#Eene audiëntie bij een volksvertegenwoordiger.#
Dinsdagmorgen, kwart na twaalven. De edel-achtbare heer Simon
Distelboom, afgevaardigde ter tweede kamer der Staten-Generaal, gebruikt
een kop koffie. Eene ontzagwekkende menigte papieren en stukken houdt de
aandacht van het „geachte” lid bezig. Hij voert een zilveren potlood in
de hand, en maakt aanteekeningen. Hij behoort op dit oogenblik tot de
regeeringspartij, en verzamelt stof voor eene zijner zeldzame
redevoeringen in de kamer.
Een bescheiden kloppen op de deur stoort zijne aandacht. Daar was een
heer beneden, die meneer wou gesproken hebben, verklaart de dienstbode
van den apotheker, wiens bovenkamers Distelboom had gehuurd, en zij
reikte dezen een kaartje over.
„Krelissen! wat moet die vervelende kerel? Laat maar boven komen,
Trijn!”
Het „geachte” lid wierp de stukken op eene schrijftafel, en geeuwde zoo
luid mogelijk. Andermaal werd er bescheiden op de deur getikt. Weldra
trad Krelissen, de vader van Sofie en Betsy, de hoofdcommies ~in spe~,
het vertrek binnen.
„Ha, bonjour Krelissen! hoe maak je 't, man? Ik heb je in lang niet
gesproken! Ga zitten! ga zitten!”
„'t Is maar voor een paar minuten, meneer Distelboom! Ik kan eigenlijk
niet wegloopen van 't ministerie, maar ik had u iets zeer noodzakelijks
te zeggen, dat geen uitstel lijden mag....”
„Wel, man! je maakt me nieuwsgierig! Wil je een kop koffie? Eene
sigaar?”
„Dank u!.... De zaak is eigenlijk.... ik wilde u zeggen.... u herinnert
zich nog wel, dat ik voor een paar maanden een boek uitgaf over de
oudste adellijke geslachten in Noord- en Zuid-Nederland?”
„Neen!.... dat is te zeggen, ik lees die dingen nooit!”
En Distelboom geeuwde.
De arme Krelissen kon het niet verhinderen, dat een vluchtig rood
naar zijne gerimpelde wangen steeg. Hij had een exemplaar, wel niet
met gulden stempels, maar toch fraai gebonden, aan den „geachten”
volksvertegenwoordiger gezonden. Alleen de talrijke fraai gekleurde
wapenkaarten en facsimile's waren reeds de moeite van eene nadere
kennismaking waardig. Met haperende stem vervolgde hij:
„Ik meende toch, dat ik u een exemplaar had toegezonden!”
„O ja! Nu herinner ik 't mij. Ik had vergeten je mijn compliment te
maken!”
„Volstrekt niet. Dat is niemendal, meneer Distelboom! Maar wat ik u
vertellen wou, ik had ook een exemplaar aan den koning van België
gezonden, en gisteren kreeg ik een zeer vereerenden brief uit Brussel
met mijne benoeming tot lid van de Belgische Academie van
Wetenschappen!”
„Wel zoo! wel zoo! 't geeft niets, hè! Maar ik feliciteer je, man!
't Is altijd eene heele aardigheid! Jij schijnt nogal veel aan die
oude diplomatieke historie van België en Holland te doen?”
„Ik vraag verschooning. Mijn werk is uitsluitend over genealogie en
heraldiek. Die vakken kunnen zeker bij eene geschiedenis der diplomatie
dienst doen. Herinner u maar eens, toen verleden jaar dat tractaat met
Halmhausen-Schallenburg in de Tweede kamer kwam, waarover ik u een nota,
houdende de vroegere historie van dat vorstendom, heb gemaakt!”
„Juist! Ei zoo, dus ben je lid geworden van een Belgisch
genootschap....”
„Van de koninklijke Academie van België! En nu had ik u nog iets te
zeggen, dat me eigenlijk zwaar op het hart ligt.... ik weet niet....”
De goede Krelissen spande zich tevergeefs in, om het juiste woord te
vinden; Distelboom zag hem schuins aan, en geeuwde voortdurend.
„Ik zal maar kort zijn!”—ging hij eensklaps met vertrouwen
voort.—„Meneer Distelboom! ik dien nu reeds vijf en dertig jaren aan
het Ministerie van ***. Zestien jaren was ik er commies. Ik heb mijn
plicht gedaan, voor zoover ik weet. U hoorde zeker wel, dat meneer
Schmidt, de hoofdcommies aan mijne afdeeling, is bevorderd. Ik meen, dat
ik aanspraak heb op promotie....”
„Voor dat je verder gaat, Krelissen! Ik merk, dat je een verkeerden weg
inslaat! Ik stel heel veel belang in je, maar wat je me daar zegt, moest
je aan den Minister zeggen. De Minister heeft het recht van voordracht
tot benoemingen. Wij, leden van de kamer, hebben er ons niet in 't minst
mee te bemoeien!”
„Maar omdat u mij vroeger eens gezegd heeft, dat u zoo wèl met den
Minister was, dat u zoo veel gedaan kon krijgen aan 't Ministerie....
dacht ik....”
„Ja maar, me lieve man! dan heb je me totaal verkeerd begrepen! Ik ben
zeer wel met den Minister als particulier en vriend, verder niet! Waar
zou het heen, als wij vertegenwoordigers des volks ons tegenover de
regeering zoover compromitteerden, dat wij diensten en gunsten vroegen
aan de leden van het kabinet! Wij hebben de wetgevende macht voor een
deel in handen; wij moeten zoo onafhankelijk mogelijk zijn!”
Krelissen was gedurende die rede reeds opgestaan. Hij moest in allerijl
naar het Ministerie terug. Zijne hoop op de voorspraak van Distelboom
was vervlogen. Deze putte zich nu uit in beleefdheden. Hij twijfelde
geen oogenblik of Krelissen zou benoemd worden; iemand van zooveel jaren
dienst en daarenboven een man van studie.... Maar de commies had niet
veel tijd meer te verliezen. Met een verlegen flauwen groet haastte hij
zich weg.
Juist was het „geachte” lid bezig, zich achterover in zijn fauteuil te
werpen, en luider dan ooit te geeuwen, terwijl hij daarna zich vermaakte
met al glimlachend een wijsje te fluiten, toen luide voetstappen op de
trap gehoord werden, en een forsche slag op de deur door de kamer klonk.
Binnenstormde aanstonds Jonkheer Charles de Rijk van Varenhorst, die
zich met een luid klinkend „bonjour” op Distelboom's sofa wierp.
„Bij al de goden! wat heb je 't hier warm, kerel! Gooi die vensters toch
open!”
En meteen vloog hij zelf op, om de ramen open te schuiven.
„'t Komt misschien, omdat ik hier juist een collega van je
had!”—antwoordde het „geacht” lid.—„Diezelfde Krelissen, wiens blonde
dochter jij Zondagavond zoo hebt nageloopen!”
„Wat heb jij met dien vent van noode?”
„Och, hij maakt soms uit liefhebberij kleine opstelletjes voor me over
't een of ander van buitenlandsche zaken! En nu vroeg hij me om
protectie bij den Minister. Hij wil hoofdcommies worden in plaats van
Schmidt!”
„Duivels ja, daar kwam ik je juist over spreken! Wat heb je voor me
gedaan?”
„Tot nog toe niets! Maar morgen zal ik den Minister spreken.”
„Jongens, kerel! dat valt me niet mee! Je hadt het me zoo beloofd!
In de eerste plaats zijn we verre neven, en dan weet je, dat mijn oom
Varenhorst al de boeren van jou kiesdistrict....”
„Spreek dan toch zachter, wil je me compromitteeren!”
„Neen, maar Distelboom! Houd dan nu je woord ook! Anders loopt de zaak
waarachtig niet!”
Het „geachte” lid stond op, kreeg een karaf met madera en glazen, vulde
ze, en bood ze zijn gast aan.
„Weet je wat—het essentiëele van de zaak is”—fluisterde hij
vertrouwelijk, terwijl hij met den Jonker aanstiet—„dat ik zeker ben
van herkozen te worden, en dat jij de betrekking krijgt. De rest kan mij
geen jota schelen!”