De eenige soort van dit geslacht, het _Buideleekhoorntje_ (_Petauroides

volans_), heeft een vlieghuid, die zich naar voren tot aan den

elleboog, naar achteren tot aan den wortel van den duim uitstrekt. Het

kan een lichaamslengte van 50 cM. bereiken, zonder den ongeveer even

langen staart, die aan de onderzijde bij de spits onbehaard is. De

kop is klein, de snuit kort en toegespitst; de oogen zijn zeer groot,

de breede ooren dicht, bijna ruig behaard. Aan de voeten bevinden

zich stevige, gekromde en scherpe nagels. De zeer lange en zachte,

aan den staart ruige vacht vertoont vele kleurafwijkingen. Gewoonlijk

zijn de bovendeelen bruinachtig zwart, de kop is meer bruinachtig,

de vlieghuid witachtig gesprenkeld; de snuit, de kin en de pooten

zijn zwart, de keel, de borst en de buik wit.

De Buideleekhoorn bewoont Australië, van Queensland tot Victoria,

vooral de groote wouden tusschen Port-Philipp en Moreton-baai; hij

moet daar veelvuldig zijn, hoewel men hem slechts zelden gevangen of

gedood in de handen van de inboorlingen ziet. Nachtdier zooals al zijne

verwanten, verbergt hij zich tegen den morgen in de holten van groote,

doode boomen en brengt hier den dag slapend door, beveiligd tegen al

zijne vijanden behalve den altijd hongerigen en altijd op den loer

liggenden inboorling. Men beweert, dat hij, in 't nauw gebracht,

met wanhopigen moed vecht en zijne tanden bijna even goed weet te

gebruiken als zijne klauwen. Zijn vleesch wordt als een lekkernij

beschouwd. Daar deze dieren betrekkelijk groot worden, maken niet

alleen de zwarte oorspronkelijke bewoners van het land, maar ook de

blanken ijverig jacht op hen.

In volkomen wakenden toestand onderscheidt de Buideleekhoorn zich

door de vlugheid, behendigheid en zekerheid van zijne bewegingen. Hij

vliegt letterlijk van den eenen tak op den anderen, springt over

groote tusschenruimten heen, klimt buitengewoon snel weer naar een

nieuwen boomtop omhoog en begeeft zich op deze wijze van den eenen

boom op den anderen, van kroon tot kroon. Zijn lang, zacht, als

zijde glinsterend haar is bij deze sprongen in golvende beweging;

het vel, dat door zijn gladheid het bleeke schijnsel der maan op een

eigenaardige wijze weerspiegelt, maakt in heldere nachten een waarlijk

tooverachtigen indruk.

Het voedsel van dit dier bestaat uit bladen, knoppen, jonge twijgen

en misschien ook uit wortels. Zelden daalt het op den bodem af om

hier te grazen. Men zegt, dat het in gevangen staat lang in 't leven

kan blijven; het gelukt echter uiterst zelden het te krijgen.

De naaste verwanten van de Buideleekhoorntjes zijn de

_Suikereekhoorntjes_ (_Petaurus_), welker staart ook aan de spits

behaard is. De meest bekende soort is de _Suikereekhoorn_ (_Petaurus

sciureus_) uit wiens naam men reeds zou kunnen afleiden, dat het

een bij 't volk geliefd dier is. Niet alleen door zijn gestalte,

maar ook door zijn grootte gelijkt het dier op ons Eekhoorntje en

nog meer op den Tagoean.

Men vindt den Suikereekhoorn van Queensland tot Victoria. Hij is

een echt boomdier en evenals de meeste op hem gelijkende dieren des

nachts werkzaam. Hij klimt met de behendigheid van een Eekhoorn in de

boomen rond, altijd van onderen naar boven en is in staat buitengewone

sprongen te doen en intusschen naar verkiezing een andere richting aan

te nemen. Hij behoeft van geen grootere hoogte dan 10 M. af te springen

om een boom te bereiken, die 20 à 30 M. van hem verwijderd is. Allen

die dit dier in de vrije natuur waargenomen hebben, zijn eenstemmig in

hun bewondering over deze beweging, die zooveel op vliegen gelijkt,

door geen dier, dat met een behaarde vlieghuid uitgerust is,

overtroffen wordt en even bevallig als behendig uitgevoerd wordt.

Over 't algemeen is de Suikereekhoorn een zeer aardig dier; hoewel

hij zich verweren kan, is het niet moeilijk hem te temmen; bovendien

is hij 's nachts buitengewoon opgewekt, vlug en vroolijk, maar

ongelukkig altijd eenigszins schuw. Men ontmoet hem volstrekt niet

zelden in de huizen der kolonisten, die hem met groote zorgvuldigheid

behandelen. Zijn verstand is gering; het gemis van geestesgaven wordt

tot op zekere hoogte vergoed door vroolijkheid, opgewektheid en een

lieftallig uiterlijk. Zonder groote moeite kan men hem aan allerlei

kost gewennen, hoewel hij steeds aan vruchten, knoppen en Insecten de

voorkeur blijft geven, welke stoffen in de vrije natuur zijn voedsel

uitmaken. Bijzonder gaarne eet hij de eucalyptus-manna, een product

van den _Eucalyptus mannifera_ en eenige andere soorten van hetzelfde

voor Nieuw-Holland karakteristieke plantengeslacht. De schors en

de bladen van deze hooge boomen zweeten in kleine droppeltjes een

grooten overvloed van een slijmerig, zoet sap uit, dat, aan de lucht

drogend, in den vorm van groote schubben aan den boom hangt. Aan deze

voorliefde dankt het dier zijn naam. Ongetwijfeld maken ook Insecten

een hoofdbestanddeel van zijn voedsel uit. Bij gevangen exemplaren in

den Londenschen dierentuin heeft men opgemerkt, dat zij doode Musschen

en stukken vleesch, die men hun bracht, zeer gaarne opaten. Daarom

meent men, dat zij 's nachts, zonder gedruisch te maken, op de wijze

der Lori's, slapende Vogels en andere kleine dieren sluipend naderen

en deze om 't leven brengen. In sommige gewesten richten zij in de

perziken- en sinaasappelgaarden een aanzienlijke schade aan.

De Suikereekhoorns zijn zeer gezellige dieren; men vindt er in de

wouden altijd verscheidene bijeen, hoewel men niet kan opmerken, dat

zij met hunne soortgenooten op bijzonder liefdevolle wijze omgaan. In

de gevangenschap sluiten zij ook wel vriendschap met andere kleine

dieren en toonen zelfs den mensch eenige gehechtheid.

De kleinste van alle Klimbuideldieren, de _Buidelmuis_ of _Opossummuis_

(_Acrobates pygmaeus_), wordt terecht als vertegenwoordiger van een

afzonderlijk geslacht beschouwd. Haar breede vlieghuid reikt tot

aan den handwortel, de staart is tweerijig, vedervormig behaard;

de beharing van de ooren is middelmatig lang. Dit sierlijke diertje

is ongeveer zoo groot als een Huismuis. Als het op een tak zit,

de rekbare vlieghuid tegen den romp aangelegd, vertoont het een

merkwaardige overeenkomst in uitzicht met het in onze huizen levend,

lieftallig en toch zoo gehaat Knaagdier. Zijn totale lengte bedraagt

ongeveer 14.5 cM., waarvan een weinig meer dan de helft door den staart

wordt geleverd. De korte, zachtharige vacht is van boven grijsbruin,

van onderen geelachtig wit van kleur.

De Buidelmuis, die in Oost-Australië, van Queensland tot Victoria,

inheemsch is, voedt zich, evenals hare verwanten, met bladen,

vruchten, knoppen en andere malsche plantendeelen. Zij versmaadt ook

een klein Insect niet, wanneer zij dit toevallig ontdekt. Door hare

opgewektheid en vlugheid van bewegingen komt zij vrij wel met hare

verwanten overeen; haar vaardigheid om met behulp van de uitgespreide

vlieghuid groote afstanden door de lucht heen af te leggen, wordt

slechts door weinige dieren met behaarde vlieghuid geëvenaard. Men

zegt, dat dit diertje zoowel bij de inboorlingen als bij de kolonisten

van Europeeschen oorsprong, die in de nabijheid van Port-Jackson wonen,

zeer geliefd is en dikwijls getemd in kooien voorkomt.

De derde familie der Plantenetende Buideldieren omvat de _Plompe

Buideldieren_ of _Wombats_ (_Phascolomyidae_), die aan Knaagdieren

herinneren. Men kent tegenwoordig drie soorten van Wombats, die alle

in gestalte en aard overeenstemmen. Hun lichaam is buitengewoon plomp

gebouwd, de romp log en dik, de hals dik en kort, de kop onbehouwen

van vorm, de staart een klein, bijna onbehaard stompje; de ledematen

zijn kort en krom, de voeten met vijf teenen voorzien en met lange,

forsche, sikkelvormige klauwen gewapend, die alleen aan den binnenteen

der achterste ledematen ontbreken; de zolen zijn breed en onbehaard;

de teenen, die op den binnensten volgen, vergroeien gedeeltelijk met

elkander. Zeer opmerkelijk is het gebit, daar de breede, voorste

snijtanden, waarvan elke kaakhelft er één bevat, met knaagtanden

overeenkomen. Bovendien bevat elke helft van iedere kaak één valsche

kies en vier lange, gekromde ware kiezen.

De _Tasmanische Wombat_ (_Phascolomys ursinus_) kan een lengte van

omstreeks 95 cM. bereiken en kenmerkt zich door korte, afgeronde

ooren. Zijn kleur is gespikkeld donkergrijs bruin. Tasmanië en de

eilanden van de Bass-straat zijn het vaderland van deze soort. De

nevens haar afgebeelde _Breedkoppige Wombat_ (_Phascolomys latifrons_)

bewoont Zuid-Australië.

Alle soorten leven in dichte wouden, graven wijde holen en zeer

diepe gangen in den bodem, en brengen hier den geheelen dag slapend

door. Eerst nadat het volslagen nacht geworden is, waggelt de Wombat

naar buiten om voedsel te zoeken. Dit bestaat hoofdzakelijk uit een

hard, biesachtig gras, dat groote oppervlakten bedekt; overigens

echter ook uit allerlei kruiden en uit wortels, die hij door flink

te graven blootlegt.

De Wombat ziet er onhandiger uit, dan hij is. Zijne bewegingen zijn

langzaam, maar volhardend en krachtig. Een dier dat zoo stompzinnig en

onverschillig is als hij, verliest niet zoo licht zijn kalmte. Hij gaat

regelrecht op zijn doel af en gaat onverpoosd zijn gang, zonder zich

door eenig bezwaar, van welken aard dan ook, te laten afschrikken. Wat

hij zich eens voorgenomen heeft, tracht hij ondanks alle hinderpalen

ten uitvoer te brengen. Een hol, waaraan hij eens begonnen is, zal hij

met de zielsrust van een wijsgeer honderdmaal trachten te voltooien,

al wordt het ook telkens weer dichtgestopt.

Evenals de meeste Australische dieren is ook de Wombat goed bestand

tegen het leven als gevangene in ons werelddeel. Als hij goed verzorgd

wordt en het voedsel krijgt dat hij noodig heeft, schijnt hij zich

hier zeer op zijn gemak te gevoelen, en wordt dan ook tamelijk tam,

d. w. z. hij geraakt in zoover aan den mensch gewoon, dat men hem kan

veroorloven naar vrije verkiezing in huis rond te loopen. In Europa

houdt men dit stompzinnige, onnoozele dier met groen voer, wortels,

rapen, vruchten, zaden en graan zonder moeite in 't leven. Wanneer men

het bovendien een weinig melk geeft, verschaft men het een buitengewoon

genot. In Engeland is het reeds gelukt van beide soorten jongen te

telen; men heeft toen kunnen opmerken, dat het wijfje 3 à 4 jongen

werpt en ze, althans zoolang zij zich nog in den buidel bevinden,

met groote zorgvuldigheid en liefde verpleegt en opvoedt.

De tweede onderorde van de Buideldieren wordt gevormd door de

_Vleescheters_ (_Polyprotodontia_), die zich van de leden der eerste

orde onderscheiden door hun groot aantal snijtanden, en hieraan hun

wetenschappelijken naam ontleenen: in elke helft van de bovenkaak

hebben zij er 4 of 5, in elke helft van de onderkaak 3 of 4. De

kleine snijtanden, die met elkander nagenoeg in lengte overeenstemmen,

worden in grootte ver overtroffen door de lange en spitse hoektanden.

Zelfs de leek zal de leden van de eerste familie van de

Vleeschetende Buideldieren--de _Buideldassen_ of _Bandikoets_

(_Peramelidae_)--gemakkelijk kunnen onderscheiden. De sterk

verlengde achterpooten en het zeer afwijkende maaksel van de teenen

zijn kenmerken, die iedereen in 't oog moeten vallen. Van de vijf

voorteenen zijn slechts 2 of 3 van de middelste tot op behoorlijke

lengte uitgegroeid en onafhankelijk van elkander; zij eindigen in

stevige, sikkelvormige klauwen. De tweede en de derde teen van de

achtervoeten zijn onderling vergroeid; de binnenteen ontbreekt of is

gebrekkig ontwikkeld, de vierde teen is zeer lang. De romp is over

't geheel genomen gedrongen; de kop, vooral het snuitgedeelte loopt

zeer spits toe; de staart is gewoonlijk zeer kort en dun behaard,

slechts bij uitzondering lang en ruig; de ooren zijn bij sommige

soorten bijzonder groot.

De Buideldassen bewonen Australië en Nieuw-Guinea; zij leven in

holen, die zij zich in den bodem graven en bij het geringste gevaar

dat hen bedreigt, ten spoedigste opzoeken. Soms treft men hen aan

in de nabijheid van plantsoenen of nederzettingen van den mensch;

gewoonlijk echter houden zij zich op een afstand van den aartsvijand

van alle dieren. De meeste soorten leven, naar het schijnt, gezellig

met elkander en zijn uitsluitend 's nachts werkzaam. Hunne bewegingen

zijn tamelijk vlug en eigenaardig, daar hun gang uit een opeenvolging

van kortere of wijdere, op sprongen gelijkende stappen bestaat. Zij

voeden zich hoofdzakelijk met planten, vooral met sappige wortels

en knollen, nu en dan gebruiken zij echter ook Insecten en Wormen,

ook wel zaden.

Tot het geslacht der _Buideldassen_ (_Perameles_), dat, behalve in

Australië, ook in Nieuw-Guinea inheemsch is, behoort de _Langneuzige

Buideldas_ (_Perameles nasuta_), een dier van eigenaardige

gestalte, dat bijna evenveel op een Konijn als op een Spitsmuis

gelijkt. Volwassen-dieren zijn meer dan 50 cM. lang met inbegrip van

den staart, welks lengte 12 cM. bedraagt.

De tweede familie van de onderorde der Vleescheters wordt gevormd

door de _Roofbuideldieren_ (_Dasyuridae_). Voor- en achterpooten

zijn bij hen vrijwel van gelijke lengte; beide hebben vijf teenen;

bij sommige soorten hebben de achterste ledematen er slechts vier. De

staart is lang behaard en niet voor 't grijpen ingericht.

Aan de onderfamilie van de _Buidelmarters_ (_Dasyurinae_), wordt

gewoonlijk de eerste rang toegekend. Alle hedendaagsche soorten,

die tot deze groep behooren, bewonen het Australische faunistische

rijk en zijn van Nieuw-Guinea tot Tasmanië verbreid.

De Buidelmarters houden zich zoowel in wouden als in rotsachtige

gewesten of aan de oevers van de zee op; sommige leven hier in diepe

holen of gaten in den grond, onder boomwortels of in rotskloven;

andere zoeken holle boomen op. Sommige bewegen zich uitsluitend op den

bodem, andere klimmen uitmuntend en eenige houden bijna uitsluitend

verblijf op boomen. Zij hebben een sluipenden en bedachtzamen gang,

daar zij de geheele voetzool op den grond laten rusten. Bijna alle

zijn nachtelijke dieren, die den dag slapend in hunne schuilhoeken

doorbrengen, en op roof uitgaan, zoodra de schemering invalt. Bij deze

rondzwervingen bezoeken zij de zeekust, en verslinden alle dieren,

die de zee aan land werpt, onverschillig of zij versch zijn of in

rottenden toestand verkeeren. De op boomen levende vormen voeden

zich hoofdzakelijk met Insecten; hoogstens maken zij bovendien nog

op kleine Zoogdieren en Vogels, alsmede op eieren jacht. De grootste

soorten dringen ook wel in menschelijke woningen door en dooden hier,

op de wijze van de Marters, in een enkelen nacht alle Hoenderen of

plunderen, evenals de brutale Poolvossen in het hooge noorden, de

zolders en proviandkamers, waar zij vleesch en spek stelen. De kleinste

soorten kunnen zelfs door zeer nauwe openingen het lichaam heenwringen

en zijn om deze reden even gehaat als de Marters en Bunzingen bij ons;

de grootste soort valt de schapenkudden aan en haalt zich af en toe

een buit uit hun midden. Vele brengen het voedsel met de voorpooten

naar den bek. Hun stem bestaat uit een eigenaardig geknor en een

helderklinkend geblaf. De groote soorten zijn zeer wild, bijtlustig

en ontembaar; wanneer zij aangevallen worden, verdedigen zij zich

woedend met hunne scherpe tanden; de kleinere daarentegen hebben

een zachtzinnig en goedaardig voorkomen; enkele kunnen gemakkelijk

in gevangenschap in 't leven gehouden en zonder groote moeite getemd

worden; nooit laten zij echter eenige gehechtheid aan hun verzorger

blijken.--In de lente werpt het wijfje 4 à 5 jongen.

De schade, die de leden van deze onderfamilie aanrichten, overtreft

verre het nut, dat zij opleveren en rechtvaardigt de felle

vervolgingen, die zij te verduren hebben.

De _Buidelwolf_, _Zebrahond_ of _Buidelhond_ (_Thylacinus

cynocephalus_), de eenige thans levende vertegenwoordiger van zijn

geslacht, draagt zijn naam niet ten onrechte, want hij gelijkt

werkelijk op een Wilden Hond. Zijn gestrekte romp, de vorm van den

kop, de scherp begrensde snuit, de rechtop staande ooren, de oogen, de

wijze waarop de staart gedragen wordt herinneren aan de laatstgenoemde

Roofdieren; de ledematen zijn echter betrekkelijk kort en het gebit

vertoont met dat van den Hond een belangrijk verschil.

De Buidelwolf is het grootste van alle vleeschetende Buideldieren. Zijn

lichaamslengte bedraagt meer dan 1 M., de lengte van den staart 50 cM.;

de oude mannetjes zijn nog aanmerkelijk grooter en kunnen naar men

beweert, een totale lengte van ongeveer 1.9 M. bereiken. De korte,

los aanliggende vacht is grijsbruin, op den rug met 12 à 14 zwarte

strepen geteekend.

De Buidelwolf bewoont Tasmanië. Toen de kolonisatie van dit eiland

door de Europeanen begon, kwam hij hier zeer veelvuldig voor, tot

groote schade en ergernis voor de veefokkers, welker schapenkudden

en pluimveefokkerijen hij ijverig brandschatte. Later werd hij door

het schietgeweer meer en meer verdreven; tegenwoordig is hij in het

binnenland teruggedrongen. Hier vindt men hem in sommige bergachtige

gewesten nog altijd in tamelijk grooten overvloed, het veelvuldigst

op een hoogte van ongeveer 1000 M. boven den zeespiegel. Rotsspleten

in donkere, voor den mensch bijna ontoegankelijke ravijnen, diepe

holen, die door de natuur gevormd of door hem zelf gegraven zijn,

verschaffen hem toevluchtsoorden gedurende den dag; van hier uit

onderneemt hij zijne rooftochten. Hij is een nachtelijk dier en schuwt

het heldere licht in hooge mate. Hoewel hij niet het wildste van alle

Roof-buideldieren is, overtreft hij toch al zijne familiegenooten,

wat sterkte en koenheid betreft, en verdient reeds hierom zijn naam.

Het voedsel van den Zebrahond bestaat uit alle kleine dieren, die

hij bereiken en overmeesteren kan, uit Gewervelde Dieren zoowel

als uit ongewervelde, bij de Insecten en Weekdieren te beginnen

en afdalend tot aan de Straaldieren. Als hij zeer hongerig is,

versmaadt hij geen enkele spijs en deinst niet eens af voor het met

scherpe verweermiddelen voorziene kleed van den Mierenegel. Wanneer

de Buidelwolf zijne rooftochten uitstrekt tot in de gewesten, die

door menschen bewoond worden, vangt men hem in vallen of maakt jacht

op hem met Honden. Tegen deze weet hij zich goed te verdedigen en

toont daarbij een wildheid, die buiten verhouding staat tot zijn

geringe grootte.

Veel leelijker en in de hoogste mate afkeerwekkend is de naaste verwant

van den Buidelwolf, die door de kolonisten _Duivel_ wordt genoemd

(_Sarcophilus ursinus_). Deze naam, die aan duidelijkheid niets

te wenschen overlaat, heeft hij te danken aan zijn ongeloofelijke

wildheid en ontembaarheid. Volgens het eenstemmig oordeel van alle

waarnemers kan men zich moeielijk een lastiger, woester, zinneloozer

en kwaadaardiger schepsel voorstellen dan deze Buidelduivel, wiens

booze stemming en wreveligheid nooit ophouden en wiens toorn bij de

geringste aanleiding helder opvlamt. Niet eens in de gevangenschap

en bij de zorgvuldigste verpleging verliest hij deze eigenschappen;

nooit toont hij bekendheid met of genegenheid voor den persoon,

die hem met voedsel en al wat hij verder noodig heeft, voorziet;

zijn oppasser valt hij met evenveel haat en zinnelooze woede aan als

ieder ander wezen, dat het waagt hem te naderen. Zijn vacht bestaat

uit korte, stijve haren.

De borst van dit dier is met een witten halsband en in den regel

bovendien met twee witte vlekken geteekend; het geheele overige

lichaam is met een koolzwarte vacht bekleed. De totale lengte van

dit dier bedraagt ongeveer 1 M. met inbegrip van den ongeveer 30

cM. langen staart.

Aanvankelijk hadden de kolonisten op Tasmanië veel last van den

Buidel-duivel, daar hij hun het fokken van Hoenderen en andere Vogels

bijna geheel onmogelijk maakte. Op de wijze van de Marters drong hij

in het hoenderhok door en hield hier huis met een bloedgierigheid

zooals overigens alleen door de dieren van het Martergeslacht getoond

wordt. Hij werd daarom van den eersten aanvang af fel gehaat en op de

meest wraakzuchtige wijze vervolgd, te meer omdat men zijn vleesch als

smakelijk of althans eetbaar had leeren kennen. Vallen van allerlei

soort werden op zijn weg geplaatst en groote verdelgingsjachten

gehouden; zeer schielijk leerde hij de heerschappij en het verstand

van den mensch eerbiedigen en vreezen; het gevolg hiervan was,

dat hij zich in de dichte, moeielijk toegankelijke wouden van het

gebergte terugtrok. In vele districten is hij reeds uitgeroeid;

daar waar hij nog voorkomt, ziet men hem slechts zelden.

Hij is een echt nachtdier en schuwt het daglicht evenzeer als de

Buidelwolf of als een van onze Uilen.

De _Buidelmarters_ (_Dasyurus_) vertegenwoordigen een afzonderlijk

geslacht. Zij houden, wat hun uitwendig voorkomen betreft, ongeveer het

midden tusschen de Vossen en de Marters, zonder evenwel met deze of met

gene een bijzonder in 't oog vallende overeenkomst te vertoonen. De

romp is slank en gestrekt, de hals tamelijk lang, de kop naar voren

toegespitst. De staart is lang, slap en gelijkmatig ruig behaard; de

pooten zijn laag en middelmatig dik; de achterste zijn iets langer dan

de voorste en missen den binnenteen; de teenen zijn vaneengescheiden

en met stevige, sikkelvormig gekromde, spitse nagels gewapend.

Een van de meest bekende soorten, de _Gevlekte Buidelmarter_

(_Dasyurus viverrinus_), is van boven vaalbruin, nu eens lichter dan

weer donkerder, en van onderen wit. De geheele bovenzijde is bezet

met onregelmatige, witte vlekken, die op den kop kleiner zijn dan

op den romp. Een volwassen exemplaar bereikt een lichaamslengte van

40 en een staartlengte van 30 cM., bij 15 cM. schofthoogte. De leden

van deze soort zijn over Nieuw-Zuid-Wales, Victoria, Zuid-Australië

en Tasmanië verbreid.

Bij voorkeur bewoont de Gevlekte Buidelmarter de wouden aan de

zeekust. Hier verbergt hij zich overdag onder boomwortels en steenen

of in holle boomstammen. Nadat de nacht is aangevangen, zwerft hij

om voedsel te zoeken ver rond. Hij vreet hoofdzakelijk doode dieren,

die door de zee aan land geworpen zijn, maar vervolgt in het woud ook

kleine Zoogdieren of op den grond nestelende Vogels; ook insecten

worden niet door hem versmaad. Het aantal jongen wisselt af van 4

tot 6.

De Buidelmarter wordt met even grooten haat vervolgd als de vroeger

genoemde Roofbuideldieren. Men vangt ze dikwijls in grooten getale in

ijzeren vallen, die met het een of ander dierlijk voedsel als lokaas

voorzien zijn. Van het gevangen dier beleeft men weinig genoegen,

daar het een van de vervelendste schepsels is.

De _Buidelmiereneter_ (_Myrmecobius fasciatus_) is de eenige

vertegenwoordiger van de tweede onderfamilie der Roofbuideldieren,

van de _Spitsbuideldieren_ (_Myrmecobiinae_). Zijn lichaam is lang,

de kop zeer spits; de achtervoeten hebben vier, de voorvoeten vijf

teenen; de achterpooten zijn iets langer dan de voorpooten, de zolen

onbehaard, de teenen van elkander gescheiden. De staart is slap,

lang en ruig. Het wijfje heeft geen buidel. Opmerkelijk is het goed

voorziene gebit; het aantal tanden bedraagt meer dan bij eenig ander

Zoogdier; hij heeft er niet minder dan 50 à 54 in iedere kaakhelft.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 14: Buideldieren; Hoofdstuk 15: Kloakdieren · 第 2 / 5 段