#Zondagsmiddags naar Scheveningen.#
Schoon onze geschiedenis in lang vervlogen jaren—maar toch na het jaar
1848—plaats grijpt, heerschte er op de schoone Zeestraat tusschen
de residentie en Scheveningen dienzelfden middag bijna evenveel
gewoel, en rolden er bijna evenveel rijtuigen als thans in het jaar des
vredes en der Weener tentoonstelling. Voetgangers waren er misschien
meer, daar niemand nog droomde van de ijzeren rails in de schaduw
der beuken, door Huygens zorg geplant, waarop zoovele heerlijke
Engelsche guinjes spoorloos zouden verloren gaan. Daar het een
kostelijke zomer-Zondag-namiddag was, stroomde eene groote menigte
van de residentie naar het zeedorp. Zeer weinigen, meest slenterende
Scheveningsche jonkvrouwen met toegespelde halsdoeken van heldere
kleuren en de handen gekruist over hare bonte schorten, kwamen van
de tegenovergestelde zijde. Op weg spoedde een aantal voertuigen van
allerlei soort en gedaante naar het strand: fraaie equipages, door
levende kopieën van modejournalen bestuurd, nederige vigilantes, waar
een gehaast reiziger mee naar „het Badhuis” snelde, en groote lompe,
opene wagens, door de volksluim even smaakvol als geestig „aardappels”
getiteld. Daar zaten mannen in uit het volk met bonte zakdoeken en een
flesch Schiedammer naast vrijsters, wier zomerhoeden met veeren en lint
prijkten bijna even rood als hare wangen en hare grove handen—en te
midden van hen, echt broederlijk, merkte men den Nederlandschen soldaat
op, met zijn schilderachtige uniform, zijn sierlijk hoofddeksel en zijne
wanluidende vloeken. Een lieflijke wind ruischte boven in de toppen der
beuken, als had hij medelijden met het verward geraas van al die stemmen
en kreten, als wilde hij al die menschelijke wangeluiden in zijn
suizenden adem oplossen.
Recht tevreden stapte daar ook langzaam een drietal wandelaars op
den zoogenaamden bovenweg langs het plantsoen. 't Was de schrijver
van het prachtwerk over de oudste adellijke geslachten in Noord- en
Zuid-Nederland, met zijne dochters Sofie en Betsy. Zij waren in zeer
druk gesprek gewikkeld, en schenen zeer opgewonden te praten.
„En wanneer kan dat zijn, vader!”—vroeg Sofie, die nu zeer prettig en
opgeruimd was.
„Misschien van de week nog, misschien over veertien dagen, kind.”
„Hè, wat zal dat heerlijk zijn!”—vervolgde de jongste blonde
Betsy.—„Dan kunnen we van tijd tot tijd eens samen uitgaan. En, Fie!
dan krijgen we ieder eene nieuwe parasol en glacé-handschoenen.... en
wat zal moeder dan blij zijn!”
„Ja kind! en veel zorg minder hebben!”—sprak de zestigjarige commies
ernstig. Doch plotseling weer vroolijker, ging hij voort:—„'t Zou niet
bij eene parasol blijven, Bet! daar zou nog wel een mooi japonnetje bij
kunnen, en misschien nog een mooi hoedje ook!”
„En weet u, vader! wat ik wel zou willen”—viel de oudste schielijk
in.—„U moest dan maar lid worden van de Witte sociëteit, dan konden we
Woensdags en Zondags naar de muziek gaan hooren in de Tent—in plaats
van zooals nu met allerlei volk er omheen te dwalen!”
„Dat zou moeder moeten beoordeelen. Daar durf ik niets van beloven! 't
Is nog al duur, zoo'n sociëteit.... en wie weet wat men er over zou te
zeggen hebben! Neen Sofie, dat zou niet gaan!”
„Maar waarom niet, vader? Daar heb je de Mullers en de Jansens, haar
papa's zijn ook hoofdcommies, en die zijn al lang lid van de Witte
sociëteit.”
„Ja, maar ik ben nog maar commies!”
„Nu ja, maar als u nu bevorderd wordt over veertien dagen, wat zou er
dan nog tegen zijn?”
„Heel veel, heel veel, kind! maar.... kijk eens, wat is daar te
doen?....”
De hoofdcommies ~in spe~ wees naar den rijweg, waar een aantal menschen
te zaam vloeide.
Wat er te doen was? Een paar schreden terug zullen het ons leeren.
Terwijl vader en dochters langzaam den bovenweg volgden, rolde er langs
de Zeestraat eene opene calèche, geen eigen equipage, geen „aardappel,”
maar iets tusschen die twee uitersten in. Twee heeren hadden het zich
zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt op de breede banken, en lagen in
achtelooze houding hunne sigaar te rooken. Beiden waren jong noch oud,
de een was er te schraal, de ander te dik voor. Beiden hadden echter de
dertig nog niet lang achter den rug, en schenen er wel iets om te geven,
dat men hen voor ~bachelors~ zou aanzien. De schraalste was bijna geheel
in 't zwart, maar zijn donker hair was allerzorgvuldigst langs zijne
slapen geplakt, en zijne boorden hadden een buitengewoon net aanzien.
De dikke droeg een fraaien, rossigen, krullenden knevel en een licht
zomerpak, dat hem zeer in 't oog deed vallen.
„Dat eten is weergaas goed bij Paulez tegenwoordig!”—zei de schrale.
„Ja, maar merkte je niet, dat de Bourgogne naar de kurk smaakte?”—vroeg
de dikke.
„Min of meer!”
„En dan zijn er tegenwoordig zulke rare sausen in de mode! Wat heb je
aan dien Franschen wind....”
Beide heeren zwegen eensklaps. De calèche stond stil. De paarden schenen
eene poos te willen rusten. Ze hadden er alle recht op, want ze hadden
dien dag, van 's morgens elf uren af, steeds vice-versa tusschen de
residentie en het Badhuis gereden, maar dat was hun uiterlijk niet
oogenblikkelijk aan te zien.
„Welnu, koetsier, wat beduidt dit?”—schreeuwde de schrale nijdig.
„We gaan al meneer, we gaan al!”—antwoordde de koetsier, want de arme
duivels van rossen hadden goedgevonden opnieuw voort te kruipen.
De beide heeren zwegen eene poos.
„Krijg jelui gauw vacantie?” vroeg de dikke.
„Binnen acht dagen!”—antwoordde de schrale.—„Nog een paar kleine
contracten, en dan gaan we op reces uiteen!”
„Blijf-je in de stad?”
„Nog een veertien dagen, drie weken, en dan ga ik eens in mijne negerij
kijken!”
„Ik wou, dat ik ook eens vacantie had—op het ministerie weten ze daar
niets van!”
„Kom! kom! Binnen een paar jaren ben je referendaris, en dan neem je
vacantie.... weergasche knollen!”
De paarden stonden nog eens stil, de koetsier zwaaide met de zweep, en
bromde allerlei tooverformulieren, maar niets baatte. In een oogenblik
was de dikke uit zijne gemakkelijke houding opgerezen, en met één
sprong zat hij naast den koetsier op den bok. Met krachtige hand
greephij de teugels en de zweep, en rukte en ranselde, of hij al den
Bourgogne-wijngeest van het diner bij Paulez op de ruggen der armzalige
trekdieren wilde doen neerdalen.
* * * * *
Doch voordat ik verder ga! een woord van hulde aan u, edele
dierenbeschermers! die in deze gelukkige dagen, nu er in de residentie
eene Maatschappij tot bescherming van dieren werd opgericht, vooral
aangemoedigd door stoffelijke lauwerkransen, belet zoudt hebben, dat er
ooit een schandaal plaats greep, als ik thans moet beschrijven. Edele,
dierminnende agenten van politie! hoe zal ik u naar waarde loven! Gij,
die altijd zoo edelmoedig zorgt, dat geen onschuldig kalf zal worden
gehinderd in zijn rustigen gang ter slachtbank, die misschien niet in
staat zijt te beletten, dat sommige werklieden of enkele vrouwen en
kinderen door hollende wagens worden overreden en vermorseld, die er
ook niet voor zorgen kunt, dat de jonge kinderen bij de slachthuizen
hun gemoed beschaven door de studie van het bloederig huid-afstroopen
der geslachte ossen—gij, voortreffelijke, waakzame, veel beproefde
handhavers van rust en orde! u breng ik hulde in dit ernstig oogenblik.
Waart gij gedurende den boven beschreven middag aanwezig geweest op den
weg tusschen de Eiberstad en Scheveningen, waarlijk, ik zoude heden den
zwaren arbeid des geschiedschrijvers niet op mij genomen hebben. Dan
ware alles geweest ~pour le mieux dans le meilleur des mondes~—thans,
hoort wat er geschiedde!
* * * * *
De dikke heer was op den bok geklommen, en deed de zweep met vinnige
kracht over kop en rug der deerniswaardige paarden neerdalen. De
doodvermoeide trekdieren deden eene uiterste inspanning, en met een
schok, die den schralen heer in 't rijtuig een onfatsoenlijken vloek
afperste, stoof de calèche snel voorwaarts. De nieuwe koetsier juichte
luide tot zijn vriend en verdubbelde zijne zweepslagen. Sneller en
sneller werd de vaart, en hooger en hooger steeg het genot van den
dikken voerman. Zoodra de minste vertraging bespeurd werd, regende het
forscher slagen. De eigenlijke koetsier van het rijtuig, een man met
een versleten zwarten hoed en een violetkleurigen knobbel op zijn
neus, schreeuwde, en tierde uit al zijne macht om de heftigheid van den
liefhebber-rijtuigbestuurder te matigen—tevergeefs! deze had besloten
om zoo snel mogelijk den weg naar het Badhuis af te leggen. Eensklaps
steigert het vandehandsche paard te midden van zijn vaart, het
bijdehandsche struikelt, een woedende zweepslag knalt.... met een fellen
schok staat de calèche stil—het bijdehandsche paard is in elkander
gezonken!
In een oogenblik was eene groote menigte op de plek van het onheil
tegenwoordig. Wandelaars en Scheveningsche kwajongens vormden
onverwijld een kring, die voortdurend aangroeide. De koetsier met den
violetkleurigen knobbel op den neus deed het uiterste om het gevallen
paard op te heffen—de beide heeren stonden met zekere verlegenheid er
naar te kijken.
Maar het arme ros scheen daar voor goed te willen blijven liggen. De
koetsier trok en duwde tevergeefs, de toestand der heeren werd bij de
spottende aardigheden der omstanders vrij onaangenaam.
„We zullen maar te voet naar 't Badhuis gaan!”—bromde de schrale.
„Ja, kom! Laat die vent maar zien, dat hij zich klaar haspelt.”
En de beide vrienden wilden hun weg voortzetten, toen als een pijl uit
den boog de koetsier op hen toeschoot, en hun den weg versperde.
„Als je blieft, meneeren! een woordje, als je blieft! Schadevergoeding
voor m'n paard en de vracht, als je blieft!”
De schrale werd vuurrood in 't gelaat, en wierp haastig een gulden in
de uitgestoken ruwe hand. Maar de koetsier slingerde dien gulden voor
zijne voeten, en eischte luid schreeuwend schadevergoeding. Meer en
meer groeide de belangstellende menigte aan. Op dit oogenblik trok het
voorval de aandacht van den commies en zijne twee dochters, die eene
poos staan bleven. Tot hunne verbazing zagen zij echter, dat de koetsier
buigend achteruitweek, de gulden weer opnam en dat de beide heeren
langzaam voortwandelden, terwijl de menigte achteruitweek, en de
koetsier met hulp van een paar menschen het paard langzaam weer
op de been hielp. Het geheim was eenvoudig te verklaren. De dikke
liefhebber-voerman had den brutalen koetsier zijn naam en woonplaats
op een kaartje gegeven, met last, den volgenden morgen over de zaak
te komen spreken. Op dit kaartje stond „Jhr. Charles de Rijk van
Varenhorst”, en de koetsier wist ten minste, dat die naam genoeg was,
om hem voor alle schade te waarborgen.
Vrij ontstemd slenterde het tweetal verder. In 't begin zwegen beiden.
Doch juist bij den ingang van 't zeedorp vertoonde er zich eene
levendige ontroering op 't gelaat van den Jonkheer.
„Kijk, daar heb je haar! Kijk, Distelboom! daar, die dekselsche mooie
meid, waarvan ik je laatst gesproken heb! Loop wat gauw, dan kunnen
wij haar inhalen en eens fixeeren. Jongen, kerel! dat is zoo'n lief
bakkesje! zoo'n middending tusschen Scheffer's Gretchen en Rafael's
Belle Jardinière! Ik heb haar al lang gezocht, als ik op straat was!
Kijk, daar naast je!”
De heer Distelboom keek aandachtig in de gegevene richting. Hij zag
twee jongedames, die zonder erg in 't rond staarden, en een oud heer
met grijs hair, die eerbiedig zijn hoed afnam, toen hij Distelboom
gewaarwerd. Deze laatste beantwoordde haastig dezen groet, en trok
Jonkheer van Varenhorst een eind weg vooruit.
„Weet je wie het zijn, Varenhorst?”
„Neen!”
„'t Is de commies Krelissen met zijne beide dochters—fatsoenlijke lui!”
„'k Geloof, dat de man bij ons aan 't ministerie is. 'k Heb zijn gezicht
daar wel eens gezien! Maar wat gaat mij die vent aan! 'k Wou, dat ik dat
snoeperig bakkesje maar eens alleen sprak! Straks aan 't Badhuis in de
~foule~ zullen wij eens zien!”
„Vlei je maar niet, kerel! 't zijn door en door brave en fatsoenlijke
menschen!”
„Brave en fatsoenlijke menschen! Hoe heb ik 't met je, Distelboom!
worden we kindsch! Een juffertje met gele katoenen handschoenen braaf en
fatsoenlijk! Bah! ik ga me een minuut voor je schamen!”
En vroolijk ving Jonkheer Charles de Rijk van Varenhorst aan een airtje
uit den ~Barbier van Séville~ te neuriën.