Ondertusschen kwamen de verschillende leden van Sleary's troep

langzamerhand van de bovenkamers, waar zij in kwartier lagen,

naar het portaal, bleven eerst een poosje onder elkander en met

mijnheer Childers staan praten, en drongen zachtjes aan zich

zelven en hem de kamer in. Er waren onder deze groep twee of drie

bevallige jonge vrouwen, met hare twee of drie mannen en hare twee

of drie moeders, en hare acht of negen kinderen, die als het noodig

was voor engeltjes speelden. De vader van een dier huisgezinnen

was gewoon den vader van een ander huisgezin op de punt van een

hoogen staak te laten balanceeren; de vader van een derde huisgezin

maakte dikwijls een piramide met de twee eerstgemelde vaders en den

jongenheer Kidderminster, die op den top stond; al de vaders konden

op rollende tonnen loopen, op flesschen staan, messen en ballen

opgooien en vangen, waschkommen laten tollen, op alles rijden en

over alles heen springen. Al de moeders konden op de stijve en de

slappe koord dansen en gevaarlijke kunsten maken op den blooten rug

van een paard; zij waren geen van allen bijzonder beschaamd om hare

beenen te laten zien, en een van haar reed geheel alleen in eene

Romeinsche kar met zes paarden, die zij uit de hand mende, wanneer

de troep eene stad binnentrok. Zij hielden zich allen alsof zij zeer

luchtig en zeer slim waren, maar waren niet zeer net in hunne gewone

kleeding, geheel niet ordelijk in hunne huishouding, en de vereenigde

letterkundige bekwaamheden van den geheelen troep hadden slechts een

zeer armoedigen brief, over welk onderwerp het ook wezen mocht, kunnen

samenstellen. Evenwel hadden deze lieden iets opmerkelijk weekhartigs

en kinderlijks over zich, waren zij bijzonder ongeschikt om op eene

hardvochtige manier hun eigen voordeel te bejagen, en onvermoeid in

hunne bereidvaardigheid om elkander te helpen en te troosten; waardoor

zij dikwijls evenveel achting waardig waren en altijd met dezelfde

edelmoedige zachtheid verdienden beoordeeld te worden, als eenige

andere klasse van menschen door hare alledaagsche deugden verdient.

Het laatst van allen verscheen mijnheer Sleary, een zwaarlijvig man,

gelijk reeds gemeld is, die één strakstaand en één beweeglijk oog had,

en eene stem (indien het stem mocht heeten), welke naar het stenende

zuchten van een ouden defecten blaasbalg geleek. Zijne huid hing in

slappe plooien over zijn gezicht, en zijn hoofd was altijd beneveld,

daar hij nooit recht nuchter en nooit geheel dronken was.

"Jonker!" zeide mijnheer Sleary, met zijne heesche stem en eenigszins

belemmerde spraak. "Ik ben uw dienaar. Dat is eene leelijke historie,

niet waar? Gij hebt wel gehoord, dat mijn clown en zijn hond denkelijk

zijn weggeloopen?"

Hij richtte het woord tot mijnheer Gradgrind, en deze antwoordde: "Ja!"

"Wel, jonker," hervatte hij, terwijl hij zijn hoed afnam en de voering

daarvan afwreef met een zakdoek, dien hij tot dat einde in den hoed

bewaarde; "is het uw voornemen om iets voor dat arme meisje te doen,

jonker?"

"Ik denk haar iets voor te slaan als zij terugkomt," zeide mijnheer

Gradgrind.

"Daar ben ik blij om, jonker. Niet dat ik het kind wil kwijt zijn,

evenmin als ik haar wil in den weg staan. Ik ben bereid haar in de

leer te nemen, hoewel het op haar ouderdom wat laat is. Mijne stem is

wat schor, jonker, en niet gemakkelijk te verstaan als iemand niet aan

mij gewoon is; maar als gij zoo dikwijls als ik hadt moeten gloeien

en rillen, rillen en gloeien, gloeien en rillen, onder het oppassen

van dat jonge goed in de manege, zou uwe stem het ook niet hebben

uitgehouden, jonker, evenmin als de mijne."

"Dat geloof ik ook wel," zeide mijnheer Gradgrind.

"Wat zult ge gebruiken, jonker, terwijl ge moet wachten? Zal het

sherry zijn? Zeg maar op, jonker!" zeide mijnheer Sleary, met gastvrije

vrijpostigheid.

"Voor mij niets, ik dank u," antwoordde mijnheer Gradgrind.

"Dat is al heel weinig, jonker. Wat zegt uw vriend? Als ge nog niet

gegeten hebt, neem dan een glaasje bitter."

Zijne dochter Josephine, een bevallig blond meisje, dat, toen zij twee

jaren oud was, reeds op een paard was gebonden, en op haar twaalfde

jaar een testament had gemaakt, dat zij altijd bij zich droeg,

en waarin zij haar stervenden wensch te kennen gaf om door de twee

bonte hitjes naar het graf te worden getrokken, riep op dit oogenblik:

"Stil, vader! daar komt zij terug."

Daarop kwam Sissy Jupe de kamer weder ingeloopen evenals zij was

heengeloopen, en toen zij allen daar verzameld vond en zag hoe

zij haar aankeken en geen vader ontdekte, barstte zij uit in een

allerjammerlijkst geschrei, en verschool zich aan den boezem eener

talentrijke koorddanseres, die zich juist in gezegende omstandigheden

bevond, en op den grond knielde om het meisje te liefkoozen en met

haar te schreien.

"Het is eene gloeiende schande, bij mijne ziel, dat is het," zeide

Sleary.

"O, mijn lieve vader, mijn goede, lieve vader, waar zijt ge naar

toe? Gij zijt heengegaan om te beproeven iets goeds voor mij te

doen, dat weet ik wel. Gij zijt om mijnentwil heengegaan, dat weet

ik zeker. En hoe ongelukkig en hulpeloos zult ge zonder mij zijn,

arme, arme vader, totdat ge terugkomt."

Het was zoo aandoenlijk, haar aanhoudend zulke gezegden te hooren

uiten, terwijl zij, met een naar boven gekeerd gezichtje, hare

armen uitstak alsof zij zijne dierbare schim in het verdwijnen wilde

tegenhouden en omhelzen, dat niemand een woord sprak, totdat mijnheer

Bounderby, die ongeduldig werd, de zaak aanvatte.

"Hoort eens, goede lieden," zeide hij. "Dit is niet anders dan

tijdverspillen. Het meisje moet de waarheid begrijpen, en als ge wilt,

zal ik ze haar wel aan het verstand brengen, daar mijne eigene moeder

ook wel is weggeloopen. Nu dan--hoe heet gij ook weer?--Uw vader is

voortgegaan--heeft u laten zitten--en gij moet maar denken, dat gij

hem uw leven lang niet zult weerzien."

Maar de omstanders hielden zoo weinig van de onbewimpelde waarheid,

dat zij, in plaats van des sprekers gezond verstand en rondborstigheid

te bewonderen, die integendeel ten uiterste kwalijk namen. De mannen

mompelden, dat het schande, en de vrouwen, dat hij een beest van

een kerel en een barbaar was; en Sleary, nu vrij haastig sprekende,

gaf mijnheer Bounderby ter zijde den volgenden wenk:

"Laat ik u eens wat zeggen, jonker. Om ruiterlijk te spreken, geloof ik

dat ge best zoudt doen, als gij u maar stil- en er buiten hieldt. Mijne

luidjes zijn heel goedhartig, maar zij zijn gewoonlijk wat driftig

in hun doen; en als ge mijn raad niet volgt, mag ik verd...d wezen

als ik niet geloof dat zij u uit het venster zullen smijten."

Toen mijnheer Bounderby door deze vriendelijke kennisgeving tot zwijgen

was gebracht, vond mijnheer Gradgrind gelegenheid voor zijne uitnemend

practicale beschouwing van de zaak.

"Het is van geen gewicht," zeide hij, "of die persoon te eeniger tijd

terug te wachten is of niet. Hij is vertrokken, en het is niet te

denken dat hij zoo terstond zal terugkomen. Daaromtrent is men het

eens, geloof ik."

"Dat is zoo, jonker, daarin zijn wij het eens, geloof ik."

"Welnu dan. Ik, die hier ben gekomen om den vader van dat arme meisje,

Jupe, te onderrichten, dat zij niet meer in de school kon worden

toegelaten, uithoofde van practische bezwaren (waarover ik thans niet

behoef uit te weiden) tegen de toelating van kinderen van lieden met

zulk een beroep, ben onder deze veranderde omstandigheden bereid om

een voorstel te doen. Ik ben genegen om u te mijnen laste te nemen,

Jupe, u op te voeden en voor u te zorgen. De eenige voorwaarde, die

ik maak (boven en behalve uw goed gedrag), is, dat gij nu terstond

beslist of gij met mij wilt medegaan of hier blijven; en, indien gij

met mij medegaat, dat het aangenomen wordt dat gij geen gemeenschap

meer zult hebben met iemand van uwe vrienden, die hier tegenwoordig

zijn. Deze opmerkingen omvatten de geheele zaak."

"Ondertusschen moet ik nog een woordje zeggen, jonker," zeide Sleary

nu, "om allebei de kanten van de vlag evengoed te laten zien. Als gij

bij ons in de leer wilt komen, Cecilia, gij kent den aard van het werk

en gij kent uwe kameraden. Emma Gordon, in wier schoot gij nu ligt,

zou eene moeder voor u zijn, en Josephine eene zuster voor u wezen. Ik

weet wel, dat ik zelf juist geen engel ben, en ik wil niet zeggen,

dat gij, als gij uw slag mocht missen, niet ondervinden zoudt, dat ik

geducht kan uitvaren, en ik u niet een paar vloeken naar den kop zou

smijten. Maar wat ik zeggen wil, jonker, is dit: ik mag dan in een

goed of in een slecht humeur zijn, ik heb nog nooit een paard meer

kwaad gedaan dan een beetje uitgescholden, en ik geloof niet, dat ik

op mijne jaren mijne rijders anders zal gaan behandelen. Ik ben nooit

een kakelaar geweest, jonker, en ik heb gezegd wat ik te zeggen had."

Dit laatste gedeelte zijner rede was tot mijnheer Gradgrind gericht,

die het met eene deftige buiging van zijn hoofd beantwoordde en

daarop hervatte:

"De eenige opmerking, die ik u nog wil voorhouden, Jupe, ten einde

eenigen invloed op uw besluit uit te oefenen, is, dat het hoogst

wenschelijk is eene degelijke, practicale opvoeding te ontvangen,

en dat zelfs uw vader, naar ik verneem, dit ten uwen opzichte schijnt

geweten en gevoeld te hebben."

Deze laatste woorden maakten een zichtbaren indruk op haar. Zij

bedwong haar heftig schreien, maakte zich eenigszins van Emma Gordon

los en keerde zich met haar gezicht geheel naar haar aanstaanden

beschermer. Het geheele gezelschap gevoelde de kracht dezer

verandering, en men hoorde bij allen eene lange en diepe ademhaling,

die duidelijk zeide: "Zij zal gaan!"

"Pas op dat gij zelf goed bedenkt wat gij wilt, Jupe," zeide mijnheer

Gradgrind waarschuwend. "Anders zeg ik niet. Pas op dat ge zelf weet

wat ge wilt."

"Als vader terugkomt," riep het meisje na eene poos stilzwijgens uit,

en begon wederom te schreien, "hoe zal hij mij dan ooit vinden als

ik heenga?"

"In dat opzicht kunt ge volkomen gerust wezen, Jupe," antwoordde

mijnheer Gradgrind zeer bedaard; want hij werkte de geheele zaak uit

alsof het eene som was. "In zulk een geval zal uw vader, denk ik,

naar u zoeken bij mijnheer...."

"Sleary. Dat is mijn naam, jonker. Ik schaam er mij niet voor. Door

geheel Engeland bekend en overal eerlijk betaald."

"Zal uw vader bij mijnheer Sleary naar u zoeken, die hem dan wel

zeggen zal waar gij gebleven zijt. Ik zou de macht niet hebben om u

tegen uw zin te houden, en het zal hem nooit moeielijk wezen mijnheer

Thomas Gradgrind van Coketown te vinden. Ik ben welbekend."

"Welbekend," zeide mijnheer Sleary toestemmend en liet zijn beweeglijk

oog rollen. "Gij zijt een van die soort, jonker, die ons eene macht

van geld uit de kas doet blijven. Maar dat doet er nu niet toe."

De vrouwen gingen nu met zekere treurige drukte aan het werk om Sissy's

kleeren bijeen te halen--hetgeen spoedig gedaan was, want zij waren

niet veel--en ze in eene mand te pakken, waarin zij reeds dikwijls

gereisd hadden. Sissy zat al dien tijd op den grond te schreien

met hare handen voor de oogen. Mijnheer Gradgrind en zijn vriend

Bounderby stonden bij de deur gereed om haar mede te nemen. Mijnheer

Sleary stond in het midden van het vertrek, met de mannelijke leden

van den troep om hem heen, juist gelijk hij in het midden der manege

zou gestaan hebben, terwijl zijne dochter Josephine hare kunsten

verrichtte. Niets ontbrak hem dan zijne zweep.

Toen de mand in stilte gepakt was, brachten zij Sissy haar hoed, en

zetten haar dien op het hoofd, nadat zij hare verwarde haren hadden

gladgestreken. Toen drongen zij om haar heen, bukten zich over haar in

zeer natuurlijke houdingen, en kusten en omhelsden haar, en brachten

de kinderen bij haar om afscheid te nemen, kortom, gedroegen zich

geheel als een troepje teerhartige, onnoozele, malle vrouwen.

"Nu, Jupe," zeide mijnheer Gradgrind, "als ge nu uw besluit hebt

genomen, kom dan."

Maar zij moest nog van de mannelijke leden van den troep afscheid

nemen, en elk van dezen moest haar in zijne uitgespreide armen

sluiten (want onder de oogen van mijnheer Sleary namen zij altijd een

theatrale houding aan) en haar een afscheidskus geven. Zij deden dit

ook allen behalve de jongeheer Kidderminster, wiens jeugdig gemoed

iets misanthropisch had, en die ook in de verte reeds uitzichten op

een huwelijk had gekoesterd;--hij droop in eene sombere stemming

af. Mijnheer Sleary werd tot het laatst bewaard. Zijne armen wijd

uitspreidende, vatte hij haar bij de beide handen, en zou haar op en

neer hebben laten springen, op de manier waarop een pikeur gewoonlijk

eene jonge dame feliciteert, wanneer zij na haar laatsten toer van

het paard wipt; maar Sissy gaf niet op en bleef maar schreiende voor

hem staan.

"Vaarwel, lief kind!" zeide Sleary. "Gij zult fortuin maken, hoop ik,

en niemand van ons arme lieden zal u ooit lastig vallen, daar sta ik u

voor in. Ik wenschte wel dat uw vader zijn hond niet had meegenomen;

het is onpleizierig dat de hond niet op de biljetten kan staan. Maar

als ik mij wel bedenk, zou hij toch zonder zijn meester geene kunsten

willen doen, en dus is het even breed als het lang is."

Daarna staarde hij haar met zijn strakstaand oog oplettend aan, overzag

zijn gezelschap met het beweeglijke, gaf haar een kus, schudde zijn

hoofd en reikte haar aan mijnheer Gradgrind over, alsof hij haar op

een paard wilde zetten.

"Daar is zij, jonker," zeide hij, haar met een pikeursblik opnemende,

als om te zien of zij wel goed zat, "en zij zal haar best doen. Dag,

Cecilia!"

"Dag, Cecilia! Dag, Sissy! God zegen u, kindlief!" klonk het met

verschillende stemmen door de geheele kamer.

Doch de pikeur had het fleschje met negenolie in hare borst gezien

en zeide nu:

"Laat mij dat fleschje, kindlief; het is te lastig om mee te nemen

en komt u nu toch niet meer te pas. Geef het mij."

"Neen, neen," antwoordde zij, nogmaals in tranen uitbarstende. "Och

neen! Laat het mij voor mijn vader bewaren, tot hij terugkomt! Hij

zal het wel noodig hebben als hij komt. Hij dacht er zeker niet aan om

heen te gaan toen hij mij uitzond. Ik moet het voor hem bewaren. Och,

laat het mij toch houden."

"Nu, goed dan, liefje. Gij ziet wel hoe het is, jonker. Vaarwel,

Cecilia! Mijn laatste woord aan u is dit: Houd u trouw aan uw

accoord, wees den jonker gehoorzaam en vergeet ons. Maar als gij

groot geworden en getrouwd en in goeden doen zijt, en dan ooit een

paardenspel tegenkomt, veracht het dan niet, en werk het niet tegen,

maar neem een abonnement als gij kunt, en denk dat gij er niet veel

kwaad aan doet. De menschen moeten zich vermaken, jonker, op de eene

of andere manier," vervolgde Sleary, nog heescher geworden dan ooit

door zooveel te spreken; "zij kunnen ook niet altijd leeren. Denk het

beste van ons en niet het ergste. Ik heb al mijn leven met paardrijden

den kost gewonnen, dat weet ik wel; maar ik geloof toch dat ik het

bij het rechte eind heb, als ik zeg: Denk het beste van ons en niet

het ergste."

Hij zeide dit op de trap, terwijl men naar beneden ging; en terwijl

hij de drie gedaanten en de mand zoowel met zijn beweeglijk als met

zijn strakstaand oog bleef staan nakijken, verdween zij op de donkere

straat weldra uit zijn gezicht.

VII.

MEVROUW SPARSIT.

Daar mijnheer Bounderby ongehuwd was, had hij eene bejaarde dame

bij zich wonen, die uit aanmerking van zekere jaarlijksche som zijn

huishouden bestuurde. De naam dezer dame was mevrouw Sparsit, en zij

was eene zeer in het oog vallende gedaante onder den stoet, die den

triomfwagen van mijnheer Bounderby vergezelde, terwijl deze, met dat

model van hoogmoedige nederigheid daarin, zegepralend voortrolde.

Want mevrouw Sparsit had niet alleen geheel andere dagen gezien,

maar was ook van aanzienlijke familie. Zij had nog eene oudtante

in leven, die Lady Scadgers heette. De overledene mijnheer Sparsit,

die haar als weduwe had achtergelaten, was van moeders zijde, gelijk

mevrouw Sparsit het altijd noemde, "een Powler" geweest. Vreemdelingen,

die weinig wereldkennis en geen vlug begrip hadden, schenen somtijds

niet te weten wat een Powler was en zelfs onzeker te zijn of daarmede

een beroep, eene politieke partij of eene godsdienstige gezindte

werd bedoeld. Menschen van meer ontwikkelden geest behoefden echter

niet onderricht te worden, dat de Powler's een oude stam waren, die

men zoo ver moest nasporen, dat het niet te verwonderen was dat men

hen somtijds uit het oog verloor--gelijk dan ook eenige stamhouders

nu en dan tengevolge van omstandigheden, die met weddenschappen,

geldleeningen en executiën in verband stonden, voor geruimen tijd

onzichtbaar waren geworden.

De overledene mijnheer Sparsit dan, die van moeders zijde een Powler

was, trad in het huwelijk met deze dame, die van vaders zijde eene

Scadgers was. Lady Scadgers (eene verbazend dikke vrouw, met een

ontzaglijken eetlust en een geheimzinnig been, dat nu veertien jaren

lang niet uit het bed had willen stappen) had dit huwelijk bekuipt

op een tijd toen Sparsit juist meerderjarig was en hoofdzakelijk

gekenteekend werd door een mager lichaam, door twee dunne stutten

onderschraagd en bekroond met een hoofd, waarvan het niet de moeite

waard is eenige melding te maken. Hij erfde van een oom een zeer

aanzienlijk vermogen, maar was, eer hij dit kreeg, reeds eene

evengroote som schuldig, en verteerde terstond daarop nog eens het

dubbele daarvan. Toen hij dus op vier-en-twintigjarigen ouderdom stierf

(de plaats van zijn overlijden was Calais en de aanleidende oorzaak het

brandewijn drinken), liet hij zijne weduwe, van welke hij kort na de

wittebroodsweken gescheiden was, in geene zeer gunstige omstandigheden

achter. Deze weduwe, vijftien jaar ouder dan hij, geraakte weldra in

doodelijke vijandschap met haar eenige bloedverwante, Lady Scadgers,

en gedeeltelijk om deze dame verdriet aan te doen, gedeeltelijk

om zich een bestaan te verschaffen, ging zij in eene conditie. En

hier zat zij nu op haar ouden dag, met haar spitsen arendsneus en de

gitzwarte wenkbrauwen, die Sparsit eens hadden bekoord, voor mijnheer

Bounderby thee te schenken, terwijl deze heer zijn ontbijt gebruikte.

Indien Bounderby een veroveraar ware geweest en mevrouw Sparsit eene

gevangene prinses, welke hij ter opluistering zijner zegepralende

intochten medevoerde, had hij niet meer met haar kunnen pronken dan

hij thans gewoon was te doen. Gelijk het tot zijne manier van snoeven

behoorde zijne eigene afkomst te verachten, behoorde het er toe,

de afkomst van mevrouw Sparsit te verheffen. Terwijl hij niet wilde

toegeven dat zijne eigene jeugd met eene enkele gunstige omstandigheid

vergezeld ging, verhelderde hij de jeugdige dagen van mevrouw Sparsit

met alle mogelijke voorrechten, en strooide hij wagenvrachten vol rozen

over het geheele pad dezer dame. "En toch, mijnheer," zeide hij dan,

"hoe is het eindelijk met haar afgeloopen? Daar zit zij nu met honderd

pond 's jaars (ik geef haar honderd pond, en zij is wel zoo goed om

dat mild te noemen) en bestuurt het huishouden van Josiah Bounderby

van Coketown!"

Hij trompette het bezit eener huishoudster, die zijn aanzien zoodanig

verhoogde, zoo geweldig uit, dat ook anderen er van begonnen te

spreken en er bij sommige gelegenheden openlijk over uitweidden. Het

was een der hatelijkste eigenschappen van Bounderby, dat hij niet

alleen zijn eigen loflied zong, maar ook anderen verleidde om dit te

zingen. Zijne manier van snoeven had iets besmettelijks. Vreemdelingen,

overal elders bescheiden genoeg, konden bij een openbaren maaltijd

te Coketown somtijds opstaan en op Bounderby snoeven alsof zij

razend waren geworden. Als men hem hoorde, zou men geloofd hebben,

dat hij alles, wat bij zulke gelegenheden gewoonlijk werd opgehemeld

en te pronk gesteld--het koninklijke wapen, de Britsche zeevlag,

het groot Charter, John Bull en het Habeas Corpus, "een Engelschmans

huis is zijn kasteel," Kerk en Staat, en God save the queen--in zijn

persoon vereenigde; en zoo dikwijls (en dit gebeurde zeer dikwijls)

een redenaar van deze soort in het slot zijner aanspraak de regels

te pas bracht:

"Laat Vorstendommen, Gravenhuizen

Op aarde bloeien of vergaan:

Een enkel woord kan hen weer scheppen,

Gelijk zij vroeger zijn ontstaan,"

hield men het onder het gezelschap voor zoo goed als zeker, dat hij

van mevrouw Sparsit had gehoord.

"Mijnheer Bounderby," zeide mevrouw Sparsit, "ge zijt van morgen

bijzonder langzaam met uw ontbijt, mijnheer."

"Ja, juffrouw," antwoordde hij, "ik zit te denken over die gril van

Tom Gradgrind." Dit "Tom Gradgrind" zeide hij met eene manhaftigheid,

alsof iemand gedurig beproefde hem met ontzaglijke sommen om te

koopen om "Thomas" te zeggen en hij toch niet wilde; "die gril van

Tom Gradgrind, juffrouw, om dat kunstenmakerskind groot te brengen."

"Het meisje staat nog te wachten," zeide mevrouw Sparsit, "om te weten

of zij rechtstreeks naar de school of eerst naar het buiten moet gaan."

"Zij moet wachten, juffrouw, tot ik het zelf weet," antwoordde

Bounderby. "Wij zullen Tom Gradgrind zoo meteen wel hier hebben, denk

ik. Als hij wenschen mocht, dat zij nog een paar dagen hier bleef,

kan dat natuurlijk wel geschikt worden."

"O ja zeker, als gij het zoo verkiest, mijnheer Bounderby."

"Ik zeide hem gisteravond, dat ik haar hier een kermisbed zou geven,

om hem tijd te laten om er zich eens op te beslapen, eer hij er toe

besloot om haar eenige gemeenschap met Louisa te laten hebben."

"Inderdaad, mijnheer Bounderby, dat was zeer oplettend van u."

Mevrouw Sparsit's spitse neus werd een weinig breeder door het

uitzetten der neusgaten en hare zwarte wenkbrauwen trokken zich samen,

terwijl zij een teugje thee slurpte.

"Het is voor mij tamelijk duidelijk," zeide mijnheer Bounderby,

"dat zulk een gezelschap het kleine nest heel weinig goed kan doen."

"Bedoelt gij de jongejuffrouw Gradgrind, mijnheer Bounderby?"

"Ja, juffrouw, ik meen Louisa."

"Daar uw gezegde alleen op een "klein nest" betrekking had," zeide

mevrouw Sparsit, "en er twee kleine meisjes in de zaak betrokken

waren, wist ik niet wie van de twee door die uitdrukking kon worden

aangeduid."

"Louisa," herhaalde mijnheer Bounderby, "Louisa, Louisa."

"Gij zijt volkomen een tweede vader voor Louisa, mijnheer."

Mevrouw Sparsit nam nog een teugje thee; en toen zij hare wederom

saamgetrokkene wenkbrauwen over haar kopje boog, had haar klassiek

gelaat eene uitdrukking alsof zij de onderaardsche goden aanriep.

"Als gij gezegd hadt een tweede vader voor Tom--den jongen Tom meen

ik, niet mijn vriend Tom Gradgrind--zoudt gij er dichter bij zijn

geweest. Ik zal Tom op mijn kantoor plaatsen. Ik zal hem onder mijne

vleugelen nemen, juffrouw."

"Inderdaad? Nog wel wat jong daarvoor, is hij niet, mijnheer?" Mevrouw

Sparsit's "mijnheer", wanneer zij mijnheer Bounderby aansprak,

was eene uitdrukking van beleefdheid, waarmede zij veeleer zekere

onderscheiding voor zich zelve eischte, omdat zij die gebruikte,

dan wel hem eenige eer bewees.

"Ik zal hem niet zoo terstond nemen. Hij moet eerst nog wat meer

nuttige kundigheden slikken," zeide mijnheer Bounderby. "Waarachtig,

hij zal er genoeg van krijgen. Wat zou hij oogen opzetten, die jongen,

als hij wist hoe weinig geleerdheid ik in mijne maag had toen ik zoo

oud was als hij." Hetgeen de jongen, terloops gezegd, waarschijnlijk

zeer wel wist, want hij had er dikwijls genoeg van gehoord. "Maar

het is zonderling, hoe moeielijk het mij dikwijls ook valt om mij in

een gesprek met iemand op gelijken voet te plaatsen. Daar heb ik u

nu van morgen over kunstenmakers gesproken. Wel, wat weet gij van

kunstenmakers? In den tijd toen het voor mij een fortuintje, een

prijs uit de loterij zou zijn geweest, als ik een kunstenmaker op

straat geweest ware, waart gij in de Italiaansche opera. Gij kwaamt

uit de Italiaansche opera, juffrouw, prachtig opgesierd met satijn

en juweelen, toen ik geen stuiver had om eene flambouw te koopen om

u te lichten."

"Ik ben zeker al zeer vroeg met de Italiaansche opera bekend geweest,

mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit met eene deftigheid, die iets

treurig berustends had.

Slechte Tijden · 第 3 / 27 段