En op den avond van den derden dag kwamen zij in eene stad; en de
jonge visscher sprak tot zijn ziel:
--"Is deze nu de stad, waarin zij danst, van wie gij mij gesproken
hebt?"
En zijne ziel antwoordde: "Het kan zijn dat deze de stad is, laat
ons daarom binnengaan."
En zij gingen in de stad, en trokken door de straten, maar nergens
kon de jonge visscher de rivier vinden, noch den herberg die aan haren
oever moest staan. En de stadbewoners begonnen hem nieuwsgierig gade
te slaan, en hij werd bevreesd en sprak tot zijn ziel:
--"Laat ons van hier gaan, want zij die met de blanke voeten danst,
is niet hier!"
Maar zijne ziel antwoordde:
--"Nee, laat ons blijven, want de nacht is donker, en op den weg
zullen we roovers ontmoeten."
Daarop zette hij zich neder op het marktplein en rustte uit, en na
een wijle ging een koopman voorbij, die een mantel van tartarenlaken
aanhad, en aan de punt van een knoestigen bamboesstok een lantaarn
droeg uit gesneden hoorn. En de koopman sprak tot hem:
--"Waarom zit gij op dit uur hier op de marktplaats, terwijl toch de
kraampjes reeds gesloten zijn, en de balen goeds tezamen gerold?"
En de jonge visscher antwoordde:
--"Ik kan in deze stad geen herberg vinden en heb hier niemand die
mij zou willen huisvesten."
--"Zijn wij niet allen broeders?" vroeg de koopman. "En schiep
ons niet één God? Volg mij dus, want er staat een kamer voor mijne
gasten gereed."
En de jonge visscher stond op, en volgde den koopman in zijn huis.
En toen zij door een tuin van granaatboomen waren gegaan, en het
huis binnengetreden waren, bracht de koopman hem rozenwater in een
koperen schaal, opdat hij zich de handen zou kunnen wasschen, en hij
bracht hem meloenen om zijnen dorst te lesschen, en hij zette hem
een schotel rijst voor en een stuk gebraden lamsvleesch.
En toen hij van alles genuttigd had, geleidde de koopman hem in de
gereedstaande kamer en wenschte hem een goeden nacht. En de jonge
visscher dankte hem en kuste den ring aan zijnen vinger. Daarop strekte
hij zich uit op de vellen van gekleurde geitenvacht. En toen hij zich
met een dek van zwarte schapenwol had toegedekt, sliep hij in.
En drie uur voor zonsopgang, toen de nacht nog zwart en stil was,
wekte hem zijne ziel en zij sprak tot hem:
--"Sta op, en begeef u in gindsche kamer waarin de koopman slaapt;
dood hem en ontneem hem zijn goud, want wij hebben het noodig."
En de jonge visscher stond op en sloop in de kamer van den koopman;
en aan diens voeten lag een krom zwaard, en op de tafel naast hem
lagen negen buidels vol goud. En hij strekte de hand uit naar het
zwaard, en toen hij het had aangeraakt, schrikte de koopman op, en
ontwaakte. Hij sprong overeind en greep naar het zwaard, en riep:
"Vergeldt gij aldus goed met kwaad, en beloont gij door sluipmoord
de goedheid die ik u bewezen heb?"
En zijn ziel sprak tot den jongen visscher:
"Sla hem neer!" En hij sloeg hem neer, zoodat de koopman bewusteloos
ter aarde stortte, en hij greep naar de negen buidels vol goud en
vluchtte ijlings door den tuin van granaatboomen, en keerde zijn
gelaat naar de ster, die de morgenster heet.
En toen zij een mijle ver van de stad verwijderd waren, sloeg de
jonge visscher zich op de borst en sprak tot zijn ziel:
--"Waarom geboodt ge mij den koopman te dooden, en zijn goud te
stelen? Waarlijk, gij zijt slecht."