#Het advies van den klerk aan 't ministerie.#
't Liep naar vieren. Moeder Krelissen stond bij het venster, en keek
oplettend naar buiten. Haar zoon Willem stond bij 't andere raam, hij
sprak vroolijk en verheugd. De beide meisjes ruimden de tafel op, en
plaatsten er een blaadje met glaasjes op, waarbij nog een half fleschje
madera gevoegd werd.
Vierde iemand zijn geboortedag in dien kleinen kring?
Zou het verheugde gezicht dier trouwe moeder en vrouw misschien iets
gelukkigs spellen voor de toekomst?
„Daar is vader!”—riep de heldere stem van den jonkman.
Ieder vestigde nu zijne aandacht op het verschijnen van den grijzen
ambtenaar, maar ging zich toch met iets bezighouden, alsof men geheel
ongedwongen en zonder eenig bijzonder plan bijeen was. Krelissen kwam
met eene uitdrukking van vermoeidheid en zorg de kamer binnen. Zoodra
hij echter de opgeruimde blikken van vrouw en kinderen gewaarwerd, kwam
de oude welwillende lach te voorschijn, en terwijl hij voorzichtig zijn
hoed in de kast borg, zag hij met zekere nieuwsgierigheid om zich heen.
Eensklaps bedekte een vuurrood zijn gelaat. Hij had de glazen en de
madera ontdekt.
„Wat beteekent dit?”—vroeg hij met haperende stem.—„Moederlief! is er
bericht gekomen....?”
De stem van den grijsaard was geheel weg. Een traan schitterde in zijn
oog. Met bevende hand wees hij naar de tafel.
„Tijding van de benoeming? Neen, vader!”—sprak de vlugge Betsy gauw,
terwijl hare moeder, door aandoening overmand, slechts glimlachend het
hoofd had geschud.—„Maar Willem brengt mooi nieuws, heerlijk nieuws!”
Aanstonds zette Krelissen met de grootste verbazing zich in zijn gewonen
armstoel op zijne gewone plaats aan de tafel. Zijne echtgenoote schoof
haar zetel aan zijne zijde, en drukte hem bemoedigend de hand. Zijn zoon
Willem bleef voor hem staan.
„Vader!”—sprak hij.—„Ik weet, dat u altijd aan die benoeming denkt,
en ik verwonder er mij niet over. Maar dat is hier de zaak niet. Ik heb
iets heel anders aan u te zeggen. Heeft u er iets tegen, dat ik over
drie maanden naar Batavia ga?”
„Naar Batavia, jongen? Maar waarom....”
„Luister, Vader! Welke belooning er hier in Holland voor een man van
studie en loffelijke plichtsvervulling is weggelegd, zie ik het best aan
uw voorbeeld. Uit België gewordt u alleen onderscheiding....”
„Willem! Laat ik je toch waarschuwen voor die ontevredene stemming,
jongen! Ik beklaag mij niet, ik weet maar al te goed, hoe gering mijne
aanspraken zijn....”
„Juist, en ik geloof, dat u wel teleurgesteld, maar niet misnoegd, noch
beleedigd zou zijn, als men u passeerde! U zoude commies willen
blijven....”
Krelissens vingeren begonnen opnieuw te beven, hij boog het hoofd, een
trek van diepe smart vertoonde zich op zijn gelaat. Zijne echtgenoote
zag haar zoon met een smeekenden blik aan.
„Maar”—ging deze voort—„dat denkbeeld kon ik niet dulden. De zaak was
om op alles voorbereid te zijn, als men u mocht passeeren. Welnu, ik
kan u zonder aarzelen raden, laat dat akelige bureau-werk varen, neem
uw pensioen en wijd u alleen aan uwe studiën! Geen zorg voor geld zal
u noch moeder meer kwellen. Ik zal uit Batavia u ruime ondersteuning
zenden, want daar zal ik binnen een jaar tijds boekhouder zijn op het
kantoor der firma Ruytenburg en Co.!”
„Maar hoe is 't mogelijk, jongen?”
„Hij heeft met onze vrienden in Batavia al langer dan een jaar
gecorrespondeerd!”—viel Sofie in.
„En Mina heeft voor hem gesproken met een paar rijke
heeren!”—completeerde Betsy.
„Tweehonderd vijftig gulden in de maand!”—fluisterde moeder.
Krelissen had in een oogenblik zijn eigen zorg en vrees vergeten. Met
fonkelende oogen schudde hij beide handen van zijn oudsten zoon.
„'k Wist wel, dat je een ferme kerel waart, Willem! Maar zoo had ik niet
gedacht, dat je ons verrassen zoudt!”
En de oude man liet langzaam een traan langs zijn kaak wegbiggelen, want
moeder fluisterde:
„Wat zullen wij hem missen!”
Maar Betsy schonk een glas madera in, en er werd vroolijk geklonken,
en Willem vertelde, dat hij al een halfjaar met meneer Ruytenburgs
compagnon, den heer Burdett, correspondeerde, om hem te bewijzen, dat
hij in 't Fransch, in 't Duitsch en Engelsch, ervaren was, en dat hij
het boekhouden grondig verstond. Dat alles had hij zich zelven in zijne
vrije uren geleerd. De heer Burdett, een Engelschman, had Mina dikwerf
ontmoet in Batavia, en wilde uit hoffelijkheid voor haar gaarne eene
briefwisseling met haar broeder aanvangen. Het gevolg was geweest, dat
men thans Willem Krelissen uit naam der firma, onder de voordeeligste
voorwaarden, had uitgenoodigd eene plaats op het kantoor der heeren
Ruytenburg & Burdett te komen vervullen.
Het goede nieuws stemde het gezin tot onvermengde vroolijkheid. Er
werden door moeder en Willem nog gissingen gemaakt omtrent zekere
uitdrukkingen in Mina's laatsten brief over de voorkomendheid en
beleefdheid van den heer Burdett, maar daar men niets zekers wist, wilde
men niet vooruitloopen, vooral daar men opmerkte, dat Sofie eenigszins
kregel die veronderstelling wegwierp.
Juist op dit oogenblik werd er luide gebeld. Betsy wipte naar het
venster en riep:
„Meneer Distelboom!”
Sofie greep aanstonds de glaasjes en den wijn, om die spoedig weg te
bergen. Terwijl ieder nieuwsgierig opzag, trad het „geachte” lid met
een zeer gemaakt ernstig gelaat de kamer binnen. Deftig groetend, nam
hij stilzwijgend plaats tegenover Krelissen en diens echtgenoote,
terwijl Willem, tegen het vensterkozijn leunend, hem scherp in 't oog
hield.
„Omdat ik juist passeerde, wilde ik niet verzuimen even bij je aan te
loopen, Krelissen! want ik kan je iets berichten, waar je belang in
stelt!”
De grijze ambtenaar verbleekte. Aan den gedwongen deftigen toon van
Distelboom kon hij duidelijk bemerken, dat deze hem geene goede tijding
kwam brengen.
Maar voor dat hij spreken kon, viel Willem in:
„Ik geloof, dat u te laat komt, meneer Distelboom! Wij weten het al,
vader is gepasseerd! Men heeft iemand anders benoemd!”
„Hoe is 't mogelijk, dat je 't weet, man? De benoeming is nog niet eens
officiëel bekend!”
„Hoe ik 't weten kan? Doodeenvoudig, ik wist 't van den beginne af
reeds!”
Er volgde een oogenblik stilzwijgen. Krelissen had zich doodbedaard
gehouden, hij keek ieder tevreden aan, als om hen te overtuigen, dat hij
thans in 't geheel niet meer om de benoeming gaf. Eindelijk zei hij met
zijne gewone vaste stem:
„Ik zal morgen mijn eervol ontslag en mijn pensioen vragen, meneer
Distelboom!”
„Ja, beste vriend!”—ging het „geachte” lid voort—„ik begrijp,
dat het voor jou onaangenaam is. Maar we moeten ons schikken in de
omstandigheden. 't Is een vast principe bij deze regeering, heb ik
opgemerkt, om den dienst aan de Ministeriën te vereenvoudigen, oude
ambtenaren door jongeren te vervangen—in één woord: economie, goed werk
voor goed loon!”
„Juist, meneer Distelboom!”—viel Willem in—„zoo moest het zijn, maar
hoe is het? IJverige en brave ambtenaren als mijn vader laat men in de
schaduw. Men exploiteert ze soms nog, als men te traag is om zelf een
moeielijk wetenschappelijk onderzoek in 't werk te stellen. Maar wie
worden benoemd? Onbeduidende sujetten met uitgebreide familie-relatiën,
met voorspraak en een ijdel gerucht van bekwaamheid, 't welk gedienstige
vrienden en nieuwtjeskramers zoo goed zijn aan alle hoeken der stad uit
te roepen.”
Het „geachte” lid keek vreemd op. Aan de uitdrukking van zijn gezicht
kon men zien, dat hij het bijna der moeite waard achtte zich boos te
maken.
„Maar wie is benoemd?”—vroeg Krelissen kalm.
„Een commies aan jou Ministerie, Krelissen! Jonkheer de Rijk van
Varenhorst.”
„Die zal in de eerste dagen niet in staat zijn dat ambt waar te
nemen!”—merkte Willem op.
„En dat waarom niet?”—vroeg Distelboom, die op het punt was in drift
uit te barsten.
„Omdat deze zeer achtenswaardige, aanstaande hoofdcommies gisteravond
heeft goedgevonden, ons te na te komen. Ik stond met mijne zuster Betsy
naar een winkel in de Hoogstraat te kijken, toen deze voortreffelijke
heer onverwacht zijn arm om de leest mijner zuster sloeg met het
halfgelukte plan haar te omhelzen, waarop ik Z.Ed. bij de borst greep en
zoo onzacht op de straat wierp, dat Z.E's mond en neus er nog eenige
dagen de herinnering aan zullen bewaren.”
Het „geachte” lid stond woedend op, en zweeg een oogenblik, om zijne
drift meester te blijven. Eindelijk sprak hij, zijne keel schrapend,
half schor:
„Wel zoo, mannetje, ben jij zoo bij de hand! Pas maar op, daar zijn hier
nog commissarissen van politie en officieren van justitie in Den Haag.
Die weten wel raad met brutale jongens....”
„Ik vraag wel om verschooning!”—viel Willem snel in, en trad een
paar schreden op Distelboom toe—„als er hier van brutale lui sprake
moet zijn, dan zal ik de eer hebben ze aan te wijzen. Weet u wel,
meneer Distelboom! wat brutaal is? 't Is brutaal, met een effen gezicht
bij eene fatsoenlijke familie binnen te dringen, om ze uit louter
„Schadenfreude” eene onaangename tijding te brengen. 't Is brutaal,
zich met groote woorden op de onafhankelijkheid van zijn karakter als
volksvertegenwoordiger te beroepen, en in 't geheim voor gunstbetoon en
protectie van verre neven zijne stem aan een Minister te verkoopen! 't
Is brutaal, van commissarissen van politie en officieren van justitie te
spreken, als de heiligste eeden en duurste verplichtingen met voeten
getreden worden....”
Maar moeder had hare hand op Willems schouder gelegd. Hij zweeg
eensklaps. Het „geachte” lid had met een spottenden glimlach geluisterd
naar den „brutalen jongen”—doch de bleekheid van zijn gelaat staafde,
hoe uitmuntend de kastijding haar doel trof.
„Adieu, dames! Bonjour, Krelissen!”—riep hij haastig, terwijl hij
driftig een paar stoelen uit den weg schopte.—„Veel geluk met je
knappen zoon!”
Allen zwegen, tot het geluid zijner voetstappen was uitgestorven. Toen
stak de oude Krelissen zijne beide handen uit, en drukte die zijns zoons
met warmte en dankbaarheid.
„Willem! je bent een door en door flinke jongen! Voor een paar dagen
nog dacht ik, dat ik mij dood zou ergeren, als de benoeming mij
ontging—en zie, ik ben rustig en kalm. Wat je daar gezegd hebt,
heeft mij veerkracht en zedelijken moed teruggegeven. De knoeierij
is gewroken, ze zullen er geen zegen op hebben.”
Maar moeder had in stilte 't hoofd geschud. Zachtjes viel ze in:
„Ik had niet vermoed, lieve man! dat je Willem sterken zoudt in zijne
heftigheid. Wij mogen niet oordeelen, ons niet wreken! De zachtheid des
gemoeds is onzen Heiland oneindig welgevalliger, dan de toorn des
wraakzuchtigen! En dan, hoe zal het afloopen?”
„Wees niet bang, moedertje!”—viel Willem in.—„Ze zullen zich wel
rustig houden, want anders kwamen hunne schandalen uit. Maar, omdat ik
nu wil, dat we allen vandaag gelukkig zullen zijn, zoo vraag ik u met
deze kus verschooning, want u heeft in zeker opzicht wel zeer stellig
gelijk.”