met de zwarte ladder, maar tegenwoordig zoo net als zulk eene kamer
wezen kon. Eenige boeken en papieren lagen op een oud bureau in een
hoek, de meubelen waren fatsoenlijk en voldoende, en hoewel er eene
benauwde lucht heerschte, was het vertrek zindelijk.
Toen hij naar den haard ging om de kaars op een tafeltje, dat daar
stond, neer te zetten, struikelde hij over iets. Hij deinsde terug,
keek naar omlaag, en nu hief het voorwerp, dat op den grond lag,
zich op in de gedaante eener vrouw in eene zittende houding.
"Barmhartige Hemel!" riep hij uit, nog verder achteruit
deinzende. "Zijt ge daar weer terug, vrouw?"
Welk eene vrouw! Een afzichtelijk schepsel, zoo dronken, dat zij
zich nauwelijks overeind kon houden door zich met de eene morsige
hand op den grond te steunen, terwijl de andere, waarmede zij hare
verwarde haren uit hare oogen wilde strijken, zich zoo ongeschikt
bewoog, dat zij zich met het vuil, dat er aan kleefde, slechts
des te meer verblindde. Een schepsel, zoo afschuwelijk met hare
havelooze met moddervlekken en spatten bedekte vodden, maar nog
zooveel afschuwelijker in haar zedelijk verderf, dat men zich voor
de menschheid schaamde als men haar aanzag.
Na een paar ongeduldige vloeken, en eene poos onbesuisd heen en weder
vegen met de hand, die zij niet tot steun behoefde, kreeg zij hare
haren genoeg uit hare oogen om hem te kunnen aanzien. Toen bleef zij
met het bovenlijf heen en weder zitten zwaaien en maakte gebaren met
haar krachteloozen arm, waarmede zij scheen te willen aanduiden dat
zij schaterde van lachen, hoewel haar gezicht strak en slaperig bleef.
"Zoo jongen! Ei, zijt ge hier?" Eenige schorre klanken, die dit moesten
zeggen, kwamen eindelijk spottend uit hare keel, en toen zonk haar
hoofd voorover op hare borst.
"Weer terug?" krijschte zij na eenigen tijd, alsof hij dit zoo op het
oogenblik gezegd had. "Ja! En alweer terug. Alweer terug, en nog eens
alweer, altijd alweer. Terug? Ja, terug. Waarom niet?"
Opgewakkerd door de zinnelooze drift, waarmede zij dit had
uitgeschreeuwd, krabbelde zij overeind en bleef toen staan, met hare
schouders tegen den muur leunende, terwijl een hoed, die van een
mesthoop scheen te zijn opgeraapt, bij het lint aan hare eene hand
bengelde en zij haar best deed om hem hoonend aan te zien.
"Ik zal u nog eens afkoopen, en ik zal u nog eens afkoopen, en ik
zal u nog twintigmaal afkoopen!" riep zij, met iets dat tegelijk
naar een woedend dreigement en eene poging tot een uitdagenden dans
geleek. "Ga van het bed vandaan." Hij had zich daarnaast neergezet,
met zijn gezicht in zijne handen verborgen. "Ga er vandaan. Het hoort
aan mij, en ik heb er recht op."
Toen zij waggelend er naar toe kwam, ging hij haar huiverend uit
den weg en--altijd met zijne handen voor zijn gezicht--naar het
andere eind der kamer. Zij wierp zich log op het bed en lag spoedig
te snorken. Hij zonk op een stoel neer en bewoog zich dien geheelen
nacht slechts eene enkele maal. Het was om een dek over haar te werpen,
alsof zijne handen niet genoeg waren om haar, zelfs in de duisternis,
voor zijne oogen te verbergen.
XI.
GEEN UITWEG.
De schitterende verlichting der Tooverpaleizen maakte voor het
aanbreken van den dag de reusachtige rookslangen zichtbaar, die zich
over Coketown voortkronkelden. Daarop volgde een gekletter van houten
overschoenen over de straatsteenen, een gebengel van klokken; en al
de tot stille razernij vervallene olifanten, voor het eentonige leven
van dien dag opgepoetst en geolied, waren weder in logge beweging.
Stephen boog zich over zijn getouw, stil, waakzaam en oplettend. Een
opmerkenswaardig contrast vormde hij aldus--gelijk ieder man
deed in dat woud van weefgetouwen, waarin Stephen werkte--met de
kletterende, ratelende, als ijlhoofdig voortjagende machine, waaraan
hij werkte. Weest niet bang, goede, zwaartillende lieden, dat de kunst
de natuur in vergetelheid zal brengen. Plaatst, waar gij ook wilt, het
werk van God en het werk des menschen naast elkander, en het eerste,
al is het slechts een troep zeer gering geachte fabriekarbeiders,
zal door die vergelijking in waarde winnen.
Vierhonderd en meer arbeiders in die fabriek; tweehonderd vijftig
paardekrachten stoom. Men weet, op de kracht van een enkel pond
gewicht af, wat de machine kan doen; maar al de berekenaars der
nationale schuld zijn met hun allen niet in staat om te zeggen, welke
vatbaarheid voor goed en kwaad, voor liefde en haat, voor vaderlandsmin
en weerspannigheid, voor den overgang van deugd tot ondeugd of het
tegendeel, er ieder oogenblik bestaat in de ziel van een dezer stille
dienaren der machine, met hunne bedaarde gezichten en geregelde
bewegingen. In de machine ligt geen geheim; in de laagste harer
dienaren ligt voor eeuwig een onpeilbaar geheim verscholen. Indien
wij dan eens onze rekenkunst voor stoffelijke voorwerpen bewaarden,
en die ontzaglijke onbekende grootheden op eene andere wijs poogden
te behandelen!
De dag werd helderder en vertoonde zich van buiten, zelfs tegen de
vlammende lichten van binnen. De lichten werden uitgedraaid en het
werk ging voort. De regen viel, en de rookslangen, onderworpen aan den
vloek van geheel dat geslacht, sleepten zich over den grond. Buiten
op de fabriekwerf waren de stoom uit de ontlaatbuis, de stapels vaten
en oud ijzer, de blinkende hoopen steenkool en de overal verspreide
asch onder een sluier van mist en regen verborgen.
Het werk ging voort totdat de middagklok luidde. Wederom kletterde
het over de straatsteenen. De getouwen, de raderen en de arbeiders
waren allen voor een uur van werk ontslagen.
Stephen kwam uit de heete fabriek in den vochtigen wind en op de
koude, natte straat, en gevoelde zich afgemat en ongesteld. Hij
keerde zich van zijne eigene klasse en woonplaats af, en ging,
niets anders gebruikende dan een broodje, dat hij al voortstappende
opat, naar den heuvel, waar de voornaamste zijner patronen woonde,
in een rood huis met zwarte luiken van buiten, groene valgordijnen
van binnen, eene zwarte deur boven eene stoep met twee witte treden,
den naam Bounderby (met letters, die aan den man zelf deden denken)
op eene koperen plaat, en een ronde koperen deurknop daaronder,
gelijk een koperen sluitteeken.
Mijnheer Bounderby zat aan zijn twaalf-uurtje. Dit had Stephen
verwacht. Wilde de knecht hem zeggen, dat een zijner arbeiders hem
verlangde te spreken? Eene boodschap terug om naar den naam van dien
arbeider te vragen. Stephen Blackpool. Er was niets ten nadeele van
Stephen Blackpool bekend; ja, hij mocht binnenkomen.
Stephen Blackpool trad de voorkamer binnen. Mijnheer Bounderby (wien
hij ternauwernood van aanzien kende) zat eene karbonade met een glas
sherry te gebruiken. Mevrouw Sparsit knoopte een net en zat bij
den haard, in eene houding alsof zij op een vrouwenzadel te paard
zat, met den eenen voet in een katoenen stijgbeugel. Het behoorde
tot de deftigheid en den dienst van mevrouw Sparsit, dat zij geen
twaalf-uurtje gebruikte. Zij woonde in hare officieele betrekking
dien maaltijd bij, maar hare statigheid moest aanduiden, dat zij het
voor eene zwakheid hield op dien tijd te eten.
"Wel, Stephen," zeide mijnheer Bounderby, "wat moet gij hebben?"
Stephen antwoordde slechts met eene buiging--geene slaafsche
buiging--dat willen die arbeiders nooit doen. Waarachtig, mijnheer,
dat zult ge nooit van hen zien, al zijn zij twintig jaren bij u
geweest!--Maar als ware het uit galanterie voor mevrouw Sparsit,
verbeterde hij zijn toilet, door de punten van zijne das in zijn vest
te stoppen.
"Komaan," hervatte mijnheer Bounderby, nadat hij een teugje uit zijn
glas had genomen, "ik weet wel, dat wij nog nooit moeite met u gehad
hebben, en dat gij nooit onder de onredelijken hebt behoord. Gij
verwacht niet, dat men u eene koets met zes paarden zal laten houden,
en alle dagen schildpadsoep en wildbraad zal laten eten met gouden
lepel en vork, zooals velen doen." Mijnheer Bounderby wilde het altijd
doen voorkomen alsof dit het eenige en onmiddellijke doel was van
iederen arbeider, die niet volkomen tevreden was, "en dus weet ik
dat gij niet hier komt om klachten te doen. Daarvan ben ik vooraf
al zeker."
"Neen, mijnheer, om iets van dien aard ben ik ook niet hier gekomen."
Mijnheer Bounderby scheen aangenaam verrast, niettegenstaande zijne
vroegere overtuiging.
"Goed," antwoordde hij. "Gij zijt een ordentelijk werkman, en ik
vergiste mij dus niet. Maar laat mij nu hooren waarover het is. Als
het dat niet is, laat mij hooren wat het dan is. Wat hebt gij te
zeggen? Kom er maar mede voor den dag."
Stephen keek even naar mevrouw Sparsit om.
"Ik kan wel heengaan, mijnheer Bounderby, als gij het verlangt," zeide
deze nederige dame en deed alsof zij haar voet uit den stijgbeugel
wilde halen.
Mijnheer Bounderby stuitte haar door een hapje karbonade een oogenblik
tegen te houden eer hij het doorzwolg, en zijne linkerhand uit te
steken. Daarna trok hij zijne hand terug, slikte het hapje door en
zeide tot Stephen:
"Gij moet weten, deze goede dame is eene geborene dame, eene
hooggeborene dame. Gij moet niet denken, omdat zij voor mij huishoudt,
dat zij daarom niet van hooge afkomst zou zijn--zij is integendeel
van zeer hooge afkomst. Als gij nu iets te zeggen hebt, dat niet voor
eene geborene dame kan gezegd worden, zal deze dame de kamer uitgaan;
maar als gij iets te zeggen hebt, dat voor eene geborene dame kan
gezegd worden, zal deze dame blijven waar zij is."
"Mijnheer, ik hoop, dat ik nooit iets te zeggen heb gehad, dat eene
geborene dame niet mocht hooren, sedert ik zelf geboren werd," was
het antwoord, van een lichten blos vergezeld.
"Ik ben hier gekomen," begon Stephen, toen hij na een oogenblik
bedenkens zijne oogen van den grond opsloeg, "om u raad te vragen. Ik
ben er erg om verlegen. Het is op Paaschmaandag negentien jaren
geleden dat ik getrouwd ben. Zij was toen een jong meisje--tamelijk
mooi--en dat een goeden naam had. Maar zij ging een slechten weg
op--al spoedig. Niet door mijne schuld. God weet, dat ik geen kwaad
man voor haar ben geweest."
"Dat alles heb ik al gehoord," zeide mijnheer Bounderby. "Zij kreeg
ander gezelschap, geraakte aan den drank, werkte niet meer, verkocht
de meubelen, bracht de kleeren naar den lommerd en speelde den beest."
"Ik had geduld met haar."
"Des te grooter gek zijt ge daarom, naar mij dunkt," zeide mijnheer
Bounderby in vertrouwen tot zijn wijnglas.
"Ik had veel geduld met haar. Dikwijls heb ik geprobeerd er haar
af te brengen. Ik probeerde dit en dat en allerlei. Dikwijls ben
ik thuis gekomen, en heb ik al wat ik in de wereld bezat verdwenen
gevonden en haar buiten besef op den grond. Dat is niet ééns gebeurd,
niet tweemaal, maar wel twintigmaal."
De rimpels in zijn gezicht werden dieper toen hij dit zeide en gaven
eene aandoenlijke getuigenis van het verdriet dat hij geleden had.
"Het ging van kwaad tot erger en nog erger. Zij liep van mij
weg. Zij maakte zich zelve op alle manieren te schande, gruwelijk en
ijselijk. Zij kwam terug, en nog eens terug, en nog eens terug. Wat
kon ik doen om het haar te beletten? Ik heb wel nachten lang op straat
gezworven, eer ik naar huis kon gaan. Ik ben naar de brug gegaan, met
voornemen om er af te springen, om er niet meer van te hooren. Ik heb
zooveel uitgestaan, dat ik oud ben geworden terwijl ik nog jong was."
Mevrouw Sparsit, die hare knooppennen op haar gemak liet voorthuppelen,
trok hare klassieke wenkbrauwen op en schudde haar hoofd, als
wilde zij zeggen: "Grooten ondervinden zoowel wederwaardigheden als
geringen. Wees zoo goed om uwe nederige oogen eens naar mij te wenden."
"Ik heb haar betaald om van mij weg te blijven. Nu vijf jaren lang
heb ik haar betaald. Ik heb weer ordentelijke kleeren en meubelen
gekregen. Ik heb een droevig en moeielijk leven gehad, maar ik
behoefde toch niet ieder oogenblik van mijn leven beschaamd en
angstig te zijn. Gisteravond ging ik naar huis. Daar lag zij voor
mijn haard. Daar is zij weder terug."
In het gevoel van zijn ongeluk en het hartstochtelijke van zijne
spijt, kwam hij voor een oogenblik in vuur en nam hij eene trotsche
houding aan. Een oogenblik later stond hij daar weder gelijk hij al
dien tijd had gestaan, met zijn gewonen gebogen rug, en zag mijnheer
Bounderby peinzend aan met eene zonderlinge uitdrukking in zijn
blik, half schrander, half verbijsterd, alsof hij zijn denkvermogen
inspande om iets te ontraadselen, dat hij zeer moeielijk vond; met
zijn hoed in zijne linkerhand gekneld, die op zijne heup rustte,
terwijl zijn rechterarm ruwe en krachtige, maar welgepaste gebaren
maakte om den indruk van hetgeen hij zeide te versterken; en die arm
gaf zelfs nadruk aan zijn zwijgen, wanneer hij hem, terwijl hij zich
even bedacht, niet terugtrok, maar een weinig gebogen opgeheven hield.
"Ik was met dat alles al bekend, zooals gij weet," zeide mijnheer
Bounderby, "behalve met die laatste omstandigheid. Het is een leelijk
geval, dat is het. Gij hadt maar liever tevreden moeten zijn zooals
gij waart, en niet moeten trouwen. Maar het is nu te laat om dat
te bedenken."
"Was het een ongelijk huwelijk, mijnheer, wat hunne jaren
betrof?" vroeg mevrouw Sparsit.
"Gij hoort wat die dame vraagt. Was het een ongelijk huwelijk wat
uwe jaren betrof, die ongelukkige historie van u?" zeide mijnheer
Bounderby.
"Dat juist niet. Ik zelf was een en twintig en zij nagenoeg twintig."
"Ziet gij wel, mijnheer?" zeide mevrouw Sparsit met bijzondere
zelfvoldoening tot haar patroon. "Daar dit huwelijk zoo ellendig was,
had ik al begrepen, dat het met opzicht tot hunne jaren waarschijnlijk
ongelijk moest zijn geweest."
Mijnheer Bounderby zag de goede dame ter zijde aan, op eene manier,
die eene comische verlegenheid uitdrukte. Hij versterkte zich met
nog een weinigje sherry.
"Wel, waarom gaat gij niet voort?" hervatte hij, zich eenigszins
verstoord naar Stephen Blackpool keerende.
"Ik ben hier gekomen om u te vragen, mijnheer, hoe ik van die vrouw
kan afkomen."
Het oplettende gezicht van Stephen, waarop zich zulk eene mengeling van
uitdrukkingen vertoonde, werd nog ernstiger toen hij dit zeide. Mevrouw
Sparsit liet eene zachte uitroeping hooren, die aanduidde, dat zij
een zedelijken schok had gekregen.
"Wat meent gij?" zeide mijnheer Bounderby, opstaande om met zijn
rug tegen den schoorsteenmantel te gaan staan leunen. "Wat praat gij
toch? Gij hebt haar immers genomen, of zij mee- of tegenviel?" [1]
"Ik moet van haar afkomen. Ik kan het zoo niet langer uithouden. Ik
had er niet zoolang onder kunnen leven, als ik het medelijden en de
troostwoorden niet had gehad van het beste meisje, dat er leeft of
dood is. Zonder haar zou ik misschien razend en dol zijn geworden."
"Hij wenscht weder vrij te zijn, om de vrouw te kunnen trouwen van wie
hij spreekt, vrees ik, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit binnensmonds,
zeer terneergeslagen door de onzedelijkheid van die menschen.
"Dat doe ik. Die dame heeft gelijk. Dat doe ik. Daar wou ik juist
opkomen. Ik heb in de courant wel gelezen, dat groote lui (mag het hun
welgaan, ik wensch hun geen kwaad) niet zoo vast getrouwd zijn, of zij
kunnen van een ongelukkig huwelijk worden vrijgemaakt, en mogen dan
weer trouwen. Als zij zich niet met elkander kunnen verdragen, omdat
hunne karakters niet overeenkomen, hebben zij allerlei verschillende
kamers in huis, en kunnen elkander uit den weg blijven. Lieden zooals
wij hebben maar ééne kamer en kunnen dat dus niet. Als dat ook niet
aangaat, hebben zij goed en geld, en kunnen zeggen: "dit voor u en dat
voor mij," en kunnen ieder gaan waar het hun belieft. Dat kunnen wij
niet. In spijt van dat alles kunnen zij toch weder vrijgemaakt worden
voor kleiner ongelijk dan door honderden van ons geleden wordt--door
vrouwen veel meer dan door mannen--zij kunnen vrijgemaakt worden voor
veel kleiner ongelijk dan ik geleden heb. Ik moet dus van die vrouw
afkomen, en ik wil maar weten op welke manier."
"Er is geen manier," antwoordde mijnheer Bounderby.
"Als ik haar doodsla, mijnheer, is er dan eene wet om mij te straffen?"
"Dat spreekt van zelf."
"Als ik van haar wegloop, is er dan ook eene wet om mij te straffen?"
"Dat spreekt van zelf."
"Als ik dat andere goede meisje trouw, is er dan ook eene wet om mij
te straffen?"
"Dat spreekt van zelf."
"En als ik met haar leefde zonder haar te trouwen--om nu eens te
zeggen, dat zoo iets gebeuren kon, dat toch nooit kan of zal gebeuren,
want zij is veel te braaf--is er dan ook eene wet om mij te straffen
in ieder onschuldig kind, dat mij toebehoort?"
"Dat spreekt van zelf."
"Maar in Gods naam," zeide Stephen Blackpool, "wijs mij nu de wet om
mij te helpen."
"De verbintenis, waarvan gij spreekt, is heilig," zeide mijnheer
Bounderby, "en--en moet in eere gehouden worden."
"Neen, neen, zeg dat niet, mijnheer. Zij wordt zóó niet in eere
gehouden. Zóó niet. Zij wordt zoo te schande gemaakt. Ik ben een wever,
ik ben van kind af in eene fabriek geweest, maar ik heb toch oogen om
mee te zien en ooren om mee te hooren. Ik lees in de courant ieder
vierendeeljaars als de gerechtshoven zitting houden--en gij leest
dat ook, dat weet ik, met ontzetting--hoe de onmogelijkheid om ooit,
op eenigerlei manier, weder van elkander los te worden, bloed over
het land brengt, en vele getrouwde lieden onder den geringen stand
tot vechterijen, moord en doodslag doet komen. Daartegen moet toch
een middel wezen. Mijn geval is een ellendig geval, en ik wil--als
gij zoo goed wilt zijn--de wet van u weten, die mij helpen kan."
"Welnu, ik zal het u zeggen," antwoordde mijnheer Bounderby, zijne
handen in zijne zakken stekende; "er is zulk eene wet."
Stephen knikte, nam zijne vorige bedaarde houding weder aan en bleef
oplettend luisteren.
"Maar daar hebt gij toch niet aan. Dat kost geld--een schat van geld."
"Hoeveel zou het wel wezen?" vroeg Stephen met bedaardheid.
"Wel, gij zoudt naar Doctors' Commons moeten gaan met een proces, en
dan naar een Hof van Common Law met een proces, en naar het Huis der
Lords met een proces, en gij zoudt eene Parlements-akte moeten hebben
om weer te mogen trouwen, en dat zou u (als het eene heel gemakkelijke
zaak was) denkelijk tusschen de duizend en de vijftienhonderd pond
kosten," zeide mijnheer Bounderby, "en misschien nog eens zooveel."
"Is er geen andere wet?"
"Neen, zeker niet."
"Wel dan, mijnheer," zeide Stephen, verbleekende, en terwijl hij
met de rechterhand eene beweging maakte alsof hij alles aan de vier
winden overgaf, "dan is het toch een ellendige warboel. Het is een
warboel heelemaal, en hoe gauwer ik dood ben, hoe beter."
Mevrouw Sparsit werd weder terneergeslagen door de goddeloosheid van
die menschen.
"Kom, kom! praat geene malligheden, mijn goede man," zeide mijnheer
Bounderby, "over dingen, die gij niet verstaat; en noem de instelling
van uw vaderland geen warboel, of gij zult u zelven op een fraaien
ochtend in een wezenlijken warboel steken. De instellingen van uw
vaderland zijn uw werk niet, en alles wat gij te doen hebt, is op uw
werk te letten. Gij hebt uwe vrouw niet genomen om haar te probeeren,
maar om haar te houden, hetzij zij mee- of tegenvalt. Als zij nu
slecht is uitgevallen--ja, al wat wij dan kunnen zeggen is, dat zij
ook beter had kunnen uitvallen."
"Het is een warboel," zeide Stephen, zijn hoofd schuddende terwijl
hij naar de deur ging. "Het is niets dan een warboel."
"Laat ik u eens wat zeggen," zoo begon mijnheer Bounderby zijne
afscheidsrede. "Met uw aanstootelijke gezegden hebt gij deze dame
geërgerd, die, gelijk ik u reeds gezegd heb, eene geborene dame is,
en die, gelijk ik u nog niet gezegd heb, hare eigene huwelijksrampen
heeft gehad, ten bedrage eener schade van tienduizenden van
ponden--tienduizenden van ponden," herhaalde hij met welbehagen. "Gij
zijt tot nog toe een ordentelijk werkman geweest; maar ik ben van
gevoelen, en dat zeg ik u ronduit, dat gij den verkeerden weg
opgaat. Gij hebt naar een of anderen kwaadwilligen vreemdeling
geluisterd--die loopen hier altijd rond--en het beste wat gij doen
kunt, is daarvan terug te komen. Gij moet weten," hier nam zijn gezicht
eene uitdrukking van verwonderlijke slimheid aan, "ik kan even diep in
een slijpsteen zien als iemand anders, dieper dan menigeen misschien,
omdat ik er dikwijls met mijn neus opgeduwd ben toen ik jong was. Ik
zie hier duidelijk sporen van de schildpadsoep, het wildbraad en
den gouden lepel. Ja, dat doe ik," riep mijnheer Bounderby uit,
en schudde met geduchte slimheid zijn hoofd, "waarachtig, dat doe ik."
Met een geheel ander hoofdschudden en een zwaren zucht zeide Stephen:
"Ik dank u, mijnheer, en ik wensch u goedendag."
En zoo liet hij mijnheer Bounderby staan voor zijn eigen aan den
wand hangend portret, zwellende alsof hij bersten zou, en mevrouw
Sparsit nog met haar voet in den stijgbeugel op en neer wippende en
een gezicht, hetwelk aanduidde dat de ondeugden van die menschen haar
zeer hadden terneergeslagen.
XII.
DE OUDE VROUW.
Oude Stephen ging de twee treden van de witte stoep af, en trok
de zwarte deur met het koperen plaatje dicht, met behulp van het
koperen sluitteeken, dat hij, eer hij verder ging, nog eens met zijn
mouw afveegde, daar hij opmerkte, dat zijne heete hand het had doen
beslaan. Hij stak de straat over met zijne oogen op den grond geslagen,
en zoo stapte hij treurig heen, toen hij eene hand op zijn arm voelde.
Het was niet die hand, waaraan hij op zulk een oogenblik de meeste
behoefte had--niet de hand, die de woeste golven van zijn gemoed kon
doen bedaren, gelijk de opgehevene hand der verhevenste, geduldigste
liefde het woeden der zee kon stillen--maar het was toch ook de
hand eener vrouw. Het was eene oude vrouw, nog rijzig en welgemaakt
(hoewel de tijd haar had doen verwelken), die voor zijne oogen stond
toen hij omkeek. Zij was zeer zindelijk en hoogst eenvoudig gekleed,
had slijk van buiten de stad aan hare schoenen en was zoo pas van eene
reis gekomen. De schuwheid van haar uitzicht bij het ongewone rumoer
op straat; de losse omslagdoek, dien zij over haar arm had gehangen;
de zware paraplu en het kleine sluitmandje; de wijde handschoenen met
lange vingers, waaraan hare handen ongewoon waren, alles kenteekende
eene oude vrouw van het land, in hare eenvoudige zondagskleeding,
die bij eene zeer zeldzame gelegenheid naar Coketown was gekomen. De
scherpzinnigheid aan zijn stand eigen deed Stephen dit met den eersten
blik opmerken, en hij boog zich naar haar over met zijn oplettend
gezicht--dat gezicht, hetwelk, gelijk bij de meesten van zijn stand
het geval was, door zoolang te midden van een vervaarlijk gedruisch
met oogen en handen te werken, dien blik van strakke inspanning had
verkregen, waaraan men bij dooven gewoon is--om des te beter te kunnen
hooren wat zij hem vroeg.
"Zeg eens, mijnheer," zeide de oude vrouw, "heb ik u daar niet
uit dat huis zien komen?" en zij wees naar het huis van mijnheer
Bounderby. "Ik geloof, dat gij het waart, of ik moet bij ongeluk een
verkeerden hebben nageloopen."
"Ja wel, juffrouw," antwoordde Stephen, "dat was ik."
"Hebt gij--neem het niet kwalijk, dat eene oude vrouw nieuwsgierig
is--hebt gij den heer, die daar woont, gezien?"
"Ja, juffrouw."
"En hoe zag hij er uit, mijnheer? Was hij goed in het vleesch, forsch,
hartelijk en ferm in zijn spreken?"
Terwijl zij zelve hare gestalte oprichtte en haar hoofd ophield,
om hare houding in overeenstemming met hare woorden te brengen,
kwam bij Stephen het denkbeeld op, dat hij die oude vrouw vroeger
had gezien en zij hem toen niet best was bevallen.
"O ja," antwoordde hij, haar met meer oplettendheid aanziende;
"hij was dat alles."
"En gezond," zeide de oude vrouw, "zoo gezond als de frissche wind?"
"Ja," antwoordde Stephen. "Hij was aan het eten en drinken--hij was
zoo dik en zwaar als een olifant."
"Dank je wel," zeide de vrouw uiterst vergenoegd, "dank je wel."
Hij had die vrouw zeker nog nooit gezien; en toch kwam hem eene flauwe
herinnering voor den geest, alsof hij eens van zulk eene oude vrouw
had gedroomd.
Zij stapte naast hem voort, en zich vriendelijk naar hare
gemoedsstemming voegende, vroeg hij, of zij niet vond, dat Coketown
eene drukke stad was. "Ja zeker, schrikkelijk druk," antwoordde
zij. Toen gaf hij vragenderwijs te kennen, dat hij wel zag dat zij
van buiten kwam, waarop zij bevestigend antwoordde.