En op den avond van den tweeden dag kwamen zij in eene stad; en de
jonge visscher sprak tot zijn ziel:
--"Is deze de stad, waarin het meisje danst, van wie ge mij gesproken
hebt?"
En zijne ziel antwoordde:
--"Deze is niet de stad, waarin zij danst, doch eene andere. Maar
dat doet er niet toe, laat ons binnentreden."
En zij gingen in de stad en trokken door de straten, en toen zij in de
straat gekomen waren, waar sandalenverkoopers hunne waren verkochten,
zag de jonge visscher een kind bij een waterkruik staan.
En zijn ziel sprak tot hem: "Sla het kind." En hij sloeg het kind,
totdat het schreide, en toen hij het gedaan had, verlieten zij ijlings
de stad.
En toen zij de stad een mijl ver achter zich hadden, werd de jonge
visscher toornig en sprak tot zijn ziel: "Waarom geboodt gij mij het
kind te slaan? Want dat was een slechte daad."