opmerkelijkste Buideldieren beschouwd. In grootte komt hij ongeveer met
onzen Gewonen Eekhoorn overeen. Zijn kleur is hoogst eigenaardig. Het
okergeel van 't voorste deel van de rugzijde van 't lichaam, dat
door de hiermede gemengde, witte haren lichter schijnt, gaat verder
achterwaarts onmerkbaar in donkerzwart over, dat het grootste deel
van de achterste helft van het lichaam inneemt, maar door witte of
roodachtige dwarsbanden afgebroken wordt. Het voornaamste voedsel van
den Buidelmiereneter is reeds door zijn naam aangeduid. Men vindt hem
daarom vooral in zulke boschrijke gewesten, waar de Mieren in grooten
overvloed voorkomen. Geheel op dezelfde wijze als de Mierenleeuw
steekt hij de tong te midden van de wemelende schaar en trekt haar
schielijk in den bek terug, nadat een groot aantal van de vertoornde
Insecten zich er aan vastgebeten hebben. Bovendien verslindt hij,
naar men zegt, ook andere Insecten en in sommige gevallen het hars,
dat door de twijgen van de eucalypten wordt uitgezweet, ja zelfs
gras. In tegenstelling tot de reeds genoemde Roofbuideldieren is de
Buidelmiereneter in den volsten zin van het woord ongevaarlijk. Zonder
eenige tegenstribbeling schikt hij zich in de gevangenschap, waarin hij
het gewoonlijk niet lang uithoudt, daar men hem het noodige voedsel
niet in voldoende hoeveelheid verschaffen kan. Het aantal jongen in
iederen worp bedraagt, naar men zegt, 5 à 8.
De _Buidelratten_ (_Didelphyidae_), die de derde familie van de
onderorde der Vleescheters vormen, zijn Buideldieren, die hoogstens de
grootte van een Kat bereiken, maar ook dikwijls die van een Muis niet
overtreffen. De romp is gedrongen, de kop aan den snuit min of meer
toegespitst. De staart is meestal lang en in dit geval een aan de spits
naakte grijpstaart, soms echter kort en meer of minder behaard. De
achterste ledematen zijn iets langer dan de voorste; de pooten hebben
vijf teenen, die bij één geslacht door zwemvliezen verbonden zijn; de
duim van de achterste ledematen kan tegenover de andere teenen gesteld
worden. Bij het wijfje van eenige soorten ontbreekt de buidel, of is
door twee huidplooien aangeduid; bij andere is hij volledig aanwezig,
maar heeft de opening vaker van achteren dan van voren. Het gebit
vertoont alle eigenaardigheden van een roofdierengebit.
In den voortijd kwamen ook in Europa Buidelratten voor. Tegenwoordig
bewonen 2 geslachten (met 24 soorten) van deze dieren Amerika, en
wel hoofdzakelijk het Zuid-Amerikaansche faunistische rijk; daar in
Noord-Amerika slechts één soort aantroffen wordt, die ook in het zuiden
vertegenwoordigd is. Zij leven bijna alle in wouden of in het dichte
struikgewas, waar zij holle boomen of gaten in den grond bewonen,
of zich eenvoudig tusschen dicht bijeenstaande grassen en struiken
neervlijen. Eén soort bevolkt de oevers van kleine rivieren en beken,
zwemt uitmuntend en zoekt een toevlucht in gaten in den grond. Alle
zijn nachtdieren, doorgaans leven zij eenzaam en zwerven rond. Haar
gang op den vlakken bodem, waarbij zij op de geheele zool rusten,
is tamelijk langzaam en onvast; de meeste zijn echter in staat om in
boomen te klimmen, zich met haar voor 't grijpen geschikten staart vast
te houden en uren lang in deze houding te volharden. Naar het schijnt,
is de reuk de volkomenste van hare zinnen. Hare geestvermogens zijn
zeer gering, hoewel men haar een zekere sluwheid niet kan ontzeggen;
deze blijkt o.a. hieruit, dat zij vallen van allerlei soort weten
te vermijden. Haar voedsel bestaat uit kleine Zoogdieren, Vogels en
vogeleieren, ook wel uit kleine Reptielen en Amphibiën, Insecten en
insectenlarven en Wormen; in geval van nood eten zij ook vruchten. De
in 't water levende Zwembuideldieren voeden zich hoofdzakelijk met
Visschen. De grootste soorten van Buidelratten bezoeken de woningen
van den mensch en dooden alle zwakke dieren, die zij hier vinden,
drinken hun bloed en worden er letterlijk bedwelmd van. Haar uit
eigenaardige sisklanken bestaande stem laten zij alleen dan hooren,
als zij mishandeld worden. Vervolgde Buidelratten verweren zich
niet, maar zijn gewoon zich dood te houden, als zij zich niet meer
verbergen kunnen. In haar angst verbreiden zij een onaangename,
knoflookachtige lucht.
De levenswijze van de Buidelratten heeft in bekwame natuuronderzoekers
ijverige en zorgvuldige beoefenaars gevonden; veel van 't geen
ons over de voortplanting der Buideldieren bekend is, berust op de
mededeelingen van deze geleerden. "In het midden van den winter,"
zegt Rengger van de in Paraguay levende soorten van Buidelratten,
"in Augustus n.l, vangt bij haar, naar 't schijnt, de paartijd aan;
in deze maand althans ontmoet men dieren van verschillend geslacht
dikwijls bij elkander; in de daarop volgende maand vindt men drachtige
wijfjes. Deze werpen slechts éénmaal per jaar jongen. Het aantal
jongen is zoomin bij de verschillende soorten, als bij de wijfjes van
één soort gelijk. Bij één en dezelfde soort vond ik soms 14 jongen per
worp, dikwijls echter 8 of 4, eens slechts één enkel jong. De draagtijd
duurt een weinig meer dan 3 weken. In het begin van October komen
de jongen ter wereld; onmiddellijk daarna worden zij in den buidel
gebracht of geborgen onder de huidplooien aan den buik van de moeder,
waar zij aan de tepels worden gelegd en zoo lang vastgehecht blijven,
totdat zij hun volledige ontwikkeling bereikt hebben. Dit geschiedt na
ruim 50 dagen. Zij verlaten dan den buidel, maar nog niet de moeder;
daar zij zich, zelfs wanneer zij reeds eten kunnen, aan haar vacht
vasthouden om zich nog eenigen tijd door haar te laten dragen.
"De grootte van de pas geboren jongen bedraagt hoogstens 12 mM.;
zij komen niet alle gelijktijdig ter wereld. Hun lichaam is naakt,
hun kop in verhouding tot de overige lichaamsdeelen groot; de oogen
zijn gesloten, de neusgaten en de mond echter open; de ooren zijn
volgens de lengte en de breedte opgevouwen, de voorpooten over de
borst, de achterpooten over den buik gekruist; de staart is naar
onderen opgerold. Zelfs op uitwendige prikkels antwoorden zij niet
door eenige beweging. Toch vindt men ze, korten tijd nadat ze in den
buidel gekomen zijn, aan de tepels vastgezogen. De jongen blijven bijna
twee maanden in den buidel, en laten in al dien tijd de tepels nimmer
los, behalve in de laatste dagen. In de eerste twee weken bemerkt
men geen verandering aan hen, behalve dat zij flink groeien en dat
de borstelige haren bij den mond zich beginnen te vertoonen. Vier
weken na de geboorte hebben zij ongeveer de grootte van een Huismuis
bereikt; de beharing is nu op alle deelen van hun lichaam zichtbaar;
ook kunnen zij eenige bewegingen met de voorpooten maken. Ongeveer in
de zevende week zijn zij bijna zoo groot als een Rat; dan openen zij
de oogen. Van dezen tijd af hangen zij niet meer gedurende den geheelen
dag aan de tepels; ook verlaten zij soms den buidel, waarin zij echter
dadelijk terugkeeren, zoodra hun gevaar dreigt. Weldra echter laat de
moeder hen er niet meer in toe; zij draagt hen evenwel nog gedurende
verscheidene dagen met zich mede op den rug en de schenkels, waar
zij zich aan de haren vasthouden, totdat zij in staat zijn om zelf
in hun onderhoud te voorzien."
De meest bekende Buidelrat is ongetwijfeld de _Opossum_ (_Didelphys
marsupialis_). Dit dier onderscheidt zich zoomin door een
aangename kleur als door bevalligheid van vorm; ook heeft het niets
aantrekkelijks in zijn levenswijze; terecht wordt het als een zeer
afstootend dier beschouwd. Zijn lichaamslengte bedraagt ruim 47 cM.,
zonder den ongeveer 43 cM. langen staart. Deze is rond en tamelijk
dik, spits toeloopend, alleen aan den wortel met haar bekleed, van
hier tot aan de spits onbehaard, maar met fijne, kranswijs geplaatste
schubben bedekt, waartusschen hier en daar eenige korte haren te
voorschijn komen. Het wijfje heeft een volkomen buidel. De pooten
zijn kort, de teenen van elkander gescheiden en nagenoeg even lang,
de binnenteen van de achtervoeten kan als een duim gebruikt worden.
Amerika, van de noordelijke Vereenigde Staten tot aan Chili en
Zuid-Brazilië, is het vaderland van den Opossum. In de middelste
gedeelten van dit uitgestrekte gebied wordt hij overal veelvuldig
gevonden, geenszins tot genoegen van den mensch. Wouden en
struikbosschen dienen hem tot verblijfplaats; hoe dichter zij zijn,
des te beter acht de Opossum ze ter bewoning geschikt.
"Het is mij," zegt Audubon, "alsof ik thans nog den Opossum voor
mij zie, zooals hij langzaam en voorzichtig over de smeltende sneeuw
voorttrippelt, op den bodem speurend naar hetgeen hem het best zal
smaken. Daar ontmoet hij het versche spoor van een Hoen of van een
Haas; hij richt den snuit omhoog en snuffelt. Eindelijk heeft hij een
besluit genomen; met de snelheid van een flinken voetganger rept hij
zich voort op den door hem gekozen weg. Nu zoekt hij en schijnt onzeker
te zijn, welke richting hij moet volgen; de door hem nagejaagde buit
heelt òf een grooten sprong gemaakt, òf misschien "een haak geslagen",
op de plaats waar de Opossum het spoor heeft waargenomen. De roover
richt zich op, blijft een poos op de achterpooten staan, kijkt om zich
heen, speurt opnieuw en draaft daarna verder. Hier aan den voet van een
ouden boom maakt hij zonder aarzeling halt. Hij loopt om den kolossalen
stam heen over de met sneeuw bedekte wortels en vindt daartusschen
een opening, waar hij oogenblikkelijk binnensluipt. Verscheidene
minuten gaan voorbij; daar verschijnt hij weder, een reeds gedood
Aardeekhoorntje in den bek naar buiten sleepend, en begint den boom
te bestijgen. Langzaam klimt hij naar boven, totdat hij verborgen is
te midden van de dichte twijgen, die met wingerdranken doorvlochten
zijn. Hier gaat hij rustig zitten, slingert den staart om een tak
en verscheurt met de scherpe tanden het ongelukkige Eekhoorntje,
dat intusschen voortdurend met de voorpooten vastgehouden wordt.
"De liefelijke lentedagen zijn gekomen en krachtig ontwikkelen zich
de bladen; de Opossum echter moet nog steeds honger lijden en is
bijna geheel uitgeput. Hij bezoekt de oevers van de poelen en is
blijde, dat hij een jonge Kikvorsch ziet, die hem een dragelijk
maal verschaft. Langzamerhand ontwikkelen zich de spruiten van
de boschbessen en van de netels; met smaak verorbert hij de jonge
stengels. De morgenroep van den Wilden Kalkoen klinkt als verrukkelijke
muziek in de ooren van het listige dier; want het weet zeer goed,
dat het weldra ook de hen zal hooren en haar spoor zal kunnen volgen
tot aan het nest; daar is het voornemens zich heerlijk te vergasten
door de eieren uit te slurpen. Op zijne tochten door het woud, nu
eens over den bodem, dan weer hoog boven den grond van boom tot boom,
hoort het een haan kraaien, en zijn hart zwelt van vreugde bij de
herinnering aan de kostelijke spijs, waaraan hij zich in den vorigen
zomer op de naburige boerenplaats te goed deed. Hoogst voorzichtig
echter schrijdt hij voort en kruipt eindelijk in 't hoenderhok.
"Wakkere boer! waarom hebt gij in den vorigen winter zooveel Kraaien
doodgeschoten en bovendien ook nog Raven? 't Is waar, gij hebt
toen pret gehad: haast u nu echter naar het naaste dorp en koop een
behoorlijke voorraad schietbehoeften! poets uw roestig jachtgeweer,
zet vallen uit en leer uw luien Hond om op den Opossum te loeren! Daar
komt hij! De zon is pas ter ruste gegaan, maar de hongerige gauwdief
is al sinds lang wakker. Hoort gij het schreeuwen van uw beste hen,
die hij gepakt heeft? Het listige dier heeft zich met zijn buit uit de
voeten gemaakt. Er is nu niets meer aan te doen; hoogstens kunt gij op
den loer gaan liggen en ook op de Vossen en Uilen het oog houden, die
grinniken van pret bij de gedachte, dat gij hun vijand en uw vriend,
de arme Kraai, het levenslicht hebt uitgeblazen. De kostelijke hen,
die gij zoo pas op een dozijn eieren te broeden hebt gezet, is thans
van de moeite van 't broeden bevrijd. Ondanks haar angstgeschreeuw en
het overeindzetten van hare vederen heeft de Opossum de eieren het
eene na het andere opgegeten. Dat komt van uw kraaienschieten! Als
gij barmhartiger en verstandiger waart geweest, zou de Opossum wel
in 't bosch gebleven zijn en zich tevreden gesteld hebben met een
jongen Eekhoorn of een Haasje, met de eieren van den Kalkoen of met
de druiven, die zoo rijkelijk de takken van de boomen onzer wouden
versieren: maar het helpt toch niet, dat ik u dit zeg!
"Maar stel eens, dat de boer den Opossum op heeterdaad betrapt heeft,
en uit ergernis het arme dier op schoppen tracteert. In 't volle
besef van zijn ongeschiktheid om weerstand te bieden rolt het zich
als een bal ineen. Hoe meer de boer raast, des te minder laat het
dier iets blijken van de pijn die het voelt. Daar ligt het, niet dood,
maar uitgeput; de bek is geopend, de tong hangt er uit; de oogen zijn
dof. Zoo zou het blijven liggen, tot de Vleeschvlieg eieren op zijn
vel ging leggen, indien zijn pijniger niet eindelijk wegging. ""Het
dier zal nu toch stellig wel dood zijn,"" zegt de boer. Denk er om,
lezer, het ""opossumt"" hem wat voor. Nauwelijks heeft de vijand de
hielen gelicht, of het staat alweer op de pooten en drentelt naar
het woud terug."
De Opossum is, zooals uit zijn geheele organisatie blijkt,
een boomdier; op den bodem beweegt hij zich tamelijk langzaam
en onbeholpen. Bij 't gaan laat hij de geheele zool op den grond
rusten. Al zijne bewegingen zijn traag; zelfs bij 't vluchten komt
hij niet snel vooruit, hoewel zijn gang dan uit een opeenvolging van
op passen gelijkende sprongen bestaat. In de boomkronen daarentegen
klautert het dier met groote zekerheid en tamelijk vlug rond. Daarbij
komen de duim van de achterhand--die ver van de overige teenen afstaat,
zoodat hij takken omspannen en zich vasthouden kan--en de rolstaart,
hem goed te pas. Niet zelden gaat hij aan den staart hangen en blijft
uren lang in deze houding.
In de groote, donkere wouden sluipt de Opossum over dag zoowel als
's nachts rond, hoewel hij aan de duisternis de voorkeur geeft boven
het licht. Overal echter, waar hij gevaar ducht, ja reeds daar,
waar hij hinder heeft van het daglicht, komt hij alleen 's nachts
te voorschijn en brengt den geheelen dag slapend door in gaten
van den grond of in holle boomen. Alleen in den paartijd leeft hij
met zijn wijfje samen, voor 't overige leidt hij een eenzaam leven
evenals al zijne naaste verwanten. Hij heeft geen bepaalde woning,
maar maakt gebruik van iederen schuilhoek, dien hij bij 't einde
van zijn nachtelijken zwerftocht, als de dag aanbreekt, ontdekt. Als
de fortuin hem bijzonder gunstig is en hij het geluk heeft een hol
te vinden, waarin het een of ander zwak Knaagdier woont, zoo is dit
hem natuurlijk des te aangenamer; daar de eigenaar van het huis hem
niet alleen inwoning, maar ook den kost zal verschaffen. Zooals uit
Audubon's beschrijving blijkt, verslindt hij alle kleine Zoogdieren
en Vogels, die hij krijgen kan, bovendien eieren, velerlei Reptielen
en Amphibiën, groote Insecten zoowel volwassene als larven, en zelfs
Wormen. Bij gebrek aan dierlijk voedsel stelt hij zich ook met vruchten
tevreden, b.v. met maïs en voedzame wortels. Boven alle overige spijzen
verkiest hij bloed; daarom gaat hij, telkens als hiertoe gelegenheid
bestaat, met onbeschrijfelijken moordlust te keer. Bij een bezoek aan
't hoenderhok doodt hij dikwijls alle bewoners; hij zuigt dan alleen
hun bloed uit, zonder iets van hun vleesch op te eten. Door dit
bloedig festijn wordt hij, naar men zegt, evenals onze Marters, als
't ware dronken, zoodat men hem niet zelden 's morgens te midden van
de doode Vogels slapende vindt. Hoewel over 't geheel voorzichtig,
is hij, zoolang hij zijn bloeddorst bevredigen kan, blind en doof;
hij denkt dan om geen gevaar en laat zich, zonder van het moorden af
te zien en zonder weerstand te bieden, door de Honden doodbijten of
door den vertoornden landman doodslaan. Dat dit niet gemakkelijk gaat,
daar het dier een taai leven heeft, is ons reeds gebleken.
Het nagaan van den handel en den wandel van den gevangen Opossum
kan den waarnemer slechts weinig genoegen verschaffen. Door
ervaring weet ik, dat dit dier nog vervelender is dan andere
Roofbuideldieren. Bewegingloos ineengerold ligt hij gedurende den
geheelen dag in zijn hok; alleen als men hem plaagt, geeft hij zich
de moeite een beweging te maken: hij opent den bek zoo wijd mogelijk,
zoolang men vóór hem blijft staan, alsof hij mondklem heeft. Hij is
traag, lui en slaperig en schijnt verschrikkelijk dom te zijn.
Van de Buidelratten in engeren zin onderscheiden zich de _Schoepati_'s
(_Philander_) hoofdzakelijk door den onvolkomen buidel van het
wijfje. Deze wordt namelijk slechts door twee huidplooien gevormd,
die zich over de nog onontwikkelde, aan de tepels hangende jongen
heenvleien.
De grootste soort van dit geslacht en een van de grootste Buidelratten
in 't algemeen is de _Kreeftenschoepati_ (_Philander philander_), een
dier van 24 cM. lichaamslengte, met een 32 cM. langen staart. Zijn
dik, zacht en wollig haar is vuil geelachtig grijs of roodachtig
grijs, van onderen geel. Het bleekgrijze aangezicht is met een bruine
middelstreep en met donkere ringen om de oogen geteekend, terwijl de
eindhelft van den staart er witachtig uitziet.
De Kreeftenschoepati is tamelijk ver, misschien over geheel tropisch
Amerika verbreid; hij komt talrijk voor in de wouden van Brazilië,
het liefst in de nabijheid van moerassen, die hem Kreeften en Krabben
leveren. Hij leeft bijna uitsluitend op boomen en daalt alleen dan
op den bodem af, als hij hier jagen wil.
Zijn volkomen naakte rolstaart maakt hem het klimmen gemakkelijk;
men ziet hem in geen enkele houding, zonder dat hij zich met dit
orgaan vasthoudt. Op den grond beweegt hij zich langzaam en slecht;
toch ziet hij kans om kleine Zoogdieren, Reptielen, Amphibiën en
Insecten te overmeesteren, vooral ook Kreeften, die zijn liefste
voedsel uitmaken. In de boomen zoekt hij de Vogels en hunne nesten op;
evenals de Opossum eet hij echter ook wel vruchten. Ook hij dringt,
naar men zegt, soms in de hoenderhokken en duiventillen door en richt
dan onder de Hoenderen en Duiven een groote slachting aan.
De jongen van den Kreeftenschoepati verschillen in kleur zeer
van de ouden. Kort na de geboorte volkomen naakt, krijgen zij,
als hun ontwikkeling zoover is voortgeschreden, dat zij den buidel
verlaten kunnen een vacht, die uit korte, zijdeachtig zachte, glanzige
nootbruine haren samengesteld is, en eerst langzamerhand de donkere,
bruinzwarte kleur van de volwassen dieren aanneemt. Alle berichtgevers
verklaren eenstemmig, dat het een alleraardigst schouwspel is, de
pas uit den buidel gekomen diertjes om en op hun moeder te zien loopen.
De tweede onderfamilie van de Buidelratten omvat slechts één geslacht,
waartoe slechts één soort behoort: het eenige, tot dusver bekende
Buideldier, dat zich bijvoorkeur in 't water ophoudt, de _Yapok_
of _Zwemmende Buidelrat_ (_Chironectes minimus_ afgebeeld op p. 587).
Over 't geheel genomen heeft dit dier het voorkomen van een Rat. Zijn
staart is bijna even lang als het overige lichaam en heeft de kenmerken
van een grijpstaart, hoewel hij niet als zoodanig gebruikt wordt. De
vacht is op den rug fraai aschgrauw, waarbij de witte kleur van de
onderzijde scherp afsteekt. De grijze grondkleur van de bovenzijde
is met zes breede, zwarte, dwars gerichte vlekken geteekend. Over het
midden van den rug loopt een donkere streep van de eene vlek naar de
andere. De ooren en de staart zijn zwart. Volwassen dieren hebben bij
een lichaamslengte van ongeveer 40 cM. een nagenoeg even langen staart.
De Zwemmende Buidelrat is over een groot deel van het
Zuid-Amerikaansche faunistische rijk verbreid. Zij wordt gevonden van
Guatemala tot Zuid-Brazilië; overal schijnt zij zeldzaam of althans
moeielijk verkrijgbaar te zijn; men treft haar daarom slechts in zeer
weinige verzamelingen aan. Naar men zegt, gaat zij zoowel over dag als
's nachts voedsel zoeken; zij zwemt met groot gemak en kan zich ook op
't land vlug en behendig bewegen. Haar voedsel bestaat, naar bericht
wordt, uit vischjes en andere kleine waterdieren en uit vischkuit;
de groote wangzakken doen echter vermoeden, dat dit dier bovendien
ook plantaardige stoffen niet versmaadt.
Het wijfje werpt ongeveer 5 jongen, draagt ze in den buidel, totdat
zij voldoende ontwikkeld zijn, neemt ze op tamelijk jeugdigen leeftijd
met zich mede in 't water en onderricht hen hier gedurende geruimen
tijd in 't zwemmen, duiken en het verkrijgen van hun voedsel.
VIJFTIENDE ORDE.
DE KLOAKDIEREN (Monotremata).
Gedurende langen tijd heeft er verschil van meening bestaan over
de plaats, die aan de _Kloakdieren_ in het dierenrijk moet worden
toegekend; thans is deze strijd beslecht. Hoewel de meening van de
dierkundigen uit een vroegere periode, die de Kloakdieren voor een op
zichzelf staande klasse van het dierenrijk hielden, een tijdlang haar
waarde had verloren, wordt thans een soortgelijke opvatting opnieuw
gehuldigd. De Mierenegels en Vogelbekdieren die men met het volste
recht als een afzonderlijke onderklasse van de Zoogdieren zou kunnen
beschouwen, worden door geen enkelen hedendaagschen dierkundige tot
de Buideldieren of zelfs tot de Tandeloozen gerekend, zooals sommige
hunner voorgangers deden.
Dat de Kloakdieren hunne jongen werkelijk zoogen, is reeds sinds
lang boven allen twijfel verheven; eerst door de nauwkeurige
onderzoekingen van Gegenbaur echter heeft men den waren aard van
hunne zoogorganen leeren kennen. De melkklieren, die zijdelings aan
den onderbuik voorkomen, hebben tot afvoerbuizen een groot aantal
fijne gangen in de huid, die evenwel ook op deze plaatsen met haar
begroeid is. Daar nu de mannelijke Zoogdieren soortgelijke klieren
op dezelfde plaatsen hebben, geloofden de eerste ontleedkundigen,
die zich met het Vogelbekdier bezighielden, niet, dat zij hier
echte zoogorganen voor zich hadden, tot dat Meckel aantoonde, dat de
genoemde klieren bij het mannelijke Vogelbekdier niet ontwikkeld zijn,
en Bär opmerkte, dat de melkklieren van de Cetaceën een soortgelijken
bouw vertoonen. Owen, die in het jaar 1832 deze klieren onderzocht,
vond bij ieder van deze ongeveer 120 openingen in de huid, waardoor
een voor de voeding geschikte vloeistof werd afgevoerd, die hij in
gestolden toestand in de maag van de jongen aantrof. Dit noopte hem
de Vogelbekdieren tot de klasse van de Zoogdieren te rekenen. Den
2en September 1884 berichtte Haacke echter aan de Zuid-Australische
"Koninklijke maatschappij van wetenschappen" te Adelaïde, dat
hij eenige weken te voren in den grooten, tot dusver onbekenden
broedbuidel van een levend Mierenegel-wijfje, het ei gevonden had,
dat in de vergadering door hem vertoond werd. Op denzelfden dag werd
in Montreal een door den onderzeeschen telegraafkabel overgebracht
bericht voorgelezen, waardoor aan de daar vergaderde leden van de
"Britsche Vereeniging" werd medegedeeld, dat een andere, destijds
in Australië werkzame onderzoeker, Caldwell, de Kloakdieren als
eierleggende dieren had herkend. Door deze ontdekking werd natuurlijk
de nauwe verwantschap van de Kloakdieren met de overige Zoogdieren
weder in twijfel gesteld. Vooral was dit het geval, toen Gegenbaur in
het jaar 1886 aantoonde, dat de klieren, die voedsel leveren aan de
uitgebroede jongen van de Kloakdieren, niet, evenals de melkklieren
van alle overige Zoogdieren, in maaksel met de huidsmeerklieren
overeenstemmen, maar als gewijzigde zweetklieren moeten worden
beschouwd. Een nieuwe reden voor twijfel leverde een ontdekking, die
in het jaar 1888 door Oldfield Thomas werd gedaan: hij vond, dat het
Vogelbekdier gedurende een groot deel van zijn leven tanden heeft,
die, hoewel zij werkelijk dezen naam verdienen, toch aanmerkelijk
verschillen van de tanden van alle overige Zoogdieren.