Neen. Coketown kwam niet in alle opzichten uit zijne eigene

fornuizen gelijk goud, dat het vuur doorgestaan had. Vooreerst

was het een onoplosbaar raadsel, wie tot de achttien gezindten

behoorden--omdat, wie dit ook deden, de arbeidslieden zeker tot geene

daarvan behoorden. Het was zonderling, als men op zondagochtend

langs de straten wandelde, te moeten opmerken hoe weinigen van

die lieden door het barbaarsche gebengel van klokken, dat zieken

en zenuwachtigen razend maakte, uit hunne eigene benauwde kamers,

uit hunne eigene wijk, of van de hoeken hunner eigene straten werden

geroepen, waar zij lusteloos bleven staan dralen en onverschillig

naar de kerkgangers keken, alsof het kerkgaan iets was, dat hun

volstrekt niet aanging. Het was niet alleen de vreemdeling, die dit

opmerkte, want er bestond binnen Coketown zelfs eene vereeniging,

welker leden in elke zitting van het Huis der Gemeenten van zich

liet hooren, door met verontwaardigden ijver te petitioneeren, dat

er wetten zouden uitgevaardigd worden om deze lieden met geweld

godsdienstig te maken. Dan kwam ook het Afschaffing-Genootschap,

hetwelk klaagde dat deze lieden zich volstrekt dronken wilden

drinken, en door statistieke tabellen bewees hoeveel zij dronken, en

op theegezelschappen betoogde, dat geene goddelijke of menschelijke

middelen (behalve eene afschaffing-medaille) hen konden bewegen om

hunne gewoonte van drinken na te laten. Dan kwamen ook de chemisten

en drogisten met andere statistieke tabellen, bewijzende dat zij,

als zij niet dronken, opium gebruikten. Dan kwam ook de kapelaan

der gevangenis, een man van ondervinding, met andere statistieke

tabellen, die alle vorige statistieke tabellen in de schaduw stelden

en bewezen, dat diezelfde lieden gemeene schuilhoeken bezochten,

voor het oog des publieks verborgen, waar zij slechte liedjes

hoorden en slechte dansen zagen en misschien daarin medededen, en

waar A. B., oud vier en twintig jaren op zijn volgenden verjaardag,

en veroordeeld tot achttien maanden eenzame opsluiting, zelfs gezegd

had (hoewel hij zich nooit bijzonder geloofwaardig had getoond),

dat zijn ongeluk was begonnen, terwijl hij vast en zeker geloofde

dat hij anders een voorbeeld van zedelijkheid zou zijn geweest. Dan

kwamen ook mijnheer Gradgrind en mijnheer Bounderby, de twee heeren,

die op het oogenblik naar Coketown wandelden, en die desnoods

nog meer statistieke tabellen konden verschaffen, uit hunne eigene

ervaring opgemaakt en toegelicht door gevallen, die zij zelven hadden

bijgewoond, en waaruit duidelijk bleek--kortom, dit was het eenige dat

van de zaak duidelijk was--dat die lieden een slechte troep waren;

dat zij, wat men ook voor hen deed, nooit dankbaar daarvoor waren;

dat zij onrustig waren; dat zij zelven niet wisten wat zij wilden;

dat zij aten en dronken van het beste, versche boter en mokka-koffie

kochten en geen ander vleesch wilden gebruiken dan de vetste stukken,

en toch altijd ontevreden en onhandelbaar waren. Kortom, het was de

moraal van het oude kindersprookje, waarin van het oude wijf wordt

gezegd, dat zij van niets anders leefde dan van eten en drinken en

toch zich nooit wilde stilhouden.

Is het mogelijk, dit zou mij benieuwen, dat er eenige overeenkomst

bestond tusschen de omstandigheden der bevolking van Coketown en die

der kleine Gradgrind's? Zekerlijk zal men niemand van ons, die bij ons

gezond verstand en met cijfers bekend zijn, nu nog willen zeggen, dat

men een der voornaamste behoeften der werklieden van Coketown sedert

eene lange reeks van jaren onvoldaan had gelaten--dat er eene neiging

tot het poëtische en romaneske bij hen bestond, die op eene gezonde

en heilzame wijs bevredigd moest worden, in plaats van zich door

stuiptrekkend worstelen lucht te geven--dat zij, juist dewijl zij zoo

lang en eentonig werkten, een klagend verlangen, een kwellenden honger

gevoelden naar eene of andere verpoozing, eene of andere uitspanning,

die hen tot opgeruimdheid en vroolijkheid opwekte en tevens daaraan

lucht gaf--naar een erkenden feestdag, al ware het maar met een

eenvoudigen, schuldeloozen dans, bij het hooren eener opwekkende

muziek--een taartje nu en dan waarin mijnheer Mac Choakumchild geen

vinger stak--en dat die honger op de rechte wijze moest bevredigd

worden, of dat hij onvermijdelijk eene verkeerde richting zou nemen,

zoolang de wetten der schepping niet waren herroepen?

"De man woont in Pod's End, en ik weet niet recht waar Pod's End is,"

zeide mijnheer Gradgrind. "Weet gij het ook, Bounderby?"

Bounderby wist, dat het ergens aan dien hoek van de stad was, maar meer

wist hij er niet van. Zij bleven dus een oogenblik staan en keken rond.

Bijna op hetzelfde oogenblik kwam er om den hoek der straat, met

snelle schreden en een verschrikt gezicht, een meisje aanloopen,

dat mijnheer Gradgrind herkende.

"Hei daar!" riep hij. "Sta! Waar loopt gij naar toe? Sta!"

Het meisje nommer twintig bleef bevende voor hem staan en neeg.

"Waarom rent gij zoo langs de straat op zulk eene onvoegzame

manier?" zeide mijnheer Gradgrind.

"Ik werd--ik werd nageloopen, mijnheer," antwoordde het meisje

hijgende, "en wilde wegloopen."

"Nageloopen?" herhaalde mijnheer Gradgrind. "Wie zou u naloopen?"

Deze vraag werd plotseling en zeer onverwacht voor haar beantwoord

door den kleurloozen jongen, Bitzer, die met zulk eene blinde vaart en

zoo weinig op eene verstopping van den weg bedacht, den hoek omkwam,

dat hij tegen mijnheer Gradgrind aanliep met eene kracht, die hem

weder achteruit deed stuiven.

"Wat moet dat, jongen?" zeide mijnheer Gradgrind. "Hoe durft ge zoo

tegen--tegen iemand aanloopen?"

Bitzer raapte zijne pet op, die door den schok was afgevlogen,

maakte een schrapvoet, duwde zijne kneukels tegen zijn voorhoofd en

antwoordde verontschuldigend dat het een ongeluk was.

"Heeft deze jongen u nageloopen, Jupe?" vroeg mijnheer Gradgrind.

"Ja, mijnheer!" antwoordde het meisje schoorvoetend.

"Neen, dat heb ik niet, mijnheer!" riep Bitzer; "niet voordat zij

voor mij wegliep. Maar die paardrijders bedenken nooit wat zij

zeggen, mijnheer! daar zijn zij bekend voor. Gij weet zelf wel,

dat de paardrijders nooit bedenken wat zij zeggen," hierbij keerde

hij zich naar Sissy. "Dat is in de stad zoo goed bekend, mijnheer,

als de tafel van vermenigvuldiging aan de paardrijders onbekend

is." Hiermede poogde Bitzer mijnheer Bounderby voor zich te winnen.

"Hij maakte mij zoo bang," zeide het meisje, "met zijne leelijke

gezichten."

"O!" riep Bitzer. "Zijt gij niet evengoed als de anderen? Zijt ge ook

niet een paardrijdster? Ik heb haar niet eens aangekeken, mijnheer! Ik

heb haar maar gevraagd of zij morgen eene definitie van een paard zou

kunnen geven, en wilde haar die nog eens zeggen, en toen liep zij weg,

mijnheer, en ik liep haar na, om haar te leeren hoe zij antwoorden

moest als zij gevraagd werd. Gij zoudt er niet aan gedacht hebben om

kwaad van mij te spreken, als gij geene paardrijdster waart geweest."

"Haar beroep schijnt tamelijk wel bekend," merkte mijnheer Bounderby

aan. "Gij zoudt binnen eene week gezien hebben, dat de geheele school

op eene rij stond te kijken."

"Dat denk ik waarlijk ook," antwoordde zijn vriend. "Bitzer, keer om

en ga naar huis. Jupe, blijf eens even. Laat ik hooren dat gij weer

zoo loopt, jongen, en ge zult van mij hooren door den meester van de

school. Gij begrijpt wel wat ik meen. Marsch, zeg ik."

De jongen, hierdoor in zijn knipoogen gestuit, drukte weder zijne

kneukels tegen zijn voorhoofd, wierp een blik naar Sissy, keerde zich

om en ging.

"Meisje," zeide mijnheer Gradgrind, "breng nu dezen heer en mij

naar uw vader. Wij wilden juist naar hem toe. Wat hebt ge daar in

dat fleschje?"

"Jenever," zeide Bounderby.

"Wel Heere neen, mijnheer. Het is de negen-olie!"

"De wat?" riep Bounderby uit.

"De negen-olie, mijnheer! om vader mee te wrijven."

"Uw vader met negen-olie wrijven! Waar drommel doet ge dat voor?" zeide

mijnheer Bounderby met een korten, luiden lach.

"Die gebruiken onze lieden altijd, mijnheer," antwoordde het meisje,

"als zij zich in de manege bezeeren. Zij krijgen somtijds heel erge

kneuzingen."

"Goed zoo," zeide mijnheer Bounderby. "Dat hebben zij dan voor hun

leegloopen."

Zij zag met eene mengeling van verbazing en angst naar zijn gezicht op.

"Waarachtig," hervatte mijnheer Bounderby, "toen ik vier of vijf

jaren jonger was dan gij, had ik erger kneuzingen, dan tien-olie of

twintig- of veertig-olie zou hebben uitgewreven. Ik kreeg ze niet

van het kunsten maken, maar van het afranselen. Ik danste niet op

de koord voor mijn pleizier; ik danste op den blooten grond, op de

muziek van een eindje touw."

Mijnheer Gradgrind, schoon hardvochtig genoeg, was lang zoo ruw

niet als mijnheer Bounderby. Hij had, alles in aanmerking genomen,

geen onvriendelijk karakter; het had zelfs zeer vriendelijk kunnen

worden, als hij jaren geleden maar eene gelukkige fout gemaakt had in

de becijfering, waarnaar hij het geregeld had. Toen zij een smal pad

insloegen, zeide hij op een toon, dien hij geruststellend wilde maken:

"En dit is nu Pod's End, niet waar, Jupe?"

"Ja, mijnheer--als 't u belieft, mijnheer--dit is het huis."

Zij bleef staan voor de deur van een gemeen herbergje, waaruit, want

het was nu schemeravond, een flauw rood licht scheen. Het herbergje

zag er zoo ellendig uit, alsof het, bij gebrek aan klandizie, zelf

aan het drinken was geraakt en denzelfden weg was gegaan, dien alle

dronkaards gaan, zoodat het nu dicht bij zijn eind was.

"Gij behoeft maar het voorhuis door te gaan, mijnheer, en de trap op,

als ge zoo goed wilt zijn, en daar een oogenblik wachten tot ik licht

haal. Als gij een hond mocht hooren, mijnheer, dat is Merrylegs,

en hij blaft maar."

"Merrylegs en negen-olie!" zeide mijnheer Bounderby, die het laatst

binnentrad, met zijn klinkenden lach. "Het is hier nogal aardig voor

iemand, die zich zelven tot een man gemaakt heeft."

VI.

SLEARY'S RIJKUNST.

De naam van het herbergje was De Pegasus, welk woord op het uithangbord

onder een gevleugeld paard te lezen stond, en onder dit woord had de

schilder op een golvend lint nog de volgende regels gezet:

"Goede mout maakt goed bier,

Kom maar binnen, dat tapt men hier.

Goede wijn maakt goeden cognac,

Kom maar binnen en neem uw gemak."

In lijst en glas, achter de smalle, morsige toonbank, hing nog een

Pegasus--een theatrale Pegasus, met vleugelen van gaas op zijn rug

geplakt, overal met gouden sterren bezaaid, en met een tuig van

roode zijde.

Daar het buiten te donker was geworden om het uithangbord te zien,

en binnen nog niet licht genoeg om het schilderijtje te onderscheiden,

gaven deze ideale kunstvoortbrengselen de heeren Gradgrind en Bounderby

geen aanstoot. Zij volgden het meisje een steil trapje van eenige

treden op, zonder iemand te ontmoeten, en bleven in het donker staan,

terwijl zij licht ging halen. Zij verwachtten ieder oogenblik, dat

Merrylegs zich zou laten hooren, maar die wonderbaar gedresseerde

hond had nog niet geblaft toen het meisje reeds met eene kaars aankwam.

"Vader is niet in onze kamer, mijnheer," zeide zij met een zeer

verwonderd gezicht. "Als gij zoolang wilt binnengaan, zal ik hem

dadelijk gaan opzoeken."

Zij stapten binnen, en nadat Sissy twee stoelen voor hen had

gezet, ging zij haastig weder heen. Het was eene armoedig, karig

gemeubileerde kamer, waarin een bed stond. De witte slaapmuts, met

twee pauwenveeren en een rechtopstaand staartje versierd, die Signor

Jupe had opgehad, toen hij dienzelfden namiddag de voorstelling door

zijne Shakspeariaansche snakerijen en kwinkslagen verlevendigde, hing

aan een spijker, maar geen ander stuk van zijne garderobe of eenig

ander spoor van hem zelven of zijn beroep was ergens te zien. Ook

van Merrylegs was zoo weinig te bespeuren, alsof de voorouders van

dat wonderbaar gedresseerde dier, die in de ark waren geweest, er

toevallig buiten waren gebleven.

Men hoorde boven de deuren van kamers openen en sluiten, terwijl

Sissy van de eene naar de andere liep om haar vader te zoeken;

en weldra hoorde men ook stemmen, die verwondering uitdrukten. Zij

kwam in groote haast weder naar beneden springen, opende een ouden,

erg gehavenden koffer, vond dien ledig, en zag met gevouwene handen

en een blik vol ontzetting om zich heen.

"Vader moet naar de tent zijn gegaan, ik weet niet waarom, maar hij

moet daar wezen. Ik zal hem in een oogenblik bij u brengen."

Zij was terstond weder heengeloopen, zonder hoed, terwijl hare

lange, donkere haren, die zij als een kind in krullen liet hangen,

haar nazwierden.

"Wat meent zij?" zeide mijnheer Gradgrind. "In een oogenblik terug? Het

is meer dan een kwartier ver."

Eer mijnheer Bounderby kon antwoorden, vertoonde zich voor de

deur een jonkman, die, nadat hij zich met de woorden: "Met uw

verlof, heeren!" had geïntroduceerd, met de handen in de zakken

binnentrad. Zijn gladgeschoren, mager en bleek gezicht werd beschaduwd

door eene groote hoeveelheid donker haar, boven het voorhoofd

gescheiden en in eene gladde rol om zijn hoofd opgemaakt. Zijne beenen

waren sterk gespierd, maar korter dan beenen van goede evenredigheid

moesten zijn. Zijne borst en rug waren evenveel te breed, als zijne

beenen te kort waren. Hij was gekleed in een rokje met korte panden en

eene spanbroek, had een dikken, gekleurden doek om den hals gewikkeld,

rook naar lampolie, stroo, oranje schillen, paardenvoer en zaagsel,

en scheen een zonderling soort van Centaurus te zijn, uit den stal en

het theater samengesteld. Waar de eene begon en het andere ophield,

had niemand nauwkeurig kunnen zeggen. Deze heer werd in de biljetten

van den dag vermeld als mijnheer E. W. B. Childers, zoo met recht

vermaard door zijne vermetele voltigeurs-kunsten als de Wilde Jager

der Noord-Amerikaansche Prairiën, bij welke algemeen bewonderde

kunstverrichtingen een kleine jongen met een oud gezichtje, die hem

thans vergezelde, de rol van zijn jeugdig zoontje speelde, daar hij,

bij één voet vastgehouden, het onderste boven over zijn vaders schouder

werd gehangen, en op zijn hoofd, met de hielen omhoog, op de palm van

zijn vaders hand werd rondgedragen, volgens de hardhandige manier,

waarop men wilde jagers hunne kinderen ziet liefkoozen. Met krullen,

kransen, vleugels, witsel en karmijn opgesierd, veranderde deze

veelbelovende knaap in een innemend Cupidootje, dat het grootste

genot van het moederlijke gedeelte der toeschouwers uitmaakte; maar

als privaat persoon, wanneer een overdreven uitgesneden rokje en eene

zeer grove stem zijne voornaamste kenmerken waren, behoorde hij geheel

tot de aarde en den stal.

"Met uw verlof, heeren," zeide mijnheer E. W. B. Childers, in de kamer

rondziende. "Gij zijt het, geloof ik, die naar Jupe hebt gevraagd?"

"Ja," antwoordde mijnheer Gradgrind. "Zijne dochter is hem gaan halen,

maar ik kan niet wachten, en zal u dus, met uw verlof, eene boodschap

voor hem geven."

"Gij ziet wel, vriend," liet mijnheer Bounderby hierop volgen,

"wij zijn van die menschen, die de waarde van den tijd kennen, en

gij zijt van die menschen, die de waarde van den tijd niet kennen."

"Ik heb de eer niet van u te kennen," antwoordde mijnheer Childers,

nadat hij hem van het hoofd tot de voeten had opgenomen; "maar als

gij meent, dat gij meer geld voor uw tijd kunt krijgen dan ik voor den

mijnen, zou ik aan uw voorkomen zeggen, dat gij wel haast gelijk hebt."

"En als gij het geld gekregen hebt, kunt gij het wel bewaren ook,

zou ik denken," zeide Cupido.

"Kidderminster, houd uw mond!" zeide mijnheer Childers. Cupido's

aardsche naam was Kidderminster.

"Wat komt hij ons dan hier critiseeren?" riep de jongeheer

Kidderminster, die zeer oploopend bleek te zijn. "Als gij ons

critiseeren wilt, betaal dan uw geld aan de deur en neem er uw

pleizier voor."

"Kidderminster," zeide mijnheer Childers, zijne stem verheffende,

"houd uw mond. Mijnheer," vervolgde hij, zich naar mijnheer Gradgrind

keerende, "ik sprak tegen u. Gij zult wel weten, of mogelijk ook niet

(want misschien zijt ge niet veel bij onze representatiën geweest),

dat Jupe sedert eenigen tijd zeer dikwijls zijn slag heeft gemist."

"Wat heeft gemist?" vroeg mijnheer Gradgrind, met een blik naar den

machtigen Bounderby, alsof hij dezen te hulp riep.

"Zijn slag gemist."

"Verleden avond viermaal voor de linten is blijven steken," zeide de

jongeheer Kidderminster, "en ook zijn slag heeft gemist bij de vanen,

en met zijn zwaaien heeft geknoeid."

"Niet gedaan heeft wat hij doen moest. Zijne sprongen te kort heeft

genomen en slecht heeft gebuiteld," vertolkte mijnheer Childers.

"O, is dat de slag?" zeide mijnheer Gradgrind.

"In het algemeen gesproken is dat zijn slag missen," antwoordde

mijnheer Childers.

"Negen-olie, Merrylegs, slag missen, linten, vanen en zwaaien!" zeide

Bounderby met zijn eigenaardigen lach. "Een vreemd soort van gezelschap

voor iemand, die zich in de hoogte heeft gewerkt."

"Verlaag u dan maar wat," zeide Cupido hierop. "Als gij u zoo hoog

hebt opgewerkt, dat ge daarboven uitkijkt, laat u dan maar wat zakken."

"Dat is een zeer impertinente knaap," zeide mijnheer Gradgrind,

zich omkeerende en hem met saamgetrokken wenkbrauwen aanziende.

"Wij zouden een jongenheer hier verzocht hebben om u op te wachten, als

wij hadden geweten, dat ge komen zoudt," antwoordde Cupido, volstrekt

niet verlegen. "Het is jammer, dat ge het niet zoo besteld hebt,

als ge zoo precies zijt. Gij zijt zeker op de stijve jeff, niet waar?"

"Wat meent die ongemanierde jongen daarmee?" zeide mijnheer Gradgrind,

hem met een soort van wanhoop aanziende.

"Kom, ga maar heen!" zeide mijnheer Childers, zijn jongen vriend

tamelijk hardhandig de kamer uitduwende. "Stijve jeff of slappe jeff

heeft niet veel te beduiden; het wil stijve koord en slappe koord

zeggen. Gij woudt mij eene boodschap voor Jupe geven?"

"Ja, dat wilde ik."

"Dan ben ik van gedachte," hervatte mijnheer Childers snel, "dat hij

ze nooit zal krijgen. Kent gij hem wel?"

"Ik heb den man nooit in mijn leven gezien."

"Ik twijfel of gij hem dan wel ooit zien zult. Ik houd het voor

tamelijk zeker, dat hij weg is."

"Meent gij, dat hij zijne dochter zou verlaten hebben?"

"Ja," antwoordde mijnheer Childers met een knikje, "ik meen, dat hij

zich uit de voeten heeft gemaakt. Hij werd gisteravond uitgejouwd, en

hij werd eergisteravond uitgejouwd, en hij werd vandaag uitgejouwd. Hij

werd sedert eenigen tijd telkens uitgejouwd, en dat kan hij niet

verdragen."

"Waarom is hij--zoo erg--uitgejouwd?" vroeg mijnheer Gradgrind,

dit woord met groote deftigheid en zichtbaren tegenzin uitbrengende.

"Omdat zijne gewrichten stijf worden en hij versleten raakt,"

antwoordde mijnheer Childers. "Hij heeft nog zijne goede eigenschappen

als kakelaar, maar daarvan kan hij niet leven."

"Kakelaar!" herhaalde Bounderby. "Daar hebben wij alweer zoo iets."

"Als prater, indien dit mijnheer beter bevalt," zeide mijnheer

E. W. B. Childers, deze verklaring met minachting over zijn schouder

werpende, terwijl hij zijne lange haren schudde. "Nu is het iets

opmerkelijks, mijnheer, dat die man het zich al te veel aantrok,

dat zijne dochter wist dat hij uitgejouwd werd, om langer zoo te

kunnen voortgaan."

"Mooi!" viel Bounderby hierop in. "Dat is mooi, Gradgrind. Een man,

die zooveel van zijne dochter houdt, dat hij van haar wegloopt. Dat

is drommels mooi, ha, ha! Nu zal ik u eens wat zeggen, jonkman. Ik

heb niet al mijn leven mijn tegenwoordigen stand in de maatschappij

bekleed. Ik weet wat zoo iets is. Het zal u misschien verbazen het

te hooren, maar mijne moeder is ook van mij weggeloopen."

E. W. B. Childers antwoordde stekelig, dat het hem geheel niet

verbaasde dit te hooren.

"Heel goed!" zeide Bounderby. "Ik werd in eene sloot geboren en mijne

moeder liep van mij weg. Verschoon ik haar nu? Neen. Heb ik haar ooit

verschoond? Volstrekt niet. Wat noem ik haar daarom? Ik noem haar

waarschijnlijk het slechtste wijf, dat ooit op de wereld geleefd heeft,

behalve mijne dronken grootmoeder. Ik weet van geen familietrots;

ik weet van geene sentimenteele, romaneske kwezelarij. Ik noem een

kat een kat; en ik noem de moeder van Josiah Bounderby van Coketown,

zonder eenigen schroom of eenige partijdigheid, gelijk ik haar noemen

zou al ware zij de moeder van Dick Jones van Wapping geweest. En zoo

is het met dezen man. Hij is een weggeloopen schelm en een vagebond,

dat is hij in het Engelsch."

"Het is mij eveneens wat hij is of wat hij niet is, in het Engelsch

of in het Fransch," antwoordde mijnheer E. W. B. Childers, zich

omkeerende. "Ik zeg u, vriend, wat de waarheid is. Als gij het niet

gaarne hooren wilt, kunt ge gebruik maken van de opene lucht. Gij laat

u hard genoeg hooren; maar doe het ten minste in uw eigen huis. Laat

u niet hier in huis hooren voordat men er u om vraagt. Gij zult wel

een eigen huis hebben, zou ik denken?"

"Misschien wel," antwoordde mijnheer Bounderby lachende, en liet het

geld in zijn zak rammelen.

"Laat u dan in uw eigen huis hooren, als het u belieft," zeide

Childers, "want dit huis is niet sterk, en als gij u hier zoo hard

laat hooren, zou het wel kunnen invallen."

En mijnheer Bounderby nog eens van het hoofd tot de voeten opnemende,

keerde hij zich van hem af, als van iemand met wien hij geheel had

afgedaan, naar mijnheer Gradgrind.

"Jupe heeft zijne dochter een uur geleden om eene boodschap gezonden,

en toen heeft men hem zelf zien heensluipen, met zijn hoed in de oogen

en een pakje in een zakdoek gebonden onder den arm. Zij zal het nooit

van hem gelooven, maar hij is voortgegaan en heeft haar verlaten."

"En waarom zou zij het nooit van hem gelooven?" zeide mijnheer

Gradgrind.

"Omdat die twee één waren. Omdat zij nooit van elkander af waren. Omdat

hij tot op dezen tijd zoo machtig veel van haar scheen te houden,"

antwoordde Childers, een paar schreden voorwaarts doende om in den

ledigen koffer te kijken. Childers en Kidderminster hadden beiden

een zeer zonderlingen gang; zij stapten veel meer wijdbeens dan men

doorgaans doet en alsof zij stijf in de knieën waren. Dezen gang hadden

al de mannelijke leden van den troep van Sleary zich aangewend, hetwelk

moest beduiden, dat zij in hunne verbeelding altijd te paard zaten.

"Arme Sissy! Hij had haar liever in de leer moeten doen," zeide

Childers, nogmaals zijne haren schuddende, terwijl hij in den ledigen

koffer keek. "Nu laat hij haar zonder iets waaraan zij zich houden

kan."

"Het strekt u, die nooit bij een beroep in de leer zijt gedaan,

tot eer dat gij zoo denkt," merkte mijnheer Gradgrind goedkeurend aan.

"Ik nooit in de leer gedaan? Dat werd ik al toen ik zeven jaar

oud was."

"Ei zoo!" hervatte mijnheer Gradgrind eenigszins knorrig, omdat hij

zich met zijne goede meening had vergist. "Ik wist niet, dat men

kinderen in de leer deed..."

"Om ze te leeren leegloopen," viel mijnheer Bounderby met een luiden

lach hierop in. "Neen, waarachtig, ik ook niet."

"Haar vader had altijd in zijn hoofd," hervatte Childers, zich houdende

alsof hij niets van het bestaan van mijnheer Bounderby bespeurde,

"dat zij eene opvoeding moest hebben en allerlei dingen leeren. Hoe

hij dat in zijn hoofd kreeg, weet ik niet; ik weet alleen maar te

zeggen, dat het er nooit weer uitging. Hij heeft haar in de laatste

zeven jaren hier een beetje lezen, en daar een beetje schrijven,

en daar weer een beetje cijferen laten leeren."

Mijnheer E. W. B. Childers haalde een van zijne handen uit den zak,

waarin zij school, streek er mede over het gezicht en de kin, en

keek mijnheer Gradgrind aan met tamelijk veel twijfel en een weinigje

hoop. Van het begin af had hij, ter wille van het verlatene meisje,

gepoogd dezen heer met zich te verzoenen.

"Toen Sissy hier op de school kwam," vervolgde hij, "was haar vader zoo

blij als malle Piet. Ik voor mij kon niet recht begrijpen waarom, daar

wij overal toch maar komen en gaan, en hier ook niet zouden blijven. Ik

geloof nu evenwel, dat hij toen dien streek al van zins was--hij was

altijd half simpel--en dacht dat zij dus bezorgd zou zijn. Als het

misschien het geval mocht zijn, dat gij van avond juist hier gekomen

waart om te zeggen, dat gij haar wat zoudt willen voorthelpen," zeide

mijnheer Childers, wederom de hand over zijn gezicht strijkende,

en met eene herhaling van dien blik, "zou het heel gelukkig zijn en

wel van pas--heel gelukkig en wel van pas."

"Integendeel," antwoordde mijnheer Gradgrind, "ik kwam om hem te

zeggen, dat hare betrekkingen eene reden waren om haar de school

te ontzeggen en zij niet moest terugkomen. Maar als haar vader

haar werkelijk heeft verlaten, zonder dat zij iets daarvan heeft

geweten--Bounderby, laat ik eens een woordje met u spreken."

Hierop gaf mijnheer Childers zich zeer beleefd, met zijn

paardrijdersstap, naar het portaal buiten de deur, en bleef daar

staan, gedurig met de hand over het gezicht strijkende en zachtjes

fluitende. Terwijl hij zoo bezig was, kon hij eenige gezegden van

mijnheer Bounderby beluisteren, zooals: "Neen. Ik zeg neen. Ik

raad het u niet. Volstrekt niet, zeg ik." Terwijl hij van mijnheer

Gradgrind op den veel zachter toon, waarmede deze sprak, de woorden

hoorde: "Maar zelfs als een voorbeeld voor Louisa, om haar te toonen,

waarop het leven, dat het voorwerp harer nieuwsgierigheid geweest is,

uitloopt. Overweeg het eens, Bounderby, uit dat oogpunt."

Slechte Tijden · 第 2 / 27 段