verscheidene van deze wezens in gevangen toestand waar te nemen. "Ik
liet," zegt hij, "een hol openen, in weerwil van de tegenwerpingen van
een luien inboorling, die maar volstrekt niet begrijpen kon, waarom ik,
nu er zoo'n grooten overvloed van Runderen en Schapen was, ook nog
Vogelbekdieren wenschte te bezitten. De ingang of de voorhof van de
woning was groot in verhouding tot de breedte van de gang, die er op
volgde, want deze werd nauwer, naarmate wij er verder in doordrongen,
totdat haar wijdte ten slotte overeenkwam met de dikte van 't dier. Wij
gingen haar na tot op een diepte van ongeveer 3 M. Plotseling kwam
uit den grond de kop van een Vogelbekdier te voorschijn, juist alsof
het pas in zijn slaap gestoord werd en gekomen was om te zien, wat
wij verlangden. Naar het scheen, kwam het tot het besluit, dat onze
geraasmakende arbeid niet voor zijn bestwil ondernomen werd, want het
maakte ten spoedigste rechtsomkeert. Bij het omdraaien werd het bij
den achterpoot gegrepen en uit den grond getrokken. Het scheen zich
hierover zeer te verontrusten en te verwonderen. Wij plaatsten onze
gevangene, een volwassen wijfje, in een vat vol gras, rivierslib,
water enz. Het krabbelde overal om uit zijn gevangenis te ontsnappen;
toen het echter vond, dat al zijn moeite nutteloos was, hield het
zich stil, kroop in elkander en scheen weldra te slapen. Gedurende
den nacht was het zeer onrustig en krabbelde weder met de voorpooten,
alsof het een gang wilde graven. Des morgens vond ik het in vasten
slaap, den staart onder het lichaam naar voren, den kop met den snavel
onder de borst teruggebogen, het lichaam ineengerold. Toen ik het
in zijn sluimering stoorde, knorde het ongeveer als een jonge Hond,
maar een weinig zachter en misschien op welluidender wijze. Gedurende
den dag hield het zich meestal stil des nachts trachtte het opnieuw te
ontkomen en knorde aanhoudend. Alle Europeanen in de nabijheid, die
het dier zoo dikwijls dood hadden gezien, waren blijde er eindelijk
eens een levend te kunnen aanschouwen; ik geloof, dat dit werkelijk
de eerste maal is geweest, dat een Europeaan een Vogelbekdier levend
gevangen en het hol van dit dier doorzocht heeft.
"Toen ik afreisde, stak ik mijn "_Mallangong_" in een kistje met gras
en nam hem mede. Om hem een uitspanning te verschaffen, maakte ik hem
eenigen tijd later wakker, bond hem een lang touw aan den achterpoot en
zette hem aan den oever. Hij vond spoedig zijn weg naar het water en
zwom stroomopwaarts, klaarblijkelijk zeer ingenomen met de plaatsen,
die het dichtst met waterplanten bedekt waren. Nadat mijn gevangene
zijn bekomst had gekregen van het duiken, kroop hij uit het water op
den oever en vermaakte zich met in zijn vacht te krabbelen en deze
uit te kammen.
"Eenige dagen later liet ik hem nogmaals een bad nemen, ditmaal in
een rivier met helder water, waarin ik zijne bewegingen duidelijk kon
waarnemen. Schielijk dook hij tot op den bodem, bleef hier een korte
poos en kwam weder aan de oppervlakte. Hij zwierf langs den oever,
waarbij hij zich liet leiden door de gevoelsindrukken van zijn snavel,
die, naar het schijnt, een zeer fijn tastwerktuig is en veelvuldig
gebruikt wordt. Blijkbaar kon hij gemakkelijk aan den kost komen, want
zoo vaak hij den snavel uit het slijk terugtrok, had hij er stellig
iets eetbaars in, daar de eetwerktuigen dan zijwaarts gericht waren,
in overeenstemming met de beweging, die zij bij het kauwen gewoonlijk
maken. Verscheidene Insecten, die dicht bij het dier rondfladderden,
liet hij ongestoord, hetzij dat hij ze niet zag, òf dat hij de
voorkeur gaf aan het voedsel, dat het slijk hem verschafte. Na den
maaltijd ging hij dikwijls op den met gras begroeiden oever half
buiten het water op den buik liggen, of wendde den rug naar onderen
om zijn vacht te kammen en te reinigen. In zijn gevangenis keerde
hij zeer ongaarne terug en ditmaal wilde hij volstrekt niet tot rust
komen. Gedurende den nacht hoorde ik hem krabbelen aan zijn kist,
die in mijn slaapkamer stond, en ziet: den volgenden dag vond ik haar
ledig. Het Vogelbekdier was zoo gelukkig geweest een lat te kunnen
losmaken en had de vlucht genomen. Zoo was dus mijn verwachting,
dat ik nog meer waarnemingen zou kunnen doen, verijdeld."
Gedurende een andere reis had Bennett het geluk een hol te ontdekken
met drie reeds behaarde jongen, die hij een tijdlang kon nagaan. "Toen
wij het nest met de jongen vonden," zegt Bennett, "en ze op den grond
zetten, liepen zij wel rond, maar maakten toch niet zulke woeste
sprongen om te ontvluchten als de oude dieren. De inboorlingen,
die bij het zien van deze vette jonge dieren watertandden, zeiden,
dat zij reeds 8 maanden oud waren en voegden er bij, dat de jonge
Vogelbekdieren door hun moeder slechts in den beginne met melk,
later met Insecten, kleine Schelpdieren en slijk gevoederd worden.
"Ik kon de jongen zonder bezwaar in de kamer laten rondloopen; een
oud dier groef echter met zooveel volharding aan den muur, dat ik
het opsluiten moest. Toen lag het gedurende den geheelen dag stil,
maar herhaalde des nachts zijne pogingen om zich te bevrijden. Als
ik de dieren in hun slaap stoorde, hoorde ik steeds een algemeen gemor.
"Mijn klein gezin van Vogelbekdieren bleef nog eenigen tijd in
leven; ik was dus in staat hunne gewoonten na te gaan. Dikwijls leek
het, alsof de diertjes van zwemmen droomden, want hunne voorpooten
maakten dikwijls de hierop doelende beweging. Als ik ze over dag op
den grond zette, zochten zij een donker plekje uit om er te rusten;
hier of in hun gevangenis rolden zij zich ineen en sliepen spoedig in;
aan hun gewone rustplaats gaven zij echter de voorkeur boven iedere
andere plek.
"Eens op een avond kwamen mijne beide kleine lievelingen omstreeks het
schemeruurtje te voorschijn en vraten hun voedsel als naar gewoonte;
daarna begonnen zij echter te spelen als een paar jonge Honden,
elkander met den snavel aan te vatten, de voorpooten op te lichten,
over elkander heen te klauteren enz. Bij het rondloopen waren zij
buitengewoon levendig, hunne oogjes straalden van opgewondenheid
en hunne gehooropeningen werden zeer snel achtereen geopend en
gesloten. Zij kunnen, daar hunne oogen zeer hoog aan den kop geplaatst
zijn, niet goed volgens een rechte lijn voor zich uitzien, stooten
daarom tegen alles aan en werpen dikwijls lichte voorwerpen om.
"Kort na mijn aankomst in Sydney werden de diertjes tot mijn
groote droefheid magerder, en hun vel verloor het fraaie, glanzige
uitzicht. Uit allerlei verschijnselen bleek, dat zij ziek waren;
hun aanblik kon nog slechts medelijden inboezemen. Den 29en Januari
stierf het wijfje, den 2en Februari het mannetje. Ik had ze slechts
ongeveer 5 weken in 't leven gehouden."
Het Vogelbekdier legt verscheidene eieren met weeke schaal, waarin,
volgens de ontdekkingen van Caldwell, de kiemen zoover ontwikkeld
zijn als in een kippenei, dat 36 uren lang bebroed is geworden. Het
uitbroeden der eieren geschiedt in het nest. De jongen, die uit de
eieren komen, zijn klein, naakt, blind en onbeholpen zooals die van
den Mierenegel en van de Buideldieren. Hunne snavels zijn kort.
In den dierentuin te Melbourne worden in den laatsten tijd nu en dan
Vogelbekdieren gehouden; geen enkel exemplaar van deze diersoort is
tot dusver levend in Europa aangekomen.
Misschien moet een eerst voor kort ontdekt, onder den grond levend
_dier van het binnenland van Australië_ ook nog bij de Kloakdieren
gerekend worden. Tot dusver kent men het slechts door een enkel,
ongelukkigerwijs verminkt exemplaar. Het is met metaalglanzig haar
bekleed, maar wacht nog op een meer gedetailleerde beschrijving. Het
heeft nog geen naam gekregen.
Een nog belangrijker bijdrage tot de natuurlijke geschiedenis van de
laagst ontwikkelde Zoogdieren zal waarschijnlijk geleverd worden
door het _eenige oorspronkelijke op het land levende Zoogdier
van Nieuw-Zeeland_. Naar het uitwendige gelijkt dit dier op een
Vischotter; het leeft bij en in het water, evenals deze, en is
thans waarschijnlijk beperkt tot de meren van het gebergte van het
zuidelijkste der beide groote Nieuw-Zeelandsche eilanden. Men heeft
dit dier herhaaldelijk gezien, éénmaal op zoo korten afstand, dat
men het een zweepslag kon geven, waarna het met een schel geschreeuw
in het water verdween. Julius Von Haast zag de sporen van dit dier
in de sneeuw. Het is evenwel nog niet gelukt er een exemplaar
van te vangen. Van alle landen der aarde heeft Nieuw-Zeeland de
laagst ontwikkelde Vogels; het zou dus kunnen zijn, dat zijn eenig
hedendaagsch, inheemsch Zoogdier evenveel bij de Kloakdieren achter
staat, als deze lager ontwikkeld zijn dan de Buideldieren. In dit
geval zou het belangrijke en misschien onverwachte inlichtingen kunnen
geven over den oorsprong van de hoogst georganiseerde klasse van de
Gewervelde Dieren, die ook den mensch onder hare leden telt.