het leven op Stone Lodge zoo eentonig rondliep als een raderwerk,
waarbij geene menschelijke bemoeiing noodig was, als uithoofde van
het verbod om over Sissy's vroegere loopbaan te spreken--dat zij
elkander bijna nog vreemd waren. Sissy, die hare donkere oogen met
verwondering op Louisa hield gevestigd, wist niet of zij nog iets
zou zeggen of stilzwijgen.
"Gij zijt mijne moeder van meer dienst en veel pleizieriger voor haar
dan ik ooit wezen kan," hervatte Louisa. "Gij hebt het pleizieriger
voor u zelve dan ik het heb."
"Maar als ik het zeggen mag, Miss Louisa," bracht Sissy hiertegen
in. "Ik ben--o zoo dom."
Louisa antwoordde haar, met een vroolijker lach dan gewoonlijk,
dat zij wel spoedig wijzer zou worden.
"Gij weet niet," hervatte Sissy half schreiende, "welk eene domme meid
ik ben. Zoolang de schooltijd duurt, maak ik gedurig fouten. Mijnheer
en mevrouw Choakumchild roepen mij telkens op om antwoord te geven,
en altijd heb ik het mis. Ik kan het niet helpen. Het is alsof die
domheid mij aangeboren is."
"Mijnheer en mevrouw Choakumchild zelven hebben het toch nooit mis,
zou ik denken, Sissy?"
"Wel neen," antwoordde zij snel. "Zij weten alles."
"Vertel mij eens een paar van uwe vergissingen."
"Ik schaam er mij bijna voor," antwoordde Sissy aarzelend. "Maar
vandaag, bij voorbeeld, verklaarde mijnheer Choakumchild ons wat
volkrijke welvaart is."
"Volkswelvaart zal het, denk ik, geweest zijn," merkte Louisa aan.
"Ja, dat was het ook. Maar is dat dan niet hetzelfde?" vroeg Sissy
schroomvallig.
"Gij moest liever maar volkswelvaart zeggen, daar hij het zoo genoemd
heeft," antwoordde Louisa met hare droge achterhoudendheid.
"Volkswelvaart dan. En hij zeide: "Nu is deze school een volk. En bij
dat volk is vijftig millioen geld aanwezig. Is dat nu een welvarend
volk? Meisje nommer twintig, is dit geen welvarend volk, en zijt gij
niet in een welvarenden toestand?""
"En wat hebt ge daarop gezegd?" vroeg Louisa.
"Ik zeide, dat ik het niet wist. Ik dacht, dat ik niet weten kon of
het een welvarend volk was en of ik in een welvarenden toestand was
of niet, of ik moest weten wie het geld had, en of ik er wat van
bezat. Maar dat had er niets mede te maken. Dat deed niets aan de
cijfers," zeide Sissy en veegde hare oogen af.
"Dat hadt ge dan erg mis," merkte Louisa aan.
"Ja, Miss Louisa, dat weet ik ook wel. En toen zeide mijnheer
Choakumchild, dat hij het nog eens met mij wilde probeeren. En hij
zeide: "Deze school is eene groote stad, die een millioen inwoners
heeft, en maar vijf en twintig van dat getal sterven in den loop van
het jaar van honger? Wat is uwe gedachte van die evenredigheid?" En
mijne gedachte was--want ik kon op niets beters komen--dat ik het
even erg vond voor de menschen, die van honger stierven, of de anderen
een millioen waren of een millioen millioenen. En dat was ook mis."
"Natuurlijk."
"En toen zeide mijnheer Choakumchild, dat hij het nog eens
wilde probeeren. En hij zeide: "Hier zijn de statistieke lijsten
van ongelukken op zee. Ik vind er in, dat in een zekeren tijd
honderdduizend personen verre zeereizen hebben gedaan, en maar
vijfhonderd daarvan verdronken of verbrand zijn. Hoeveel percent
is dat?" En ik zeide," hier begon Sissy hardop te snikken, terwijl
zij met grievend berouw hare grootste dwaling bekende, "ik zeide,
dat dit niets uitmaakte..."
"Niets uitmaakte, Sissy?"
"Niets uitmaakte voor de vrienden en betrekkingen van de menschen,
die zoo waren omgekomen. Ik zal nooit leeren," zeide Sissy. "En het
ergste is nog, dat, hoewel mijne arme vader zoo gaarne zou willen
dat ik leerde, en ik zoo gaarne zou willen leeren, om hem genoegen
te geven--dat ik toch bang ben, dat ik er geen lust in heb."
Louisa stond het bevallige gezichtje aan te zien, dat met verlegenheid
en schaamte naar den grond keek, tot het weder werd opgeheven om haar
aan te kijken; en toen vroeg zij:
"Wist uw vader zelf zooveel, Sissy, dat hij daarom wenschte dat gij
ook goed onderwezen zoudt worden?"
Sissy aarzelde eer zij antwoord gaf en toonde zoo duidelijk hare
bewustheid, dat zij op verboden grond kwamen, dat Louisa vervolgde:
"Niemand hoort ons; en al hoorde ons iemand, dan zou men toch zeker
geen kwaad kunnen vinden in zulk eene onschuldige vraag."
"Neen, Miss Louisa," antwoordde Sissy op deze aanmoediging, en schudde
tegelijk haar hoofdje, "mijn vader weet al heel weinig. Hij kan maar
eventjes schrijven, en de meeste menschen zijn niet in staat om zijn
schrift te lezen,--hoewel het voor mij duidelijk is."
"En uwe moeder?"
"Vader zegt, dat zij zoo goed kon lezen en schrijven als iemand. Zij
stierf toen ik geboren werd. Zij was," Sissy deed deze schrikkelijke
bekentenis met zenuwachtig bevende lippen, "zij was eene danseres."
"Had uw vader haar lief?" Louisa deed deze vragen met de driftige,
onrustige belangstelling, die haar eigen was, eene belangstelling, die
als een balling moest omdwalen en zich op eenzame plaatsen verschuilen.
"O ja. Hij had haar even lief als mij. Hij had mij eerst om harentwil
lief. Hij droeg mij overal mede rond, toen ik nog een klein kind was,
dat niet loopen kon, en wij zijn van dien tijd af nooit van elkander
geweest."
"En toch laat hij u nu aan uw lot over, Sissy?"
"Zeker tot mijn bestwil. Niemand begrijpt hem zoo goed ais ik; niemand
kent hem zoo goed als ik. Toen hij mij tot mijn bestwil verliet--tot
zijn eigen bestwil zou hij het nooit gedaan hebben--weet ik wel,
dat hem het hart bijna daaronder gebroken is. Hij zal geen vergenoegd
oogenblik hebben eer hij terugkomt."
"Vertel mij meer van hem," zeide Louisa. "Ik zal u nooit weer zoo
vragen. Waar hebt gij gewoond?"
"Wij reisden het land door en hadden geene vaste plaats waar wij
woonden. Vader is een," Sissy sprak het geduchte woord fluisterend uit,
"een clown."
"Om de menschen te doen lachen?" zeide Louisa met een knikje, hetwelk
aanduidde dat zij de zaak wel begreep.
"Ja, maar zij wilden somtijds niet lachen, en dan schreide mijn
vader. Op het laatst wilden zij in 't geheel niet meer lachen, en
dan placht hij wanhopig thuis te komen. Vader is niet als de meeste
andere menschen. Zij, die hem niet zoo goed kenden als ik en niet
zooveel van hem hielden, moesten wel denken dat hij niet recht bij
zijn verstand was. Somtijds speelden zij hem streken; maar zij wisten
niet hoe hij dat gevoelde en er voor huiverde als hij met mij alleen
was. Hij was veel, veel bedeesder dan zij dachten."
"En gij waart bij dat alles zijn eenige troost?"
Zij knikte, terwijl de tranen over hare wangen rolden.
"Dat hoop ik, en vader zeide dat ik het was. Het was omdat hij zoo
schichtig en beverig was, en omdat hij zich zulk een arm, zwak,
onkundig, hulpeloos man gevoelde (zoo placht hij te zeggen), dat hij
zoo verlangde, dat ik veel zou leeren en geheel anders worden dan
hij. Ik placht hem voor te lezen om hem wat op te beuren, en daarvan
hield hij heel veel. Het waren boeken, die niet deugden--ik mag er
hier nooit van spreken--maar wij wisten niet dat er kwaad in stak."
"En bevielen zij hem?" zeide Louisa, die al dien tijd een
uitvorschenden blik op Sissy hield gevestigd.
"O, bijzonder! Zij hielden hem dikwijls van iets af, dat hem wezenlijk
kwaad deed. En heel dikwijls placht hij des avonds al zijn verdriet
te vergeten in zijn nieuwsgierigheid of de sultan zijne vrouw hare
vertelling zou laten vervolgen, of dat hij haar het hoofd zou afhakken
eer zij uit was."
"En uw vader was altijd goed en vriendelijk voor u? Tot het laatste
toe?" vroeg Louisa, vlak tegen den grooten grondregel handelende en
zich zeer verwonderende.
"Altijd, altijd!" antwoordde Sissy, hare handen vouwende. "Goediger
en vriendelijker dan ik u zeggen kan. Op één avond alleen werd hij
eens boos, en dat was niet op mij, maar op Merrylegs. Merrylegs"--dit
geduchte feit fluisterde zij--"is zijn hond, dien hij kunstjes laat
vertoonen."
"Waarom werd hij boos op dien hond?" vroeg Louisa.
"Kort nadat vader van de vertooning thuis kwam, commandeerde hij
Merrylegs om op de leuningen van twee stoelen te springen en er dwars
over te gaan staan--dat een kunstje van hem is. Hij keek vader aan
en deed het niet dadelijk. Alles was vader dien avond tegengeloopen
en hij had het publiek geheel niet voldaan. Toen riep hij uit, dat
zelfs de hond wist dat hij tot niets meer deugde en geen medelijden
met hem had. En toen sloeg hij den hond, en ik ontstelde er van en
zeide: "Vader, vader, doe toch het beest geen kwaad, dat zooveel van u
houdt. Vader, om 's Hemels wil, houd toch op." Toen hield hij ook op,
en de hond was bebloed, en vader ging op den grond liggen schreien
met den hond in zijne armen, en de hond likte zijn gezicht."
Louisa zag dat zij snikte; en naar haar toegaande, gaf zij haar een
kus, nam haar bij de hand en trok haar naast zich op een stoel.
"Vertel mij nog voor het laatst hoe uw vader u verlaten heeft,
Sissy. Nu ik u zooveel gevraagd heb, moet ge mij ook maar het einde
vertellen. Het kwaad, als er eenig kwaad in steekt, komt voor mijne
rekening, niet voor de uwe."
"Lieve Miss Louisa," antwoordde Sissy, met de handen voor de oogen
en nog snikkende. "Ik kwam dien achtermiddag van de school thuis,
en vond vader, die ook pas van het spel naar huis gekomen was. Hij
zat over het vuur heen en weer te wiegelen, alsof hij pijn had. En
toen zeide ik: "Hebt gij u bezeerd, vader?" (gelijk hij wel eens
deed en zij allen deden); en hij zeide: "Een beetje, lieveling." En
toen ik bij hem bukte en naar zijn gezicht opkeek, zag ik dat hij
schreide. Hoe meer ik tegen hem sprak, des te meer hield hij zijn
gezicht weg; en eerst zat hij maar te beven en zeide niets anders dan:
"Mijn lief kind! Mijn lief kind!""
Hier kwam Tom binnenkuieren en bleef de twee staan aanstaren met eene
onverschilligheid, die zeer weinig belangstelling in iets anders dan
zijn eigen persoon aanduidde, terwijl zelfs deze op het oogenblik
niet sterk scheen te zijn.
"Ik vraag Sissy naar eenige dingen, Tom," zeide zijne zuster. "Gij
behoeft niet heen te gaan; maar laat ons een oogenblikje ongestoord,
beste Tom!"
"O, heel goed!" antwoordde Tom. "Maar vader heeft ouden Bounderby
mee naar huis gebracht, en ik wou dat ge mee naar de voorkamer
kwaamt. Omdat, als ge komt, er kans is dat oude Bounderby mij te eten
vraagt, en als gij niet komt, niet."
"Ik zal dadelijk komen."
"Ik zal op u wachten," zeide Tom, "om er zeker van te zijn."
Sissy vervolgde, zachter sprekende: "Eindelijk zeide mijn arme
vader dat hij weer geen genoegen had gegeven, dat hij tegenwoordig
nooit genoegen gaf, dat hij eene schande voor den troep was, en dat
ik het altijd beter zonder hem zou gesteld hebben. Ik zeide zooveel
vriendelijks als mij maar in het hart kwam, en spoedig werd hij stil,
en toen ging ik bij hem zitten en vertelde hem van de school en
van alles wat ik daar gehoord en gezien had. Toen ik niets meer te
vertellen had, sloeg hij zijne armen om mijn hals en kuste mij heel
dikwijls. Toen vroeg hij mij om wat van dat goed te halen, dat hij
noodig had om de kleine kwetsuur, die hij gekregen had, te verbinden;
ik moest het gaan halen waar het best te krijgen was, geheel aan het
andere eind van de stad; en toen kuste hij mij nog eens en liet mij
gaan. Toen ik onder aan de trap gekomen was, ging ik terug, om hem
nog een oogenblikje langer gezelschap te houden, en zeide: "Vaderlief,
zal ik Merrylegs meenemen?" Vader schudde zijn hoofd en zeide: "Neen,
Sissy; neem niets mede, dat men weet dat van mij is, liefje;" en toen
liet ik hem bij het vuur zitten. En toen moet de gedachte hem zijn
ingevallen, arme, arme vader, om mij tot mijn bestwil te verlaten
en te beproeven of hij op eene andere plaats iets voor mij kon doen;
want toen ik terugkwam, was hij er niet meer."
"Louisa, pas toch op ouden Bounderby," viel Tom er nu op in.
"Er is niets meer te vertellen, Miss Louisa. Ik bewaar de negen-olie
voor hem, want ik weet dat hij zal terugkomen. Elke brief, dien
ik mijnheer Gradgrind in de hand zie hebben, beneemt mij den adem
en verblindt mijne oogen, want ik denk dan dat hij van vader komt,
of van Sleary over vader. Mijnheer Sleary heeft beloofd, dat hij zou
schrijven zoodra hij iets van vader hoorde, en ik geloof het wel van
hem, dat hij zijn woord zal houden."
"Pas dan toch op ouden Bounderby, Louisa," zeide Tom ongeduldig. "Hij
zal al weg wezen, als gij u niet haast."
Wanneer Sissy naderhand in tegenwoordigheid der familie voor mijnheer
Gradgrind neeg--en met eene haperende stem zeide: "Neem mij niet
kwalijk, mijnheer, als ik u lastig val--maar--maar hebt gij nog geen
brief voor mij gekregen?" staakte Louisa het werk, waaraan zij bezig
was, wat het ook wezen mocht, en zag even ernstig naar het antwoord uit
als Sissy zelve. En wanneer mijnheer Gradgrind regelmatig antwoordde:
"Neen, Jupe, niets van dien aard," zag men Louisa's lippen eveneens
beven als die van Sissy, en volgden hare oogen Sissy met een blik vol
medelijden naar de deur. Mijnheer Gradgrind nam zulk eene gelegenheid
doorgaans waar om, wanneer Sissy de kamer uit was, aan te merken,
dat indien Jupe van hare vroegste jaren af behoorlijk was opgebracht,
zij zich zelve van de ongegrondheid dezer hersenschimmige hoop zou
overtuigd hebben. En toch scheen het (hoewel niet voor hem, want hij
zag niets daarvan) alsof eene hersenschimmige hoop zich even vast
bij iemand kan vestigen als een feit.
Het was zijne dochter alleen, die deze opmerking maakte. Wat Tom
aangaat, deze begon eene rekenmachine te worden, die gewoonlijk aan
sommen over nommer een aan het werk was; en wat mevrouw Gradgrind
betreft, indien zij iets van de zaak zeide, kwam zij als een
menschelijke marmot een klein weinigje uit hare omslagdoeken, en
zeide dan:
"Och Heere, wat heeft mijn arm hoofd toch eene plagerij uit te
staan, dat dat meisje, die Jupe, zoo onophoudelijk naar hare akelige
vervelende brieven blijft vragen. Op mijn woord en mijne eer, ik
schijn bestemd, verwezen en gedoemd te zijn om altijd onder dingen
te leven, waarvan ik nooit het einde zal hooren. Het is waarlijk
iets wonderlijks, maar het schijnt alsof ik nooit het einde van iets
mag hooren!"
Als zij omtrent zoover gekomen was, trof haar een blik van mijnheer
Gradgrind, en onder den invloed van dat ijskoude feit verzonk zij
weder in hare verdooving.
X.
STEPHEN BLACKPOOL.
Ik koester het zonderlinge denkbeeld, dat de bevolking van Engeland
even zwaar moet werken als de bevolking van eenig land, dat door de
zon wordt beschenen. Ik kom voor dit belachelijke vooroordeel uit,
als eene reden waarom ik die bevolking wat meer spel zou willen geven.
In dat gedeelte van Coketown, waar de zwaarst werkende bevolking
woonde; in de binnenste verschansingen dier leelijke citadel, waar de
natuur even stevig was buitengemetseld, als er doodelijke dampen waren
binnengemetseld; in het hart van een doolhof van benauwde straten
en smalle steegjes, die bij stukken en brokken het aanzijn hadden
gekregen, waarvan ieder stuk in geweldige haast tot een of ander
oogmerk moest dienen, en die te zamen eene onnatuurlijke familie
uitmaakten, welke elkander doodkneep, doodperste en dooddrukte;
in het benauwdste hoekje van dien grooten luchtledigen ontvanger,
waar de schoorsteenen, uit gebrek aan lucht om ze te doen trekken,
in eene oneindige verscheidenheid van kromme, misvormde fatsoenen
waren opgebouwd, alsof ieder huis een teeken uitstak van de soort
van menschen, welke men verwachten kon dat daarin moest geboren
worden; onder die menigte van Coketowners, die met de soortbenaming
van "de Handen" is bestempeld--een geslacht van menschen, die bij
sommige menschen meer gunst zouden vinden, indien de Voorzienigheid
had goedgevonden hen alleen handen, of, gelijk sommige zeedieren,
alleen handen en magen te maken--woonde ook zekere Stephen Blackpool,
veertig jaren oud.
Stephen zag er uit alsof hij ouder was, maar hij had ook een
onaangenaam leven gehad. Men zegt, dat ieder leven zijne rozen
en doornen heeft; doch er scheen met Stephen een ongeluk of eene
vergissing te hebben plaats gehad, waardoor iemand anders in het bezit
van zijne rozen was gekomen, terwijl hij de doornen van dien iemand
anders boven en behalve zijne eigene had gekregen. Hij had bijna
niets dan wederwaardigheden gekend. Gewoonlijk werd hij oude Stephen
genoemd--eene soort van ruwe hulde, welke men aan zijn uitzicht bewees.
Hij ging eenigszins gebukt, had een voorhoofd vol diepe rimpels, eene
zwaarmoedig peinzende uitdrukking in zijn gezicht, en een tamelijk
groot hoofd, met lange grijzende haren spaarzaam bedekt. Men had
den ouden Stephen op zijn uitzicht af voor een bijzonder schrander
man in zijne soort kunnen houden; maar dit was hij toch niet. Hij
behoorde niet onder die opmerkenswaardige fabrieksarbeiders, die,
door eene reeks van jaren alle afgebrokene stukjes vrijen tijd aaneen
te knoopen, moeielijke wetenschappen weten meester te worden en zich
eene kennis van de onwaarschijnlijkste dingen verschaffen. Evenmin
behoorde hij onder de fabrieksarbeiders, die redevoeringen kunnen
houden en in discussiën het woord voeren. Duizenden zijner makkers
konden veel beter spreken dan hij. Hij was een goed werkman, en een
door en door eerlijk mensch. Wat hij meer was, of wat er anders in
hem stak, indien er iets in hem stak, zal hij zelf moeten toonen.
De lichten in de groote fabrieken, die, wanneer zij verlicht waren,
naar tooverpaleizen geleken--zoo zeiden ten minste reizigers, die met
den expressetrein over den spoorweg kwamen--waren allen uitgedaan;--de
klokken, om voor dien avond het werk te staken, hadden geluid; en
de arbeiders, mannen en vrouwen, jongens en meisjes, draafden naar
huis. Oude Stephen stond op straat, met dat zonderlinge gevoel, dat het
ophouden der machinerie altijd bij hem voortbracht--het gevoel alsof
zij in zijn eigen hoofd had gewerkt en daarin nu alles ook stilstond.
"Maar ik zie Rachel toch nog niet," zeide hij.
Het was een regenachtigen avond, en vele troepjes jonge vrouwen gingen
hem voorbij, met haar doek over het bloote hoofd getrokken, en onder
de kin dicht gebonden, om den regen af te weren. Hij kende Rachel wel,
want een enkele blik op een van die troepjes was genoeg om hem te doen
zien, dat zij niet daaronder was. Eindelijk moesten er geen meer komen;
en toen keerde hij zich om en zeide op een toon vol teleurstelling:
"Wel, dan heb ik haar gemist."
Maar hij was nog geen drie straten ver, of hij zag nog eene gedaante
met een doek over het hoofd voor zich uit, en lette zoo scherp
daarop, dat misschien de enkele schaduw, die onduidelijk op de
natte straatsteenen viel--indien hij deze had kunnen zien zonder
de gedaante zelve, die van lantaren tot lantaren verder ging en zoo
telkens helderder en donkerder werd--genoeg zou zijn geweest om hem
te doen weten wie daar was. Zijne schreden versnellende en tegelijk
verzachtende, haastte hij zich voort tot hij dicht bij die gedaante
was, nam toen zijn vorigen stap weder aan en riep: "Rachel!"
Zij keerde zich om, vlak bij een lantaren, en den doek, die haar
hoofd als eene kap bedekte, een weinig oplichtende, vertoonde zij een
stemmig ovaal gezichtje, donker van kleur en tamelijk fijn besneden,
verhelderd door een paar zeer vriendelijke oogen, en verder versierd
door de netheid harer glanzig zwarte haren. Het was een gezichtje niet
meer in den eersten bloei; zij was eene vrouw van vijf en dertig jaren.
"Ha, jongen! zijt gij het?" en toen zij dit gezegd had, met een
glimlach, waarvan men de geheele uitdrukking zou hebben opgemerkt,
al had men niets anders van haar gezien dan hare vriendelijke oogen,
liet zij haar doek weder vallen en stapten zij te zamen voort.
"Ik dacht dat gij achter mij waart, Rachel."
"Neen."
"Vroeg van avond, meid?"
"Somtijds ben ik wat vroeg, Stephen, somtijds wat laat. Er is nooit
op te rekenen wanneer ik naar huis ga."
"En den anderen weg ook niet, naar het mij voorkomt, Rachel?"
"Neen, Stephen."
Hij zag haar aan met zekere teleurstelling in zijn blik, maar tevens
met zeker eerbiedig geduld, alsof hij overtuigd was dat zij, wat zij
ook doen mocht, altijd wèl deed. Die blik bleef niet onopgemerkt;
zij legde hare hand voor een oogenblik licht op zijn arm, als ware
het om hem daarvoor te danken.
"Wij zijn zulke trouwe vrienden, jongen, en zulke oude vrienden,
en worden al zulke oude lui tegenwoordig."
"Neen, Rachel, gij zijt nog zoo jong als gij ooit geweest zijt."
"Een van ons beiden zou er toch verlegen mee zijn, Stephen, hoe oud
hij zou worden zonder dat de ander het ook werd, terwijl wij beiden
blijven leven," antwoordde zij lachende; "maar zeker, wij zijn zulke
oude vrienden, dat het zonde en jammer zou zijn als wij elkander
eene klaarblijkelijke waarheid wilden verbergen. Het is beter dat
wij niet te veel samen gaan. Somtijds wel! Het zou te hard zijn als
het geheel niet mocht gebeuren," zeide zij met eene opgeruimdheid,
die zij hem poogde mede te deelen.
"Het is altijd hard, Rachel."
"Doe uw best om het maar niet zoo te vinden en dan zal het beter
schijnen."
"Ik heb er al lang mijn best toe gedaan, en het is toch niet beter
geworden. Maar gij hebt gelijk, het zou de menschen maar aan het
praten helpen, zelfs over u. Gij zijt zoovele jaren lang zooveel
voor mij geweest, Rachel; gij hebt mij zooveel goed gedaan, en mij
met dat vroolijke gezicht zoo dikwijls moed gegeven, dat uw woord
eene wet voor mij is. Ja meid, en eene goede, duidelijke wet, beter
dan sommige wezenlijke wetten."
"Breek u daar het hoofd niet mee, Stephen," antwoordde zij snel,
en niet zonder eenige bekommering in haar blik. "Laat de wetten
maar blijven."
"Ja," zeide hij en knikte een paar malen langzaam met het hoofd. "Laat
ze maar blijven. Laat alles maar blijven. Het is een warboel, en
daarmee uit."
"Altijd een warboel?" zeide Rachel, en raakte nogmaals zacht zijn
arm aan, als wilde zij hem opwekken uit het gepeins, waaronder hij
al voortstappende op de lange slippen van zijne los omgeknoopte das
beet. Die aanraking deed eene oogenblikkelijke werking. Hij liet de
slippen los, zag haar met een verhelderd gezicht aan, en zeide met
een goedhartigen lach:
"Ja, Rachel, altijd een warboel, waarvoor ik moet blijven staan. Al
zoo dikwijls ben ik aan dien warboel geweest, maar nooit kan ik
er overheen."
Zij hadden een eind ver met elkander gegaan en waren nu dicht bij
de streek waar zij woonden. Het eerst kwam men aan de woning der
vrouw. Deze stond in een dier smalle straatjes, voor welke de meest
beklante aanspreker (die aan de eenige plechtigheid--eene armoedige,
akelige plechtigheid--welke ooit in deze buurt plaats had, eene goede
som in het jaar verdiende) zich eene zwarte ladder had aangeschaft,
om hen, die met hun dagelijks op- en afklimmen der donkere, smalle
trappen gedaan hadden, de werkende wereld door een venster te laten
uitglijden. Zij bleef op den hoek staan, reikte hem de hand en wenschte
hem goedennacht.
"Goedennacht, lieve meid, goedennacht!"
Zij ging, met haar net figuurtje en haar stemmigen tred, de donkere
straat in, en hij bleef haar staan nakijken tot zij een der huisjes
binnenging. Er was geene plooi in haar groven, wuivenden doek, welke
niet iets belangwekkends in de oogen van dien man had; geen toon
harer stem, die geen weerklank vond in het binnenste van zijn hart.
Toen zij uit zijn gezicht was verdwenen, vervolgde hij zijn weg
naar huis, nu en dan naar de lucht opziende, door welke de wolken
met woeste snelheid voorbijdreven. Zij waren nu echter gebroken;
de regen had opgehouden, en de maan scheen--zij zag langs de hooge
schoorsteenen van Coketown op de diepe fornuizen daaronder neer, en
wierp reusachtige schaduwen van rustende stoommachines op de muren,
waartusschen zij gehuisvest waren. De man scheen onder het voortgaan
evenzeer opgehelderd te zijn als het weder was.
Zijne woning, in juist zulk eene straat als de eerste, maar nog
smaller, was boven een winkeltje. Hoe het kwam, dat iemand het
de moeite waard vond de ellendige stukjes speelgoed, die tusschen
goedkoope nieuwsbladen en spek (er zou den volgenden avond eene ham
verloot worden) voor het venster lagen, te koopen of te verkoopen,
is iets waarmede wij ons nu niet behoeven op te houden. Hij nam zijn
eindje kaars van eene plank, en na het aan een ander eindje kaars,
dat op de toonbank stond te branden, te hebben aangestoken, ging
hij de trap op naar zijne kamer, zonder de eigenares van den winkel,
die in haar kamertje zat te slapen, te storen.