eenig ander warmbloedig Gewerveld Dier. Reeds in 1883 berichtte de
Russische onderzoekingsreiziger Michluko-Maclay, dat hij bij den
Mierenegel een temperatuur van 28°, en bij het Vogelbekdier eene van
24.8° had waargenomen. De zoöloog Richard Semon van Jena, die van 1891
tot 1893 Australië doorreisde, vond bij 7 Mierenegels niet alleen een
zeer lage, maar ook een zeer veranderlijke temperatuur, varieerende
tusschen 26.5° en 34°. Dus, schommelingen van 7°, terwijl bij andere
Zoogdieren de grootste waargenomen schommelingen niet meer dan 2 à 4°
bedragen. Bovendien bleek volstrekt niet, dat deze variaties, zooals
men allicht zou vermoeden, met verschillen in luchttemperatuur,
jaargetijde of leeftijd van het dier samenhangen. Volgens deze
waarnemingen zouden dus de Kloakdieren niet alleen door hun
lichaamsbouw, maar ook door den aard van hun stofwisseling in
zekeren zin een verbindenden schakel vormen tusschen de dieren
met veranderlijke lichaamstemperatuur of koudbloedige dieren
(meer bepaaldelijk de Kruipende Dieren), en die met standvastige
lichaamstemperatuur of warmbloedige dieren (meer bepaaldelijk de
Zoogdieren). Wanneer men dit alles bedenkt, zal men moeten erkennen,
dat er voldoende redenen bestaan om de Kloakdieren als afzonderlijke
onderklasse te onderscheiden van die, waarin men de Buideldieren en
alle hooger ontwikkelde Zoogdieren--de Zoogdieren met echte melkklieren
dus--moet vereenigen. Zelfs zou het gerechtvaardigd zijn, de beide
bedoelde groepen op nog grooteren afstand van elkander te plaatsen,
door aan beide den rang van klassen toe te kennen. Misschien zal men
later wel tot deze scheiding moeten besluiten; voorloopig laten wij
de Kloakdieren de tot dusver door hen ingenomen plaats in het stelsel
behouden, en beschouwen ze als de laatste en laagste Zoogdieren-orde.
De Kloakdieren komen met de andere Zoogdieren overeen door de
bekleeding van de huid: het Vogelbekdier heeft een vacht, de
Mierenegel een stekelkleed; voor 't overige verschillen zij; ook
door hunne uitwendig waarneembare eigenschappen belangrijk van alle
andere bekende vormen der klasse. Een met een droge huid bedekte
snavel, welke aan dien van een Zwemvogel herinnert, vervangt bij
hen den snuit. Het spijskanaal en de afvoerbuizen van de urine en
van de geslachtsproducten monden gezamenlijk uit in de zoogenaamde
"kloak". Dit is een inrichting, welke ook voorkomt bij de Vogels,
waaraan de Kloakdieren, behalve door hunne met een grooten dooier
voorziene eieren, ook nog herinneren door het bezit van twee paar
sleutelbeenderen, waarvan de beide voorste met elkander tot een
vorkbeen vergroeid zijn, en door het gedeeltelijk ontwikkeld blijven
van den rechter eierstok. Door deze eigenaardigheden toonen zij
op onmiskenbare wijze hun verwantschap met de Vogels, de Kruipende
Dieren en de Amphibiën; terwijl daarentegen uit het bezit van den
buidelbeenderen aan het bekken hun betrekking tot de Buideldieren
blijkt.
De Kloakdieren zijn kleine Zoogdieren, met een gedrongen, eenigszins
plat gedrukt lichaam, dat zeer laag op de pooten staat en in een
korten staart eindigt. De snavelvormige kaken zijn met een droge huid
bedekt. Alleen bij 't Vogelbekdier komen tanden voor; zij bestaan
uit platte, aan den rand met knobbels of inkervingen voorziene,
schotelvormige platen, die zoo goed als zonder wortels aan de kaken
vastgehecht zijn, weldra uitvallen en door hoornplaten vervangen
worden. De oorschelp ontbreekt geheel; de oogen zijn klein. De naar
buiten gerichte voeten zijn met krachtige klauwen voorzien; de hiel
van het mannetje is bovendien nog gewapend met een doorboorde, holle
spoor, welker holte met een eigenaardige klier in gemeenschap staat.
Behalve beenderen van een uitgestorven soort van Mierenegel, die
zich door aanzienlijke grootte onderscheidde, heeft men tanden van
voorwereldlijke dieren gevonden, welke op die van het Vogelbekdier
gelijken. Tegenwoordig bestaat deze eigenaardige orde uit slechts
twee familien: de Mierenegels en de Vogelbekdieren.
De familie der _Mierenegels_ (_Echidnidae_), uit twee geslachten
bestaande, welke ieder slechts één soort omvatten, wordt gekenmerkt
door den plompen vorm van den romp, die grootendeels bedekt is met
een vacht, waarin talrijke stekels voorkomen, door den rolvormigen,
tandeloozen snavel met een mondspleet, die zich niet verder dan het
voorste uiteinde uitstrekt, door het korte staartstompje, door de
vrije, onvolkomen beweeglijke teenen en door de zeer lange, dunne,
wormvormige tong, die, evenals bij de andere Miereneters, ver buiten
den bek kan worden gestoken. Naar het uitwendige wijken de Mierenegels
veel meer van de Vogelbekdieren af dan door hun inwendig maaksel. De
beide zogklieren hebben honderden afvoergangen, liggen zijdelings
aan den buik van het wijfje in ondiepe groeven, die, volgens Haacke,
bij den Mierenegel althans, zich kort voor het leggen van het ei in
de zijdelingsche plooien van een _broedzak_ bevinden. Deze is reeds
in den aanvang zoo groot, dat er een zakhorloge in kan; hij dient
tot berging en bebroeding van het ei, bevat later het jong en neemt
in omvang toe, naarmate dit zich ontwikkelt, verdwijnt echter weer
allengs, nadat het jong geheel zelfstandig is geworden, zoodat men er
tijdelijk niets meer van bespeurt. R. van Lendenfeld heeft opgemerkt,
dat de temperatuur in den broedzak ten tijde van de bebroeding hooger
is dan die van het overige lichaam, en dat de huid die den broedzak
vormt, in den genoemden tijd door den sterken aandrang van het bloed
er zeer rood en als 't ware ontstoken uitziet. Naar het schijnt,
legt de Mierenegel nooit meer dan één ei; dit is klein, maar heeft
een grooten dooier en een perkamentachtige schaal. De duur van de
bebroeding is nog niet bekend. Het jong is bij het verlaten van het
ei nietig klein, naakt en blind, evenals dat van de Buideldieren;
het verschilt van zijne ouders vooral door den korteren snuit. Hoe
het zuigt, weet men nog niet recht. Naar het schijnt, blijft het
geruimen tijd in den broedzak van de moeder.
Het verbreidingsgebied van de Mierenegels strekt zich van Nieuw-Guinea
over Australië tot in Tasmanië uit.
De _Australische Mierenegel_ (_Echidna aculeata typica_), wiens
grootte het midden houdt tusschen die van Papoeaanschen en die van
den Tasmanischen Mierenegel heeft een betrekkelijk langen snavel. Het
aangezicht en de omgeving van de ooren zijn geheel of grootendeels
met gladde borstels bedekt, die op het voorhoofd en op iederen wang
een streep onbedekt laten. De rugstekels zijn lang, stijf en dik,
bereiken dikwijls een lengte van 6 cM. en bedekken gewoonlijk de
daartusschen groeiende haren geheel. De kleur van ieder haar is van
onderen bleekgeel, in het midden oranje-geel, aan den top zwart. De
haren op den rug zijn zwart of donkerbruin, ontbreken evenwel dikwijls
bijna geheel, terwijl zij soms (misschien alleen in bepaalde tijden
van het jaar) boven de stekels van 't achterste gedeelte van den rug
uitsteken. De pooten en de geheele onderzijde van het lichaam zijn
bedekt met een donkerbruine vacht, die vele gladde borstels bevat. De
lengte van het dier bedraagt ongeveer 40 cM., met inbegrip van den iets
meer dan 1 dM. langen staart. Deze ondersoort behoort op het geheele
vasteland van Australië thuis en wordt ook op het Kangoeroe-eiland
aan de zuidkust van Australië aangetroffen.
Van de genoemde Australische ondersoort onderscheidt zich de
_Papoeaansche Mierenegel_ (_Echidna aculeata Lawesii_) door zijn
geringere grootte, door de kortere rugstekels, waartusschen het haar
van den rug zichtbaar wordt, door het grooter aantal stekels in de
vacht van den kop, de pooten en den buik en door den betrekkelijk
langeren snavel. Alleen bij Port-Moresby in het zuidoosten van
Nieuw-Guinea heeft men deze ondersoort gevonden.
De _Tasmanische Mierenegel_ (_Echidna aculeata setosa_) verschilt van
de Australische ondersoort door zijn meerdere grootte (hij kan wel 50
cM. lang worden) en doordat in de beharing van den kop, van de zijden,
van den buik en van de pooten geen borstels voorkomen. De kleur van
den kop is gewoonlijk lichter dan die van het overige lichaam.
De Mierenegel is veeleer een bewoner van bergachtige streken dan van
de vlakten en komt op sommige plaatsen nog wel voor op een hoogte van
1000 M. boven den zeespiegel. Droge wouden, waar hij holen en gangen
graven kan onder boomwortels, maken zijn meest geliefde verblijfplaats
uit. Hier verbergt hij zich over dag; des nachts komt hij te voorschijn
en gaat snuffelend en gravend zijn voedsel zoeken. Zijne bewegingen
zijn levendig, vooral bij het wroeten in den grond, welke kunst hij
meesterlijk verstaat. Zijn voedsel bestaat uit Insecten en Wormen,
hoofdzakelijk echter uit Mieren en Termieten. Deze zoekt hij op met
behulp van de zeer gevoelige spits van zijn snuit, die minder voor het
speuren dan wel voor het tasten geschikt schijnt. Hij eet op de wijze
van de andere dieren met wormvormige tong, n.l. door de tong uit te
steken en haar, wanneer zij met Mieren bedekt is, snel in den bek terug
te trekken. Evenals alle overige miereneters verzwelgt hij tegelijk
met zijn voedsel veel zand en stof en ook droog hout, want men vindt
zijn maag hiermede steeds gevuld. Soms komt er ook wel gras in voor.
Als men een Mierenegel aanvat, rolt hij zich oogenblikkelijk als
een bal ineen; het is dan zeer moeielijk hem vast te blijven houden,
daar de scherpe stekels bij de hevige beweging van het ineenrollen
gewoonlijk gevoelige wonden veroorzaken. Een ineengerolde Mierenegel
kan niet gemakkelijk vervoerd worden; het best kan dit nog geschieden,
door hem bij de achterpooten te vatten, zonder zich verder over zijn
tegenspartelen te bekommeren. Als hij eens een kuil van eenige diepte
gegraven heeft, kost het zeer groote moeite hem er uit te trekken. Op
de wijze van de Gordeldieren schoort hij zich aan alle zijden en drukt
de stekels zoo stevig tegen de wanden van het hol, dat hij er als
't ware aan vastgekleefd is. De bewering van de inboorlingen, dat
het mannetje zijn aanvaller met de spoor aan den achtervoet verwondt
en uit dit wapen een vergiftige vloeistof in de wonde laat vloeien,
moet, blijkens alle proefnemingen, die hiermede gedaan zijn, als een
fabel beschouwd worden.
Dit vreemdsoortig dier laat, als het zich zeer beangst gevoelt, een
zwak geknor hooren. Onder zijne zintuigen nemen die van het gehoor
en van het gezicht de eerste plaats in; de overige zijn zeer stomp.
Haacke heeft in Australië verscheidene Mierenegels in 't leven
gehouden; de berichten die hij over hun levenswijze geeft, hebben
voornamelijk betrekking op hun vaardigheid in 't klimmen, hun
voortplanting en hun geschiktheid om geruimen tijd in 't leven
te blijven zonder voedsel te gebruiken. "De eerste Mierenegel,
dien ik kreeg," schrijft hij, "had ik in mijn werkkamer onder
een onderstboven gekeerde kist geplaatst, waar het hem niet goed
scheen te bevallen. Onophoudelijk deed hij zijn best om uit deze
gevangenis te ontsnappen; overal waar tusschen den vloer en de kist
genoeg ruimte was, stak hij voortdurend de lange tong tastend naar
buiten. Eindelijk gelukte het hem gedurende den nacht de zware kist
op te tillen en zijn vrijheid terug te krijgen. Langen tijd zocht ik
hem tevergeefs. Eindelijk vond ik hem tot mijn groote verwondering
in een andere, ongeveer 40 cM. hooge kist, die van boven open en
voor de helft gevuld was met in papier gewikkelde stukken goudhoudend
kwarts, die ongeveer de grootte van een vuist hadden. Bijna verborgen
sliep hij op zijn gemak tusschen deze ingepakte stukken steen, die
hem waarschijnlijk als leger geschikter voorkwamen dan de effene
vloer. Twee andere Mierenegels plaatste ik, gedachtig aan het
waargenomen klimvermogen dezer dieren, in de uitgestrekte onderste
verdieping van het museumgebouw te Adelaïde, in een omstreeks 1
M. hoogen en 50 cM. wijden ton. Het ontsnappen uit deze gevangenis,
die den vorm van een gewonen ton had, scheen onmogelijk. Toch gelukte
het een van deze dieren zich te bevrijden. Nadat ik het dagen lang
tevergeefs gezocht had, vond ik het weder bij zijn metgezel in de ton;
waarschijnlijk was het op het geluid dat deze maakte, afgegaan, had
zich tusschen den muur en de ton weder omhoog gewerkt, tot aan den rand
en zich van hier in de ton laten vallen. Daar ik de dieren ontleden
en voor dit doel van het hinderlijke vet bevrijden wilde, liet ik ze
vasten en vond, dat zij zonder merkbare vermindering van hun welstand
minstens een maand lang zonder voedsel konden blijven. Den darm van een
Mierenegel, die ongeveer zes weken lang gevast had, vond ik uitsluitend
gevuld met het zand uit zijn hok. Dit is een vingerwijzing voor de
bereiding van het voedsel, dat men aan gevangen dieren van deze soort
kan geven. Mijns inziens zal men ze lang in 't leven kunnen houden met
een fijnkorrelig mengsel van gelijke deelen vleeschmeel, fijn gewreven
eidooier, fijn gemalen hennep, gestampte beschuit, fijn gewreven
wortels en schoon zand. Misschien zullen zij dan in de gevangenschap
zich voortplanten. Door aan het voedsel mierenpoppen en meelwormen
toe te voegen, zal het nog geschikter worden; de Mierenegels moet men
geheel op de wijze van insectenetende Vogels behandelen. De meesten
zouden de reis van Australië naar Europa, die door de snelvarende
stoombooten zeer afgekort is, wel vastend kunnen afleggen."
Het tweede geslacht en de tweede soort der Mierenegels wordt
gevormd door een eerst onlangs ontdekt dier van Nieuw-Guinea. dat
wij (om het te onderscheiden van het reeds genoemde) _Vachtegel_
(_Proëchidna Bruynii_) zullen noemen. Dit geslacht is gekenmerkt door
het aantal teenen, dat slechts drie aan elken voet bedraagt. De naar
onderen gekromde snavel is bijna tweemaal zoo lang als het overige
deel van den kop. Het dier is ongeveer 0.5 M. lang; zijn dichte,
effen donkerbruine of zwarte vacht, waarin slechts een gering aantal
stekels verborgen zijn, bestaat uit grof wolhaar, dat met weinig of
geen gladde borstels gemengd is.
Tot dusver werd de Vachtegel alleen in het noordwesten van Nieuw-Guinea
gevonden; over zijn levenswijze zijn nog geen berichten tot ons
gekomen.
Het _Vogelbekdier_ (_Ornithorhynchus anatinus, O. paradoxus_)
is de eenige bekende vertegenwoordiger van de tweede familie
der Kloakdieren. Aan E. T. Bennett danken wij de eerste goede
beschrijving van dit werkelijk zonderlinge dier, dat nog lang na zijn
ontdekking deskundigen en leeken in verbazing bracht. Zijne gestalte
en levenswijze schenen zoo vreemdsoortig, dat Bennett uitsluitend
met het doel om dit dier te leeren kennen, een reis naar Australië
deed. Tot aan dien tijd waren slechts onbepaalde berichten over deze
diersoort bekend geworden. Het eenige dat men vernomen had, was, dat
het smakelijk gebraad oplevert. Bovendien werd toen reeds gesproken
over het eierleggen van dit dier, welke mededeeling men echter als een
fabel meende te moeten beschouwen, totdat Caldwell in 1884 berichten
kon, dat hij zelf deze eieren had gevonden.
Het Vogelbekdier is een weinig grooter dan de Mierenegel, ongeveer
60 cM. lang met inbegrip van den nagenoeg 14 cM. langen staart. De
mannetjes zijn opmerkelijk grooter dan de wijfjes. De van boven naar
onderen als 't ware samengedrukte romp, gelijkt in sommige opzichten
op dien van den Bever of van den Vischotter. De pooten zijn zeer kort,
alle voeten hebben vijf teenen en zijn met zwemvliezen voorzien. Aan
de voorvoeten, die de grootste spierkracht bezitten en zoowel voor
't zwemmen als voor 't graven dienen, reikt het zwemvlies een weinig
voorbij de klauwen; dit deel is zeer buigzaam en rekbaar en wordt,
als het dier graaft, teruggeschoven. Alle teenen zijn zeer forsch,
stomp en uitmuntend voor 't graven geschikt. De beide middelste
zijn de langste. De korte achtervoeten zijn naar achteren gericht,
en herinneren aan die van den Zeehond; ook werken zij hoofdzakelijk
achterwaarts en buitenwaarts. Hun eerste teen is zeer kort, de nagels
zijn alle naar achteren gekromd, langer en scherper dan die van
de voorvoeten; het zwemvlies reikt hier echter niet verder dan tot
aan den wortel der klauwen. Bij het mannetje vindt men aan iederen
achtervoet, een weinig boven de teenen, een naar binnen gekromde,
puntige en beweeglijke spoor, die tamelijk ver gedraaid kan worden. De
staart is plat, breed en aan het einde (waar lange haren groeien)
plotseling afgeknot, bij oudere dieren is hij van onderen geheel
naakt of slechts met eenige weinige grove haren bedekt, bij jonge
dieren echter overal behaard; waarschijnlijk slijten deze haren
eerst mettertijd af. De kop is tamelijk plat en klein; door zijn
breeden eendensnavel onderscheidt hij zich van iederen anderen
Zoogdierenkop. De beide kaken zijn verlengd en over haar geheele
oppervlakte bedekt met een hoornachtige huid, die zich achterwaarts
voortzet in een eigenaardig schild. Bij het volwasschen dier bevat
elke kaakhelft twee hoorntanden: de voorste is lang, smal en scherp,
de achterste is breed en plat en heeft over 't geheel het voorkomen van
een kies. In de plaats van deze hoorntanden bezit het Vogelbekdier vóór
het tijdstip, waarop het een derde of een vierde van de grootte van
't volwassen dier bereikt heeft, acht echte tanden, die op platte,
onregelmatig afgeronde schotels gelijken, en aan den rand met groote
en kleine knobbels bezet zijn. Deze eerst voor korten tijd ontdekte,
echte tanden herinneren aan die van kleine Zoogdieren uit het Jura
tijdperk. Nadat zij bijna geheel afgesleten en eindelijk uitgevallen
zijn, komen de reeds genoemde, door verhoorning van het slijmvlies
gevormde kauworganen er voor in de plaats. De neusgaten liggen aan de
bovenvlakte van den snavel dicht bij zijn uiteinde; de kleine oogen
staan hoog aan den kop; de gehooropeningen kunnen gesloten worden en
zijn dicht bij den buitensten ooghoek gelegen. De huidplooi, die, aan
den snavel beginnend, als een schild over het voorste deel van den kop
en over de keel valt, is van groot nut voor het dier, daar zij bij het
zoeken van voedsel de aangrenzende deelen van de vacht tegen het slijk,
en bij 't graven in den grond de oogen tegen het zand beschut. De tong
is vleezig, maar met hoornachtige tanden bezet en van achteren met een
eigenaardige opzwelling voorzien, die den mond volkomen afsluit. Zoo
wordt de snavel tot een uitmuntende zeef, waarmede het dier het water
kan doorzoeken, eetbare bestanddeelen van oneetbare kan scheiden en
de eerstgenoemde in de ruime wangzakken kan bergen, die zich langs
de zijden van den kop uitstrekken, om ze later op zijn gemak te kauwen.
De vacht van het Vogelbekdier bestaat uit dicht bijeengeplaatste,
grove borstels van donkerbruine kleur met zilverwitten weerschijn, die
het zeer zachte grijsachtige wolhaar bedekken, welks zachtheid aan de
vacht van den Zeehond en den Zeeotter herinnert. Zij verbreidt, vooral
wanneer zij nat is, een eigenaardige vischlucht, die waarschijnlijk
door een olieachtige huidafscheiding veroorzaakt wordt. Ondanks deze
afkeerwekkende uitwaseming beschouwen de Australiërs het vleesch van
dit dier als een smakelijk gerecht.
Het liefst bewoont het Vogelbekdier stille plaatsen bij rivieren,
waarin talrijke waterplanten groeien en welker oevers door lommerrijke
boomen overschaduwd worden. Hier graaft het aan den waterkant een
min of meer kunstig hol. Een ongeveer 6 M. lange gang, die zich
herhaaldelijk kronkelt, mondt uit in een ruime kamer, die evenals
de gang met droge waterplanten bestrooid is. Gewoonlijk heeft elk
hol echter twee ingangen: de eene onder den waterspiegel, de andere
ongeveer 30 cM. er boven.
In alle tijden van 't jaar ziet men het Vogelbekdier in de rivieren
van Australië, het veelvuldigst echter gedurende de lente- en
zomermaanden; het is mogelijk, dat zij winterslaap houden. Zij
zijn eigenlijk schemering-dieren, hoewel zij ook over dag hunne
schuilplaatsen voor korten tijd verlaten om voedsel te zoeken. Als
het water zeer helder is, kan men den weg, dien het nu eens duikende,
dan weer aan de oppervlakte verschijnende dier volgt, gemakkelijk
met de oogen nagaan. Als men het waarnemen wil, moet men volkomen
bewegingloos blijven staan, want zelfs de geringste beweging wordt
door zijn scherpziend oog opgemerkt; zijn fijngevoelig oor hoort
het zachtste gedruisch. Zelden blijft het langer dan 1 of 2 minuten
boven water, daarna duikt het en komt een klein eind verder opnieuw
te voorschijn. Bij gevangene exemplaren heeft Bennett opgemerkt, dat
het Vogelbekdier zich gaarne dicht bij den oever, op korten afstand
boven het slijk ophoudt, om tusschen de wortels van de waterplanten,
die de voornaamste schuilplaats van zwemmende Insecten zijn, te
slobberen. Het voedsel, dat het gedurende deze werkzaamheid opneemt,
hoofdzakelijk kleine in 't water levende Insecten en Weekdieren,
wordt voorloopig in de wangzakken bewaard en later, terwijl het dier
rust neemt, verslonden.
"Op een mooien zomeravond," verhaalt Bennett, "kwam ik met mijn gids
in de nabijheid van een riviertje in Australië, in de hoop hier een
Vogelbekdier te zien te krijgen; ik wist, hoeveel dit dier van de
schemering houdt. Met het geweer in de hand bleven wij rustig bij
den oever staan. Het duurde niet lang of wij zagen aan de oppervlakte
van 't water, en wel tamelijk dicht bij den oever, een zwart lichaam,
welks spits, de kop, slechts weinig boven den waterspiegel uitstak. Wij
maakten geen beweging om het dier niet te verjagen, keken goed uit en
trachtten zooveel mogelijk de bewegingen van het dier te volgen. Men
moet zich gereed maken om te schieten, zoodra het Vogelbekdier duikt,
om hem op het oogenblik van zijn terugkomst aan de oppervlakte te
treffen. Daar de hagel door de losse, dikke vacht niet gemakkelijk
heendringt, moet men den kop zien te raken. Wij wondden er een, dat
blijkbaar zwaar getroffen, oogenblikkelijk zonk, maar spoedig weder
boven kwam. Toen de Hond het ons bracht, bemerkten wij dat het een
flink mannetje was. Het was nog niet geheel dood, maar bewoog zich nu
en dan, hoewel het geen ander gedruisch maakte, dan dat het dikwijls
door de neusgaten ademde. Weinige minuten nadat het uit het water
was gehaald, kwam het weder bij en liep oogenblikkelijk, hoewel met
onvaste beweging, in de richting van de rivier. Ongeveer 25 minuten
later buitelde het herhaaldelijk over den kop en stierf. Daar ik vaak
gehoord had, hoe gevaarlijk een steek met de spoor van dit dier is,
zelfs nadat het doodelijk gewond werd, hield ik, toen ik het voor de
eerste maal aanvatte, mijn hand dicht bij de "giftige" spoor. Bij de
hevige pogingen, die het dier deed om te vluchten, krabde het mij
een weinig met zijne achterpooten en ook met de spoor; hoe hard ik
het echter betastte, het stak mij volstrekt niet met opzet. Daar men
ook verhaalt, dat het dier op den rug gaat liggen om zijne wapens te
gebruiken--hetgeen trouwens door ieder, die het dier maar eenigzins
kent, niet waarschijnlijk zal worden geacht--bracht ik het dier
in dezen stand. Zonder de spoor te gebruiken, deed het eenvoudig
zijn best om weder op de pooten te komen. Kortom, ik beproefde op
allerlei wijzen, maar steeds tevergeefs, het dier te noodzaken met
de spoor te steken. Hierdoor ben ik tot de overtuiging gekomen, dat
de spoor niet als wapen dient, te meer daar latere proefnemingen
bij gewonde dieren altijd dezelfde uitkomst opleverden. Wel is
waar noemen de inboorlingen de spoor "neuswijs", waarmede zij over
't algemeen schadelijk of vergiftig bedoelen; zij gebruiken echter
dezelfde uitdrukking ook voor het aanduiden van het krabben met de
achterpooten; ook schromen zij volstrekt niet het levende Vogelbekdier
aan te vatten. Als het zonderlinge schepsel over den bodem loopt,
ziet het er zoo onnatuurlijk uit, dat de schrik, dien het door zijn
vreemde gestalte inboezemt, licht aanleiding kan hebben gegeven tot
het vermoeden van giftigheid. Katten gaan gewoonlijk voor dit dier
op de vlucht; Honden, die niet opzettelijk voor deze jacht afgericht
zijn, kijken hun tegenstander met gespitste ooren aan en blaffen,
maar durven hem niet aanraken."