Maar zijne ziel antwoordde: "Wees onbezorgd, wees onbezorgd."

--"Neen," riep de jonge visscher, "ik wil niet onbezorgd zijn, want

alles wat ge mij hebt laten doen, haat ik. U haat ik evenzoo, en ik

wil dat ge mij zegt, waarom ge op deze wijze met mij omgaat."

En zijne ziel antwoordde hem:

--"Toen ge mij van u heen zondt om in de wereld rond te zwerven,

gaaft ge mij geen hart mede, en zoo leerde ik al deze dingen doen en

ze gaarne doen."

--"Wat zegt ge?" murmelde de jonge visscher.

--"Ge weet het," antwoordde de ziel, "ge weet het maar al te goed. Of

hebt ge vergeten, dat ge mij geen hart wildet meegeven? Ik geloof

van neen. Bekommer u daarom niet om mij, maar wees onbezorgd. Want er

is geen leed, dat gij niet veroorzaken zult, en er is geen vreugde,

die gij niet zult kunnen genieten."

En toen de jonge visscher deze woorden gehoord had, beefde hij,

en sprak tot zijn ziel: "Neen, gij zijt slecht, want gij hebt mij

mijne liefde doen vergeten, en mij met verzoekingen omgeven, en ge

hebt mijne schreden op den weg der zonde geleid."

En zijne ziel antwoordde hem:

--"Vergeet niet, dat ge mij geen hart wildet geven, toen ge mij

in de wereld uitzondt. Kom, laat ons naar eene andere stad gaan,

en vroolijk zijn, want wij hebben negen buidels vol goud."

Maar de jonge visscher nam de negen buidels vol goud, wierp ze op

den grond en vertrapte ze.

--"Neen," riep hij, "ik wil niets meer met u gemeen hebben, en ik

wil niet verder met u gaan, maar zooals ik u vroeger weggezonden heb,

zoo wil ik u wederom wegzenden, want ge hebt mij niets goeds gebracht."

En met den rug naar de maan gekeerd, beproefde hij met den kleinen

dolk, welks handvat van slangenhuid was, de schaduw aan zijne voeten

weg te snijden, de schaduw, die het lichaam van was zijn ziel.

Doch zijne ziel ging niet van hem, en achtte ook niet op zijn bevel,

maar sprak tot hem:

--"De betoovering die de heks u leerde, heeft geenerlei kracht

meer, want ik kan u niet meer verlaten, noch kunt gij mij meer uit u

verdrijven. Slechts eenmaal in het leven kan de mensch zijn ziel uit

zijn lichaam verbannen, en die haar weder tot zich neemt, die moet

haar voor altijd behouden; dat is zijn straf en zijn loon tevens."

De jonge visscher verbleekte en balde de vuist en riep: "Dan was zij

eene valsche heks, dat zij mij dit niet zeide."

--"Neen," zeide de ziel, "want zij was Hem getrouw dien zij aanbidt

en dien zij altijd dienen zal."

En toen de jonge visscher zich bewust werd, dat hij zich nooit meer

van zijn ziel zou kunnen bevrijden, en dat eene slechte ziel voor

altijd in hem zou blijven wonen, toen wierp hij zich neder op den

grond en weende bitter.

En toen het dag werd, stond de jonge visscher op, en sprak tot

zijn ziel:

--"Ik zal mijne handen vastsnoeren, opdat zij niet kunnen doen, wat

gij hen gebiedt te doen; en mijne lippen zal ik tezamen drukken, opdat

zij niet uwe woorden kunnen naspreken. En ik wil dáárheen terugkeeren,

waar zij woont, die ik liefheb, naar de zee wil ik teruggaan, naar

de kleine bocht, waar zij voor mij placht te zingen, en dan zal ik

om haar roepen en haar zeggen, welk kwaad ik deed, en welk kwaad gij

mij gedaan hebt."

En zijn ziel poogde hem opnieuw in verzoeking te brengen en sprak:

--"Wie is uwe liefste, dat gij tot haar wilt terugkeeren? De wereld

heeft vele, die schooner zijn om aan te zien dan zij: de danseressen,

die in Samaris wonen, dansen alle gelijk vogels en duiven, hare voeten

zijn met henna beschilderd, en in de handen houden zij kleine koperen

klokjes. Wanneer zij dansen lachen zij, en haar lachen klinkt zoo

helder als het kabbelen van het water. Kom met mij mee, en ik zal ze u

toonen. Want wat maakt ge u bezorgd om dingen, die zondig heeten? Is

al wat zoet is om te eten niet voor den etenden bestemd? Zou er gif

zijn in den vurigen wijn? Kwel u niet langer, en kom met mij naar een

ander oord. Hier dicht bij ligt een kleine stad, daarin bevindt zich

een tuin van magnolia boomen. En witte pauwen, en pauwen met blauwe

borsten zijn in dien fraaien tuin. Wanneer zij hunne staarten in de zon

uitspreiden, glanzen die in ivoren en gouden kleurenpracht. En die hen

voedert, danst ter hunner lust, en eenmaal danst zij op hare handen,

een ander maal met hare voeten. Hare oogen zijn met antimoon gekleurd,

en hare neusvleugelen zijn gelijk de vleugels eener zwaluw. Een

bloem, die uit een parel gesneden is, hangt aan een haakje van een

harer neusvleugels af. En terwijl zij danst lacht zij, en de zilveren

ringen aan hare enkels rinkelen gelijk zilveren klokjes. Kwel u toch

niet langer, maar kom met mij mede naar gindsche stad."

Doch de jonge visscher antwoordde niet. Zijne lippen hield hij

vastgesloten en zijne handen had hij vastgesnoerd. En zoo ging hij

terug, daarheen, vanwaar hij gekomen was, naar de kleine bocht,

waar eens zijn liefste gezongen had.

En steeds opnieuw poogde zijn ziel hem onderweg in verzoeking te

brengen, maar hij antwoordde haar niet, en hij deed niets van al het

slechte, dat zij hem gebood te doen, zoo groot was de macht zijner

liefde in hem. En toen hij eindelijk de kust van de zee bereikt had,

bond hij de snoeren los van zijne handen, en opende zijne lippen en

riep om de kleine zeemeermin.

Maar zij verscheen niet op zijn roepstem, hoewel hij den ganschen

dag om haar riep en haar smeekte te komen.

En zijn ziel bespotte hem en sprak:

--"Waarlijk, gij beleeft niet veel vreugde van uwe liefde. Gij zijt

als een die, ten tijde van watersnood, water in een gebroken kruik

giet. Gij geeft weg wat ge bezit, en niets ontvangt ge terug. Beter

ware het voor u, wanneer ge met mij wildet komen; ik zal u dan toonen,

waar het Dal der Lusten ligt, en ik zal u laten zien, welke dingen

ginds gebeuren."

Doch de jonge visscher antwoordde zijne ziel niet, maar bouwde een

huis van gevlochten stroo tusschen de rotsen en woonde daar een jaar

lang. En elken morgen riep hij het zeemeerminnetje en als de middag

kwam riep hij om haar, en des avonds, wanneer de duisternis gevallen

was, kreet hij opnieuw haar naam.

Maar nimmermeer steeg zij van uit de diepte tot hem omhoog, noch

vermocht hij haar terug te vinden in de zee, wáár hij haar ook

zoeken ging, tusschen de rotskloven in het groene water, in den

wassenden vloed, of in de diepe bronnen die van den bodem der zee

omhoog borrelen.

En altijd opnieuw poogde zijne ziel hem tot het kwade te verleiden,

en fluisterde hem vreeselijke dingen in het oor. Maar zij had geenerlei

macht meer over hem, zoo groot was de macht zijner liefde.

En toen het jaar verstreken was, overpeinsde de ziel bij zichzelve:

"Ik heb mijnen heer steeds door booze dingen in verzoeking gebracht,

en zijne liefde bleek sterker dan ik. Nu wil ik beproeven hem door

het goede te winnen, zoo zal hij mij wellicht volgen."

En zij sprak tot den jongen visscher:

--"Ik heb u veel van de Vreugden der wereld verhaald, en gij hebt mij

niet willen aanhooren. Laat mij u nu van 's werelds Leed vertellen,

wellicht zult gij dan naar mij luisteren. Want waarlijk, het Leed

heerscht als Meester over de wereld, en niemand ontkomt aan zijne

heerschappij. De een heeft geen kleederen en de ander heeft geen

brood. Gindsche weduwe kleedt zich in purper, deze gaat in lompen. Over

de moerassen trekken in scharen de melaatschen en zijn onbarmhartig

jegens elkander. De bedelaars zwerven her en derwaarts langs de

wegen, en hunne zakken zijn ledig. Door de straten der steden trekt

de Hongersnood, en voor de poorten waakt de Pest. Kom, laat ons van

hier opgaan en hulp verleenen en troost schenken. Waarom zoudt ge hier

langer toeven en langer nog om uwe liefste roepen, die toch uw stem

niet hoort? En wat is de liefde, dat gij daaraan zooveel waarde hecht?"

Maar de jonge visscher antwoordde niet, zoo groot was de macht

zijner liefde.

En elken morgen en elken middag riep hij weder om haar, en elken avond,

wanneer de duisternis gevallen was, kreet hij opnieuw haren naam.

Maar nimmermeer steeg zij van uit de diepte tot hem omhoog, noch

vermocht hij haar terug te vinden, wáár hij haar ook zoeken ging,

in de stroomingen der wateren of in de valleien die onder de golven

zijn, in de zee die purpergekleurd ligt in avondgloed, of in de zee

die grauw schijnt onder de vlerken van morgenschemering...

En toen het tweede jaar verstreken was, sprak de ziel op een nacht

tot den jongen visscher, die alleen in zijn gevlochten hut zat:

--"Zie, ik heb u tot het slechte trachten te verleiden, en ook tot het

goede willen voeren, en uwe liefde is sterker gebleken dan ik. Daarom

wil ik u niet meer in verzoeking brengen, maar ik smeek u: laat mij

tot uw hart doordringen, opdat ik één met u worde, gelijk vroeger."

--"Waarlijk, gij moogt tot mijn hart doordringen," sprak de jonge

visscher, "want in de dagen toen gij zonder hart door de wereld

rondgedoold zijt, moet ge veel geleden hebben."

--"Ach," riep de ziel, "geen ingang kan ik vinden, zoo zeer is uw

hart omvangen door uwe liefde."

--"En toch wilde ik, dat ik u helpen kon," sprak de jonge visscher.

En nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of van over de zee

weerklonk eene groote weeklacht, zooals de menschen die vernemen,

wanneer er een van het watervolk gestorven is. En de jonge visscher

sprong op, verliet zijn hut, en ijlde naar de zeekust. En de zwarte

golven kwamen aangedruischt naar den oever, en droegen eene last,

die blanker was dan zilver. Blank als het schuim der branding was zij,

en gelijk een bloem deinde zij heen en weer op de golven.

En de branding nam haar over van de golven, en de oever ontving haar,

en aan de voeten van den jongen visscher lag het levenlooze lichaam

van de kleine zeemeermin.

Dood lag zij aan zijne voeten.

En kermend als een, die door smart overweldigd is, wierp hij zich

naast het doode lichaam neer. En hij kuste het kille rood van haar

mond, en hij streelde het natte barnsteen van heur haar. Hij wierp

zich naast haar op het zand en schreide als een, die door vreugde

zinneloos werd, en met zijne bruine armen hield hij haar vast aan zijn

borst geklemd. Koud waren hare lippen, maar hij kuste ze warm. Zilt

smaakte de honing van heur haar, maar hij proefde die met bittere

vreugde. Hij kuste de gesloten oogleden, en het trillende schuim dat

op hare oogen lag, was minder zout dan zijne tranen.

En aan het doode lichaam biechtte hij zijne daden. In de schelpen

harer ooren goot hij den bitteren wijn van al zijn lijden. Hare kille

armen plooide hij om zijn hals, en met zijne vingers streelde hij het

fijne slanke lijf. Vol bitterheid was zijne vreugde, en zijne smart

was vervuld van zonderlinge blijheid.

En dichter en dichter-naderbij kwam de donkere zee, en het blanke

wit der branding steunde luid als een gepijnigd dier.

Met witte klauwen van schuim greep de zee naar het strand. Toen klonk

van uit het paleis van den waterkoning een nieuwe kreet van rouwe,

en ver, ver over de zeeën, bliezen de Tritonen met heeschen klank op

hunne hoorns.

--"Vlucht!" sprak de ziel. "Vlucht, want al nader komt de zee, en

zoo gij langer talmt, zal zij u verzwelgen. Vlucht, want ik ben vol

vreeze, daar uw hart zich, om der wille van uwe groote liefde, nog

niet voor mij geopend heeft. Vlucht naar een veilig oord.... Waarlijk,

gij moogt mij niet zonder hart naar eene andere wereld zenden!"

Maar de jonge visscher luisterde niet naar zijn ziel; hij vleide

zich tegen het kleine bleeke zeemeerminnetje en sprak: "Liefde is

beter dan Wijsheid en kostbaarder dan Rijkdom, en schooner dan de

blanke voeten van de dochteren der menschen. Geen vlammen vermogen

haar te vernietigen, en geen waterstroomen haar te verzwelgen. Ik

riep naar u wanneer de morgenstond gloorde en gij luisterdet niet

naar mijn roep. De maan hoorde uw naam weerklinken, maar gij bleeft

zwijgen. Ik had u moedwillig verlaten, en tot mijn eigen ellende ging

ik heen, verre van U. Maar altijd is uwe liefde bij mij gebleven, en

altijd was zij sterk, en niets vermocht zich tegen haar te richten,

of ik ook van het slechte vervuld was, dan wel van het goede. En nu,

nu gij gestorven zijt, zie, nu wil ik met u sterven."

En wederom smeekte zijn ziel hem om te vluchten, maar hij luisterde

niet naar haar, zoo groot was zijne liefde.

Al nader en nader kwam de zee, al rusteloozer beproefde zij hem met

hare breede golven-armen te bereiken en te omspoelen.

En toen hij voelde dat zijn einde nabij was, kuste hij wild, met

brandende lippen den kouden mond van het zeemeerminnetje, en zijn hart,

dat in hem was, brak.

En toen zijn hart gebroken was door overgroote liefde, toen kon de

ziel er toegang vinden en werden zij weder één gelijk vroeger. En de

zee bedekte den jongen visscher met haar golven.

Den volgenden morgen kwam de priester op het strand, om de zee te

zegenen, want zij was zeer onrustig geweest. En met hem kwamen monniken

en muzikanten, kaarsendragers en knapen die wierookvaatjes zwaaiden,

en nog eene menigte van menschen.

En toen de priester den oever bereikt had, vond hij het doode lichaam

van den jongen visscher in de branding liggen, en, in zijne armen

vastgeklemd, zag hij het lijk van de kleine zeemeermin. Met gerimpeld

voorhoofd trad hij eenige schreden achteruit, maakte het teeken des

kruizes en sprak luid:

--"Ik wil de zee niet zegenen, noch zegenen iets, wat zich in de

zee bevindt. Vervloekt zij het watervolk en vervloekt mogen allen

zijn, die zich met dat volk inlaten. Hier ligt hij dood, die, om der

liefde wille, zijnen God verloochend heeft, en daar nu ligt hij met

zijn liefste, door God zelf verslagen. Neemt zijn doode lichaam op,

van hem en van zijn liefste, en begraaft hen in den eenzaamsten hoek

van het Veld der Distelen, en zet geen steen op 't graf, noch eenig

ander teeken, opdat niemand de plaats hunner rust wete. Want vervloekt

waren zij in hun leven, en vervloekt zullen zij zijn tot na hun dood."

En het volk deed zooals hem gelast werd; en zij groeven een diepen kuil

in den eenzaamsten hoek van het Veld der Distelen, daar waar geenerlei

zoete kruiden groeiden, en zij legden daarin de twee doode lichamen.

En toen het derde jaar verstreken was, ging de priester op een dag,

die een Heiligendag was, naar de kapel, om het volk de wonden des

Heeren te toonen en van God's toorn te prediken. En toen hij het

priestergewaad had aangelegd en de kapel betreden had, en zich nijgen

wilde voor het altaar, zag hij, dat het bedekt was met vreemdsoortige

bloemen, zooals hij die nimmer nog aanschouwd had. En zonderling waren

zij om aan te zien, en hunne schoonheid maakte hem dronken, en hunne

geur was wellust voor zijne neusgaten. En hij was blijgestemd en wist

toch niet waarom hij blij gestemd was.

En toen hij den tabernakel geopend, de monstrans bewierookt, en de

heilige Hostie getoond had aan het volk, en het weer weggeborgen had

achter den sluier aller sluiers, begon hij tot het volk te spreken,

en hij wilde hen spreken van God's heiligen toorn. Maar de schoonheid

der witte bloemen maakte hem dronken, en hun zoete geur was wellust

voor zijne neusgaten, en op zijn lippen kwamen andere woorden. Niet

van God's toorn sprak hij, maar van God, wiens wezen Liefde was. En

wáárom hij zoo sprak, dat wist hij niet.

En toen hij had opgehouden met spreken, weende het volk en de priester

trad in de sakristy, en zijne oogen waren gevuld met tranen. De

diakenen kwamen binnen en namen hem het priesterkleed af, en het

koorhemd en den gordel en de gewijde mouwen en de stola. Als in een

droom stond daar de priester. En toen zij hem van zijn misgewaad

ontdaan hadden, zag hij tot hen op en vroeg: "Welke bloemen waren

heden op het altaar, en vanwaar zijn zij gekomen?"

En zij antwoordden:

--"Wat soort van bloemen 't zijn, weten wij niet, maar zij bloeien

ginds, op het Veld der Distelen, in den eenzaamsten hoek."

En de priester sidderde en ging in zijn huis en bad.

En op den volgenden morgen, vóór dat nog de zon ter kimme was gerezen,

trok de priester naar buiten, met de monniken en de muziekanten,

met de knapen, die de wierookvaten zwaaiden en met hen, die de

kaarsen droegen, en een groote schare van menschen volgde hem. En

hij kwam aan den oever van de zee, en hij zegende het water, en

alle wilde schepselen, die daarin wonen. En hij zegende de faunen,

en al de kleine schepselen, die in de wouden dansen, en zij die met

glanzende oogen gluren tusschen 't loof. En alle schepselen in God's

wijd heelal zegende hij, en het volk was van verbazing vervuld.

Maar nimmermeer bloeiden de bloemen in den eenzamen hoek van het Veld

der Distelen.

Leeg en kaal bleef de plek als zij te voren was. En ook het watervolk

kwam niet weer in de bocht, gelijk vroeger: naar een ander deel van

de zee trokken zij henen.

Het Granaatappelhuis · 第 16 / 18 题