den verkeerden kant er van. Een hard bed plachten de steenen van de
colonnade te wezen, dat verzeker ik u. Menschen gelijk gij, juffrouw,
van hunne kindsheid af gewoon op donzen pluimen te slapen, hebben er
geen denkbeeld van, hoe hard de straatsteenen zijn, als zij het niet
beproeven. Neen, neen, het is gekheid, dat ik u van kunstenmakers
spreek. Ik moest van vreemde danseressen en het West-End van Londen,
May Fair, en lords en lady's spreken."
"Ik vertrouw, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit met edele
gelatenheid, "dat het niet noodig is dat gij zoo iets doet. Ik hoop,
dat ik mij naar de wisselingen des levens heb leeren voegen. Indien
ik mijne belangstelling heb voelen ontwaken bij het luisteren naar
de leerrijke ondervinding van uw leven, en nu haast nooit genoeg
daarvan kan hooren, kan ik mij dit niet tot verdienste rekenen,
daar ik geloof dat die belangstelling eene algemeene aandoening is."
"Wel, juffrouw," hervatte haar begunstiger, "misschien belieft het
sommige menschen te zeggen, dat zij Josiah Bounderby van Coketown
gaarne op zijne eigene ongepolijste manier hooren vertellen wat hij
al zoo heeft doorgestaan. Maar gij moet toch bekennen, dat gij zelve
in den schoot der weelde geboren zijt. Kom aan, juffrouw, gij weet
immers wel, dat ge in den schoot der weelde geboren zijt."
"Dat ontken ik niet, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit en schudde
daarbij haar hoofd.
Mijnheer Bounderby was genoodzaakt van de tafel op te rijzen en met
zijn rug naar het vuur bij den haard te gaan staan om haar op dien
afstand aan te zien, zoo heerlijk deed zij door hare contrasteerende
nabijheid zijne verdiensten uitkomen.
"En gij kwaamt ook in aanzienlijke kringen--in verduiveld hooge
kringen," zeide hij, terwijl hij zijne beenen warmde.
"Dat is waar, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, met eene
affectatie van nederigheid, die zoo hemelsbreed van de zijne
verschilde, dat zij daardoor geen gevaar liepen om elkander ooit in
den weg te komen.
"En gij waart ook midden in de modewereld en alle drukte en pleizier,"
zeide mijnheer Bounderby.
"Ja, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, op den toon eener
gezellige, volkomen getrooste weduwe; "dat is niet te ontkennen."
Mijnheer Bounderby liet zijne knieën doorbuigen, omhelsde in de
overmaat zijner zelfvoldoening zijne eigene beenen en lachte hardop.
Nu werden mijnheer Gradgrind en zijne dochter Louisa aangediend,
en mijnheer Bounderby ontving den eersten met een handdruk en de
laatste met een kus.
"Mag Jupe hier geroepen worden, Bounderby?" vroeg mijnheer Gradgrind.
"Wel zeker," en Jupe werd geroepen. Toen zij binnenkwam neeg zij
voor mijnheer Bounderby en zijn vriend Tom Gradgrind, en ook voor
Louisa; maar ongelukkig sloeg zij in hare verlegenheid mevrouw Sparsit
over. Dit opmerkende, achtte de manhaftige Bounderby zich verplicht
het volgende te zeggen:
"Eerst moet ik u eens wat vertellen, meisje. De naam van die juffrouw
bij den trekpot is mevrouw Sparsit. Die juffrouw is hier zoo goed
als meesteres van het huis, en zij is eene dame van aanzienlijke
afkomst. Als ge dus ooit weder hier in huis in eene kamer komt,
zult gij er maar kort in blijven, indien gij deze juffrouw niet allen
eerbied bewijst, dien gij maar kunt. Het kan mij niet schelen hoe gij
u jegens mij gedraagt, omdat ik mij niet voor iemand van eenig aanzien
wil uitgeven. In plaats van eene aanzienlijke familie te hebben, heb
ik geheel geene familie; ik ben van het uitvaagsel der maatschappij
afkomstig. Maar het kan mij wèl schelen hoe gij u jegens die dame
gedraagt; en gij zult u jegens haar fatsoenlijk en eerbiedig gedragen,
of gij zult niet meer hier komen."
"Ik hoop, Bounderby," zeide mijnheer Gradgrind op een bevredigenden
toon, "dat het maar een onwillekeurig verzuim was."
"Mijn vriend Tom Gradgrind vermeent, mevrouw Sparsit," hervatte
mijnheer Bounderby, "dat het maar een onwillekeurig verzuim was. Zeer
waarschijnlijk. Maar gelijk gij wel weet, juffrouw, ik wil ten uwen
opzichte zelfs geen onwillekeurig verzuim dulden."
"Gij zijt waarlijk zeer goed, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit,
met hare staatsie-nederigheid haar hoofd schuddende. "Het is niet de
moeite waard om er van te spreken."
Sissy, die zich al dien tijd met eene angstige stem en tranen in
de oogen had gepoogd te verontschuldigen, werd nu door den heer
des huizes met een enkel wuiven zijner hand naar mijnheer Gradgrind
verwezen. Thans sprak deze heer haar aan, terwijl Sissy hem aandachtig
in de oogen zag, en Louisa, onverschillig naar den grond kijkende,
daarbij stond.
"Jupe," zeide mijnheer Gradgrind, "ik ben tot het besluit gekomen om u
bij mij in huis te nemen, en u, als gij niet naar de school zijt, ter
oppassing van mevrouw Gradgrind te bezigen, die eenigszins ziekelijk
is. Ik heb Miss Louisa--dit is Miss Louisa--den jammerlijken maar
natuurlijken afloop uwer vroegere loopbaan duidelijk gemaakt; en gij
moet uitdrukkelijk weten, dat die zaak geheel en al voorbij is en er
nooit weder van gesproken moet worden. Van dezen tijd af begint uwe
nieuwe geschiedenis. Gij zijt nog zeer onkundig, dat weet ik."
"Ja, mijnheer," antwoordde zij nijgende.
"Ik zal de zelfvoldoening smaken van u met de uiterste stiptheid te
laten opvoeden; en gij zult voor allen, die met u in aanraking komen,
een levend bewijs zijn van de voordeelen der opleiding, die gij
ontvangen zult. Gij zult verbeterd en gevormd worden. Gij zijt tot
nog toe gewoon geweest om voor uw vader en de menschen, onder welke
ik u gevonden heb, te lezen, niet waar?" zeide mijnheer Gradgrind,
maar eer hij dit zeide, wenkte hij haar om naderbij te komen en liet
toen zijne stem dalen.
"Alleen voor vader en Merrylegs, mijnheer. Tenminste, ik meen voor
vader, terwijl Merrylegs er bij was."
"Zwijg maar van Merrylegs, Jupe," zeide mijnheer Gradgrind, voor
een oogenblik zijn voorhoofd fronsende. "Ik vraag niet naar hem. Ik
begrijp dus, dat gij gewoon waart uw vader voor te lezen?"
"O ja, mijnheer. Wel duizendmaal heb ik dat gedaan. Dat waren de
genoeglijkste--o, de genoeglijkste van al de genoeglijke uren, die
wij samen gehad hebben, mijnheer."
Het was nu eerst, toen hare smart uitbarstte, dat Louisa haar aanzag.
"En wat," vroeg mijnheer Gradgrind, nog zachter sprekende, "wat hebt
gij voor uw vader gelezen, Jupe?"
"Van de Toovergodinnen, mijnheer, en den Dwerg, en den Bultenaar en
de Geesten," snikte zij uit.
"Zoo!" zeide mijnheer Gradgrind. "Dat is genoeg. Spreek nooit een
enkel woord meer van die verderfelijke zotheden. Bounderby, hier
zal de proef genomen worden, wat eene strenge opvoeding vermag,
en ik zal het geval met belangstelling gadeslaan."
"Wel," antwoordde Bounderby, "ik heb u reeds mijne meening gezegd,
en ik zou niet doen wat gij doet. Maar het is heel goed. Daar gij er
op gesteld zijt, heel goed!"
En zoo namen mijnheer Gradgrind en zijne dochter Cecilia Jupe mede
naar Stone Lodge, en onderweg sprak Louisa geen enkel woord, goed of
kwaad; en mijnheer Bounderby ging aan zijne dagelijksche bezigheden;
en mevrouw Sparsit verschool zich achter hare wenkbrauwen en zat in
de duisternis van dien schuilhoek den geheelen morgen te peinzen.
VIII.
ZICH NOOIT TE VERWONDEREN.
Wij moeten een enkelen blik achterwaarts werpen, eer wij met de
geschiedenis voortgaan.
Toen zij nog een half dozijn jaren jonger was, had men Louisa eens
een gesprek met haar broeder hooren beginnen met de woorden: "Tom,
ik verwonder mij;" waarop mijnheer Gradgrind, die hen had beluisterd,
voor den dag kwam en zeide: "Louisa, gij moet u nooit verwonderen."
Hierin lag het voorname geheim der mechanische kunst van opvoeding,
welke het verstand wilde ontwikkelen, zonder zich te vernederen om het
gevoel of de neigingen te raadplegen. Verwonder u nooit. Gij moet alles
door middel van optelling, aftrekking, vermenigvuldiging en deeling op
de eene of andere manier beslissen, en u nooit verwonderen. Breng mij,
zegt mijnheer Mac Choakumchild, een kind, zoodra het pas kan loopen,
en ik sta er u voor in dat het zich nooit zal verwonderen.
Nu waren er juist in Coketown, behalve zeer vele kleine kinderen,
die pas konden loopen, ook aanmerkelijk veel kinderen, die reeds
twintig, dertig, veertig, vijftig jaren en langer naar de eeuwigheid
hadden gewandeld; en daar het gezicht van zulke kinderen, die aldus
in eene maatschappij rondliepen, dreigend en onrustbarend was, waren
de achttien gezindten onophoudelijk met elkander aan het plukharen, om
het zoodoende eens te worden over de maatregelen, welke ter opvoeding
en verbetering dier groote kinderen moesten genomen worden--zonder
het echter ooit eens te worden; eene verbazende omstandigheid,
wanneer men in aanmerking neemt hoe gelukkig middel en doel met
elkander overeenstemden. Evenwel, schoon zij in alle andere punten,
begrijpelijke en onbegrijpelijke (maar vooral onbegrijpelijke),
onder elkander verschilden, waren zij het tamelijk wel eens over
dit punt, dat die ongelukkige groote kinderen zich nooit moesten
verwonderen. Genootschap nommer een zeide, dat zij alles op geloof
moesten aannemen. Genootschap nommer twee zeide, dat zij alles uit de
staathuishoudkunde moesten leeren. Genootschap nommer drie schreef
voor hen kleine boekjes, zoo zwaar als lood, waarin werd aangetoond
hoe het zoete volwassene kind onfeilbaar geld in de spaarbank kreeg
en het stoute even onfeilbaar gedeporteerd werd. Genootschap nommer
vier plaatste hier en daar, met een akelige poging om comisch te
zijn (die op zichzelf reeds zeer naargeestig was), op eene uiterst
onhandige manier verborgene vallen, waarin de groote kinderen zich
moesten laten lokken, om, zonder dat zij het wisten, in een hoop
kennis te tuimelen. Maar al die genootschappen kwamen daarin overeen,
dat zij zich nooit moesten verwonderen.
Er bestond in Coketown eene bibliotheek, waartoe iedereen gemakkelijk
toegang kon verkrijgen. Mijnheer Gradgrind kwelde er zijn geest
geweldig over, wat de menschen in die bibliotheek lazen, een punt,
waarover op gezette tijden riviertjes van statistieke tabellen in de
woelende zee van statistieke tabellen vloeiden, waarin geen duiker
ooit tot eenige diepte kon dalen en met zijn gezond verstand weder
bovenkomen. Het was een ontmoedigende omstandigheid, maar tevens
eene treurige daadzaak, dat zelfs deze lezers volhardden met zich
te verwonderen. Zij verwonderden zich over het menschelijk gemoed,
over menschelijke hartstochten, menschelijke hoop en vrees, over den
worstelstrijd, de zegepraal en de nederlaag, de zorgen, genoegens en
smarten, het leven en den dood van gewone mannen en vrouwen. Somtijds,
nadat zij vijftien uren gewerkt hadden, gingen zij verhalen zitten
lezen, die niets meer dan fabeltjes waren, van mannen en vrouwen meer
of minder gelijk zij zelven, en kinderen meer of minder gelijk hunne
eigene. Zij drukten De Foe aan hunne borst, in plaats van Euclides,
en schenen over het geheel meer opgebeurd te worden door Goldsmith
(den romanschrijver), dan door Cocker (den rekenmeester). Mijnheer
Gradgrind was onophoudelijk met die lastige som aan het werk, en kon
nooit ontdekken wat de reden was dat zij zoo geheel fout uitkwam.
"Ik ben van mijn leven verzadigd, Louisa. Ik heb er een hekel aan,
en ik heb een hekel aan iedereen behalve u," zeide eens op een
schemeravond de onnatuurlijke jonge Thomas Gradgrind, terwijl hij
met zijne zuster alleen in de haarsnijkamer was.
"Gij hebt toch geen hekel aan Sissy, Tom?"
"Ik heb er een hekel aan, dat ik haar Jupe moet noemen; en zij heeft
een hekel aan mij," zeide Tom met sombere stroefheid.
"Neen, Tom, dat heeft zij niet, daar ben ik zeker van."
"Zij moet wel," hervatte Tom. "Zij moet onzen geheelen troep haten
en verfoeien. Zij zullen haar nog doodplagen, denk ik, met al dat
leeren. Zij wordt al zoo bleek als een doek en zoo suf als--als
ik ben."
De jonge Thomas uitte deze woorden terwijl hij schrijdelings op
een stoel voor het vuur zat, met zijne armen op de leuning en zijn
hoofd op zijne armen. Zijne zuster zat in het donkere hoekje naast
den schoorsteen, nu haar broeder aanziende, dan naar de schitterende
vonken kijkende, die door den haardrooster vielen.
"Wat mij betreft," zeide Tom, op alle manieren met zijne handen door
zijn haar woelende, "ik ben een ezel, dat weet ik. Ik ben zoo koppig
als een ezel en nog dommer dan een ezel; ik heb evenveel pleizier
als een ezel, en ik zou wel als een ezel willen schoppen."
"Mij niet, hoop ik, Tom."
"Neen, Louisa. U zou ik geen zeer willen doen. Ik heb in het begin al
eene uitzondering voor u gemaakt. Ik weet niet wat dit oude--geelzieke
gasthuis"--Tom had zich een oogenblik bedacht om een naam voor
het ouderlijke huis te vinden, die vleiend en krachtig genoeg was,
en scheen door deze satirieke geestigheid zijn gemoed eenigszins
verlicht te hebben--"zonder u zou wezen."
"Waarlijk, Tom? Zegt ge dat met waarheid en oprecht?"
"Wel zeker. Maar wat helpt het er over te praten?" antwoordde Tom, en
wreef met zijne mouw over zijn gezicht, als ware het om zijn vleesch
te pijnigen en aldus in overeenstemming met zijn geest te brengen.
"Omdat ik, Tom," antwoordde zijne zuster, nadat zij eene poos
stilzwijgend naar de vonken had gekeken, "nu ik ouder wordt en haast
groot zal zijn, mij hier dikwijls zit te verwonderen en te denken hoe
ongelukkig het is, dat ik niet beter in staat ben om u met dit huis
te verzoenen. Ik versta niets van wat andere meisjes verstaan. Ik kan
niet voor u zingen of voor u spelen. Ik kan niet zoo met u praten,
dat ik uw gemoed verlicht, want ik zie nooit iets vermakelijks en ik
lees nooit een vermakelijk boek, waarover ik met u zou kunnen praten,
om u op te ruimen, als gij verdrietig zijt."
"Wel, ik ook niet. Ik ben er in dat opzicht even slecht aan toe
als gij; en ik ben bovendien een ezel, wat gij niet zijt. Als vader
voorgenomen heeft mij een wijsneus of een ezel te maken, en ik geen
wijsneus ben, wel dan spreekt het vanzelf, dat ik een ezel moet
zijn. En dat ben ik ook," zeide Tom met wanhopige heftigheid.
"Het is wel jammer, Tom," zeide Louisa, na nog eene poos van stilte,
op een peinzenden toon uit haar donker hoekje. "Het is wel jammer. Het
is zeer ongelukkig voor ons allebei."
"O, gij zijt een meisje, Louisa," zeide Tom hierop, "en een meisje
komt daar beter doorheen dan een jongen. Ik zou niets meer in u
verlangen. Gij zijt het eenige genoegen dat ik heb--gij kunt zelfs
dit huis opvroolijken--gij kunt altijd van mij gedaan krijgen wat
gij wilt."
"Gij zijt een lieve broeder, Tom; en als gij denkt, dat ik zoo iets
doen kan, trek ik het mij zoo niet aan, dat ik wel beter weet. Maar
ik weet wel beter en dat spijt mij zeer." Zij kwam naar hem toe,
gaf hem een kus en ging toen weder naar haar hoekje.
"Ik wenschte," zeide Tom, wrevelig zijne tanden op elkander klemmende,
"dat ik al de feiten, waarvan wij zooveel hooren, op een hoop
kon smijten, met al de cijfers, en al de menschen, die ze hebben
uitgevonden, en er duizend vaten kruit onder zetten, en alles te
zamen in de lucht laten vliegen. Maar als ik bij den ouden Bounderby
ga inwonen, zal ik mij wel wreken."
"Wreken, Tom!"
"Ik meen, ik zal dan wel maken dat ik wat pleizier heb. Ik zal dan
wel uitgaan en wat anders te zien en te hooren krijgen. Ik zal mij
vergoeding verschaffen voor de manier waarop ik ben grootgebracht."
"Pas maar op, dat gij u zelven geene teleurstelling berokkent,
Tom. Mijnheer Bounderby denkt eveneens als vader en is veel ruwer en
niet half zoo zachtzinnig."
"O," antwoordde Tom lachende, "daar geef ik niet om. Ik weet wel,
hoe ik den ouden Bounderby naar mijne hand moet zetten en vriendelijk
maken."
Hunne schaduwen waren duidelijk op den muur geteekend, maar daarboven
en tegen de zoldering vereenigden zich die der hooge kasten, die in de
kamer stonden, alsof broeder en zuster in een donkere grot zaten. Eene
rijke verbeelding--indien zulk een verraderlijk ding daar aanwezig
kon zijn--had dit schijnsel voor eene schaduw van hun onderwerp en
het verband daarvan met eene dreigende toekomst kunnen houden.
"En wat kan het middel wezen om hem naar uwe hand te zetten en
vriendelijk te maken, Tom? Of is het een geheim?"
"Och," antwoordde Tom, "als het een geheim is, is het niet ver te
zoeken. Gij zijt het zelf. Gij zijt zijn liefje, zijne gunsteling,
hij zal alles voor u doen. Als hij mij iets zegt, dat mij niet bevalt,
zal ik hem zeggen: "Het zal mijne zuster Louisa wel bevreemden en
spijten, mijnheer Bounderby. Zij placht mij te zeggen, dat zij zeker
was dat gij vrij wat gemakkelijker zoudt zijn." Dat zal hem tot rede
brengen, of anders weet ik het niet."
Nadat hij eene poos naar antwoord op dit gezegde had gewacht, zonder
er een te bekomen, verzonk Tom weder in een naargeestig gepeins over
het tegenwoordige; hij kromde zich geeuwende al meer en meer over
zijn stoel, en bracht zijn haar al meer en meer in de war, tot hij
eensklaps opzag en vroeg:
"Zijt gij in slaap gevallen, Louisa?"
"Neen, Tom. Ik kijk in het vuur."
"Gij schijnt daar meer in te kijken te vinden dan ik er ooit in vinden
kon," zeide Tom. "Dat is alweder een van de voorrechten, geloof ik,
die een meisje heeft."
"Tom," zeide zijne zuster langzaam en op een zonderlingen toon, alsof
zij, hetgeen zij vroeg, in het vuur las en het niet zeer duidelijk
daarin geschreven stond. "Ziet gij die verandering bij mijnheer
Bounderby met eenig genoegen te gemoet?"
"Wel, er is ten minste dit van te zeggen," antwoordde Tom, zijn stoel
wegschuivende en opstaande, "ik zal dan het huis uit zijn."
"Er is ten minste dit van te zeggen," herhaalde Louisa op haar vorigen
zonderlingen toon, "ik zal dan het huis uit zijn. Ja."
"Maar toch zal het mij zeer verdrieten, zoowel dat ik u moet verlaten,
Louisa, als dat gij hier moet blijven. Maar ik moet wel gaan, dat
weet ge, of het mij bevalt of niet; en het is beter, dat ik ergens
kom waar ik eenig voordeel van uw invloed kan medenemen, dan waar ik
dien geheel zou verliezen. Begrijpt gij dat niet?"
"Ja, Tom."
Het duurde zoolang eer dit antwoord kwam, schoon het toch niet op een
aarzelenden toon gegeven werd, dat Tom intusschen naar haar toe gekomen
was, om, over haar stoel leunende, van haar gezichtspunt uit naar het
vuur te kijken, waarop hare aandacht zoo onverdeeld gevestigd was,
en te zien wat hij er uit kon maken.
"Behalve dat het een vuur is," zeide Tom, "ziet het er voor mij even
flauw en vervelend uit als alle andere dingen. Wat ziet gij er in? Toch
geen paardenspel?"
"Ik zie er niets bijzonders in, Tom. Maar sedert ik er in zit te
kijken, heb ik mij verwonderd, hoe het met u en mij zal gaan, als
wij eens groot zijn."
"Alweer verwonderd!" zeide Tom.
"Mijne gedachten zijn zoo woelig," antwoordde zijne zuster, "dat ik
mij wel gedurig moet verwonderen."
"Dan verzoek ik u, Louisa," zeide mevrouw Gradgrind, die zonder gehoord
te worden de deur geopend had, "om dat voortaan om 's Hemels wil na
te laten, gij loszinnig meisje, of ik zal er gedurig van uw vader van
moeten hooren. En gij, Thomas, het is inderdaad schandelijk, terwijl
ik zooveel met mijne hoofdpijn te stellen heb, dat een jongen, die zoo
is grootgebracht als gij, en wiens opvoeding zooveel gekost heeft,
er op betrapt moet worden, dat hij zijne zuster aanmoedigt om zich
te zitten verwonderen, terwijl hij weet dat zijn vader uitdrukkelijk
gezegd heeft, dat zij het niet mag doen."
Louisa ontkende Tom's medeplichtigheid aan het misdrijf; maar hare
moeder stopte haar den mond met het afdoende antwoord: "Zeg mij dat
niet, Louisa, mij, die zoo met mijne gezondheid te sukkelen heb;
want als gij er niet toe aangemoedigd waart, is het eene moreele en
physieke onmogelijkheid, dat gij het kondt gedaan hebben."
"Ik ben er door niets toe aangemoedigd, moeder, dan door het kijken
naar de roode vonken, die uit het vuur vielen, en dan verbleekten en
stierven. Dat deed mij denken, hoe kort misschien mijn eigen leven
zou zijn, en hoe weinig ik er van kon hopen en in kon doen."
"Malligheid!" zeide mevrouw Gradgrind, bijna in vuur
gebracht. "Malligheid! Sta mij daar toch niet zulke zotternijen te
vertellen, terwijl gij zeer wel weet, dat ik er nooit het einde van
zou hooren, als uw vader er ooit iets van ter oore kwam. En dat na al
de moeite, die men zich met u heeft gegeven! Na al de voorlezingen, die
gij hebt bijgewoond, en al de proefnemingen, die gij hebt gezien. Nadat
ik u zelfs, toen ik aan mijne geheele rechterzijde lam was, met
uw meester heb hooren doorslaan over calcinatie en colorificatie,
en allerlei atiën mag ik wel zeggen, waarmede men eene arme zieke
razend kan maken. Dat ik u nu nog op zulk eene ongerijmde manier
over vonken en asch moet hooren praten. Ik wenschte," vervolgde zij
met eene schreiende stem, terwijl zij op een stoel neerzonk, om,
voordat zij onder haar leed bezweek, nog het ergste te zeggen wat
zij zeggen kon, "ja, ik wenschte waarlijk, dat ik nooit kinderen had
gehad, en dan zoudt gij eens gezien hebben hoe gij het buiten mij
hadt kunnen stellen."
IX.
SISSY'S VORDERINGEN.
Sissy Jupe had bij mijnheer Mac Choakumchild en mevrouw Gradgrind
geene gemakkelijke dagen, en in de eerste maanden van haar proeftijd
kwam zij dikwijls in groote verzoeking om weg te loopen. Den geheelen
dag hagelde het feiten, en het leven, dat voor haar geopend werd,
geleek zoozeer naar een hoofdbrekend cijferboek, dat zij zeker zou
zijn weggeloopen, indien er niet eene gedachte was geweest, die
haar terughield.
Het is bedroevend om er aan te denken, maar deze gedachte was geenszins
de slotsom eener nauwkeurige berekening; zij was zelfs vlak strijdig
met alle berekening, en had alle kansen van waarschijnlijkheid, welke
men in de zaak kon vinden, vlak tegen zich. Het meisje geloofde,
dat haar vader haar niet verlaten had; zij leefde in de hoop, dat
hij zou terugkomen, en in het troostende vertrouwen, dat het hem
verblijden zou indien zij bleef waar zij was.
De jammerlijke onkunde, waarmede Sissy zich aan dezen troost vastklemde
en de hoogere geruststelling afwees van op goede rekenkunstige
gronden te weten dat haar vader een onnatuurlijke vagebond was,
vervulde mijnheer Gradgrind met medelijden. Maar wat was er aan te
doen? Mijnheer Mac Choakumchild zeide, dat zij een zeer slecht hoofd
voor cijfers had; dat zij niet eens een algemeen denkbeeld van den
aardbol bezat, en geen het minste belang in de juiste afmetingen
daarvan stelde; dat zij zeer moeielijk datums onthield, of er moest
juist eene of andere beuzelachtige gebeurtenis aan gehecht zijn;
dat zij in tranen uitbarstte toen men haar vroeg om uit het hoofd
te zeggen hoeveel tweehonderd zeven en veertig neteldoeksche mutsjes
tegen veertien en een halven stuiver het stuk moesten kosten; dat zij
op de school zoo achterlijk bleef als maar mogelijk was; dat zij acht
weken, nadat zij aan de gronden der staathuishoudkunde was begonnen,
door een kleuter van drie voet lengte werd terechtgewezen, daar zij op
de vraag: "Wat is het eerste beginsel der wetenschap?" het ongerijmde
antwoord had gegeven: "Dat ik anderen doe gelijk ik wensch dat zij
mij zouden doen."
Mijnheer Gradgrind schudde zijn hoofd en zeide, dat dit al zeer erg
was; dat het de noodzakelijkheid bewees om haar zonder ophouden
in den molen der kennis te laten malen, volgens de rapporten en
systematische tabellen A tot Z; en dat Jupe gedurig aan het werk
moest worden gehouden. Jupe werd dus aan het werk gehouden, en werd
zeer neerslachtig, maar niet wijzer.
"Het zou een geluk voor mij wezen als ik naar u geleek, Miss
Louisa!" zeide zij eens op een avond, toen Louisa haar best had gedaan
om haar de onbegrijpelijkheden van de les, die zij den volgenden dag
moest kennen, eenigszins duidelijker te maken.
"Denkt gij dat?"
"Dan zou ik zooveel weten, Miss Louisa. Al wat nu moeielijk voor mij
is, zou mij dan zoo gemakkelijk zijn."
"Dat zou u toch misschien niet veel helpen, Sissy."
Na eene korte poos aarzelens waagde Sissy de bedenking te uiten:
"Ik zou er toch zeker niet erger aan toe zijn, Miss Louisa." Waarop
Miss Louisa antwoordde: "Dat weet ik nog niet."