En ik sprak tot den priester: "Waar is de God?"

En hij antwoordde mij: "Wij hebben geen anderen God dan dezen spiegel

dien gij ziet, want deze is de Spiegel der Wijsheid. Hij weerspiegelt

alle dingen die in den hemel en op de aarde zijn, alleen niet het

gelaat van hem, die zich daarin spiegelt. Dit geeft hij niet weer,

opdat hij, die daarin ziet, wijs kan zijn. Er zijn vele andere

spiegels, maar dat zijn de spiegels der Meeningen. Deze alleen is de

Spiegel der Wijsheid. En zij die dezen Spiegel bezitten, weten alles,

en niets is voor hen verborgen. En zij die hem niet bezitten, hebben

ook niet de Wijsheid. Daarom is hij de God dien wij aanbidden."

En ik zag in den spiegel en het was, zooals hij gezegd had.

Toen deed ik een zonderlinge daad; maar wàt ik deed is noodeloos te

verhalen, want in een dal, dat slechts een dagreize van hier verwijderd

ligt, heb ik den Spiegel der Wijsheid verborgen. Laat mij slechts weer

tot u ingaan en u dienen, dan zult gij wijzer zijn dan alle wijzen,

en de Opperste Wijsheid zal uw deel zijn."

Maar de jonge visscher lachte.

--"Liefde is beter dan Wijsheid," riep hij, "en het kleine

zeemeerminnetje heeft mij lief."

--"Ge vergist u, er is niets beters op de wereld dan de Wijsheid,"

sprak de ziel.

--"De Liefde is beter," herhaalde de jonge visscher; en hij dook

onder in de diepte.

En de ziel ging weenende van daar. En verdween over de moerassen.

En toen het tweede jaar verstreken was, keerde de ziel terug naar

de kust van de zee, en riep den jongen visscher, en hij steeg uit de

diepte opwaarts en zeide:

--"Waarom roept ge mij?"

En de ziel antwoordde:

--"Kom naderbij, opdat ik met u spreken kan, want ik heb de

wonderlijkste dingen gezien."

En hij kwam nader en zette zich aan den rand van het water, leunde

met het hoofd in de hand en luisterde.

En de ziel sprak tot hem.

--"Toen ik u verlaten had, richtte ik mijne schreden naar het Zuiden en

begon mijn zwerftocht. Uit het Zuiden komt alles wat kostbaar is. Zes

dagen liep ik op de straatwegen, die naar de stad Asther voeren;

op de stoffige roode straatwegen, die de pelgrims plegen te volgen,

schreed ik voort, en op den morgen van den zevenden dag, zie! daar

zag ik de stad aan mijne voeten liggen, want zij is in een dal gelegen.

Negen poorten geven toegang tot deze stad en voor elke poort staat een

bronzen paard, dat hinnekt wanneer de Bedouïnen van de bergen naar

omlaag komen. De muren zijn met koper beslagen en de wachttorens op

de muren uit erts gebouwd. In elken toren staat een boogschutter

met een boog in de hand. Bij zonsopgang slaat hij met een pijl

op een klankbekken, en bij zonsondergang blaast hij op een hoorn,

uit horen gesneden. Toen ik beproefde binnen te gaan, hielden de

wachten mij tegen en zij vroegen, wie ik was. Ik antwoordde, dat ik

een derwisch was, op weg naar Mekka, alwaar zich een groene sluier

bevinden moest waarop engelenhanden in zilveren letters den Koran

hadden geborduurd. Zij luisterden met groote verbazing naar hetgeen

ik zeide, en vergunden mij binnen de stad te komen. En binnen de

stad, daar geleek het wel een bazaar. Waarlijk, gij hadt bij mij

moeten zijn. Langs de nauwe straten wiegelen bonte papierlantaarns

als groote vlinders heen en weer. Wanneer de wind over de daken

strijkt, dan stijgen ze op en vallen weer neer, net als gekleurde

zeepbellen. De kooplieden zitten voor hunne winkeltjes op glanzende

zijdene tapijten. Zij dragen recht-neerhangende zwarte baarden,

hunne tulbanden zijn met gouden sechinen bedekt en lange kettingen

van barnsteen en van kunstig uitgesneden perzikpitten glijden door

hunne slanke vingers. Eenige van hen verkoopen galbanum en nardus,

en zeldzaam reukwerk van de eilanden in de Indische zee, olie van

roode rozen, en myrten en kleine kruidnagelen. Wanneer men stil

staat om met hen te praten, werpen zij kleine stukjes wierook op een

kolenbekken, en de lucht wordt vervuld van zoete geuren. Ik zag een

Syriër, die in zijn hand een dun rieten stokje hield. Grijsblauwe

draden van rook wolkten daaruit op, en de geur die het stokje onder

het branden verspreidde, herinnerde aan dien van amandelbloesems

in de lente. Andere verkoopen zilveren armbanden die in de rondte

met melk-blauwe turkooizen bezet zijn; voetspangen van koper,

waaraan een franje van fijne paarlen, tijgerklauwen in goud gevat,

ook de klauwen van den goud-bronzen leopard, eveneens in goud gevat;

oorhangers uit doorboorde smaragden en vingerringen van uitgeholde

nephriet. Uit de theehuizen klinken gitaarklanken en de opiumschuivers

liggen er met bleeke, glimlachende aangezichten naar de voorbijgangers

te staren. Waarlijk, gij hadt bij mij moeten zijn. De wijnverkoopers

banen zich hunnen weg, dwars door de menigte, met groote zwart leeren

zakken over de schouders. De meesten verkoopen den wijn uit Schiras,

die zoet is als honing. Zij bieden die aan op kleine metalen schalen,

waarop zij rozenbladeren strooien. Op de marktplaats stonden de

fruitverkoopers, die alle soorten van vruchten veil boden; rijpe

vijgen, met haar week purperkleurig vleesch; meloenen, die naar muskus

geuren, en geel zien als topazen; citroenen en rozenbottels en witte

druiven; ronde, geelroode oranjeappelen en langwerpige limoenen van

puur groen goud. Eens zag ik een olifant voorbijgaan. Zijn snuit was

rood en geel beschilderd en over de ooren droeg hij een roodzijden

gevlochten net. Hij bleef voor een der kraampjes staan en begon van

de oranjeappelen te eten, en de verkooper liet dit lachend toe. Ge

kunt u niet voorstellen, welk een merkwaardig volk het is. Wanneer

zij vroolijk zijn, gaan zij naar een vogelhandelaar en koopen van hem

een gevangen vogel, dien zij laten vliegen, opdat hunne vreugde nog

grooter worde; en wanneer zij mistroostig zijn, kastijden zij zich

met doornen, opdat hun verdriet niet minder worde.

Op een avond ontmoette ik eenige negers, die een zwaren draagstoel

langs de winkels voortdroegen. Hij was van verguld bamboes gemaakt en

de staven waren van rood lak, waarin ingelegde pauwen van erts. Voor de

vensters hingen dunne gordijnen van neteldoek, die met kevervleugelen

en kleine paarlen geborduurd waren, en toen de draagstoel voorbij

ging, keek een bleeke cirkassische vrouw naar buiten, en wierp

mij een glimlach toe. Ik volgde den stoet, de negers verhaastten

hunne schreden, en hunne blikken werden dreigend en somber. Maar ik

bekommerde er mij niet om; eene groote nieuwsgierigheid had zich van

mij meester gemaakt.

Eindelijk hielden de dragers stil voor een vierkant wit huis. Het had

geen vensters, slechts een lage deur, als de deur van een graf. Zij

zetten den draagstoel neder, en klopten driemaal met een koperen hamer

op de deur. Een Armeniër in een kaftan van groen leder keek door een

luikje, en toen hij den draagstoel gewaar werd, opende hij de deur

en breidde een tapijt over den grond.

De vrouw steeg uit. Terwijl zij naar binnen trad, keerde zij zich

om en wierp mij opnieuw een glimlach toe. Nooit had ik een zoo bleek

gelaat aanschouwd.

Toen de maan was opgegaan, keerde ik naar dezelfde plaats terug

en zocht er het huis, maar het was verdwenen. En ik begreep wie de

vrouw was en waarom zij mij had toegelachen. Waarlijk, gij hadt er

bij moeten zijn.

Op het feest van de Wassenden Maan kwam de jonge Keizer uit zijn

paleis en begaf zich in de Moskee om er te bidden.

Zijn haar en zijn baard waren met rozenbladeren gekleurd en op zijne

wangen lag fijn stofgoud. De palmen der handen en die der voeten waren

geel van safraan. Bij zonsopgang kwam hij uit zijn paleis in een gewaad

van zilver, en bij zonsondergang keerde hij in een gewaad van goud

terug. Het volk wierp zich op den grond en verborg het aangezicht, maar

ik deed zulks niet. Ik stond bij het kraampje van een dadelverkooper

en wachtte. Toen de Keizer mij opmerkte, rimpelde zich zijn voorhoofd

en hij stond stil. Ik bleef zeer rustig en bewees hem geen hulde. Het

volk verbaasde zich over mijne stoutmoedigheid, en men ried mij de

stad te ontvluchten. Ik luisterde niet naar dien raad, doch begaf

mij naar de kooplieden die beeldjes van vreemde godheden verkoopen,

en, om dien handel, zeer veracht worden. Toen ik hen verhaalde wat ik

gedaan had, gaf elk hunner mij een afgodsbeeldje, en zij verzochten

mij dringend hen te verlaten. Des nachts lag ik op een kussen in het

theehuis, dat aan den Granaatappelweg staat; daar kwam de lijfwacht

van den Keizer, en voerde mij in het paleis. Toen ik binnentrad, sloot

men achter mij elke deur en grendelde die bovendien. Daarop kwam ik

in een grooten hof, dat omsloten was door een zuilengang. De muren

waren van wit albast, en hier en daar met blauwe en groene tegels

versierd. De pilaren waren van groen marmer en het plaveisel bestond

uit bijkans perzikkleurig marmer. Nooit aanschouwde ik iets dergelijks.

Toen ik door den hof liep, zagen twee gesluierde vrouwen van een balkon

op mij neder en spraken verwenschingen tegen mij uit. De soldaten

liepen met versnelde passen en hunne speeren vielen dreunend neer op

het glanzende plaveisel. Zij ontsloten een deur van uitgesneden ivoor,

en ik bevond mij in een tuin met vele fonteinen en zeven terrassen. De

tuin was met tulpen en papavers en zilverige aloën beplant. Als een

slanke zuil van kristal flonkerde in de schemerige avondlucht de straal

van een fontein. De cypressen geleken op uitgebrande fakkels. In een

van de boomen zat een nachtegaal en zong.

Aan het eind van den tuin was eene kleine tent opgeslagen. Toen wij

naderbij kwamen, traden daaruit twee Eunuchen ons tegemoet; hunne

dikke lichamen waggelden onder het loopen en zij keken mij met hunne

halfgeloken oogen nieuwsgierig aan. Een van hen riep den hoofdman

van de wacht ter zijde, en fluisterde hem iets toe. Onderwijl at de

ander geurige pastillen, die hij met eene gemaakte handbeweging uit

een lilakleurige geëmailleerde doos nam.

Na verloop van enkele oogenblikken stuurde de hoofdman de soldaten

weg. Zij gingen terug naar het paleis, de Eunuchen volgden langzaam

en plukten in het voorbijgaan zoete moerbeziën van de boomen. Eenmaal

keerde de oudere van de twee zich naar mij om, en lachte boosaardig.

Daarop wees de hoofdman mij den ingang van de tent.

Zonder aarzeling of vrees schoof ik het zware gordijn ter zijde en trad

binnen. De jonge Keizer lag uitgestrekt op een rustbed van gekleurde

leeuwenvellen, terwijl een valk op zijn vuist zat; achter hem stond

een Nubiër met een metalen tulband op 't hoofd, naakt tot aan de

heupen en met zware oorhangers in de doorboorde ooren. Op een tafel

naast het rustbed lag eene reusachtige kromme sabel uit blank staal.

Toen de Keizer mij zag, rimpelde zich zijn voorhoofd en hij vraagde:

--"Wie zijt ge? Weet ge niet, dat ik de Keizer van deze stad ben?"

Maar ik gaf hem geen antwoord. Hij wees met den vinger naar de sabel;

en de Nubiër greep die en wierp mij haar naar het hoofd met groote

kracht. De scherpe kant vloog midden door mij heen, doch zonder mij

letsel te brengen. De man viel stuiptrekkend neer, en toen hij zich

oprichtte, klappertandde hij van angst en verborg zich achter het

rustbed. De Keizer sprong overeind, nam zijne lans van een wapenrek,

en wierp die naar mij. Ik ving haar in volle vaart op en brak haar

in twee stukken. Hij schoot met een pijl naar mij, maar ik hield

mijne handen omhoog en de pijl bleef in de lucht zweven. Daarop trok

hij een dolk uit zijn gordel van wit leder en boordde die den Nubiër

in den hals, opdat deze niemand deelgenoot zou maken van den smaad,

den Keizer aangedaan. De man kronkelde zich als een vertrapte slang,

en van zijne lippen drupte het roode schuim.

Zoodra het lichaam zich niet meer bewoog, wendde de Keizer zich tot

mij en nadat hij zich met een purperen zijden doek het zweet van het

voorhoofd had afgewischt, sprak hij:

--"Zijt gij een Profeet, dat ik u niet dooden kan, of zijt gij de

zoon van een Profeet, dat ik u niet verwonden kan? Ik bid u, verlaat

mijne stad nog in dezen nacht, want zoolang gij daarin vertoeft,

ben ik er geen heerscher."

En ik antwoordde:

--"Ik zal gaan als gij mij de helft van uwe schatten geeft. Geef mij

die en ik zal van hier gaan."

Daarop nam hij mij bij de hand en bracht mij buiten in den tuin.

Toen de hoofdman van de wacht mij zag, was hij zeer verbaasd. En

toen de Eunuchen mij zagen, beefden hunne knieën en van louter angst

stortten zij zich terneer op den grond.

In het paleis bevindt zich een vertrek, dat bestaat uit acht wanden

van rood porphyr, en eene met stalen platen bepantserde zoldering,

waarvan lampen naar omlaag hangen. De Keizer raakte een der wanden aan,

die zich daarop opende en wij traden eene gang binnen, die door vele

fakkels verlicht werd. Aan weerszijden stonden, in nissen, groote

wijnkruiken, die tot aan den rand met zilverstukken gevuld waren.

Toen wij tot aan het midden van de gang gekomen waren, sprak de Keizer

het woord, dat men niet uit mag spreken, waarop door een geheime veer

een deur van graniet zich opende. En de Keizer legde de handen voor

het aangezicht om niet verblind te worden door den glans.

Gij kunt u niet voorstellen, welk een wonderbaarlijken aanblik

deze pracht bood. Daar stonden groote schildpadden schalen vol

paarlen; groote uitgeholde maansteenen bevatten roode robijnen;

in koffers van olifantenhuid lag het goud opgestapeld en in lederen

flesschen was het stofgoud bewaard. Opalen en safieren zag men er in

kristallen en nephrieten schalen. Ronde groene smaragden flonkerden

in rijen op dunne ivoren platen, en in een hoek lagen zijden zakken,

enkele met turkooizen, andere met berillen gevuld. Hoorns van ivoor

bevatten purperen amethisten, en hoorns van erts chalcedonsteenen

en sardachaat. De zuilen van cederhout waren met snoeren van

geele labradorsteenen omhangen. Op vlakke ovalen schilden lagen

karbonkelsteenen van wijnkleurigen en grasgroenen tint. En nog veel

meer was er. Wat ik u opnoem is nauwelijks een tiende gedeelte van

hetgeen ik in werkelijkheid zag.

En toen de Keizer de handen van zijn aangezicht had weggenomen,

sprak hij:

--"Dit is het huis van mijne schatten, en de helft van alles schenk ik

u, zooals ik beloofd heb. En ik zal u kameelen geven en kameeldrijvers,

en zij zullen doen wat gij hen gelast te doen en uw deel van deze

schatten dáárheen brengen, waar gij verlangt dat zij gebracht zullen

worden. En dit moet dezen avond nog geschieden, want ik wil niet,

dat de Zon, die mijn Vader is, aanschouwe hoe in mijn stad een man

zich ophoudt, dien ik niet kan verslaan."

Maar ik antwoordde hem:

--"Het goud dat hier ligt opgestapeld blijve het uwe, en ook het

zilver, en ook al de kostbare juweelen en andere schatten mogen uw

eigendom blijven. Ik--ik heb ze niet noodig. En ik verlang niets van

al uw rijkdom dan den kleinen ring, dien gij aan uw vinger draagt."

Diepe rimpels groefden zich in het voorhoofd van den Keizer.

--"De ring is slechts van lood," riep hij uit, "en van geenerlei

waarde. Neem daarom de helft dezer schatten en verlaat mijne stad."

--"Neen, antwoordde ik, "ik verlang niets dan den ring van lood,

want ik weet wat daarop geschreven staat en tot welk doel het

geschreven werd."

En de Keizer sidderde, en hij smeekte en sprak:

--"Neem dan àl deze schatten, maar verlaat mijne stad. Ook de helft

die mij nog toebehoorde, zal uw deel zijn."

En ik deed eene zonderlinge daad. Maar wàt ik deed, doet er niet toe;

want in een spelonk, die slechts eene dagreize van hier verwijderd

ligt, heb ik den Ring van den Rijkdom verborgen. De spelonk ligt een

dagreize van hier en ik zal er u heenvoeren. Wie den ring bezit, is

rijker dan alle Koningen der aarde. Kom dus, en neem hem in bezit,

en alle schatten van het heelal zullen uw deel zijn."

Maar de jonge visscher lachte.

--"Liefde is beter dan Rijkdom," riep hij, "en het kleine

zeemeerminnetje heeft mij lief."

--"Neen, er bestaat niets beters dan Rijkdom," antwoordde de ziel.

--"De Liefde is beter!" zei de de jonge visscher en hij dook omlaag

naar de diepte.

En de ziel ging weenende van daar.

En verdween achter de moerassen.

En toen het derde jaar verstreken was, keerde de ziel terug naar

de kust van de zee en riep den jongen visscher, en hij steeg uit de

diepte omhoog en zeide:

--"Waarom roept ge mij?"

En de ziel antwoordde:

--"Kom naderbij, opdat ik met u spreken kan, want ik heb

wonderbaarlijke dingen gezien."

En hij kwam naderbij en zette zich aan den rand van het water, leunde

het hoofd in de hand en luisterde.

En de ziel sprak tot hem:

"In een stad die ik ken, staat een herberg aan eene rivier. Ik zat

daarginds met zeelieden, die van twee verschillend gekleurde wijnen

dronken en gerstebrood aten en kleine gezouten visschen, die, in

azijn gelegd, op laurierbladen aangeboden werden. En terwijl wij

aten en vroolijk waren, trad een oud man binnen, die een lederen

tapijt droeg en een luit die met twee barnsteenen horens versierd

was. En toen hij het tapijt op den grond had uitgespreid, sloeg hij

met een veer op de snaren van zijn luit, en een meisje, wiens gelaat

door een sluier omgeven was, kwam naar binnen en begon voor ons te

dansen. Haar gelaat was onzichtbaar door den gazen sluier, maar hare

voeten waren naakt. Naakt waren hare voeten, en zij bewogen zich over

het tapijt gelijk kleine witte duiven. Nooit tevoren had ik zóó iets

liefelijks gezien, en de stad waar zij danst, is slechts eene dagreize

van hier verwijderd."

En toen de visscher de woorden zijner ziel hoorde, moest hij er

steeds weer aan denken dat het zeemeerminnetje geen voeten had en

niet dansen kon. En een wonderlijk verlangen greep hem aan en hij

sprak tot zichzelf: "Het is slechts eene dagreize van hier, en ik

kan tot mijn liefste terugkeeren." En hij lachte en richtte zich op

in het lage water, en schreed naar den oever.

En toen hij het droge strand bereikt had, lachte hij wederom, en

strekte zijne armen uit naar zijn ziel. En deze, dit ziende, slaakte

een luiden vreugdekreet en snelde naar hem toe en drong binnen in

hem. En de jonge visscher zag vóór zich op het zand uitgebreid de

schaduw van zijne gestalte, die het lichaam was van zijn ziel.

En zijn ziel sprak tot hem:

--"Laat ons niet langer talmen, maar ons dadelijk op weg begeven,

want de zeegoden zijn wraakzuchtig en zij gebieden over zeegedrochten,

die hen terwille zijn."

En zij haastten zich voort en den ganschen nacht liepen zij verder

in het maanlicht en den ganschen volgenden dag in het zonlicht,

en op den avond van dien dag kwamen zij in eene stad.

En de jonge visscher sprak tot zijn ziel:

--"Is deze de stad, waarin het meisje danst, van wie ge mij verteld

hebt?"

En de ziel antwoordde:

--"Deze is niet de stad waarin zij danst, maar eene andere. Doch laat

ons daarom toch binnengaan."

En zij liepen de stad in, en trokken door de straten, en toen zij in

de straat kwamen, waar de juwelieren hunne waren uitstalden, zag de

jonge visscher in een der winkels een heerlijke zilveren schaal.

En zijn ziel sprak tot hem: "Neem de zilveren schaal, en verberg die

in uw kleed."

En hij nam de zilveren schaal tot zich, en verborg die in de plooien

van zijn kleed, en zij verlieten ijlings de stad. En toen zij de

stad een mijl ver achter zich hadden, rimpelde de jonge visscher het

voorhoofd en sprak tot zijn ziel: "Waarom geboodt ge mij de schaal

te nemen en haar te verbergen? Want dat was een slechte daad."

Het Granaatappelhuis · 第 13 / 18 题