Mlle Paquita Duflos bewoont een zeer prachtig bovenkwartier in de
Wagenstraat.
Ruim een jaar is verloopen, nadat zij des ochtends ging dejeuneeren ten
huize van den hoogedelgeboren heer de Bruyn van Oudenhoven, senior.
Omstreeks acht uren des avonds vinden wij haar in een overdadig
rijk gemeubeld salon, waar alles bijeengebracht is, wat de luim der
kunstenares dag op dag aan haar gegoeden Maecenas ontfutselde, maar
waarin alle orde, netheid en zorg volkomen ontbreken. Midden in het
vertrek staat eene tafel met een nauw aangeroerd, kostelijk maal.
Eene gaskroon werpt een hard licht op kristallen vazen en allerlei
soort van wijnglazen—enkele zijn half gevuld, één is omgeworpen en
verspreidt eene breede wijnvlak over het witte tafelkleed. Behalve
de wanorde en dwaze overlading van dit vertrek is niets in 't oog
vallender dan de ongewone menigte van photographieën aan den wand, op
den schoorsteenmantel en op alle zeer kleine, sierlijke meubelen in 't
ronde. Deze photographieën zijn portretten en stellen niet alleen de
danseres in alle mogelijke tooneel-kostumen en poses, maar ook haar
beschermer, den heer de Bruyn van Oudenhoven in velerhande houdingen
voor. Levensgroote borstbeelden van dezen kunstlievenden operabezoeker
in fraaie vergulde lijsten bedekken den muur naast andere portretten,
die hem afzonderlijk of in gezelschap der danseres voorstelden.
Mlle Paquita Duflos, in een ~peignoir~ van witte zijde en kant, met
den volledigen voorraad zwarte vlechten aan het onbeschilderd hoofd,
waardoor ze een geelbleek, ziekelijk gelaat vertoont, Mlle Paquita rust
in bijna liggende houding op eene sofa voor den helderbrandenden haard.
Aan hare voeten knielt onze waardige vriend Charles, de melomaan, die
juist met nog rauwer stem, dan vroeger, aanheft:
„Pour tant d'amour ne soyez pas ingrate,
Lorsqu'il n'aura que vous pour seul bonheur!”
Mlle Paquita geeuwt, en gaapt, en gebiedt Charles te zwijgen. Deze
maakt wanhopige gebaren volgens tooneeltrant, en staart in de vlammen.
Een oogenblik later vangt een gesprek aan, waarbij Charles de Bruyn
van Oudenhoven even nauwkeurig Fransch spreekt, als de eerste
kappersbediende der residentie.
„Ik verzeker u, Paquita! dat ik het sleuteltje bezit!”
„'t Is mogelijk! Maar ik geef het kistje niet in je handen!”
„Ik begrijp je niet meer, mijn lieve demon! Je wordt behandeld als eene
slavin, je klaagt en schreit soms avonden lang, en je wilt van geene
rede hooren! Doe wat ik je raad, en je wordt het gelukkigste schepsel
van den aardbodem!”
„Alles zeer wel, maar wij Fransche vrouwen hebben een zeker idee van
fatsoen. Hij heeft het mij vertrouwd, als een bewijs van zijne
edelmoedigheid—en het dan uit mijne handen te geven....”
De deur van het salon ging op een kier open, het spichtig, mager
gezichtje van een kamenier gluurde naar binnen, en riep:
„~Il vient!~”
Aanstonds greep er eene groote verandering plaats. De heer Charles vloog
als een krankzinnige naar de deur, keerde terug, daar een stap op de
trap klonk, en bedekte zich eensklaps met de zware roode damasten
gordijnen voor de vensters. Gelukkig, dat de vensterbank breed genoeg
was, om hem eene veilige schuilplaats te verleenen. Mlle Paquita Duflos
vlijde zich nog kwijnender tegen de sofa. Nu klonk de stap op het
portaal—de heer de Bruyn van Oudenhoven, het origineel van al de
portretten aan den wand, trad binnen.
Hij liep aanstonds op den haard toe—stak zijne met witte handschoenen
bekleede vingeren naar het vuur uit, en knoopte vervolgens een pelsjas
open, waaronder een galakostuum verborgen was. Hij vestigde intusschen
een doordringenden blik op Paquita, die onverschillig in den haard
bleef staren. Beiden zwegen eene geruime poos. Nadat de heer de Bruyn
zich genoegzaam verwarmd had, begon hij de kleine ruimte van de kamer
tusschen den haard en de tafel op en neer te loopen. Zijne gelaatskleur
was hoogrood, 't zij van uitwendige ontroering, 't zij van wijn.
Eindelijk stond hij weer stil en sprak, iets beter Fransch gebruikend
dan zijn zoon:
„Ik heb er over nagedacht, en ik blijf bij mijn besluit! Je kunt je
engagement verbreken met de directie, maar dan nemen wij afscheid van
elkaar!”
„'t Is me volmaakt onverschillig!”—riep Duflos met iets krijschends in
hare stem.
De oude man stampte woedend op den vloer, en schreeuwde:
„Dat is gelogen! Je hebt het me zoo even ook gezegd aan tafel en me
razend gemaakt, maar nu zal ik oppassen. Ik heb een uur in de sociëteit
zitten denken en tobben—de koffie heeft mij bedaard, en ik kom nu zien,
of we vrede kunnen sluiten—maar liefst wat gauw, ik moet naar de
Opera!”
„Men zou er je anders zeker missen!”
„Dat maakt niet uit! Antwoord me op wat ik zeg.”
De heer de Bruyn liep op de tafel toe, en schonk met bevende vingeren
een groot glas rooden wijn in, welke hij in eene rassche teug verzwolg.
De Française hief het hoofd op. Een glimlach van minachting speelde om
hare lippen.
„'t Is onnoodig je te zeggen, wat ik denk!”—sprak ze.—„Ik heb je zoo
even mijn laatste woord gezegd, en ben deze tooneelen moe, tot walgens
toe! Ga heen, amuseer je, verveel je, doe wat je wilt, maar hinder mij
niet langer!”
De waardige beschermer der kunst zag met verbolgenheid in 't rond, maar
antwoordde niets. Daarna schoof hij een stoel bij de tafel, trok flesch
en glas naar zich toe, en prevelde zacht allerlei verwenschingen,
terwijl hij langzaam een nieuw glas vulde. Daarna leunde hij met het
hoofd in de linkerhand, en sprak zoo bedaard mogelijk:
„Paquita! luister nu nog eenmaal naar me! Je kunt die kleine beleefdheid
mij ten minste wel bewijzen. Twee jaren zijn we vrienden geweest. Er
is geen dag voorbijgegaan, waarop ik niet mijn best gedaan heb, om je
genoegen te doen. Van schrielheid of onhoffelijkheid kun je me niet
beschuldigen! Ik heb je in alles en altijd je zin gegeven! Maar op dit
eene punt geef ik niet toe! En niet alleen, dat ik niet toegeef, maar ik
vraag bovendien, dat je blijft, wat je waart—danseres!”
Mlle wuifde met hare hand statig naar den ouden heer, en antwoordde:
„Dit alles weet ik over en over. Meneer kan niet bestaan zonder het
ballet! Mlle Paquita Duflos is niets, de ~bohémienne~, die springt voor
de voetlichten, is alles. Meneer heeft tot zijne bijzondere ijdelheid
noodig, ruikers op het tooneel te werpen voor de danseres, welke het
parterre toejuicht, en gevoelt zich gelukkig, als het publiek zijne
zonderlingheden beschimpt. Maar wanneer dit alles zoo gebiedend
noodzakelijk is voor het levensgeluk van meneer, dan behoorde hij ook
achting te bewijzen aan de kunstenares, welke hij zoozeer bewondert.
Doch het tegendeel is waar! Lang heeft hij haar met schoone beloften
bezig gehouden, telkens herhaald, dat zij eene onbezorgde toekomst
te gemoet ging, eindelijk heeft hij aan hare voeten haar zijn naam
en hand aangeboden—in duidelijke woorden, zonder aarzeling, vrij en
ongedwongen.... om eenige dagen later zijne beloften te herroepen,
zijn aanbod terug te trekken en de arme kunstenares achter den rug te
bespotten! Geloof mij, meneer de Bruyn van Oudenhoven! ik bezit een
hoofd, dat misschien wel niet zoo vlug is als mijne voeten, maar dit
begrijp ik toch volkomen goed—je houdt je belofte, of ik vertrek!”
De aangesprokene zat nu met het hoofd in beide handen gebogen. Hij
antwoordde niets, en liet alleen een klagelijk gekerm aan zijne lippen
ontsnappen. Daarna dronk hij weder. De aderen op zijn purperrood
voorhoofd waren gezwollen. Hij haalde diep adem.
„Je zult niet vertrekken, Paquita!”—sprak hij met doffe stem.—„En jij
zult je zin ook niet hebben. Al die praatjes zijn onzin. Je begrijpt
zelve, dat ik niet wist, wat ik zei, toen ik van dat belachelijk
trouwplan begon....”
„Belachelijk? Waarom belachelijk? Wees voorzichtig, en let op je
woorden....”
„Geene isolentiën, Paquita! Mijn geduld is uitgeput!”
„Verdwijn dan, en doe een nieuwen voorraad op!”
„Ellendige deerne! Denk je dat ik me laat uitlachen....”
De heer de Bruyn van Oudenhoven verbleekte plotseling. De danseres
barstte in een stuipachtig gillend lachen uit. Doch de eerwaardige
Maecenas was zich zelven langer geen meester—toorn, spijt, verbittering
en dronkenschap deden hem sidderen. Hij bracht juist een glas aan zijne
lippen, maar bliksemsnel zich bezinnend, hief hij het op en slingerde
het naar de sofa.
* * * * *
't Was of er dien heelen avond wat aan de voorstelling in de Opera
haperde—meende de heer de Bruyn van Oudenhoven. Hij verhaalde het
eerst aan de ~ouvreuses~, welke hem nederig glimlachend en buigend in
zijne meening versterkten. Daarna vertelde hij het aan het buffet in
de koffiekamer, en verscheidene bedienden verwonderden zich over de
juistheid zijner woorden—terwijl hij met groote graagte eenige glazen
van verschillenden inhoud leegdronk. Daarna zag men hem geeuwen in de
~loge grillée~ en wierp hij tot verbazing van heel het parterre geen
enkelen ruiker op het tooneel.
De waardige kunstbeschermer had zeer onaangename oogenblikken bij de
danseres doorgebracht—hij deed zijn best die tooneelen te vergeten.
Soms duizelde zijn hoofd, en gevoelde hij eene pijnlijke klopping—maar
dan richtte hij zijn kijker op het tooneel en spande hij zich in, om
de vertooning te volgen. De kunstenaars deden in alle opzichten hun
best—zij waren vroolijk en bezield, daar een der meesterstukken van
Offenbach bij het Nederlandsche publiek moest worden ingeleid. De zaal
verkeerde in opgewekte stemming—de kunstenaars werden herhaaldelijk
toegejuicht. Toch had de heer de Bruyn van Oudenhoven met geene
enkele hunner verrichtingen vrede. De komiek was geesteloos in plaats
van vermakelijk, zooals vroeger—de eerste zangeres had zich zoo
onbehagelijk gegrimeerd, dat zij, trots de hoogste levendigheid van
gebaren, bij hem geene genade kon verwerven en de dames van het koor
droegen zulke fletsche kostumen, dat hare twijfelachtige bevalligheden
hem tot wanhoop brachten. Rust genoot hij weinig. Hij stond op,
veranderde van zetel en was het meest voldaan, toen het scherm viel.
Men zag hem nu ijverig door de corridors en in de koffiekamer op en neer
wandelen. Met degenen, die hem wilden te woord staan, knoopte hij een
gesprek aan. Tot een oud-gast der opera, een zeldzaam verdienstelijk
man, die vijf en tachtig reizen de Hugenoten had zien vertoonen, en die
de genealogie van alle artisten kende, sprak hij druk over het verval
der kunst. De oud-gast schudde het hoofd, en beweerde, dat men jaarlijks
achteruitging, dat de oude, goede overleveringen verloren waren, dat men
niet meer zong, ziet u! niet meer zong! En beiden haalden de schouders
op. Daarna zette hij zich bij de kachel, en liet zich bier schenken,
toen de bel het publiek naar de zaal riep! Een bediende met een
schenkblad onder den arm had de eer het lang relaas zijner verveling
te mogen aanhooren, en ontving tot belooning een halven gulden.
Voor geen prijs wilde de edele Maecenas de Opera verlaten. Men mocht
niets buitengewoons aan hem bemerken. Men mocht niet vermoeden, dat
zijne bescherming van het ballet hem met ondank betaald werd. Wel zoude
Mlle Duflos hem de laatste beleediging niet spoedig vergeven—maar met
edelmoedige zelfopoffering van een aanzienlijk geschenk meende hij haar
wel weder te zullen winnen. Ook dacht hij aan zijne trouwbelofte, maar
het denkbeeld op zijn ouden dag onder de scherpe tuchtroede der Fransche
danseres te moeten zuchten, deed hem eene heftige verwensching slaken.
Zoo bracht hij nog een paar uren in zijne ~loge~ en in het ~foyer~ door,
totdat eindelijk de vertooning afgeloopen was.
Snel sprong hij in zijn rijtuig. De palfrenier hield het portier vast.
„Wagenstraat!”—fluisterde de Bruyn van Oudenhoven.
In weinige oogenblikken brachten de fraaie schimmels hem aldaar. 't
Sloeg juist halftwaalf. De koetsier George kreeg bevel naar den stal te
rijden. Zijn meester klom de trappen van het bovenhuis op. Toen hij de
deur van het salon opende, zag hij met eenige aarzeling naar binnen. Er
vertoonde zich niets ongewoons bij den eersten blik. Het half gebruikte
maal stond nog op tafel—het omgevallen glas, de wijnvlak op het kleed,
alles was nog juist zooals in den vooravond. De sofa was weggeschoven,
de haard brandde niet meer. Op sommige stoelen lagen kleedingstukken. Er
was niemand in het vertrek. Een onwillekeurig gevoel van schrik maakte
zich van den gullen kunstbeschermer meester. Wat zou er geschied zijn?
Doch hij stelde zich gerust. In menig booze bui had Mlle Duflos zich
naar eene harer ambtgenooten begeven—en nu zat ze daar zeker over haar
treurig lot te klagen. Ze zou stellig terugkomen—mocht het ook nog
een paar uren aanhouden. Maar het vuur is uitgegaan—echter hindert
dit niet bijster veel, de gaskroon verspreidt warmte genoeg. De heer
de Bruyn van Oudenhoven zet daarna in aangrenzende vertrekken zijn
verkenningstocht voort. Alles is verlaten, niemand antwoordt op zijne
stem. Ook hier zwerven kleedingstukken over de meubels, anders is
alles in den ouden toestand. Hij keert naar het salon terug en schelt
luide om de kamenier. Niemand komt. Hij schelt driftig met forsche
rukken—niemand komt. Hij werpt de deur open en schreeuwt op het
portaal. De echo van zijne stem maakt hem verschrikt. Met stijgende
boosheid roept hij luide: „Virginie!” den naam van den kamenier—niemand
komt.
Hij treedt weder het salon binnen en loopt met klimmenden toorn langs de
tafel. Zoo Mlle Paquita uit spijt een bezoek bij vrienden brengt, moet
ze immers wel hare kamenier medenemen. Dit denkbeeld doet hem plotseling
stilstaan en glimlachen over zijn eigen angst. Hij zet zich bedaard op
de sofa, en besluit zoo mogelijk geduldig een uur te wachten....
Zoo zat hij een geruimen tijd, terwijl de minuten met de uiterste
traagheid voorbijkropen. Het geluid van een rijtuig, dat uit de verte
kwam aanrollen, deed hem plotseling opstaan. Men hield stil voor de
deur. Er werd luid gebeld. Misschien was Paquita ongesteld geworden—hij
spoedde zich naar het portaal en trok aan een koord. Een mannenstem
vroeg:
„Kan ik meneer even spreken?”
Het was zijn huislakei Hendrik. Meermalen zocht men hem zoo in de
Wagenstraat op, om bevelen te vernemen of beschikkingen voor den
volgenden dag te treffen. Hij bromde eene onverstaanbare toestemming, en
trad diep teleurgesteld het salon weder binnen. 't Was of Hendrik eene
buitengewone moeite had om boven te komen—ten minste het duurde vrij
lang eer er op de deur van het vertrek getikt werd—doch hij lette er
niet op in zijne misnoegdheid. Aarzelend werd nu de deur geopend, en met
langzame schreden trad eene deftige oude vrouw in rouwgewaad binnen,
met een zwarten sluier over het gelaat. Zij sloeg dien echter aanstonds
op, en nam met vastberaden moed al de bijzonderheden der kamer op.
Daarna vestigde zij hare oogen op den edelmoedigen begunstiger van
het ballet. Deze had met ongekunstelde verbazing eerst een korten
vloek uitgestooten, en had haar vervolgens met stomme verbolgenheid
aangestaard.
Nu het gaslicht op die rustige, kalme trekken valt, herkennen wij de
dame, door Charles weleer met den naam van tante Bet begroet. Juist
wilde zij de lippen openen om te spreken, toen de heer de Bruyn van
Oudenhoven met verkropten toorn uitriep:
„Wat beduidt dit, schoonzuster?”
„Ik zal het je in drie woorden zeggen, Jakob! Je bent op onbeschaamde
wijze bedrogen, en ik kom onmiddellijk, ondanks den nacht, tot je, om te
redden wat te redden is!”
„Dat heb ik al meer van je gehoord! Je wilt mij redden, jij, die mijne
dochter versterkt in hare koppigheid tegen mij—die Mina uit mijn huis
hebt weggenomen! Je bent een eigenzinnig, trotsch mensch, schoonzuster!
Doe mij het genoegen je met je eigene zaken te bemoeien, en laat mij met
rust!”
Tante Bet schudde langzaam het hoofd, en hernam zeer kalm, spijt den
dreigenden toon van haren zwager:
„Jakob! dat Mina sedert een jaar bij mij woont, is je werk, nadat je dat
Fransche schepsel bij je aan huis hebt gebracht! Zwijg daarvan, zwager!
De zaak is al te treurig!”
De stem der oude dame klonk zoo ernstig gebiedend, de uitdrukking van
hare trekken was zoo smartelijk en zoo edel, dat de teleurgestelde
lichtmis zijn gelaat afwendde, en zweeg.
„Maar nu”—ging zij voort—„hebben we geheel iets anders te overleggen.
Zou je denken dat ik hier in de kamers van deze deerne zou willen komen,
als ik gevaar liep er haar zelve te zullen ontmoeten?”
„Wat meen je?”—schreeuwde de Bruyn van Oudenhoven, terwijl eenige
schorre vloeken tusschen zijne tanden bestierven.
„Ik meen, dat uwe juffrouw Duflos vanavond ongeveer halftien met den
trein naar Rotterdam vertrokken is in gezelschap van je eenigen
zoon—anders niet.”
De oude man zat als door den donder getroffen. Zijne handen sidderden.
Hij vloog met een woedenden sprong naar de tafel, greep zijn hoed en
wilde het vertrek verlaten. Tante Bet snelde hem na, en zei zeer rustig:
„Luister, Jakob! Je kunt hen toch niet achterhalen! Misschien zijn zij
reeds over de Duitsche grenzen, misschien vertrekken zij morgen naar
Londen! En je moet weten of je de zaak aanstonds ruchtbaar wilt maken!”
De bedrogen balletvriend stond eensklaps stil voor zijne schoonzuster,
en haar ruw bij den arm grijpend, krijschte hij:
„Je wilt me bang maken, je liegt! Hoe weet je dit?”
Tante Bet schudde den woesteling van hare zijde af en antwoordde:
„Wees bedaard, zwager! Ik heb Hendrik medegebracht. Hij wacht mij
beneden! Hij heeft de zaak ontdekt. De jongeheer Charles is omstreeks
halfnegen in groote haast thuis gekomen, heeft Hendrik geroepen, met
dezen een koffer gepakt en gezegd, dat hij een uitstapje deed naar
Amsterdam. Daarop is eene vigilante—waarschijnlijk vooraf besteld—aan
de deur verschenen. Hendrik heeft den koffer helpen opladen, en
verklaart daarin duidelijk twee gesluierde dames te hebben zien zitten.
De vigilante is daarop in allerijl naar het station vertrokken! Hendrik
heeft denzelfden weg ingeslagen, heeft overal gevraagd en onderzocht, en
van allerlei lui vernomen, dat Charles met twee dames, de eene voornaam
en buitengewoon gekleed, de andere veel eenvoudiger, eene kamenier
waarschijnlijk, plaats heeft genomen naar Rotterdam. Zij spraken
voortdurend Fransch!”
De Bruyn van Oudenhoven viel bitter glimlachend op een leunstoel neer.
Hij wreef de handen radeloos ineen, en rukte aan het weinige grijze haar
op zijn schedel. Zijn voorkomen was op dat oogenblik diep terugstootend
en allerellendigst. Een schitterend licht viel juist op de fraaie
decoratie in zijn knoopsgat, op het lichtgroene en rozeroode lint van
het Laubenstein-Apfenroder Luipaard.
Tante Bet zag met statigen ernst op den diepvernederden man. Wat zij nu
ging zeggen, was met zachter, vriendelijker stem, dan vroeger:
„Zwager! Je bent ongelukkig door eigen schuld! Ik zal je niet oordeelen!
Maar sluit nu het oor niet langer voor mijne waarschuwingen! Hoor, wat
je edele, brave Mina u toeroept! Je hebt haar leven en geluk verwoest,
hare schoone hoop van teedere liefde en trouw heb je moedwillig
verstoord door de ruwe beleedigingen, den goeden Adolf Weber toegevoegd!
Zoo even zeide zij mij: Tante! ga naar mijn armen papa en zeg hem, dat
wij hem zullen liefhebben, nu ieder hem bedriegt en verlaat!”
De oude dwaas slaakte een kermenden kreet, tranen vloeiden door de
vingeren, die zijn gelaat bedekten. Tante Bet sloeg deze zenuwachtige
droefheid met belangstelling gade, en meende eene schrede verder te
kunnen gaan.
„Kom, Jakob! Wees nu eens weder openhartig en goed, zooals je voor je
grootheid placht te zijn. Verzoen je met Mina—vergeet dat gemeene
creatuur, en wees gerust over Charles! Zoodra zijn geld verteerd is,
laat de danseres hem loopen—en dan zullen we....”
Maar de Bruyn van Oudenhoven slaakte plotseling een woedenden kreet. Met
ingehouden adem liep hij naar een zijvertrek—onder allerlei toornige
dreigementen hoorde de verbaasde, oude dame hem een kast openen,
meubelen omverwerpen, eindelijk kwam hij terug met eene fraaie cassette
van rozenhout. Hij zonk zwijgend en doodsbleek op een stoel en greep in
een ring met sleutels, dien hij bij zich droeg. Met sidderende vingeren
opende hij het kistje, wierp er eenige papieren uit op den vloer en
zocht eenige seconden. Eensklaps slingerde hij de cassette met een
luiden vloek tegen den wand en schreeuwde:
„Bestolen! Bestolen! Dieven! Dieven, ellendige, gemeene dieven!”
Tante Bet ontstelde hevig. Zij had als een gerucht gehoord, dat haar
zwager zoozeer al de luimen der danseres bevredigde, dat hij zelfs zijne
cassette met effecten, heel zijn fortuin in roerende goederen naar hare
woning had overgebracht. Zij had daarop de bedienden zooveel mogelijk
ondervraagd—doch toen dezen niets wisten, had zij zich gerust gesteld.
Nu echter vreesde zij het ergste. Zij trad bevende op den ongelukkigen
man toe, die beweegloos zijne oogen naar den grond richtte, terwijl
zijne tanden klapperden.
„Jakob, bevatte die cassette geld?”
Geen antwoord.
„Jakob, is het waar, dat je zoo dwaas kondt zijn, om je fortuin in de
handen eener oplichtster te vertrouwen?”
Geen antwoord.
„Zwager! Nog eens, ik wil je niet oordeelen! maar hoe zou je de stem van
je geweten tot zwijgen brengen, als je dochter tot den bedelstaf was
gebracht, nu eene lage lichtekooi met je ellendigen zoon haar het wettig
erfdeel ontsteelt?”
De heer de Bruyn van Oudenhoven lachte bitter.
„Erfdeel”—fluisterde hij met doffe stem.—„Jij vraagt dus ook alleen
naar geld, zooals de anderen—jij, die zoo vroom en edel bent, ha! Ik
heb de sluwe dievegge bedrogen, schoonzuster. Zij waande heel mijn
fortuin tot onderpand van eene trouwbelofte te bezitten, maar ik
hield de cassette gesloten. 't Is waar, een sleutel is voor maanden
zoekgeraakt—zeker eene handigheid van mijn handigen Charles. Stel je
gerust! Mina zal geen schade lijden. Er waren slechts een paar duizend
gulden in bankpapier hier—de rest is bij den Notaris.”