I.

#Het gezin van den Commies.#

„Gaat Moe niet meewandelen?”

„Neen, Betsy!”

„En 't is zulk mooi weer!”

„'k Ben wat vermoeid, kind!”

„Och, kom! ga mee, Moe! ga mee!”

Maar Betsy drong tevergeefs. Moeder schudde zacht het hoofd, en stond

op, om het eenvoudige stroohoedje met zwart fluweel lint van hare

zeventienjarige blonde dochter eenigszins te verschikken op de fraai

krullende lokken. Betsy glimlachte vroolijk, moeder zag ernstig. De deur

van het vertrek werd intusschen geopend. Nog een jong meisje, een paar

jaar ouder dan Betsy en lang zoo opgeruimd en onschuldig vroolijk niet

als deze, trad met een betrokken gelaat binnen. Betsy keerde zich tot

haar, en zei aanstonds:

„Ga je tóch mee, Sofie?”

„Och ja, kind! Vader wil het graag. In Godsnaam dan! Wat zien jouw

handschoenen er nog goed uit! Kijk de mijnen eens!”

En Sofie stak hare lange en magere vingers vooruit, thans bedekt met

heldergele handschoenen van Schotsch katoen.

„Ik heb nog een nieuw paar, Sofie!”—klonk moeders stem—„wil je die

gebruiken?”

„Dank u, moeder! 't Kan er vandaag nog wel mee door! Mijn parasol is

toch zoo verschoten!”

Op dit oogenblik trad een man van ongeveer zestig jaar de kamer binnen,

vrij net in 't zwart gekleed, hoewel zijne zorgvuldig toegeknoopte jas

veel te dikwijls in aanraking was gekomen met den schuier, om nog eenige

aanspraak op glans of fraaiheid te kunnen maken.

„Komt, kinderen!”—riep hij vriendelijk—„ben jelui klaar!”

En haastig werd moeder toegeknikt door de oudste dochter, terwijl de

jongste ze eerst met kinderlijke hartelijkheid ten afscheid kuste—en

weldra verdween het drietal, om de wandeling te beginnen. Moeder oogde

ze na, want ze kwamen het venster aan de straat voorbij. Betsy keek naar

boven, en groette haar met een liefderijken glimlach. De achtergeblevene

zette zich langzaam aan het venster neer. Ze liet de armen moedeloos in

den schoot vallen. Zacht schudde ze het hoofd, een traan rolde langzaam

over hare bleeke, vermagerde wang.

't Was maar eene eenvoudige, burgerlijke vrouw, die moeder en die

echtgenoote—in haar effen bruin kleed; met haar onder de muts

weggestreken grijs hair, was er niet veel belangrijks in haar voorkomen

te bespeuren, maar wie hare geschiedenis had gekend, wie ingelicht ware

geweest van al de stormen en zorgen, die op dit oogenblik haar gemoed

beangstigden, hij hadde die gebogen gestalte met de innigste deernis

beschouwd.

Haar leven was een lange strijd geweest, om te kunnen leven, en hare

groote veldslagen had ze bijgewoond in hare laatste huwelijksjaren.

Ze had met buitengewonen moed gestreden tegen een sterken vijand: de

dagelijksche behoefte van een fatsoenlijk gezin in de residentie.... en

haar eenig wapen in dien strijd was de zeer karige bezoldiging van een

commies bij het ministerie van **** geweest. De behoeften klommen, het

loon bleef hetzelfde, eigenlijk verminderde het, want „de tijden” als

men zegt, „werden duurder”. Maar deze moeder en echtgenoote had met

wanhopigen moed den strijd volgehouden, zij had tot nog toe gezegevierd,

en was gedecoreerd.... door het zilver van hare slapen en door een

gerust geweten.

Maar deze overwinningen waren soms duur gekocht. Ze had drie dochters en

twee zonen. De oudste dochter had reeds de ouderlijke woning verlaten,

om naar de Oost te gaan als gouvernante—de dag van haar vertrek was

eene zware worsteling geweest voor het arme moederhart! Nog altijd dacht

ze aan dat uur van scheiden, toen hare meest geliefde dochter haar werd

ontrukt—doch zelfbeheersching en berusting in de noodzakelijkheid

hadden de felste smart eenigszins gelenigd. Wat al overleg, welke

zuinigheid had zij niet moeten aanwenden, om die oudste dochter zoo

ver te brengen! Onderwijs van allerlei aard, somtijds duur en boven

hare macht, omdat ze ook hare beide jongere dochters daarin wilde doen

deelen—de opvoeding van een paar knapen, de een nu al geplaatst aan 't

zelfde ministerie, waar zijn vader diende, de ander op zestienjarigen

leeftijd als vrijwilliger in dienst getreden—dit alles had haar jaar

aan jaar beangstigd en bekommerd, maar meestal waren de bezwaren door

hare schranderheid overwonnen of uit den weg geruimd. Zij had daarbij

eene ongemeene bekwaamheid aan den dag gelegd in het beheer der magere

huislijke inkomsten. Haar budget sloot telkenjare met een klein,

zeer klein, bijna onmerkbaar voordeelig saldo, en daaruit poogde zij

een reservefonds saam te stellen voor buitengewone uitgaven—aan

schulddelging behoefde ze niet te denken, want het gezin kende geen

debet of credit. Moeder betaalde alles en kocht alles, zonder hare

middelen met de geringste som te overschrijden.

Was alzoo uiterlijk rust en orde gewonnen in dit huisgezin door het

verstandig bestuur der moeder, was er niemand daarbuiten, die zelfs

bij de uiterste achterdochtigheid en de kilste kwaadwilligheid aan het

fatsoen en de achtbaarheid dezer familie durfde twijfelen, daarbinnen in

den huiselijken kring bleven nog velerlei kleine moeilijkheden, die door

gedurige herhaling het meeste van de geestkracht der moeder eischten.

Daar was in de eerste plaats haar man. Ze wist wel, dat hij den heelen

dag druk werk had aan 't ministerie, somtijds nog des avonds—en dat al

meer dan vijf en dertig jaren—maar ze had toch zoo vurig gewenscht,

hoewel die wensch nooit over hare lippen was gekomen, dat hij in stede

van altoos en immer met dezelfde oude folianten en papieren, zich met

iets meer winstgevends, had beziggehouden. Hij had zelfs ten vorigen

jare eene onvoorziene uitgaaf op haar budget gebracht—hij had de vrucht

van jarenlange studie en geduldig onderzoek met ongelooflijke moeite

geboekt, en wederom na jarenlange aarzeling die eindelijk bestemd voor

de pers. Wel had hij soms korte artikelen gesteld over genealogie en

heraldiek, die zijn naam in een zeer kleinen kring van degelijke,

wetenschappelijke kenners hadden bekendgemaakt, maar 't was liefhebberij

en anders niet. Zijn groot werk over de „Oudste adellijke Geslachten van

Noord- en Zuid-Nederland” had hij eindelijk naar zijn wensch gedrukt

gezien, met wapenkaarten in kleuren en afdrukken van oorkonden en

fac-similes, maar de uitgever had hem ter belooning van zijn meer dan

twintigjarigen arbeid slechts een twintigtal exemplaren en niets anders

kunnen afstaan. Daarvan moest een drietal extra mooi worden gebonden,

goud op snee en groen marokijn—'t was op zijne kosten geschied. Moeder

had aarzelend toegestemd—ze had er haar reservefonds voor aangesproken,

maar 't was immers zulk eene belangrijke onderneming.... zulk een

degelijk boek.... en de drie mooie exemplaren waren bestemd voor den

Minister, tot wiens departement haar echtgenoot behoorde, voor den

Koning en voor den Koning van België. 't Was nog geen drie maanden

geleden, dat de kostbare boeken hoopvol door den zestigjarigen auteur

waren verzonden. Welk eene vreugde heerschte er in die woning, toen het

hoofd des gezins eens des middags van het ministerie kwam—en verhaalde,

hoe Z.E. hem had laten roepen, en hoe Z.E. hem verzekerd had, dat Z.E.

zijn „veelomvattend” werk met genoegen „ontvangen” had. Verder had Z.E.

niets gezegd, en hoe zou dit ook kunnen, had de gelukkige auteur er

bijgevoegd—er was niets te zeggen.—Maar zijne echtgenoote dacht, dat

hij reeds vijf en dertig jaren aan 't ministerie werkzaam was met

ongekreukte trouw en vlijt, en al zestien jaren als commies. Hij zelf

had dan ook dikwijls met een geheimzinnig glimlachend gezicht er op

gezinspeeld, dat hij niets zeggen mocht, dat men wel zien zou, dat hij

bijna zeker was.... Nog op dat oogenblik was hij volkomen gelukkig en

tevreden gaan wandelen. Sinds een paar dagen was er eene vacature aan

zijne afdeeling gekomen. Een hoofdcommies was bevorderd—er moest een

andere in diens plaats benoemd worden, hij was de oudste, had de meeste

aanspraak, was zeer bemind aan 't ministerie, en Z.E. zelf was hem niet

ongenegen.... vandaar zijne buitengewone tevredenheid en de

neerslachtige stemming zijner echtgenoote.

Hoe kon zij hopen en gelukkig zijn—reeds vijf malen had men den

bescheiden, door niemand beschermden commies.... commies gelaten en een

gelukkiger bevorderd. Thans sprak hij den heelen dag in vertrouwen over

zijne bevordering tot zijne vrouw, en schertste en glimlachte hij, als

hij in geene jaren gedaan had. Hoe sneed het der zorgvolle echtgenoote

door het hart, als zij bedacht, dat misschien ook deze hoop zou worden

vernietigd even als de vorige.... maar toch, zijne aanspraken waren zoo

rechtvaardig, zijne diensten zoo vele en steeds zoo geprezen.... hij had

zich nog onlangs als man van studie onderscheiden—ook zij wilde alle

hoop niet opgeven, maar zonder eenigen twijfel vast te gelooven! Zij zag

er de bron van groot leed in voor de toekomst.

Daar was nog iets anders, dat haar kwelde en reeds zoo dikwijls gekweld

had. Bij haar zuinig beheer was elke, zelfs de geringste, weelde

verboden. En dat konden hare kinderen niet begrijpen, en hadden dit

nimmer begrepen, behalve de oudste dochter, die nu ver was.... Ook haar

oudste zoon, de klerk aan het ministerie, had stilzwijgend haar stelsel

gehuldigd, maar Sofie en Betsy gaven haar dikwijls stof tot kleine

verdrietelijkheden en misverstand. 't Waren vragen, beginnende met:

„Waarom mogen wij dit niet?” en „Waarom kunnen wij dat niet?”—vooral

Sofie had zich dikwerf zeer ontevreden betoond. Dit was een kommer, die

reeds vele jaren duurde—zij kende hare kinderen, zij wist, dat Sofie

weinig gaven van geest bezat.... knap was ze ook niet, en dit scheen het

meisje wrevelig te maken, als ze op hare zooveel meer begunstigde zuster

Betsy zag. Elke kleine bijzonderheid van het huislijk leven werd door

Sofie aangegrepen, om ze met hare klachten en met hare verbitterde

stemming te bederven, en meestal vermeden de anderen het booze humeur

van de kijfzieke huisgenoote uit vrees voor meer oneenigheid. 't Was

niet voor het eerst, dat zij zoo even over hare verschoten parasol en

handschoenen had geklaagd—de arme moeder zuchtte nogmaals....

„Hoe is het, moeder! zoo in gedachten?”

Een jongmensch, met een ernstig, eenigszins peinzend gelaat, was

binnengekomen, en ging aan het venster bij zijne moeder zitten. 't Was

haar oudste zoon Willem, de klerk bij het ministerie.

„Och jongen! je weet het wel! Sofie wou eerst niet mee gaan wandelen,

omdat ze niet mooi genoeg gekleed was, maar vader was zoo opgeruimd en

vroeg het haar zoo vriendelijk.... Eindelijk zijn zij gegaan!”

„Ja, moeder! daar behoort veel toe, eer we geheel tevreden zijn met ons

lot! Hoe meer iemand begrijpt, dat hij zijn plicht moet doen in zijn

eigen kring, hoe gelukkiger hij is.... en onze Sofie heeft een boos

humeur!”

„Ik geloof, dat je te streng bent. Sofie is jong, negentien jaar oud,

ze houdt van uitgaan en onder de menschen te komen. 't Spijt me genoeg,

dat ik haar geene nieuwe parasol kan koopen, geene betere

handschoenen....”

„Kom, kom, gekheid! Vader is maar commies, en zijne dochters komen knap

en fatsoenlijk genoeg voor den dag!”

„Neen, dat begrijp je niet goed. Een meisje hecht veel meer aan hare

kleeding dan een jongmensch van jou jaren, Willem! Ze ziet alle dagen

zooveel moois en fraais hier in de stad—ze wil ook wel eens wat moois

hebben!”

„Hoor eens, moeder! dat is verkeerd gezien! 't Is mij in vroeger tijd

ook wel eens zoo gegaan als Sofie. Als ik rijker en gelukkiger jongelui

zag, vroeg ik altijd: waarom hebben zij dat en ik niet? Dagelijks zag ik

honderden om mij heen genieten, wat veel meer zegt, dagelijks zag ik—en

zie ik—honderden, die door ieder geacht en ontzien worden, omdat zij

meer genieten dan het gros der menschen. Ik meen, dagelijks zie ik domme

aanbidding van het gouden kalf! Ik was boos en wrevelig, moeder! en

verwenschte mijn lot! Meermalen ben ik al vloekend naar het ministerie

geloopen, terwijl ik morrend vroeg, waarom de eene mensch rijpaarden

en fijne glacé-handschoenen, gouden remontoirhorloges en leegen tijd,

champagne en onderscheiding bezit, terwijl den ander alleen kale hoeden,

versleten schoenen, een schrijflessenaar en diepe eerbied voor de

„gestelde machten” overschiet!”

De klerk aan het ministerie glimlachte in zich zelven, en zweeg een

oogenblik.

Zijne moeder zei fluisterend:

„Maar dat is ondankbaarheid tegen Gods beschikking, jongen! De Heer

geeft ieder naar Zijnen wil—en wij moeten gelooven, dat die wil heilig

en rechtvaardig is!”

„Dit zou u dus onder anderen aan onze Sofie kunnen antwoorden. Maar

laat ik u zeggen, waarom ik nu niet zoo ontevreden meer ben. Ik heb,

als ik tijd had, dikwijls over die zaak nagedacht, ik ben gaan lezen,

wat groote mannen daarover schreven. Een viertal jaren heb ik er

over gelezen en nagedacht, en nu zie ik helder in, dat, wat mij zoo

stuitend en onbillijk scheen, eenvoudig uit den natuurlijken loop van

zaken in de maatschappij te voorschijn komt, omdat onze menschelijke

maatschappij zich nog niet op het toppunt der volmaking bevindt.

Misbruik van macht, vooroordeel, gebrek aan kennis, doen en deden

allerlei schreeuwende onrechtvaardigheden geboren worden, die men eerst

als ziekteverschijnselen heeft bejammerd, later door de gewoonte als

volkomen gezonde elementen heeft gewettigd. Maar de edelsten onder

onze geleerden en staatslieden weten het, de maatschappij is nog steeds

lijdende, doch er is genezing voor die patient! Hoe meer de geneesheeren

haar bestudeeren en de wetten op 't spoor komen, die haar geheel

beheerschen, hoe meer de beterschap toeneemt!”

Moeder had al dien tijd haar zoon met verbazing beschouwd, en eenigszins

nieuwsgierig aangezien.

„En hoe heet de medicijn, jongelief! voor die kranke?”

„Kennis! Wetenschap! Verlichting!... en bij die drie kostbare

geneesmiddelen een nog kostbaarder, een peperdure, eene bijna

onverkrijgbare artsenij: Vrijheid in de maatschappij, vooral in de

maatschappij, en in den Staat!”

„Och, Willemlief! ik wil dat best gelooven, maar wat helpt het ons nu?

Ik wil graag aannemen, dat er veel zal verbeterd worden in latere jaren,

wat nu nog gebrekkig en onaangenaam is om ons heen—maar dat vermindert

mijne zorg niet voor het oogenblik. Jongen, er is zooveel dat mij drukt

en kwelt, en waar zou ik heen, als ik niet kon gaan tot dien Eenen, die

gezegd heeft: „Komt allen tot mij, die vermoeid en belast zijt!” en

waarlijk, ik mag het zeggen, Hij heeft mij ruste gegeven!”

Beiden zwegen. Moeder wischte een traan weg. Willem zag peinzend uit

naar buiten. Eindelijk zei de eerste snel:

„En wat denk je van vader?”

„Dat vader recht heeft op de benoeming tot hoofdcommies! Volgens alle

mogelijke regelen en redenen heeft vader recht. Als een ander benoemd

wordt, is het eene gemeene onrechtvaardigheid!”

„Dat heb ik ook gedacht, jongen! Het doet me veel plezier, dat jij het

ook zegt. Ik vat nu wat meer moed.”

„Wat ik u bidden mag, moeder! vlei u niet. De zaak kan heel anders

uitkomen—daar is evenveel kans voor.... misschien meer!”

Moeders hoofd zonk moedeloos op de borst. Zij verborg haar gelaat in

de handen. Zij kon het niet onderdrukken, het gevoel van weedom en

teleurstelling, dat haar plotseling overmeesterde, en een heeten stroom

van tranen door hare vingeren deed vloeien.

„Bedaar, moederlief!”—sprak Willem ernstig, maar opgewekt.—„Als men

vader dus miskent en voorbijgaat, moet vader dien smaad niet verdragen.

Hij moet aanstonds vragen om zijn eervol ontslag en pensioen.”

„Pensioen....”

„Ja, al schijnt het u bedenkelijk en haast onmogelijk, dat ons gezin van

nog minder zou moeten leven dan nu. Maar vader kan niet anders, als hij

gepasseerd wordt, is het zijn plicht ontslag te vragen. En dan zal ik

zorgen, dat het ontbrekende wordt aangevuld!”

„Jij, Willem?”

„Ja, moeder! Droog uwe tranen en luister eens oplettend. Ik heb een

groot en zeer gewichtig plan!”

En Willem haalde eene brieventasch te voorschijn. Hij nam er een pak

brieven uit, en begon te lezen.

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 49 / 58 题