel niet en dit verwonderde hem, zelfs te

midden van zijn ingebeeld geluk--in de kerk stonden om zich te laten

trouwen. Terwijl de plechtigheid verricht werd, en terwijl hij onder

de getuigen sommige menschen herkende, die hij wist dat nog leefden,

en velen, die hij wist dat reeds dood waren, kwam er eene duisternis,

opgevolgd door den glans van een schrikkelijk licht. Dit licht straalde

van een regel in de tafel der tien geboden af en verspreidde den glans

dier woorden door de geheele kerk. Zij klonken door het gebouw, alsof

elk dier vurige letteren eene stem had gekregen. Daarop veranderde

alles om hem heen en niets bleef gelijk het geweest was, behalve hij

zelve en de geestelijke. Zij stonden in het daglicht voor een volkshoop

zoo groot, dat, naar hij dacht, indien alle menschen in de wereld op

ééne plek bij elkander hadden gestaan, het getal hem niet grooter had

kunnen voorkomen, en zij allen verafschuwden hem, en er was geen enkel

medelijdend of vriendelijk oog onder al de millioenen, die op zijn

gelaat gevestigd waren. Hij stond op eene verhevene stellage onder

zijn eigen weefstoel; en toen hij opzag naar de gedaante, welke de

weefstoel aannam, en duidelijk den lijkdienst hoorde lezen, begreep

hij, dat hij daar was om den dood te ondergaan. In een oogenblik zonk

datgene, waarop hij stond, onder hem weg en hij was dood.

Uit welken geheimzinnigen toestand hij tot het gewone leven en de hem

bekende plaatsen terugkeerde, kon hij niet nagaan; maar hij keerde

op eene of andere wijze daarheen terug, met dezen vloek beladen,

dat hij nooit, in deze wereld of de volgende, door alle eeuwen der

eeuwigheid heen, het aangezicht van Rachel weder zou zien of hare stem

hooren. Zonder rust en zonder hoop heen en weder dwalende, en zoekende

naar hij wist niet wat (hij wist alleen dat hij gedoemd was het te

zoeken), werd hij gekweld door een onbeschrijfelijken, gruwelijken

angst, eene doodelijke vrees voor zekere bijzondere gedaante, welke

alle dingen aannamen. Al wat hij aanzag, herschiep zich vroeger of

later in dat voorwerp. Het doel van zijn ellendig aanzijn was, te

verhoeden dat dit voorwerp aan een der verschillende personen, welke

hij ontmoette, bekend werd. Hopelooze arbeid! Indien hij het uit de

kamer bracht waar het was, indien hij de kas sloot waar het stond,

indien hij de nieuwsgierigen van de plaats verwijderde waar hij wist

dat het verborgen was, en hen buiten op straat voerde, namen zelfs

de schoorsteenen der fabrieken die gedaante aan, en was het gedrukte

woord daaromheen te lezen.

De wind loeide weder, de regen kletterde, en de uitgestrekte ruimte,

door welke hij had omgedwaald, kromp ineen tot de plek tusschen de

vier muren zijner kamer. Behalve dat het vuur was uitgegaan, was zij

nog eveneens als toen hij zijne oogen had gesloten. Rachel scheen op

den stoel voor het bed te zijn ingesluimerd. Zij zat in haar omslagdoek

gewikkeld onbeweeglijk stil. De tafel stond op dezelfde plaats, dicht

naast het bed, en daarop, in hare werkelijke grootte en met alle

werkelijke eigenschappen, stond het voorwerp dat hij overal had gezien.

Hij meende de gordijn te zien bewegen. Hij keek nog eens en was er nu

zeker van dat zij zich bewoog. Hij zag eene hand te voorschijn komen

en zoekend rondtasten. Toen bewoog de gordijn zich nog duidelijker;

eene vrouw, die in het bed lag, sloeg haar open en kwam overeind.

Met hare jammervolle oogen, zoo woest en wanhopig, zoo groot en zoo

dof, zag zij in de geheele kamer rond, en haar blik gleed over den

hoek heen waar hij op zijn stoel zat te slapen. Hare oogen keerden

naar dien hoek terug, en zij hield hare hand als een scherm er boven,

terwijl zij er in tuurde. Nogmaals dwaalden zij door de kamer rond,

maar zonder bijna op Rachel te letten, en keerden weder naar dien hoek

terug. Terwijl zij zoo weder met de rechterhand boven de oogen zat te

turen--niet zoozeer hem aanziende, als wel naar hem zoekende, met een

dierlijk instinct dat hij daar wezen moest--dacht hij bij zich zelven,

dat er in die misvormde trekken en in den geest, dien ze afspiegelden,

geen spoor meer bestond van de vrouw, die hij achttien jaren geleden

getrouwd had. Indien hij haar niet stap voor stap zoover had zien

komen, had hij nooit kunnen gelooven dat zij dezelfde was.

Al dien tijd bleef hij als door een toovermacht geboeid, roerloos

en machteloos zitten, zonder iets anders te kunnen doen dan op haar

te letten.

Dof suffende of mijmerende, zonder zelve te weten waarom, bleef zij

eene poos met het hoofd tusschen de handen zitten. Daarna begon zij

weder starend in de kamer rond te kijken, en nu vielen hare oogen

voor het eerst op de tafel met de twee flesschen daarop.

Aanstonds keerde zij hare oogen weder naar zijn hoek, met den

uitdagenden blik van den vorigen nacht, en zeer langzaam en voorzichtig

stak zij hare gretige hand uit. Zij haalde eerst een tinnen beker naar

zich toe, en bedacht zich toen eene poos, welke van de twee flesschen

zij zou kiezen. Eindelijk greep hare verstandelooze hand de flesch,

die een snellen, onvermijdelijken dood bevatte, en voor zijne oogen

trok zij met hare tanden de kurk er af.

Het mocht een droom of werkelijkheid zijn, hij had geene stem en

geen vermogen om zich te bewegen. Als dit eene werkelijkheid, en haar

bestemde tijd nog niet gekomen is, ontwaak dan, Rachel, ontwaak!

Zij dacht ook daaraan. Zij keek naar Rachel en schonk zeer langzaam

en voorzichtig den inhoud der flesch in den beker. Zij had het vocht

aan hare lippen. Nog een oogenblik, en zij was buiten bereik van alle

hulp, al ontwaakte ook de geheele wereld om haar met alle macht bij

te staan. Maar op dat oogenblik sprong Rachel met een gesmoorden gil

overeind. Het schepsel worstelde, sloeg naar haar, greep haar bij de

haren; maar Rachel had den beker.

Stephen ontrukte zich aan zijn stoel.

"Rachel, ben ik wakker of ben ik dezen ganschen akeligen nacht aan

het droomen?"

"Het is alles wel, Stephen. Ik ben zelf in slaap geweest. Het is

haast drie ure. Stil, ik hoor de klok."

De wind voerde hun den klank der kerkklok toe. Zij luisterden en het

sloeg drie. Stephen keek haar aan en zag hoe bleek zij was, lette

op de wanorde harer haren en de roode sporen van vingers op haar

voorhoofd, en was nu overtuigd, dat zijn gehoor en gezicht wakker

waren geweest. Zij had zelfs den beker nu nog in hare hand.

"Ik dacht wel, dat het bij drieën moest wezen," zeide zij, terwijl

zij met bedaardheid het vocht uit den beker in de kom schonk en het

linnen daarin doopte. "Ik ben blij dat ik zoolang ben gebleven. Het

is nu gedaan, als ik er dit heb opgelegd. Daar! En nu is zij weer

stil. Ik zal het weinigje, dat nog in de kom is, weggieten, want het

is gevaarlijk goed om te laten staan, al is het nog zoo weinig." En

zoo sprekende goot zij de kom in de asch ledig en sloeg de flesch op

het haardijzer aan stukken.

Zij had toen niets meer te doen dan zich met haar omslagdoek te dekken,

eer zij in den regen en wind naar buiten ging.

"Gij zult mij toch met u mee laten gaan nu het zoo laat is, Rachel?"

"Neen, Stephen. Ik ben in een oogenblik thuis."

"Gij zijt niet bang," zeide hij met eene zachte stem, toen zij de

kamerdeur uitgingen, "om mij met haar alleen te laten?"

Zij zag hem aan en zeide: "Stephen!"

Hij zonk op zijne knie voor haar neer, op de morsige trap, en bracht

een tip van haar omslagdoek aan zijne lippen.

"Gij zijt een engel! God zegene u!"

"Ik ben, gelijk ik u gezegd heb, Stephen, uwe arme vriendin. Engelen

gelijken niet naar mij. Tusschen hen en eene arme vrouw vol gebreken

is nog eene diepe kloof. Mijn zusje is onder de engelen, maar zij

is veranderd."

Zij sloeg hare oogen even naar omhoog toen zij dit zeide; en toen

werden zij, met al hunne vriendelijkheid en zachtmoedigheid, weder

op hem gevestigd.

"Rachel! gij verandert mij van kwaad in goed. Gij doet mij nederig

verlangen om meer naar u te gelijken, en vreezen om u te verliezen

als dit leven voorbij is en die geheele warboel is opgeruimd. Gij zijt

een engel; het kan wel zijn dat gij mijne levende ziel behouden hebt."

Slechte Tijden · 第 7 / 27 段