Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
VEERTIENDE ORDE.
DE BUIDELDIEREN (Marsupialia).
De klasse der Zoogdieren bevat naast de orden van de Apen, de
Walvischachtigen en Kloakdieren geen groep van gelijken rang, die
opmerkelijker eigenaardigheden heeft dan de orde der Buideldieren. Bij
nauwkeuriger beschouwing van deze dieren blijkt het, dat het begrip
orde, op hen toegepast, een ongewoon ruime beteekenis heeft. Onder den
naam Buideldieren worden n.l. een groot aantal, zeer uiteenloopende
familiën van Zoogdieren samengevat, die, met uitzondering van den
buidel, de voortplantingswijze en de hiervoor dienende organen weinig
met elkander gemeen hebben en veel eerder aanspraak zouden kunnen
maken op den naam van orden, die dan met elkander een afzonderlijke
onder-klasse in de klasse der Zoogdieren zouden vormen.
Het onderzoek van de bedoelde dieren, zoowel van die, welke thans
bestaan, als van die, welke in vroegere geologische tijdperken leefden,
leidt tot de gevolgtrekking, dat deze groep haar bloeitijd had in de
dagen, toen het vasteland door plompe Amphibiën (Labyrinthodonten),
de vlucht door Vliegende Hagedissen (Pterosauriërs), de zee door Draken
(Ichthyosauriërs) werd bewoond. Zeer belangrijke feiten wijzen er op,
dat de Buideldieren de slechts weinig veranderde nakomelingen van de
Zoogdieren van vroegere ontwikkelingsperioden zijn.
Wanneer men een Buideldier met een ander Zoogdier, b.v. met een
Roofdier of Knaagdier, vergelijkt, zoo bemerkt men onmiddellijk,
dat het Buideldier in alle opzichten minder ontwikkeld, minder
volkomen is dan het voor een gelijksoortige levenswijze uitgeruste
Roofdier of Knaagdier. Dit achterstaan van het Buideldier bij de
andere leden zijner klasse openbaart zich nu eens in den geheelen
lichaamsbouw, dan weer in het samenstel van sommige ledematen
of in het gebit. Men spreekt met overtuiging van den sierlijken
bouw van vele Roofdieren en Knaagdieren; bij de beschouwing van
een Buideldier komen dergelijke indrukken slechts zelden voor. Het
eene wekt hoogstens onze verwondering, maar niet onzen bijval, het
andere maakt onzen lachlust gaande, een derde boezemt ons zelfs afkeer
in. Ons door andere diervormen verwend oog ontdekt bij de beschouwing
van een Buideldier steeds de eene of andere onvolkomenheid. Bij het
onderzoeken van het gebit wordt onze meening over de beteekenis
van het dier niet gunstiger; want ook het tandenstelsel maakt,
vergeleken met dat van overeenkomstige Roofdieren en Knaagdieren,
den indruk van onvolledigheid en gebrekkigheid. Het Roofbuideldier
heeft tanden genoeg in zijn bek, deze zijn ook op soortgelijke wijze
gerangschikt als die der Roofdieren, steeds echter zijn zij minder
ontwikkeld dan deze. Wat voor de Roofbuideldieren geldt, kan ook van de
overige Buideldieren gezegd worden; de zienswijze dat zij onvolkomen,
op lagen ontwikkelingstrap verkeerende wezens zijn, komt ons dus in
alle opzichten juist voor.
Van den lichaamsbouw der Buideldieren kan weinig gezegd worden,
dat op alle toepasselijk is. De verschillende leden van deze orde
wijken meer van elkander af dan die van eenige andere orde. Aan het
gebit is natuurlijk de samenstelling der spijsverteringswerktuigen
en in zekeren zin ook de uitwendig zichtbare organisatie van het dier
geëvenredigd. Daar men onder de Buideldieren zoowel echte roofdieren
als echte graseters vindt, ja zelfs groepen, die aan de Herkauwers
herinneren, kan er bij de leden dezer orde zoo goed als geen sprake
zijn van gelijkaardigheid van gestalte. Al laten wij de grootte,
welke tusschen die van een middelmatig groot Hert en van een Spitsmuis
afwisselt, buiten rekening, toch kan men zeggen, dat geen andere orde
zulke ongelijksoortige vormen in zich vereenigt. Het komt ons daarom
overbodig voor, op deze plaats hierover iets te zeggen, wat bij het
uitwerken van de beschrijving toch herhaald zou moeten worden.--Alle
leden der orde komen door den bouw der voortplantingsorganen en door
het bezit van buidelbeenderen met elkander overeen. De bedoelde
beenderen ontstaan, doordat de pezen van de buitenste schuinsche
buikspier, die van voren op het schaambeen ontspringen, verbeenen; deze
zijn ook bij het mannetje aanwezig, maar mogen toch beschouwd worden
als geschikt om door het steviger maken van den buikwand de jongen,
die in den buidel aanwezig zijn, te beschutten tegen de drukking van
de buikingewanden van hun moeder. De buidel kan een volledige zak
zijn, maar bestaat bij andere soorten slechts uit twee huidplooien,
terwijl bij nog andere ook hiervan slechts onbeduidende sporen over
zijn. In den buidel komen de tepels voor.
Na een zeer korten draagtijd werpt het Buideldier jongen. Deze komen
in een veel minder ontwikkelden toestand ter wereld dan eenig ander
Zoogdier. Zij zijn klein, naakt en blind en hebben slechts stompjes
van ledematen. Dadelijk na de geboorte neemt de moeder hare jongen één
voor één met den bek op en legt ze in den buidel aan een tepel; hieraan
blijven zij hangen, totdat de zintuigelijke organen en de ledematen
zich ontwikkeld hebben. Bij de vormen, die met een volledigen,
zakvormigen buidel voorzien zijn, is deze voor de jongen niet alleen
een nest en toevluchtsoord, maar zelfs kan men hun verblijf hier tot op
zekere hoogte met een voortzetting van den draagtijd vergelijken. Het
Buideldier verlaat, als het een zekeren trap van ontwikkeling bereikt
heeft, van tijd tot tijd den buidel, om na een uitstapje van steeds
langer wordenden duur er in terug te keeren; zijn geheele kindsheid
door blijft het echter aan den tepel vastgehecht; bij meer dan één
lid van deze merkwaardige orde, waar de eigenlijke draagtijd slechts
één maand of iets langer aanhoudt, duurt de draagtijd in den buidel
6 à 8 maanden. Van den dag der bevruchting tot aan dien, waarop het
jong voor de eerste maal den kop uit den buidel steekt, verloopen bij
den Reuzen-Kangoeroe ongeveer 7 maanden; van dit tijdstip tot dat,
waarin het diertje voor de eerste maal den buidel verlaat, gaan nog
ongeveer 9 weken voorbij; even lang leeft het jonge wezen vervolgens
gedurende een deel van den dag in den buidel, en voor 't overige er
buiten. Bij sommige soorten is het aantal jongen zeer aanzienlijk.
De Buideldieren bewonen tegenwoordig Australië en eenige naburige
eilanden, voorts Zuid- en Noord-Amerika. In Amerika worden slechts
de leden van één familie gevonden, de meeste in de zuidelijke helft
van dit werelddeel.
Wegens den zeer verschillenden lichaamsbouw van de Buideldieren zijn
er in hun levenswijze weinige overeenkomstige verschijnselen op te
merken: sommige zijn roovers, andere voeden zich met planten; vele
leven op den vasten bodem, andere op boomen, eenige zelfs tijdelijk
in 't water; de meeste zijn nachtdieren, sommige zijn ook over dag
werkzaam. Onder de Roofbuideldieren zijn er, die zeer behendig loopen
en klimmen; vele planteneters kunnen vlug en langen tijd achtereen
springen; wanneer men ze echter met de hooger ontwikkelde roovende
en plantenetende Zoogdieren vergelijkt, zal men duidelijk opmerken,
dat de beide eerstgenoemde groepen bij de laatstgenoemde achterstaan;
zelfs het volkomenste Roofbuideldier kan zich, wat de geschiktheid tot
beweging betreft, in de verste verte niet meten met het Roofdier. Ieder
Buideldier is in vergelijking met het hooger ontwikkelde Zoogdier,
waarmede het ten naastenbij op één lijn gesteld kan worden, een
geesteloos wezen, dat zoomin voor ontwikkeling als voor veredeling
vatbaar, zoomin voor africhting als voor onderrichting toegankelijk
is. De onvolkomenheid, ruwheid en plompheid der Buideldieren komt
vooral dan aan den dag, als men op hunne geestelijke eigenschappen
let. Onverschilligheid jegens de omgeving, tenzij het een buit
betreft, die misschien overmeesterd zou kunnen worden, het gemis
aan deelneming in de meest verschillende omstandigheden, het
ontbreken van gehechtheid, liefde en vriendschap schijnen aan alle
Buideldieren eigen te zijn. Onverschilligheid toont zelfs de moeder
jegens hare jongen, hoewel zij zich met deze meer en langer bezig
houdt dan eenig hooger ontwikkeld dier. Het blijkt den opmerkzamen
onderzoeker, dat handelingen, die, naar men zou kunnen meenen,
moederliefde en teederheid verraden, werktuigelijk plaats hebben,
niet met zelfbewustzijn geschieden.
Het voedsel der Buideldieren is uitermate verschillend. Alle
soorten, die op Roofdieren gelijken, maken jacht op andere dieren,
eten Schelpdieren, Visschen en wat de zee verder nog uitwerpt,
of vreten aas van landdieren; de kleinere soorten vangen Vogels,
Insecten en Wormen; de planteneters voeden zich met vruchten, bladen,
grassen en wortels, die zij afplukken of uitdelven. Gene veroorzaken
velerlei schade en ergernis, daar zij de kudden vervolgen, 's nachts
in de hoenderhokken doordringen en soortgelijke misdrijven plegen;
de overige soorten kan men eigenlijk ternauwernood lastig noemen,
omdat de blanke landverhuizer, die het land in bezit neemt, ze zoo
schielijk mogelijk uitroeit, minder met een bepaald doel voor oogen,
dan wel tot bevrediging van zijn jachtlust. Over 't algemeen is
zoomin het nut als het nadeel dat de Buideldieren teweegbrengen,
van noemenswaardig belang. Slechts van weinige worden het vleesch en
het vel gebruikt, met de overige weet men niets aan te vangen.
De 6 familiën, 37 geslachten en 151 soorten, die Thomas in het jaar
1888 onderscheiden heeft, kunnen verdeeld worden over twee door het
gebit gekenmerkte onderorden: de _Planteneters_ en de _Vleescheters_.
De _Plantenetende Buideldieren_ (_Diprotodontia_) hebben in de
onderkaak aan weerszijden slechts één grooten, min of meer horizontaal
gerichten snijtand. De hoektanden ontbreken geheel, of zijn klein en
zwak. Zij worden over drie familiën verdeeld.
De leden van de eerste familie--de _Springbuideldieren_
(_Macropodidae_) kenmerken zich door hun gebit en hun meestal zeer
eigenaardige gedaante. Elke bovenkaakshelft bevat in den regel drie
snijtanden, waarvan de voorste de grootste is; slechts bij uitzondering
volgt hierop één hoektand; in elke onderkaakshelft is slechts één
breede, beitelvormige snijtand aanwezig; de hoektand ontbreekt hier
steeds; bovendien worden in iedere kaakhelft 1 valsche kies en 4 ware
maaltanden gevonden. De Springbuideldieren bewegen zich, zooals hun
naam te kennen geeft, meestal springend; eenige soorten zijn evenwel
in staat in de boomen te klimmen.
De onderfamilie van de _Kangoeroes_ (_Macropodinae_) bevat, behalve de
reuzen van de geheele orde, ook dieren ter grootte van een Konijn. Van
alle is de gestalte hoogst opmerkelijk. Wegens de buitengewoon krachtig
gebouwde achterste ledematen, neemt de romp van voren naar achteren
in omvang toe en is in de lendestreek het meest ontwikkeld; met deze
vergeleken zijn de borst en de kop bijzonder slank. Het achterste
gedeelte van het lichaam moet zoo zwaar gebouwd en sterk gespierd zijn,
omdat de beweging van het dier bijna uitsluitend met de zeer lange en
forsche achterpooten en den kolossalen staart geschiedt. Het gebruik
van de voorste ledematen bij de voortbeweging en bij het opnemen van
voedsel is zeer beperkt. De achterpooten en de staart daarentegen
stellen het dier in staat zich springend te verplaatsen, en zijn
daarom ongetwijfeld de meest eigenaardige deelen van zijn geheele
lichaam. Het bovenbeen is zeer sterk gespierd, het onderbeen zeer lang;
het hielbeen heeft een zeer lang hieluitsteeksel, voor 't overige is de
voetwortel niet sterk ontwikkeld; de middelvoet daarentegen bevat vier
zeer lange beenderen, waarmede vier drieledige teenen verbonden zijn,
daar de binnenste of eerste (die met onzen grooten teen overeenstemt)
ontbreekt; de tweede en de derde zijn tot aan den nagel met elkander
vergroeid; de derde is grooter; de vierde of buitenste is de langste;
alle teenen zijn met hoefvormige nagels voorzien, die van den vierden
is buitengewoon groot.--De staart is naar verhouding dikker en langer
dan bij eenig ander Zoogdier en zeer sterk gespierd. In vergelijking
met deze kolossale lichaamsdeelen zijn de voorste ledematen slechts
onbeduidende grijporganen, waarmede echter niet bedoeld wordt, dat
zij, wat hun geschiktheid tot beweging betreft, onontwikkeld zouden
zijn. Zij hebben vijf teenen, welker nagels rond, middelmatig groot en
ongeveer van gelijke lengte zijn. De Kangoeroe gebruikt deze ledematen
bij wijze van handen; de duim kan bij hem echter niet tegenover de
overige teenen gesteld worden.--De kop houdt door zijn uitwendigen vorm
ongeveer het midden tusschen dien van een Hert en dien van een Haas.
Het vasteland van Australië en de naburige eilanden zijn het vaderland
van de Kangoeroes; de uitgestrekte grasrijke vlakten in het midden van
dit werelddeel zijn uitmuntend voor hun levenswijze geschikt. Eenige
soorten verkiezen met struiken begroeide gewesten, andere rotsachtige
gebergten boven deze op parken gelijkende grasvlakten; nog andere
geven de voorkeur aan het verblijf in ondoordringbaren wildernissen,
waarin zij eerst door het afbreken van takken en twijgen loopgraven
moeten maken, of leven, hoe ongeloofelijk dit met het oog op hun
lichaamsbouw ook moge schijnen, op de rotsen en boomen zelf. De meeste
soorten zijn over dag in beweging; de kleinere vormen hebben echter
een nachtelijke levenswijze, en verbergen zich over dag in ondiepe
kuilen, waarin zij telkens terugkeeren. Enkele bewonen rotskloven, die
zij geregeld weer opzoeken, wanneer zij uit geweest zijn om te laveien.
De Kangoeroes behooren ongetwijfeld tot de meest opmerkelijke
Zoogdieren. Bij hen is eigenlijk alles vreemdsoortig: hunne
bewegingen en de manier waarop zij rusten, de wijze waarop zij zich
voedsel verschaffen, hun voortplanting, hun ontwikkeling en hun
geestestoestand. Hun gang, dien men vooral kan waarnemen, terwijl zij
aan 't grazen zijn, is een log en gebrekkig gehompel. Het dier steunt
dan op de handpalmen, en trekt de achterpooten bij, totdat zij naast
de voorpooten staan. Gedurende deze beweging moet het op den staart
steunen, omdat het anders de lange achterpooten niet hoog genoeg zou
kunnen optillen. De Kangoeroe blijft echter in deze voor hem hoogst
ongemakkelijke houding nooit langer dan volstrekt noodig is. Zelfs bij
het afbijten van 't voedsel zit hij in den regel op de achterpooten
en den staart, en laat de voorpooten slap naar beneden hangen. Zoodra
hij de een of andere lievelingsplant heeft afgeplukt, richt hij zich
op, om haar in de gewone houding op te eten. Hierbij steunt de romp
op de zolen der beide achterste ledematen, en tevens op den naar
achteren gerichten, stevig tegen den grond gedrukten staart, waardoor
het lichaam veilig en gemakkelijk als op een drievoet rust. Bij het
slapen nemen de kleinere soorten een soortgelijke houding aan als de
Haas in zijn leger; zij rusten, dicht tegen den bodem aangedrukt,
op alle vier pooten en den in overlangsche richting onder den romp
uitgestrekten staart. Door deze houding zijn zij in staat te allen
tijde onmiddellijk op de vlucht te gaan.
Als een Kangoeroe een verdacht verschijnsel opmerkt, denkt hij in de
eerste plaats aan de vlucht. Hierbij toont hij zich in zijn volle
kracht. Niet anders dan springende kan hij zich snel bewegen; hij
doet dit uitsluitend met de achterpooten; de sprongen, die hij maakt,
overtreffen door hun wijdte die van alle overige Zoogdieren. Hij houdt
zijne voorvoeten dicht bij de borst, strekt den staart achterwaarts,
buigt de lange, slanke en veerende achterpooten met de volle kracht
van zijne kolossale dijspieren naar den bodem, strekt ze plotseling,
terwijl hij het lichaam vooroverbuigt, en schiet nu, een zwak gekromde
booglijn volgend, als een pijl door de lucht. De eene sprong volgt
onmiddellijk op den anderen; alle zijn minstens 3 M., bij de grootste
soorten echter niet zelden 6 à 10 M. wijd en dan 2 à 3 M. hoog. Zelfs
van gevangen exemplaren worden, als men ze in een groote, omheinde
ruimte heen en weer jaagt, soms sprongen van 8 M. waargenomen.
Het is licht te begrijpen, dat er een uitmuntende Hond noodig is om
een Kangoeroe te volgen, en werkelijk zijn maar weinige Jachthonden
hiertoe in staat. Op een begroeid terrein komt aan de vervolging zeer
spoedig een einde, want de vluchtende Kangoeroe springt gemakkelijk
over de op zijn weg voorkomende struiken heen, terwijl de Hond er om
heen loopen moet. Op een oneffen bodem beweegt hij zich langzamer;
vooral kost het hem moeite om bij hellingen naar beneden te gaan,
omdat hij hier wegens de hevigheid van den sprong licht over den kop
buitelt. Uren lang kan het dier trouwens deze bewegingswijze volhouden
zonder vermoeid te worden.
Onder de zintuigen van den Kangoeroe speelt het gehoororgaan
vermoedelijk de belangrijkste rol; men bemerkt althans bij gevangen
exemplaren een voortdurende beweging van de ooren ongeveer als bij
onze Herten. Het gezichtsvermogen is zwakker en de reuk waarschijnlijk
tamelijk weinig ontwikkeld. Een Engelsche jager, die zijne ervaringen
onder den pseudonym "_the old Bushman_" te boek gesteld heeft, bericht
evenwel, dat deze dieren uitstekend kijken, luisteren en speuren,
maar voegt er bij, dat zij, evenals de Hazen, de voorwerpen op hun weg
slecht waarnemen en als 't ware blindelings op den mensch toeijlen,
indien deze zich maar niet beweegt, waaruit dus blijkt, dat hunne
zinnen geenszins bijzonder goed ontwikkeld kunnen zijn. Nog veel minder
kan dit van hunne geestvermogens gezegd worden. De Kangoeroe's vormen
onder de Buideldieren een uitzondering, maar zijn in hooge mate arm
van geest; zelfs het Schaap staat in dit opzicht ver boven hen. Door
elk ongewoon verschijnsel verliezen zij hun kalmte, daar zij niet
in staat zijn nieuwe toestanden spoedig te overzien. Hunne hersenen
arbeiden langzaam; elke indruk, dien zij ontvangen, dringt eerst na
verloop van eenigen tijd tot hun begrip door. De in vrijheid levende
Kangoeroe stormt, wanneer een gevaar hem bedreigt, of wanneer hij er
een vermoedt, blindelings regelrecht vooruit, laat zich ternauwernood
weerhouden, en doet dan soms sprongen, waarbij hij, volgens den
hierboven aangehaalden onderzoeker, de sterke beenderen van de pooten
breekt. De gevangen Kangoeroe acht een nieuw perk in de hoogste mate
gevaarlijk. Hoewel hij tusschen het ijzeren traliewerk opgegroeid
is, zal hij toch hiertegen zich den kop te bersten springen, wanneer
hij in een nieuw perk wordt gebracht. Om dit te verhoeden moet zijn
oppasser hem dagen van te voren in een stal opsluiten, waar hij zijn
domme kop niet beschadigen kan en tevens gelegenheid heeft om zijn
nieuwe verblijfplaats in oogenschouw te nemen. Langzamerhand begint
hij dan te begrijpen, dat het nieuwe perk toch in hoofdzaken met het
oude overeenstemt, langzamerhand geraakt hij aan deze ruimte gewoon,
langzamerhand kiest hij zich hierin een bepaald pad uit. Gesteld, dat
in een perk daarnaast intusschen andere Kangoeroe's zijn komen wonen,
dan zal de nieuweling ze aanvankelijk voor verschrikkelijke wezens
aanzien en zullen deze evenzoo denken over hem. Later trouwens vechten
Kangoeroe's van dezelfde soort of van verschillende soorten door de
traliën heen hevig met elkander; voor lage hartstochten, zooals haat
en nijd, zijn zelfs Kangoeroe-hersenen voldoende ontwikkeld. Hoewel
het in gevangenschap levende Springbuideldier zijn oppasser leert
kennen, bestaat er reden om te betwijfelen, dat het hem van andere
personen onderscheidt. Met de menschen in 't algemeen, maar niet met
één bepaald persoon, geraakt het langzamerhand eenigermate vertrouwd;
de vreesachtigheid, die het aanvankelijk toont, wordt althans allengs
afgelegd; tot het aanknoopen van echte vriendschapsbanden komt het
echter nooit.
De Kangoeroe's vermenigvuldigen zich niet sterk. De groote soorten
werpen zelden meer dan één jong. In weerwil van de aanzienlijke
grootte van eenige Kangoeroe's is de draagtijd van de wijfjes verbazend
kort, die van den Reuzen-Kangoeroe b.v. slechts 39 dagen. Na afloop
van dezen tijd wordt het jong geboren; de kiemtoestand, volgens de
eigenlijke beteekenis van het woord, is dan geëindigd. De moeder
neemt het met den mond op, opent met beide handen den buidel en
legt het kleine, onoogelijke wezen aan een van hare tepels. 12 uren
na de geboorte heeft de jonge Reuzen-Kangoeroe een lengte van iets
meer dan 3 cM. bereikt. Het staat nu echter nog op geen hoogeren
ontwikkelingstrap dan die, waarop de kiemen van de Zoogdieren der
vroeger beschreven orden lang vóór hun geboorte zich bevinden: het
is volkomen onrijp, doorschijnend, week, wormachtig; zijne oogen zijn
gesloten, de ooren en de neusgaten maar even aangeduid, de ledematen
nog niet volkomen duidelijk herkenbaar. Tusschen het kind en de moeder
schijnt dan niet de minste overeenkomst te bestaan. Juist de voorste
ledematen zijn 1/3 langer dan de achterste. In sterk gekromde houding,
den korten staart tusschen de achterpooten door naar boven gebogen,
hangt het aan den tepel, zonder waarneembare beweging, buiten staat
zelfs om te zuigen. Zoodra het aan den tepel is gelegd, zwelt deze
zoo sterk op, dat de groote lippen hem, de gezwollen tepelbasis
daarentegen den mond nauwkeurig omsluiten. Voorzoover men thans
weet, zuigt de jonge Kangoeroe in 't geheel niet, maar wordt zonder
eenige inspanning zijnerzijds met melk verzorgd, daar deze hem door
samentrekkingen van den tepel wordt ingespoten. Bijna 8 maanden lang
krijgt het uitsluitend in den buidel voedsel; reeds een weinig eerder
steekt het van tijd tot tijd den kop daarbuiten, maar is ook dan nog
niet in staat zich zelfstandig te bewegen.
Men heeft opgemerkt, dat een jonge Kangoeroe, die met geweld van
den tepel was afgetrokken, of er toevallig afviel, na verloop van
een lange tusschenpoos zich weder vastzoog. Leisler verhaalt, dat
een iets verder ontwikkeld jong, dat, reeds bijna koud, op het stroo
gevonden was, toen het aan den tepel werd gezet, verder groeide. Uit
de overige en nieuwste waarnemingen blijkt, dat de Kangoeroe, wanneer
hij eens een zekere grootte bereikt heeft, zeer snel groeit, vooral na
het tijdstip waarin de haren verschijnen. Hij is dan in staat om zijne
lange ooren, die vóór dien tijd slap bij het kopje naar beneden hingen,
op te richten. Van nu af vertoont hij zich zeer dikwijls, wanneer
de moeder rustig zit. Het kopje wordt buiten den buidel gestoken,
de oogen waren rond, de armpjes woelen reeds in 't hooi rond en het
diertje begint zelfs er van te eten. De moeder geeft nog wel steeds
blijken van bezorgdheid voor het jong, maar is toch niet meer zoo
beangst voor zijn veiligheid als vroeger. In den beginne duldt zij
slechts met zeer grooten tegenzin pogingen om het jong in den buidel
te zien of aan te raken. Ook het diertje zelf is zeer schroomvallig
en keert bij de minste stoornis in den buidel terug. Hier zit het
trouwens volstrekt niet altijd rechtop, maar neemt alle mogelijke
standen aan. Men ziet het met den kop buiten den buidel, terwijl tevens
de beide achterpooten en de staart er uit steken; soms ziet men alleen
de beide laatstgenoemde lichaamsdeelen en niet den kop. Een aardig
schouwspel is het te zien, hoe de moeder, als zij verder springen wil,
het jong, dat het kopje buiten den buidel steekt, er in terugdrijft:
zij geeft het diertje als het niet spoedig gehoorzaamt, een zachten
tik met de handen. Geruimen tijd nadat het jong zich voor de eerste
maal vertoond heeft, verlaat het af en toe zijn schuilplaats en zwerft
naast de moeder in de vrije natuur rond; nog lang daarna vlucht het
echter, en zoodra het gevaar vreest, in den buidel terug. Het komt
dan met kolossale sprongen op de moeder af en stort zich, zonder ook
maar een oogenblik op te houden, hals over kop in den half geopenden
buidel van de rustig op hare achterpooten zittende oude, keert zich
om en kijkt door de opening van den buidel naar buiten.
In hun vaderland zijn de Kangoeroes het belangrijkste wild; met
hartstochtelijken ijver wordt jacht op hen gemaakt door de Roofdieren
zoowel als door de menschen, door de inboorlingen zoowel als door
de blanken. De kleurlingen trachten zoo voorzichtig mogelijk een
gezelschap grazende Kangoeroe's te naderen, en hebben er meesterlijk
slag van ze zoo te omsingelen, dat althans eenige exemplaren van
den troep hen ten buit vallen. Bovendien verstaan de Australiërs
de kunst om allerlei strikken en vangnetten te vervaardigen en op
doelmatige wijze te plaatsen. Een veel grootere slachting dan door
de inboorlingen onder de Kangoeroe's wordt aangericht, is het gevolg
van de jachtlust der blanken. Alle denkbare middelen worden toegepast
om deze dieren uit te roeien: men vangt ze in strikken, doodt ze met
het geweer, hitst ze met Honden. Dit geschiedt alleen uit overmoed,
want de gevelde dieren laat men in 't woud verrotten. "Om deze
reden," schrijft _"the old Bushman"_, "zijn de Kangoeroes in de
nabijheid van alle steden en volksplantingen van eenige beteekenis
reeds uitgeroeid. Als deze wilde jacht op dezelfde wijze voortduurt,
zal het tijdstip niet ver meer zijn, dat zij ook in het binnenland
tot de zeldzame Zoogdieren zullen behooren. Ik kan niet inzien,
dat zij op de uitgestrekte, met gras begroeide vlakten zooveel
schade aanrichten. In de nabijheid van ontginningen worden zij wel
is waar lastiger dan bij ons de Hazen en Konijnen, maar ook dit is
geen reden om ze op zulk een onverstandige wijze te vervolgen. Des
nachts komen zij over de omtuiningen en verslinden de planten; een paar
wildverschrikkers zijn echter voldoende om ze te weren. Zij verdienen
meer waardeering dan hun ten deel valt. Ik wil niet ontkennen,
dat hun vel en vleesch minder waarde hebben, dan die van ons Hert:
de geringschatting, die men er in Australië voor toont, is echter
overdreven. Velen achten het vleesch voor niet veel beter dan aas en
willen het om niet ternauwernood aannemen, zelfs op plaatsen waar
rundvleesch en schapenvleesch betrekkelijk duur zijn; voor het vel
willen de opkoopers niet meer geven dan 90 cents. Ik kan echter op
grond van eigen ervaring verzekeren, dat dit vleesch volstrekt niet
slecht smaakt, en dat het vel minstens even goed, ja zelfs fijner dan
kalfsleder is. De menschen beweren dat dit vleesch niet voedzaam is;
ik acht deze meening geheel onjuist. Mijn oude tentkameraad en ik
leefden van Kangoeroevleesch, zoolang wij in 't bosch waren en deden
toch ons werk zoo goed als iemand anders. Wel wil ik niet tegenspreken,
dat dit vleesch bij dat van ons wild achterstaat, daar het droog en
flauw, zeer bloedrijk en donker van kleur is; het smaakt ook minder
goed dan schapenvleesch; ik houd echter vol, dat men het niet behoeft
te verachten en dat vooral de staart een uitmuntende soep oplevert.
"Welgestelde kolonisten zijn gewoon den Kangoeroe te jagen met
een meer bepaaldelijk hiervoor geschikt ras van Jachthonden. Deze
brengen het dier weldra ten val, vooral wanneer de grond vochtig is;
zij weten buiten het bereik te blijven van de gevaarlijke wapens
van het vervolgde dier. Niet altijd n.l. valt het ten buit aan
zijne vijanden zonder strijd; want ook deze vreedzame kruideneter
heeft middelen om zich te verdedigen. Zijn sterkte is gelegen in
de gespierde achterpooten, welker middelste teen, zooals men weet,
een scherpen nagel draagt. Met dezen brengt hij zijne vijanden
gevaarlijke wonden toe. Jonge Honden geraken in den regel binnen
het bereik van de achterklauwen; eenige diepe wonden of slagen van
den met de achterpooten zich verwerenden Kangoeroe leeren hun echter
weldra voorzichtigheid. In geval van nood tracht het dier zich ook
met de tanden te verdedigen."
Alle soorten van Kangoeroes berusten zonder veel bezwaar in de
gevangenschap, kunnen met hooi, groen voer, rapen, graan, brood en
dergelijke voedingsmiddelen gemakkelijk in 't leven gehouden worden,
verlangen in den winter geen bijzonder warmen stal en planten zich,
bij doelmatige verzorging, in hun gevangenis voort.
Voor eenige jaren heeft Philipp _baron Von_ Böselager getracht
Bennet's _Wallaby_ in Duitschland te acclimatiseeren; dit geschiedde
in de Rijnprovincie in een bosch van 500 hectare oppervlakte bij
Heimerzheim. Naar men bericht, kunnen deze Kangoeroes in hun nieuw
vaderland goed aarden en vermenigvuldigen zich hier. Misschien zijn
eenige wel wederrechtelijk geschoten en andere ontvlucht (naar gezegd
wordt, hebben een aantal van deze dieren zich in den Eifel gevestigd),
maar toch kon onze zegsman in de lente van 1890 in de jagerscourant
"der Weidmann" berichten: "Het is dus een feit, dat wij een stam
van hier geacclimatiseerde Kangoeroes bezitten, die zich geregeld
voortplanten en welker aantal vermoedelijk gestadig zal toenemen."
De _Reuzenkangoeroe_ (_Macropus giganteus_), de _Boomer_ der
Australische kolonisten, behoort tot de grootste soorten van
de familie. Zeer oude mannetjes hebben in zittende houding bijna
manshoogte; hun lengte bedraagt omstreeks 3 M., waarvan 90 cM. voor
den staart gerekend moeten worden; hun gewicht varieert tusschen
100 en 150 KG. Het wijfje is gemiddeld een derde kleiner dan het
mannetje. De vacht is goed gevuld, dicht, glad en zacht, bijna wollig,
de kleur een moeilijk te omschrijven bruin, met grijs gemengd. De
voorarm, het onderbeen en de voetwortel zijn wit of grijsachtig wit,
de teenen zwartachtig; de kop heeft dezelfde kleur als de rug met
donkere strepen op de zijden; de staart is bruinachtig, wordt naar
de spits toe allengs donkerder en is aan de spits zwart.
Cook ontdekte deze Kangoeroe-soort in 1770 aan de kust van
Nieuw-Zuid-Wales en gaf haar den thans gebruikelijken naam in
overeenstemming met dien, welke de inboorlingen haar gaven. Het
dier leeft in met gras begroeide oorden of in de schraal bezette
struikbosschen, die men in Australië zoo veelvuldig vindt. In het
kreupelhout begeeft het zich vooral gedurende den zomer om zich tegen
de heete middagzon te beveiligen. Tegenwoordig is dit dier door de
aanhoudende vervolgingen tot ver in het binnenland teruggedrongen
en ook hier begint het zeldzamer te worden. Het leeft in troepen,
maar is niet zoo gezellig, als men aanvankelijk op grond van een
toevallige vereeniging van verscheidene familiën meende. Gewoonlijk
ziet men ze slechts bij drieën of vieren bijeen; tusschen de leden
van dit gezelschap bestaat zulk een los verband, dat eigenlijk geen
hunner zich om de overige bekommert; ieder gaat onafhankelijk van
de andere zijn eigen weg. Op een buitengewoon goeden weidegrond
komen zij in grooten getale te zamen, om zich weder van elkander te
scheiden, wanneer het hier aanwezige voedsel opgebruikt is. Vroeger
meende men, dat de mannetjes als aanvoerders van den troep optraden,
waarschijnlijk, omdat zij wegens hun aanzienlijke grootte voor dit
ambt geschikt schenen; deze onderstelling is echter gebleken onjuist
te zijn. Volgens alle berichten is de Reuzenkangoeroe in hooge mate
schuw en vreesachtig; slechts zelden gelukt het den mensch hem op
de gewenschte wijze te naderen. Tegenwoordig ziet men hem zeldzamer
bij ons in gevangenschap dan vroeger, toen hij in zijn vaderland
veelvuldiger voorkwam. Bij goede verzorging kan men hem lang in
't leven houden; enkele exemplaren leefden 10 à 25 jaren in Europa.
Bewoners van 't gebergte zijn de _Bergkangoeroe_'s (_Petrogale_),
o.a. de hierboven afgebeelde _Geelvoetkangoeroe_ (_Petrogale
xanthopus_) en de Zuid-Australische _Rotskangoeroe_ (_Petrogale
penicillata_). De laatstgenoemde bereikt, met inbegrip van den aan
de spits ruigen staart, die ongeveer even lang is als het overige
lichaam, een lengte van 1.25 M. en is donker purpergrijs, aan de zijden
witachtig bruin, van achteren zwart, van onderen bruin of geelachtig.
De Rotskangoeroe bewoont in vrij grooten getale de gebergten van
Zuid-Australië; men ziet hem echter niet dikwijls, omdat hij een
vriend van den nacht is, en slechts uiterst zelden vóór zonsondergang
uit donkere holen en gangen van tusschen de rotsen te voorschijn
komt. De behendigheid, die hij bij het klimmen langs de rotswanden
toont, zou een Aap alle eer aandoen. Door zijn vaardigheid in 't
klimmen is hij beter dan al zijne verwanten tegen de vervolgingen
van den mensch en van andere vijanden gevrijwaard. In den laatsten
tijd heeft men verscheidene malen Rotskangoeroe's levend naar Europa
gebracht; men ziet ze tegenwoordig in vele dierentuinen. Hun lust in
't klimmen buiten rekening gelaten, onderscheiden hunne handelingen
zich niet van die hunner verwanten.
De geschiktheid tot klimmen van de Springbuideldieren is het
grootst bij de vier soorten van _Boomkangoeroe_'s (_Dendrolagus_),
die Nieuw-Guinea en het noorden van Queensland bewonen. De groote
en krachtige voorste ledematen, die maar weinig onderdoen voor de
achterpooten, zijn een kenmerkende eigenschap van dit geslacht. De
_Beerachtige Kangoeroe_ (_Dendrolagus ursinus_) van Nieuw-Guinea is
een tamelijk groot dier van 1.25 M. lichaamslengte, waarvan meer dan
de helft voor den staart gerekend moet worden.
Alle onderzoekers verklaren eenstemmig, dat men zich geen merkwaardiger
schouwspel kan denken, dan dat van een Boomkangoeroe, die zich vroolijk
op de takken beweegt en bijna alle klauterkunsten vertoont, die bij
andere klimmers uit de klasse der Zoogdieren waargenomen worden. Met
de grootste gemakkelijkheid klimt dit dier bij de boomstammen op;
met de vastheid van beweging van een Eekhoorn, gaat hij naar boven en
naar beneden; toch maakt hij daarboven zulk een vreemden indruk, dat
iedere toeschouwer als 't ware verbluft is, wanneer het donkerharige,
langpootige dier onverwachts van den bodem af bij een boom ophuppelt en
zich daar te midden van de heen en weer schommelende takken beweegt. In
overeenstemming met zijn verblijfplaats voedt het zich hoofdzakelijk
met bladen, knoppen en uitspruitsels van boomen; waarschijnlijk eet
het ook vruchten. In gevangenschap ziet men het zelden.
De kleine Springbuideldieren noemt men _Kangoeroeratten_
(_Potoroinae_). Zij gelijken nog zeer op hare grootere verwanten,
maar onderscheiden zich van deze, behalve door de geringere grootte,
door den langen nagel aan den middelsten teen van de voorste ledematen
en hoofdzakelijk door het gebit. Deze onderfamilie is tot het vasteland
van Australië en tot Tasmanië beperkt.
Een van de grootste soorten van Kangoeroeratten is de _Opossumrat_
(_Bettongia penicillata_), een dier van de grootte van een Konijn,
met zeer korte, ronde ooren en tamelijk lange haren. De kleur van
de bovendeelen is grijsbruin, zwart en wit gespikkeld, die van de
onderdeelen vuilwit of geelachtig. De Opossumrat is zeer goed kenbaar
aan een kam van lange, zwarte, ruige haren op het laatste derde
gedeelte van den staart. Haar totale lengte bedraagt 67 cM., waarvan
31 cM. voor den staart gerekend moeten worden. Zij bewoont het geheele
vasteland van Australië met uitzondering van de noordelijke districten.
"Evenals de overige soorten van dit geslacht," bericht Gould, "graaft
de Opossumrat een hol in den bodem, om daarin haar dikwandig, uit
gras samengesteld nest te bouwen; het uiterlijk van dit nest stemt
zoo volkomen met dat van de omgeving overeen, dat men het zonder
zeer zorgvuldig onderzoek stellig over 't hoofd ziet. Op een zeer
opmerkelijke wijze brengen deze Dwergkangoeroes het dorre gras,
dat voor den nestbouw moet dienen, bijeen. Zij maken hiertoe gebruik
van den staart, die voor 't grijpen zeer geschikt is. Het dier vat
er een bos gras mede aan en sleept het naar de bepaalde plaats; hoe
vreemd en grappig dit gelijkt, kan men zich licht voorstellen. Ook
in den gevangen staat sleepen zij op deze wijze de materialen voor
hun leger bijeen."
De _Kangoeroerat_ (_Potorous tridactylus_) is kenbaar aan haar
langwerpigen kop, korte pooten en rattenstaart. Haar lichaamslengte
bedraagt 40 cM., de lengte van den staart 25 cM. De romp is kort en
gedrongen, de hals dik, de staart lang, plat, tamelijk sterk geringd
en geschubd, en nog schraal begroeid met eenige korte en stijve haren,
ten deele echter naakt. De lange, losse, zwak glanzige vacht is van
boven donkerbruin, aan de onderzijde vuilwit of geelachtig wit.
De koloniën Nieuw-Zuid-Wales, Victoria, Zuid-Australië en Tasmanië
zijn het vaderland van de Kangoeroerat. Zij houdt veel van streken,
die slechts hier en daar met struiken begroeid zijn, en vermijdt het
open veld. Op hare woonplaatsen graaft zij tusschen graspollen een
kuil in den grond, bekleedt deze zorgvuldig met droog gras en hooi,
en slaapt hier, gewoonlijk in gezelschap van eenige soortgenooten,
gedurende den geheelen dag; want ook zij is een echt nachtdier,
dat eerst tegen zonsondergang te voorschijn komt.
De bewegingen van de Kangoeroerat verschillen aanmerkelijk van die
der echte Kangoeroes. Zij loopt geheel anders en met veel meer gemak
dan deze, meer op de wijze van de Springmuizen, dat wil zeggen, door
de achterpooten één voor één en niet gelijktijdig te bewegen. Ook
door haar voedingswijze verschilt zij van hare vroeger beschreven
verwanten. Zij graaft hoofdzakelijk knollen, wortels en andere
onderaardsche plantendeelen uit, en richt hierdoor op de bouwlanden
dikwijls een gevoelige schade aan. Sedert er diergaarden bestaan,
komt de Kangoeroerat niet zelden levend naar Europa. Zij blijft
gezond bij zeer eenvoudig voedsel en heeft volstrekt geen bijzondere
beschutting noodig. Een met hooi gevoerde kist of een klein hokje op
den grond is voldoende voor haar; als men haar geen woning verschaft,
graaft zij er zelf een en bekleedt deze zorgvuldig met gras, bladen
en hooi, zooals zij in haar vaderland gewoon is te doen.
De familie van de _Klimbuideldieren_ (_Phalangeridae_) omvat dieren,
die op boomen leven; voor 't meerendeel eten zij planten, ten
deele echter vleesch en Insecten. Zij wordt in drie onderfamiliën
verdeeld: de _Buidelberen_, de _Phalangisten_ (Koeskoes en Koesoe)
en de _Vliegende Buideldieren_. Alle hebben vijf teenen aan de voor-
en achtervoeten, een enkelvoudige maag en een goed ontwikkelden
buidel, die zich naar voren opent. De tweede en de derde teen van
de achtervoeten zijn met elkander vergroeid, de vierde teen is de
langste, de eerste teen mist den nagel en heeft de eigenschap van
een duim, daar hij tegenover de andere teenen geplaatst kan worden;
de teenen der voorvoeten zijn vrijwel gelijk aan elkander.
De eerste onderfamilie (_Phascolarctinae_) bevat slechts één
geslacht en dit slechts één soort, n.l. den _Koala_ of _Buidelbeer_
(_Phascolarctus cinereus_), een der merkwaardigste leden van de
geheele orde. De staartlooze romp is gedrongen gebouwd, de zeer dikke
kop eindigt in een korten snuit, de mond is met wangzakken voorzien,
de ooren zijn groot en ruig behaard; zoowel aan de voorste als aan
de achterste ledematen komen echte grijpvoeten voor, ieder met vijf
teenen. De beide binnenste teenen van de voorvoeten kunnen tegenover
de drie overige geplaatst worden; de achtervoeten hebben een stevigen,
ongenagelden, maar tegenoverstelbaren duim; de overige teenen zijn met
scherpe, lange, gekromde nagels voorzien en hierdoor voor 't klimmen
geschikt; zij zijn zeer ongelijk van lengte. Aan het gebit valt op te
merken, dat de snijtanden van de bovenkaak ongelijk zijn: de voorste
van de twee, die in iedere kaakhelft voorkomen, is de grootste en
dikste; de hoektanden zijn klein; de kroon van de maaltanden is van
knobbels voorzien.
De naam "Buidelbeer" is goed gekozen, daar de Koala zoowel door zijn
gestalte, als door zijn gang en zijn geheele houding duidelijk aan
den jongen Beer herinnert. Zijn lengte bedraagt ongeveer 60 cM.,
de schofthoogte ongeveer de helft. De kleur van de bovendeelen is
roodachtig aschgrauw, die van de onderdeelen geelachtig wit; de
buitenzijde van de ooren is zwartachtig grijs.
Het verbreidingsgebied van den Buidelbeer strekt zich uit over
Oost-Australië en in Queensland tot aan Victoria. Hij komt
nergens veelvuldig voor en is daarom ook nog tamelijk weinig
bekend. Paarsgewijs (een mannetje en een wijfje) bewegen deze
dieren zich in de hoogste boomen, zoo langzaam, dat men ze ook wel
"Australische Luiaard" noemt. Een deel van den dag brengt de Koala
slapend door, diep verborgen in de kroon van de eucalyptus-boomen,
die zijn liefste verblijfplaats vormen; op deze wijze vrijwaart
hij zich tegen de felste zonnehitte en het schelste licht; hij
heeft dus een half-nachtelijke levenswijze. Tegen den avond begint
zijn maaltijd. Rustig en niet gestoord door de overige bewoners
der wildernis, bijt hij dood op zijn gemak met de snijtanden de
jonge bladen en uitspruitsels van de takken af, die hij met zijne
voorpooten vasthoudt.
Zonder groote moeite kan dit stompzinnige dier gevangen worden;
gelaten schikt het zich in het onvermijdelijke en dus ook in de
gevangenschap. Hier wordt het zeer spoedig tam, leert spoedig zijn
verzorger kennen en toont dezen ook een zekere gehechtheid.
Voorzoover men weet, werpt het wijfje slechts één jong. De moeder
sleept haar kind, nadat het den buidel ontgroeid is, nog langen
tijd op den rug of op de schouders mede, en behandelt het met groote
zorg en liefde. De Europeanen kennen den Koala eerst sedert het jaar
1803. Door de inboorlingen wordt hij _Goriboen_ genoemd en van oudsher
als een gewenschten buit beschouwd, dien zij met grooten ijver om
zijn vleesch vervolgen en in de boomen achterna klauteren.
De soortenrijkste onderfamilie van de Klimbuideldieren is die der
_Phalangisten_ (_Phalangerinae_). Hoogstens bereiken zij de grootte
van een flinken Marter. Hun staart is gewoonlijk een lange grijpstaart,
hun snuit kort en breed.
In de wouden van Celebes, van de Molukken, van de eilanden van
de Timor-groep, van Nieuw-Guinea en van het noordelijke deel
van Queensland huizen de _Koeskoeten_ of _Oostersche Opossums_
(_Phalanger_). Zij hebben een plompe gestalte, middelmatig lange of
korte ooren, een loodrecht geplaatste pupil, een korten en breeden
snuit, een meer of minder wollige vacht. Met den staart, waarvan het
voorste deel behaard, de eindhelft echter naakt en met wratten bezet
is, houden zij zich aan boomtakken vast.
De _Gevlekte Koeskoes,_ de _Wangal_ van de bewoners van Aroe
(_Phalanger maculatus_), een der fraaiste soorten van dit soortenrijke
geslacht, bereikt in volwassen toestand eene totale lengte van 1.1
M., waarvan ongeveer 48 cM. op den staart komen. Een dichte, wollige,
zijdeachtige vacht bekleedt het lichaam. De kleur wisselt sterk af: in
den regel zijn de bovendeelen wit met een geelachtige of grijsachtige
tint, en geteekend met groote, onregelmatige vlekken van vurig
roestroode, donkerbruine of zwarte kleur, die op de buitenzijde van de
pooten uitvloeien; de onderdeelen zijn altijd ongevlekt en zuiver wit.
De Gevlekte Koeskoes bewoont de eilanden ten oosten van Celebes tot
aan Nieuw-Guinea en Noord-Australië. De eerste berichten over de
levenswijze van dit dier danken wij aan den Hollandschen reiziger
Valentijn. Hij verhaalt, dat op Amboina de Koeskoes of Koesoe, zooals
de Maleiers hem noemden, een der vreemdsoortigste dieren van het
geslacht der Wezels is. "De kop heeft groote overeenkomst met dien van
een Rat of van een Vos. Het uiteinde van den staart is naakt en zeer
buigzaam; hiermede houden zij zich zoo stevig vast aan de takken,
dat men ze er slechts met moeite van af trekken kan. Zij wonen dan
ook op de Molukken niet in holen, maar in de bosschen, op boomen,
vooral op die, welke eetbare zaden voortbrengen. Op Ceram en Boeroe
zijn er meer dan op Amboina, omdat zij hier bevreesd zijn voor de
menschen, die hen op een eigenaardige wijze vangen om ze te eten,
want zij worden door de inboorlingen als een lekkernij beschouwd en
smaken gebraden als Konijnen. Men moet de aan hun staart hangende
dieren stijf aankijken, dan laten zij uit vrees den staart los en
vallen uit den boom. Slechts enkele lieden hebben echter de eigenschap
den Koeskoes van de boomen naar beneden te kijken. Groene bladen,
de buitenste bolster van de canari-noten, pisang- en andere sappige
vruchten worden door hem gegeten. Daarbij zitten deze dieren overeind
zooals de Eekhoorntjes. Tusschen de achterpooten bevindt zich een
buidel, waarin 2 à 4 jongen bewaard worden." In de wouden voeden
zij zich met alle bekende soorten van specerijachtige vruchten; in
den gevangen staat eten zij ook rauw vleesch, wanneer het hun aan
plantaardig voedsel ontbreekt. Hun gedrag in de kooi of in de kamer
is even onbehagelijk als hun voorkomen. Zij zijn langzaam en stil,
slaperig en knorrig, eten gulzig en drinken zeer veel. Onverdraagzaam
jegens hunne soortgenooten, vallen zij dikwijls onder luid geknor
en gillend geschreeuw op elkander aan, blazen als Katten, krabben
en bijten. Over dag hebben hunne groote karmijnroode oogen, welker
pupil tot een smalle spleet ineengekrompen is, een eigenaardige, domme
en wezenlooze uitdrukking; des nachts schitteren zij zooals die van
andere nachtdieren; zij herinneren dan in vele opzichten aan de Lori's.
Veel vaker worden de _Koesoes_ (_Trichosurus_), naar Europa
overgebracht; deze Klimbuideldieren zijn nauw verwant aan de
Koeskoeten; hun gebit heeft dezelfde samenstelling; naar het uitwendige
verschillen zij er van door de ronde pupil, de groote ooren, de gladde
vacht en den staart, welks beharing zich tot aan de spits uitstrekt.
Een van de meest bekende soorten van dit geslacht is de _Voskoesoe_
(_Trichosurus vulpecula_, _Phalangista vulpina_), een dier, dat als 't
ware een samenvoeging is van de sierlijke gestalte van ons Eekhoorntje
met die van den Vos. De lengte van 't lichaam bedraagt 60 cM., die
van den staart 45 cM. De kleur van de bovenzijde is bruinachtig grijs,
met een roodachtig vaal waas, dat hier en daar sterk op den voorgrond
treedt; de onderdeelen zijn licht okergeel, de onderhals en de borst
meestal roestrood; de rug, de staart en de snorren zijn zwart.
De Vos-koesoe bewoont Australië en Tasmanië, en is een van de
veelvuldigste Australische Buideldieren. Evenals zijne verwanten
leeft hij uitsluitend in de wouden op boomen, en leidt een volslagen
nachtelijke levenswijze. Zijn voedsel bestaat grootendeels uit
plantaardige stoffen; kleine vogeltjes en andere zwakke Gewervelde
Dieren worden echter volstrekt niet door hem versmaad.
Het wijfje brengt slechts twee jongen ter wereld en draagt deze
gedurende langen tijd bij zich in den buidel, later ook wel op den rug,
totdat het kroost de moederlijke zorgen niet meer noodig heeft.
De Voskoesoe kan gemakkelijk getemd worden. Levende exemplaren van
deze diersoort komen in den laatsten tijd dikwijls naar Europa. De
meeste diergaarden hebben er eenige. In de gevangenschap zijn zij
zachtaardig en vredelievend, met andere woorden, zij trachten niet
te bijten; zij zijn echter zoo dom, onverschillig en traag, dat men
niet veel aardigheid aan hen kan hebben. De inboorlingen maken ijverig
jacht op dit dier en beschouwen zijn vleesch, in weerwil van den voor
ons hoogst onaangenamen geur, dien het verbreidt, als een kostelijke
lekkernij; ook het vel gebruiken zij voor velerlei doeleinden. Een
van koesoe-vellen vervaardigden mantel dragen zij met evenveel zwier
als wij een pelsjas van sabel- of marterbont.
De _Buideleekhoorntjes_ (_Petauroides_) gelijken door hun gestalte
zoo sprekend op de meer bekende Vliegende Eekhoorntjes, dat zij met
deze verward zouden kunnen worden, indien zij zich niet door hun
gebit belangrijk van deze Knaagdieren onderscheidden.