Elken avond voer de visscher uit op de zee en wierp zijne netten in
het water.
Wanneer landwind woei, dan ving hij niets, of althans weinig, want de
zwartgewiekte wind sloeg groote golven tegen zijn boot. Maar wanneer
zeewind woei, dan kwamen de visschen in overvloed uit de diepte naar
boven en zwommen vroolijk in de mazen van zijn net. De ruime vangst
droeg hij dan ter markt en verkocht ze voor goeden prijs.
Zoo voer hij elken avond uit op de zee, en eens was zijn net zoo zwaar,
dat hij het nauwelijks binnen de boot kon halen.
En hij lachte en zei tot zichzelf: "Waarlijk, ik heb òf alle visschen
gevangen, die in zee rondzwemmen, òf ik heb een vreemdsoortig ondier
gevischt, dat voor de menschen een wonder zal zijn--misschien ook wel
een vreeselijk monster, dat de groote Koningin zal wenschen te zien."
En hij spande al zijne krachten in, en trok aan de ruwe touwen,
totdat de aderen op zijne armen donker gezwollen waren, en wel
lijnen geleken van blauw email op een bronzene vaas. En hij trok
aan de dunne touwen, en reeds kwamen, steeds dichter en dichterbij,
de rijen van drijvende kurken te voorschijn, tot eindelijk het net
volkomen op het oppervlak van het water te zien was. Maar geen visch
bevond zich daarin, en ook geen gedrocht, noch iets afzichtelijks,
maar alleen een klein zeemeerminnetje, dat in diepen slaap lag.
Heur haar geleek een vochtig gouden vlies, en elk afzonderlijk haartje
was als een draad van fijn gesponnen goud in glanzend omhulsel. Haar
lijf was gelijk wit ivoor en haar staart bestond uit zilver en
paarlen. Van zilver en paarlen was haar staart en het groene zeegras
had zich daaromheen geslingerd. Hare ooren waren gelijk zeeschelpen,
en haar lippen rozerood als koralen. De kille golven bespatten haar
blanken boezem en het zout glinsterde op hare oogleden.
Zij was zoo mooi, dat de jonge visscher van bewondering vervuld werd
toen hij haar aanzag, en hij strekte de hand naar haar uit en trok
het net naar zich toe, en leunde over de boot en nam haar op in zijne
armen. En toen hij haar aanraakte, slaakte zij een kreet als die van
een opgeschrikte meeuw, terwijl zij met hare paarsblauwe oogen hem
ontzet aanzag en trachtte zich uit zijne omarming los te wringen. Maar
hij hield haar vast aan zijn borst gedrukt en wilde haar niet loslaten.
En toen zij zag, dat zij zich niet bevrijden kon, begon zij te schreien
en zeide:
--"Ik bid u, laat mij gaan, want ik ben de eenige dochter van een
Koning, en mijne vader is oud en eenzaam."
Maar de jonge visscher antwoordde:
--"Ik wil u niet laten gaan, aleer gij mij beloofd hebt naar boven
te zullen komen en voor mij te zingen, zoo vaak ik om u roepen zal,
want de visschen luisteren graag naar het gezang van het watervolk
en op deze wijze zullen mijne netten overvloedig gevuld worden."
--"Zult ge mij werkelijk laten gaan, wanneer ik u dit beloof?" vroeg
het zeemeerminnetje.
--"Ik zal u dan werkelijk laten gaan," zei de jonge visscher.
En zij deed hem de gelofte, die hij van haar verlangde en bezegelde
die plechtig met den eed van het watervolk. Zoo liet hij dan zijne
armen los en het zeemeerminnetje zonk weg in de diepte, al trillend
van vreemde angst.
En elken avond voer de visscher uit op de zee, en elken avond riep
hij het zeemeerminnetje. En dan steeg zij op uit het water en zong
voor hem. En om haar heen zwommen de dolfijnen, en de wilde meeuwen
vlogen cirkelend boven haar hoofd, al heen er weer.
En een heerlijk lied zong zij. Want zij zong van de zeebewoners, die
hunne kudden van de eene bocht naar de andere voeren, en de kleine
kalfjes op hunne schouders dragen; van de tritonen, die lange groene
baarden hebben en behaarde borsten en door gekronkelde schelpen blazen
wanneer de Koning voorbijtrekt; van het paleis des Konings, dat gansch
uit barnsteen gemaakt is, met een dak van doorzichtig smaragd, en met
vloeren van glanzende paarlen; van de heerlijke tuinen der zee, waar
de groote gevlochten bloedkoralen waaiers den geheelen dag-door heen
en weer wuiven, waar de visschen in pijlsnelle vaart doorheen glijden
als zilveren vogels, waar de anemonen zich aan de rotsen vastklemmen
en de anjelieren in het heuvelachtige gele zand wortelen. Van de
groote scharen walvisschen zong zij, die van de noordelijke zeeën
stroom-àfwaarts trekken en puntige ijskegels hebben hangen in hunne
kiewen; van de sirenen, die, al zingende, van zulke wonderzoete dingen
wisten te verhalen, dat de kooplieden hunne ooren met was moesten
toestoppen om haar gezang niet te hooren en in het water te springen
en te verdrinken; van de gezonken galeien met hare hooge masten,
en hoe de bevroren zeevaarders zich nog aan de touwen vastgeklemd
houden, en de makreelen door de open luiken in en uit zwemmen; van
de kleine eendenmosselen, die groote reizen maken doordat zij zich
aan de kielen der schepen vastbooren en zoo om de gansche wereld
medevaren; en van den inktvisch, die tegen de steile klippen woont,
en zijne lange zwarte armen uitstrekt en den nacht kan doen neerdalen,
wanneer hij dat wil. En zij zong van Nautilus en zijn fraaie boot,
die uit een opaal gesneden is en een zeil van zilver draagt; van de
gelukkige zeemeermannen, die op harpen spelen en de watermonsters in
slaap konden tooveren; van de kleine kinderen, die de gladde marmotjes
vangen en dan op hunne ruggen gaan rijden; van de zeemeerminnen, die
in het witte schuim zich laten drijven en hare armen uitstrekken naar
de zeelieden, en van de zeeleeuwen met hunne kromgebogen slagtanden,
en van de zeepaarden met hunne golvende manen. En wanneer zij zong,
schoten al de tonijnen uit de diepte omhoog om naar haar zang te
luisteren, en de jonge visscher wierp zijn netten om hen uit en hij
ving ze, en andere visschen doodde hij met zijn speer.
En wanneer zijn boot goed volgeladen was, dook het zeemeerminnetje
weg in de zee en lachte hem toe.
Maar nooit kwam zij hem zoo na, dat hij haar had kunnen
aanraken. Menigmaal riep hij haar, en bad haar toch dichter bij hem
te komen, maar zij wilde niet, en wanneer hij beproefde haar vast
te grijpen, dan dook zij snel weg in het water, zooals ook wel een
zeehond duikt, en hij zag haar op dien dag niet meer terug.
En met elken dag klonk het geluid harer stem hem liefelijker
in de ooren. Zoo liefelijk klonk haar stem, dat hij zijne netten
vergat en al zijn list, en zich gansch niet meer bekommerde om zijn
handwerk. Met hunne roode vinnen en hunne uitpuilende gouden oogen,
trokken de tonijnen in scharen rond zijn boot: hij sloeg geen acht
op hen. Zijn speer lag ongebruikt aan zijne zijde en zijne biezen
korven bleven ledig. Met geopende lippen, en oogen die van verlangen
zich donker kleurden, zat hij in zijn boot en luisterde, luisterde,
totdat de zeenevelen met hare dichtgeweven sluiers hem omsloten,
en de dwalende maan zijn bruine lijf met zilveren glans overgoot.
En op een avond riep hij haar en sprak:
--"Klein zeemeerminnetje, klein zeemeerminnetje, ik heb je lief! Laat
mij je bruidegom zijn, want ik heb je lief."
Maar het zeemeerminnetje schudde het hoofd.
--"Ge hebt een menschelijke ziel," antwoordde zij, "alleen wanneer ge
je ziel van je zoudt kunnen wegzenden, zou ik je lief kunnen hebben."
En de jonge man dacht nà over hare woorden en sprak tot zichzelf:
"Welk nut heb ik van mijn ziel? Ik kan haar niet zien. Ik kan haar
niet betasten. Ik ken haar niet. Waarlijk, ik zal mijn ziel wegzenden,
dàn zal groote vreugde mijn deel worden."
En een blijde kreet jubelde van zijne lippen en hij stond overeind
in zijn beschilderde boot en strekte de handen uit naar het
zeemeerminnetje.
--"Ik zal mijn ziel wegzenden," riep hij haar toe, "en je zult mijn
bruid zijn en ik je bruidegom, en op den bodem van de zee zullen wij te
samen wonen, en alles, waarvan je gezongen hebt, zult ge mij toonen,
en alles, wat je verlangt, zal ik doen, en ons leven zal heerlijk
zijn voor altijd."
En de kleine zeemeermin lachte van blijdschap en verborg haar gelaat
in de handen.
--"Maar hoe zal ik mijn ziel wegzenden?" riep de jonge visscher. "Zeg
mij hoe ik dat doen kan en zie, het zal gebeuren."
--"Ach, dat weet ik niet," zei de kleine zeemeermin, "het watervolk
heeft geen ziel." En zij dook weg in de diepte, terwijl hare oogen
een blik op hem richtten, waaruit al haar verlangen sprak.
En den volgenden morgen vroeg, toen de zon nog nauwelijks een handbreed
boven den heuvel zichtbaar was geworden, begaf zich de jonge visscher
naar het huis van den priester en klopte driemaal aan de deur.
Een kloosterling blikte door een kleine opening naar buiten, en toen
hij zag wie 't was, schoof hij den grendel van de deur en sprak:
"Treed binnen."
En de jonge visscher trad binnen en knielde op de geurige rieten
mat terneer, en tot den priester, die in het heilige boek te lezen
zat, sprak hij: "Vader, hoor mij aan! Eene van het watervolk heb ik
lief gekregen en mijn ziel is oorzaak, dat ik mijn verlangen niet
kan stillen. Zeg mij, hoe ik mijn ziel van mij kan doen gaan, want
waarlijk, ik heb haar niet noodig! Welke waarde heeft mijn ziel voor
mij? Zien kan ik haar niet, betasten evenmin. En kennen doe ik haar
óók niet."
De priester sloeg zich op de borst en sprak:
--"Wee, wee, ge zijt waanzinnig, of ge hebt van verderfelijke kruiden
gegeten, want weet ge niet, dat de ziel het kostbaarste goed des
menschen is, en ons van God gegeven werd, opdat wij haar op edele
wijze zouden gebruiken? Er bestaat niets, dat zoo kostbaar is op
aarde als de menschelijke ziel, en geen aardsche vreugde kan tegen
haar opwegen. Zij is meer waard dan al het goud, dat zich in de aarde
bevindt, en meer waard dan de robijnen der Koningen. Daarom, mijn
zoon, denk niet meer aan 't geen ge daar gezegd hebt, want het is
een zonde waarvoor geen vergeving bestaat. En het watervolk! Dat is
een verloren volk, en zij, die zich met hen inlaten, zullen eveneens
verloren gaan. Zij gelijken de dieren des velds, die het goede niet van
het kwade kunnen onderscheiden, en voor hen is de Heer niet gestorven."
De oogen van den jongen visscher vulden zich met tranen, toen hij
de strenge woorden van den priester hoorde, en hij stond uit zijne
knielende houding op en sprak:
--"Vader, de faunen leven in het woud en zijn blijmoedig, en op de
rotsen zitten de waterbewoners met hunne harpen van rood goud. Laat
mij zijn zooals zij, ik bid u, vader, want hunne dagen zijn gelijk
de dagen der bloemen. En mijn ziel! Wat deert mij mijn ziel, wanneer
zij staat tusschen mij en dat wat ik liefheb?"
--"De liefde der zinnen is verachtelijk," sprak de priester, en
op zijn voorhoofd groefden zich diepe rimpels, "en verachtelijk
en slecht zijn ook de heidensche schepselen die God door zijn
wereld laat dwalen. Vervloekt mogen de faunen van het woud zijn en
vervloekt de zangers van de zee! Ik heb ze in nachttijd gehoord,
als zij beproefden mij van mijne gebeden af te leiden. Zij kloppen
aan het venster en lachen. Zij fluisteren mij het sprookje van hunne
verderfelijke vreugden in de ooren. Zij trachten mij in verzoeking te
brengen met verleidelijke taal, en wanneer ik mij in vrome aandacht
wil verdiepen, zie ik hunne spottende grimassen. Zij zijn verloren
zeg ik u, zij zijn verloren. Voor hen bestaat geen hemel en geen hel,
en hier noch ginds, zullen zij den naam van God ooit prijzen."
--"Vader," riep de jonge visscher, "gij weet niet wat gij zegt! Eens
ving ik in mijne netten de dochter van een Koning. Zij is schooner
dan de morgenster en blanker dan de maan. Voor háár bezit wil ik mijn
ziel prijsgeven en voor hare liefde moge de hemel voor mij verloren
zijn. Geef mij antwoord op mijn vraag, en laat mij in vrede van
u gaan."
--"Weg! weg!" riep luid de priester. "Uw lief is verloren en gij zelf
zult met haar verloren zijn!" En hij weigerde hem zijn zegen en dreef
hem weg van uit zijne deur.
Langzaam, het hoofd gebogen als een die rouw draagt in het hart, liep
de jonge visscher naar de markt. Toen de kooplieden hem zagen komen,
begonnen zij onderling te fluisteren, en een van hen trad naar hem toe,
riep hem bij den naam en sprak:
--"Wat hebt ge te verkoopen?"
--"Mijn ziel wil ik verkoopen," antwoordde de jonge visscher, "ik
bid u, koop mijn ziel, want ik ben haar moede. Wat nut brengt mij
mijn ziel? Ik kan haar niet zien. Ik kan haar niet betasten. Ik ken
haar niet!"
Maar de kooplieden lachten hem uit en spraken:
--"Wat nut brengt ons de ziel van een mensch? Zij is geen stuk
gestempeld zilver waard. Verkoop ons uw lijf als slaaf, en wij zullen u
in purper kleeden en een ring aan uw vinger steken, en u tot gunsteling
maken van de groote Koningin. Maar spreek niet van uw ziel: ons gaat
zij niets aan en voor onze zaak heeft zij geenerlei waarde."
En de jonge visscher overlegde bij zichzelf: "Hoe zonderling is dit! De
priester zeide, dat de ziel kostbaarder was dan al het goud der aarde,
en de kooplieden zeggen, dat zij geen stuk gestempeld zilver waard is."
En hij verliet de markt en schreed omlaag, naar de kusten der zee,
en begon te overdenken wat hij wel doen zou.
En des namiddags viel hem te binnen, dat een zijner vrienden die
zeevenkel gaarde hem van een jonge heks gesproken had, die in een
spelonk aan het einde van de bocht woonde, en groote kennis had van
vele dingen. En hij besloot tot haar te gaan, en zoo verlangend was
hij van zijn ziel bevrijd te zijn, dat hij liep zoo snel hij kon;
een stofwolk volgde hem, toen hij op het zand aan de kust voortijlde.
Aan het jeuken van haar hand, bespeurde de heks, dat de jonge visscher
naderde; zij lachte en liet heur roode haar lang neervallen. En met
het roode, los golvende haar om hare schouders stond zij aan den
ingang van de spelonk te wachten, en in de eene hand hield zij een
tak dolle kervel die in bloei stond.
--"Wat verlangt ge? Wat verlangt ge?" riep zij hem tegemoet, toen hij
buiten adem de helling opgeklommen kwam en voor haar boog. "Verlangt
ge visschen in uw net, wanneer de wind tegen is? Ik heb een kleine
rieten fluit, en wanneer ik daarop speel, dan komen de harders
de bocht ingezwommen. Maar zij kost veel, schoone knaap, zij kost
veel! Wat verlangt ge? Wat verlangt ge? Een storm, die de schepen doet
schipbreuk lijden, en de kisten der rijke kooplieden aan de kusten doet
spoelen? Ik beschik over meer stormen dan de wind, want ik dien Een,
die sterker is dan de wind, en met een zeef en een emmer water kan
ik de groote galeien naar den bodem van de zee doen dalen. Maar ik
laat mij duur betalen, schoone knaap, ik laat mij duur betalen. Wat
verlangt ge? Wat verlangt ge? Ik ken een bloem, die in het dal groeit,
niemand weet van haar dan ik-alleen. Zij heeft scharlaken bladen en
draagt een ster in het hart en haar sap is wit als melk. Wanneer
ge met deze bloem de trotsche lippen der Koningin aanraakt, dan
volgt zij u over de gansche wereld. Van de zijde des Konings zou
zij moeten opstaan om u over de gansche wereld te volgen. Maar
slechts voor hoogen prijs verkrijgt men die bloem, schoone knaap,
slechts voor hoogen prijs. Wat verlangt ge? Wat verlangt ge? Ik kan
een pad in den vijzel fijnstampen, en een aftreksel daarvan maken,
en het aftreksel met de hand van een doode omroeren. Spat het op uw
vijand wanneer hij slaapt, zoo zal hij in een zwarte adder veranderd
worden, en zijne eigen moeder zal hem neervellen. Met een rad kan
ik de maan van den hemel neerhalen, en in een kristal u den dood
laten zien. Wat verlangt ge? Wat verlangt ge? Zeg mij uw verlangen,
en ik wil die vervullen, maar gij zult mij daarvoor moeten betalen,
schoone knaap, gij zult mij daarvoor moeten betalen."
--"Mijn wensch is niet groot," zeide de jonge visscher, "maar de
priester is toornig op mij geworden en heeft mij weggejaagd. Mijn
wensch is niet groot, maar de kooplieden hebben mij bespot en mijn
verzoek afgeslagen. Daarom ben ik tot u gekomen, hoewel de menschen
u eene booze vrouw noemen; en welke ook uw prijs moge zijn, ik zal
dien betalen."
--"Wat is dan uw wensch?" vroeg de heks en trad dichter bij.
--"Ik wil mijn ziel van-mij zenden," antwoordde de jonge visscher.
De heks verbleekte en huiverde en bedekte haar aangezicht met haar
blauwen mantel.
--"Schoone knaap, schoone knaap," murmelde zij, "dit te verlangen
is vreeselijk."
Hij schudde zijne bruine lokken naar achteren en lachte.
--"Mijn ziel lijkt mij een nietig ding," antwoordde hij, "ik kan haar
niet zien. Ik kan haar niet betasten. Ik ken haar niet."
--"Wat zult gij mij geven, wanneer ik het u zeg?" vroeg de heks en
zij keek strak op hem neer met hare diep-donkere oogen.
--"Vijf stukken goud," antwoordde hij, "en mijne netten en het huis
van gevlochten riet waarin ik woon, en de geschilderde boot waarin
ik vaar. Zeg mij alleen maar, hoe ik mij bevrijden kan van mijn ziel,
en alles wat ik bezit zal ik u geven."
Zij lachte spotachtig en raakte hem even aan met haar bloeienden tak
van dolle kervel.
--"Ik kan de bladeren van den herfst in goud veranderen," zeide zij,
"en ik kan de bleeke stralen van de maan tot zilveren draden weven,
wanneer ik dat wil. Hij, dien ik dien, is rijker dan alle Koningen
van de aarde, en hij beheerscht al hunne landen."
--"Wat zal ik u dan geven," riep de jonge visscher, "wanneer uw prijs
niet uit goud en niet uit zilver kan bestaan?"
De heks streek met hare dunne witte hand over het roode los-zwierende
haar.
--"Gij moet met mij dansen, schoone knaap," murmelde zij en zij lachte
hem toe, terwijl zij dit zeide.
--"Anders niet?" vroeg de jonge visscher verwonderd, en verheugd
sprong hij op.
--"Anders niet," antwoordde zij en wederom lachte zij hem toe.
--"Dan zullen wij op een stille plaats gaan dansen, wanneer de zon zal
zijn ter kimme gedaald," zeide hij, "en wanneer wij gedanst hebben,
zult gij mij dan zeggen, wat ik verlang te weten?"
Zij schudde het hoofd.
--"Wanneer de maan vol is, wanneer de maan vol is," murmelde zij.
Toen keek zij spiedend om zich heen en luisterde. Een blauwe vogel
vloog krijschend uit zijn nest en cirkelde boven de duinen, en drie
bontkleurige vogels ritselden door het stoppelige gras en floten
elkaar toe. En anders was er geen geluid, dan het geluid van de golven,
die daar beneden over de gladde kiezelsteenen bruisten. Toen strekte
zij haar hand uit, trok hem dicht naar zich toe, en legde hare dunne
lippen aan zijn oor.
--"Heden nacht moet gij met mij naar den top van den berg gaan,"
fluisterde zij, "het is Sabbatdag en Hij zal komen."
De jonge visscher huiverde en zag haar vragend aan, terwijl zij lachte
en hare witte tanden liet zien.
--"Wie is Hij van wien ge spreekt?" vroeg hij.
--"Dat doet er niet toe," antwoordde zij. "Kom dezen nacht, blijf staan
onder de takken van den witten beuk en wacht tot gij mij ziet. Wanneer
een zwarte hond op u toe komt geloopen, sla hem dan met een wilgentak
en hij zal van u gaan. Wanneer een uil tot u spreekt, antwoord dan
niet. Als de maan vol is, zal ik bij u zijn, en wij zullen op het
gras dansen."
--"Maar wilt ge mij zweeren, dat ge me dan zeggen zult, hoe ik mijn
ziel van-mij kan zenden?" vraagde hij.
Zij trad naar buiten in het zonlicht, en de wind speelde met het
lokkige roode haar.
--"Ik zweer het bij de hoeven van de geit," antwoordde zij.
--"Gij zijt de beste van alle heksen," riep de jonge visscher "en ik
zal gaarne heden nacht met u dansen op den top van den berg. Liever
ware 't mij wel geweest, wanneer ge goud of zilver van mij hadt
verlangd. Maar wàt ook uw prijs moge zijn, gij zult dien ontvangen,
want het zal mij een geringe prijs zijn."
En hij zwenkte zijne muts voor haar en boog diep het hoofd en liep
terug naar de stad, van groote vreugde vervuld.
De heks zag hem nà terwijl hij zich verwijderde, en toen hij uit
hare oogen verdwenen was, ging zij terug naar de spelonk, nam een
spiegel uit een kistje van uitgesneden cederhout, plaatste dien op
een voetstuk, en brandde daarvoor ijzerkruid op koolen vuur. En zij
keek aandachtig naar het uitwolken van den rook. Na eene poos balde
zij toornig de hand.
--"Den mijnen had hij moeten zijn," murmelde zij. "Ik ben even schoon
als zij."
En 's avonds, toen de maan hoog aan den hemel stond, steeg de jonge
visscher naar den top van den berg, en wachtte onder de takken van den
witten beuk. Als een schild van blank zilver lag de ronde meerboezem
aan zijne voeten, en de schaduwen der visschersbooten wiegelden zich
zacht in de kleine bocht.
Een groote uil, met zwavel-geele oogen riep hem bij zijn naam, maar hij
antwoordde niet. Een zwarte hond kwam op hem toe en gromde. Hij sloeg
naar hem met zijn wilgentak en de hond liep kwispelstaartend heen.
Te middernacht kwamen de heksen als vledermuizen door de lucht
gevlogen. "Phoen!" riepen zij, toen zij den grond raakten, "hier moet
er een zijn dien wij niet kennen."
En zij snuffelden overal in 't rond, kakelden onderling en gaven
elkaar teekens. Als laatste kwam de jonge heks. Heur roode haar
zwierde in den wind; zij had een kleed aan uit goudstof geweven,
waarop pauwenoogen geborduurd waren, en op het hoofd droeg zij een
kleine muts van groen fluweel.
--"Waar is hij? Waar is hij?" riepen de heksen, toen zij haar gewaar
werden. Maar zij lachte als eenig antwoord, liep naar den witten beuk,
nam den jongen visscher bij de hand, trad met hem naar voren in het
heldere maanlicht en begon te dansen.
Om en om keerden zij zich in dollen overmoed en de jonge heks sprong
daarbij zoo hoog, dat hij de scharlaken hakken van hare schoentjes
kon zien. Toen hoorde hij, dwars door de dansenden heen, duidelijk
het geluid van een galoppeerend paard, maar men zag geen paard,
en het werd hem onrustig te moede.
--"Vlugger;" riep de heks, en zij sloeg wild hare armen om zijn
hals, en hij voelde haar warmen adem op zijn aangezicht. "Vlugger,
vlugger!" herhaalde zij, en de aarde scheen onder zijne voeten te
draaien, en zijn blik werd beneveld en een groote angst beving hem,
alsof een booze geest hem in het aangezicht blikte.
En toen eerst zag hij onder de schaduw van een vooruitspringende rots
eene gestalte, die er tevoren niet gestaan had.
Het was die van een man in gewaad van zwart fluweel, naar Spaansche
dracht gesneden. Zijn gelaat was uitermate bleek, maar zijn mond
geleek een trotsche roode bloem. Hij scheen vermoeid en leunde tegen
de rots, terwijl zijn hand achteloos met het gevest van een dolk
speelde. Naast hem op het gras lag een met veeren getooiden hoed en
een paar rijhandschoenen, die met gouden koorden versierd, en met
paarlen bestikt waren, in figuren van zonderling symbool. Een koter,
met sabelbont gevoerde mantel, hing over zijne schouders, en zijne
fijne witte handen waren met ringen bezet. Zwaar vielen hem de oogleden
over de oogen. De jonge visscher zag hem aan, en hij gevoelde zich
als iemand, die onder de macht eener zonderlinge betoovering geraakt
was. Eindelijk ontmoetten beider blikken elkaar, en toen gebeurde het,
dat, wáár hij ook danste, hij steeds de oogen van den somberen man op
zich voelde rusten. Hij hoorde hoe de heks lachte, krachtiger omvatte
hij haar lijf, en wilder nog draaide hij met haar in de rondte.
Plotseling blafte een hond in het bosch, de dansenden stonden stil en
bewogen zich paarsgewijze, knielden toen neder voor den man en kusten
hem de hand. Terwijl zij zoo deden, speelde een vluchtig lachje over
zijne trotsche lippen, zooals eens vogels vleugelpaar lichtelijk over
het water scheert. Maar verachting lag in dien lach, en voortdurend
bleef zijn blik op den jongen visscher gevestigd.
--"Kom, laten wij gaan en hem aanbidden," fluisterde de heks, en zij
voerde hem met zich mede. En een groot verlangen om te doen wat zij
gebood greep hem aan, en hij volgde haar. Maar toen hij naderbij kwam,
maakte hij, zonder dat hij wist waarom, op zijn borst het teeken des
kruizes, en noemde den heiligen naam.
En nauwelijks had hij dit gedaan, of de heksen krijschten luid als
wilde valken en vloden heen naar alle richtingen, en het bleeke
gelaat dat hem voortdurend had aangezien, vertrok zich in een kramp
van pijn. De man verdween in het kreupelbosch en floot. Een klein
Spaansch ros, met zilver opgetuigd, sprong hem tegemoet. Hij wierp
zich in het zadel, keerde zich om, en zag met droeven blik naar den
jongen visscher. En de heks met het roode haar beproefde eveneens
te ontvluchten, maar de visscher greep haar bij den pols en hield
haar tegen.
--"Laat mij los," riep zij, "en laat mij gaan! Want gij hebt genoemd
wat niet genoemd mag worden, en het teeken gemaakt, dat niet gemaakt
mag worden."
--"Neen," antwoordde hij, "ik laat u niet los, alvorens gij mij het
geheim gezegd hebt."
--"Welk geheim?" vroeg de heks, en zij worstelde met hem als een
wilde kat en beet zich op de met schuim bedekte lippen.
--"Gij weet wat ik meen," antwoordde hij.
Hare grasgroene oogen werden donker van tranen en zij sprak tot
den visscher:
--"Verlang alles van mij wat ge wilt, alleen dit eene niet."
Hij lachte en hield haar des te steviger omklemd.
En toen zij zag dat hare pogingen vruchteloos waren, fluisterde
zij aan zijn oor: "Ben ik niet even schoon als het kind van de zee,
en even bekoorlijk als zij, die in het blauwe water woont?" en zij
vleide zich tegen hem aan en drukte haar gelaat aan zijn borst. Maar
zijn voorhoofd rimpelde zich van toorn, hij stiet haar ruw van zich af
en sprak: "Wanneer ge de belofte niet houdt die ge mij gegeven hebt,
zal ik je dooden als een valsche heks."
Zij werd zoo grauw als een judaspenningblad en huiverde.
--"Zoo zij het dan!" murmelde zij. "Het geldt uwe ziel, niet de
mijne. Doe met haar wat ge wilt."
En zij nam uit haar gordel een kleinen dolk, die een handvat had van
groene adderenhuid, en gaf hem dien.
--"Waartoe moet de dolk mij dienen?" vroeg hij verwonderd.
Zij zweeg een oogenblik, en eene uitdrukking van ontzetting vloog
over haar gezicht. Toen streek zij de lokken weg van haar voorhoofd,
en met een zonderling lachje sprak zij:
--"Wat de menschen de schaduw van het lichaam noemen, dat is niet de
schaduw van het lichaam, maar dat is het lichaam van de ziel. Plaats
u aan de kust van de zee, den rug tegen de maan gekeerd, en snijd
rondom uwe voeten de schaduw weg, die het lichaam van uw ziel is,
en gebied uw ziel vàn-u te gaan. En zij zal u gehoorzamen."
De jonge visscher huiverde.
--"Is dat waar?" fluisterde hij.
--"Dat is waar--maar ik wilde dat ik het u niet gezegd had!" riep
zij en omklemde weenend zijn knie. Hij duwde haar terug en liet haar
achter in het welige gras, stak den dolk in zijn gordel, ging naar
den rand van den berg en begon den weg afwaarts te dalen.
En de ziel die in hem was, sprak tot hem: "Zie, ik ben bij u geweest
al deze jaren lang, en heb u trouw gediend. Zend mij nu niet weg van
u. Want welk leed heb ik u aangedaan?"
De jonge visscher lachte.
--"Gij hebt mij geen leed aangedaan," zeide hij, "maar ik kan u niet
langer gebruiken. De wereld is groot en er is nog een hemel, en ook
een hel, en er is het donkere schemerhuis, dat tusschen die beiden
ligt. Ga waarheen ge wilt, maar stoor mij niet, want mijn liefde
verlangt naar mij."
En zijn ziel weende en smeekte om genade, maar hij luisterde niet
naar haar; vlug sprong hij van de eene klip op de andere, want zijn
voet was zeker als die van een wilde gems, en eindelijk had hij het
strand bereikt, en de gele kust van de zee.
Met een lichaam als uit brons gegoten, en ledematen zoo forsch en
fier als die van een Grieksch beeld, zoo stond hij op het zand,
den rug naar de maan gekeerd.
En uit het spattende schuim hieven zich slanke armen die hem wenkten,
en uit de deinende golven stegen donkere gestalten, die hem huldigden,
en achter hem stond de maan aan den honingkleurigen hemel.
En zijn ziel sprak tot hem:
--"Wanneer ge mij werkelijk van u zenden wilt, stuur mij dan niet heen
zonder uw hart. De wereld is wreed, geef mij uw hart mede op mijn weg."
Maar hij wierp het hoofd achterover en lachte.
--"Waarmede zou ik mijn liefste liefhebben, wanneer ik u mijn hart
gaf?" riep hij.
--"Ach, heb erbarmen met mij," klaagde de ziel, "geef mij uw hart,
want de wereld is zoo wreed en ik ben vol vreeze."
--"Mijn hart behoort aan mijn liefste," antwoordde hij. "Aarzel daarom
niet langer en ga heen van mij."
--"Moet ik dan niet óók liefhebben?" vroeg de ziel.
--"Nog eenmaal: ga heen, want ik heb u niet noodig," riep de jonge
visscher, en hij nam den kleinen dolk met het handvat van groene
adderenhuid en sneed de schaduw rondom zijne voeten weg; en hij
richtte zich op en stond voor de schaduw; en hij bezag die en die
was gelijk hemzelf.
Hij trad eenige schreden terug en stak den dolk in zijn gordel;
een gevoel van angst en schuwheid bekroop hem.
--"Ga heen," murmelde hij, "en laat mij uw aangezicht nooit meer vóór
mij zien."
--"Ik ga,.... Maar wij zullen elkaar weervinden," zeide de ziel. Haar
stem klonk zacht en zangerig gelijk een fluit, en hare lippen bewogen
zich nauwelijks terwijl zij sprak.
--"Hoe zouden wij elkander ooit terugzien?" vroeg de jonge
visscher. "Gij zult mij toch niet tot in de diepten der zee volgen?"
--"Eenmaal in elk jaar zal ik hierheen komen en u aanroepen," sprak
de ziel. "Het kon zijn, dat ge mij noodig hadt."
--"Hoe zoude ik u noodig kunnen hebben?" riep de jonge visscher. "Maar
het geschiede zooals gij zegt!"
En met een sprong dook hij weg in het water, en de tritonen bliezen
op hunne hoorns, en het kleine zeemeerminnetje kwam naar boven, hem
tegemoet gezwommen, en zij sloeg hare armen om zijn hals en kuste
hem op den mond.
Aan het eenzame strand van de zee stond de ziel en zag het schouwspel
aan.
En toen zij hen zag wegzinken in de diepte, ging zij weenend heen.
En verdween achter de moerassen.
En toen een jaar verstreken was, keerde de ziel terug naar de kust
van de zee, en riep den jongen visscher, en hij steeg uit de diepte
opwaarts en sprak:
--"Waarom roept ge mij?"
En de ziel antwoordde:
--"Kom naderbij, opdat ik met u spreken kan, want ik heb heerlijke
dingen gezien!"
En hij kwam nader en zette zich aan den zoom van het water, leunde
met het hoofd in de hand en luisterde. En de ziel sprak tot hem:
"Nadat ik u verlaten had keerde ik naar den kant van het Oosten, en
begon er mijn zwerftocht. Uit het Oosten komt alle wijsheid. Zes dagen
zwierf ik rond, en op den morgen van den zevenden dag kwam ik aan een
heuvel, die in het land der Tartaren ligt. Ik zette mij neder in de
schaduw van een tamariskenboom, om mij voor de zon te beschutten. Het
land was droog en door de hitte verschroeid. De menschen liepen her
en derwaarts in de vlakte, gelijk vliegen, die over een plaat van
blinkend koper kruipen.
Tegen den middag, verhief zich aan den vlakken kant van het land
een roode stofwolk. Toen de Tartaren dit zagen spanden zij hunne
beschilderde bogen, sprongen op hunne kleine paarden en reden de
stofwolk tegemoet. De vrouwen vluchtten met groot misbaar naar de
wagens, en verborgen zich achter de voorhangen van dierenvellen. Toen
het begon te schemeren kwamen de Tartaren terug, maar vijf van
hen ontbraken, en van degenen, die terugkwamen, waren niet weinige
verwond. Zij spanden hunne paarden voor de wagens en reden haastig
weg. Drie jakhalzen slopen uit een hol en zagen hen na. Zij snoven
met welbehagen de lucht in hunne neusgaten op en draafden in de
tegenovergestelde richting heen.
Toen de maan opkwam, zag ik een bivakvuur in de vlakte opvlammen en
begaf mij daarheen. Een kring van kooplieden zat rond het vuur, op
uitgespreide tapijten. Hunne kameelen waren, achter hen, aan palen
gebonden, en de negers, die hunne slaven waren, sloegen op het zand
tenten van gelooide vachten op, en bouwden eene hooge omheining
van stekeldraad.
Terwijl ik hen naderde, stond het hoofd van de karavaan op, trok
zijn zwaard uit de scheede en vroeg wat ik wilde. Ik antwoordde
dadelijk, dat ik de vorst was van een ver gelegen rijk, en dat ik
den Tartaren ontvlucht was, die mij tot hun slaaf hadden willen
maken. De hoofdman lachte, en toonde mij vijf menschelijke hoofden,
die op lange bamboestaven staken.
Daarop vroeg hij wie de Profeet van God was en ik antwoordde Mohamed.
Toen hij den naam van den valschen Profeet hoorde, boog hij zich, nam
bij mij de hand en deed mij naast hem ter neer zitten. Een neger reikte
mij paardemelk in een houten schotel en een stuk gebraden lamsvleesch.
Bij het schemeren van den dag, braken wij op. Ik reed op een
roodharigen kameel aan de zijde van den hoofdman, en een voorlooper
draafde voor ons uit en droeg een speer. Aan beide kanten bevonden
zich gewapende slaven, en muildieren volgden met de koopwaren. Veertig
kameelen telde de karavaan en de muildieren waren tweemaal veertig
in getal.
Wij kwamen, van uit het land der Tartaren, in het land van hen, die
de maan vervloeken. Wij zagen de Gryphen hun goud op de witte rotsen
bewaken en de geschubde draken in hunne holen slapen. Toen wij over
het gebergte trokken, hielden wij den adem in, opdat de sneeuw niet op
ons zou neervallen, en elk onzer bond zich een sluier van gaas voor de
oogen. Toen wij door de valleien liepen schoten de Pygmeën uit holle
boomstammen met pijlen naar ons, en des nachts hoorden wij de wilden
op hunne trommels slaan. Toen wij bij den Toren van de Apen kwamen,
zetten wij hen vruchten voor, en zij deden ons geen kwaad. Toen wij
bij den Toren van de Slangen kwamen, reikten wij hen warme melk in
koperen schotels, en zij lieten ons voorbijtrekken. Drie malen kwamen
wij op onze reizen aan de oevers van den Oxos. Wij trokken er over
met behulp van houten vlotten, waaraan groote met lucht gevulde blazen
bevestigd waren. De Nijlpaarden stormden tegen ons aan en wilden ons
dooden. Toen de kameelen hen zagen, sidderden zij van angst.
De Koningen van elke stad hieven invoergeld van ons, maar veroorloofden
ons geen toegang binnen hunne poorten. Zij wierpen ons over de muren
brood toe, kleine maïskoeken die in honing gebakken waren, en koeken
uit fijn meel die met dadels gevuld waren. Voor honderd korven brood
gaven wij eene barnsteenkraal.
Wanneer de bewoners der dorpen ons zagen komen, vergiftigden zij de
bronnen en vloden op de heuvels. Wij streden met de Magaden, die,
oud geboren, van jaar tot jaar jonger worden, en sterven wanneer
zij kleine kinderen zijn geworden; met de Lakten, die van tijgers
beweren af te stammen, en zich zwart en geel beschilderen; met de
Auranten, die hunne dooden in de kruinen der boomen begraven en zelf
in donkere holen wonen, opdat de zon, die hun God is, hen niet doode;
met de Krimniers, die een krokodil aanbidden, hem met boter en levend
gevleugelte voederen; met de Agazomben, die hondengezichten, en met
de Sibers, die paardevoeten hebben en sneller loopen dan paarden. Een
derde van onzen troep stierf in den strijd, en een derde stierf door
gebrek. De rest morde tegen mij en zeide, dat ik hen ongeluk gebracht
had. Daarop nam ik van onder een steen een adder, en liet mij door haar
bijten. En toen zij zagen, dat ik niet ziek werd, beving hen vreeze.
In de vierde maand bereikten wij de stad Illel. Het was nacht toen
wij aan het bosch kwamen, dat zich voor de stadsmuren uitstrekte. De
lucht was zwoel, want de maan stond in den Schorpioen. Wij namen de
rijpe granaatappels van de boomen, openden die en dronken er het zoete
sap van. Daarop strekten wij ons uit op onze tapijten en wachtten de
ochtendschemering af.
En met de schemering stonden wij op en klopten aan de stadspoort. Die
was van rood brons vervaardigd, waarin zeegedrochten en gevleugelde
draken waren gegoten. De schildwachten zagen van de wallen op ons
neder en vraagden wat wij begeerden. De tolk der karavaan antwoordde,
dat wij met vele koopwaren van het Syrische eiland kwamen. Zij namen
gijzelaars uit ons midden en zeiden, dat zij ons des middags de poort
zouden openen, en dat wij tot dat tijdstip te wachten hadden.
Toen het middag werd, openden zij de poort, en toen wij binnentrokken,
kwam het volk in scharen uit de huizen om ons te zien, en een omroeper
ging door de gansche stad en blies op een schelp. Wij stonden op
het marktplein, en de negers bonden de balen met bonte doeken los
en openden de uitgesneden kisten van Sykomorenhout. En toen zij dit
gedaan hadden, haalden de kooplieden hunne buitenlandsche waren te
voorschijn: gewast linnen uit Egypte en beschilderd linnen uit het land
der Ethiopiërs; purperkleurige sponsen uit Tyrus en blauwe behangsels
van Sidon; schalen van blank ivoor en doorzichtige vazen van glas,
en zonderling aardewerk. Een schare van vrouwen sloeg ons van uit het
dak van een huis gade. Een harer droeg een masker van verguld leder.
En op den eersten dag kwamen de priesters en dreven ruilhandel met
ons, en op den tweeden dag kwamen de adelijken, en op den derden dag
kwamen de handwerkers en de slaven. Dit alles volgens het gebruik
van alle kooplieden, zoolang zij in die stad verwijlen.
En wij toefden er een maand lang, en toen de maan afnam verlangde ik
verder te gaan, en liep door de straten der stad, en kwam eindelijk
aan den tuin van hunnen God. Priesters in geelzijden gewaden zag
ik zwijgend onder de groene boomen schrijden, en, op een onderbouw
van zwart marmer, stond het lichtroode huis, waarin de God verblijf
hield. De deuren waren er met goudlak overtrokken, waarop stieren
en pauwen in gedreven glanzend goud. Het dak was belegd met tegels
van zeegroen porcelein, en aan de naar buiten loopende dakgootpijpen
hingen kleine klokken. Wanneer de witte duiven voorbij vlogen, bewogen
zij met hare vleugels de klokken, die dan tinkelend geluid gaven. Voor
den tempel bevond zich een vijver vol helder water, die met gestreept
agaat geplaveid was. Ik zette mij aan den rand terneer en betastte
met mijne bleeke vingers de breede bladen der waterplanten. Een der
priesters kwam naderbij en trad achter mij. Hij droeg sandalen aan
de voeten; de eene sandaal bestond uit zacht slangenvel en de andere
uit vogelveeren. Op zijn hoofd droeg hij een muts van zwart vilt, die
met zilveren maansikkels versierd was. Zeven kleuren van geel waren
in zijn kleed geweven en zijn krullend haar was met antimoon bestrooid.
Na eene wijle richtte hij het woord tot mij, en vroeg wat ik verlangde.
Ik zeide hem dat ik den God wenschte te zien.
--"De God is op de jacht," zeide de priester, en keek mij met zijne
kleine schuine oogen onderzoekend aan.
--"Zeg mij in welk bosch, zoo wil ik met hem ter jacht gaan,"
antwoordde ik.
Hij kamde met zijne lange spitse nagels de franje van zijn gewaad.
--"De God slaapt," antwoordde hij.
--"Zeg mij op welk rustbed hij ligt, zoo wil ik bij hem waken,"
antwoordde ik.
--"De God is bij den maaltijd," riep hij.
--"Als de wijn zoet smaakt, dan wil ik dien met hem drinken, en ook zoo
de wijn zuur is, zal ik dien met hem drinken," luidde mijn antwoord.
Hij boog verwonderd het hoofd, nam mij bij de hand en geleidde mij
in den tempel.
En in het eerste vertrek zag ik een afgodsbeeld zitten, op een troon
van jaspis die met kostbare paarlen uit het Oosten omzet was. Het
beeld was uit ebbenhout gesneden en zijne gestalte was die van een
man. Op het voorhoofd droeg hij een robijn en dikke druppels geurige
olie vielen uit zijn haar op zijne dijen. Zijne voeten waren rood
gekleurd door het bloed van een frisch geslacht lam, en zijne lendenen
waren omsloten door een breeden koperen gordel, die met zeven berillen
bezet was.
En ik vraagde den priester: "Is dit de God?" en hij antwoordde:
"Dit is de God."
--"Toon mij den God," riep ik uit, "of waarlijk ik zal u ter neer
vellen!" En ik raakte zijne hand aan en die werd dor.
En de priester smeekte en sprak:
--"Moge mijn Heer zijnen dienstknecht genezen, dan zal ik hem den
God toonen."
Daarop blies ik mijn adem over zijne hand en die werd genezen.
En hij sidderde en voerde mij in een tweede vertrek en ik zag op een
lotosbloem van graveelsteen, die met groote smaragden behangen was,
een afgodsbeeld staan. Uit ivoor was het gesneden en zijne gestalte
was dubbel zoo groot als die van een man. Op zijn voorhoofd glansde
een chrysoliet, en zijn borst was met mirren en kaneel bestreken. In
de eene hand hield het een gebogen schepter van nephriet, en in de
andere een rond kristal. Het droeg laarzen uit erts, en om zijn dikken
hals lag een ketting van sklenieten.
Ik zeide tot den priester: "Is dit de God?" en hij antwoordde:
"Dit is de God."
--"Toon mij den God," riep ik uit, "of ik zal u waarlijk dooden!" En
ik raakte zijne oogen aan en die werden blind.
En de priester smeekte en sprak: "Moge mijn Heer zijnen dienstknecht
genezen, dan zal ik hem den God toonen."
Toen blies ik mijn adem over zijne oogen en die werden weder ziende.
En hij sidderde wederom, en voerde mij in het derde vertrek, en
zie! daar bevond zich geen afgodsbeeld en ook geene andere beeltenis
van welken aard dan ook, maar alleenlijk een ronde spiegel van geslepen
metaal, op een altaar van steen.