Hoog in de toppen der beuken ruischte de zoele zuidenwind. Juni was
in 't land. De meidoorns en de linden spreidden zoete geuren in 't
rond. Allerlei stemmen van vogels orgelden onder het groen. De gulden
zonnestralen speelden over de frissche takken der boomen, en teekenden
soms breede, trillende gouden schijven over het zandige pad van de laan.
De geheele Zeestraat van Den Haag naar Scheveningen scheen feest te
vieren bij de terugkomst van den zomer. De stem van den wind en der
vogels vormde een lustig concert, somtijds verdoofd door de talrijke
rijtuigen, die van de residentie naar het Badhuis rolden. De hooge laan
ter zijde van den weg, zoo schilderachtig in 't groen verscholen, was
nog niet overdekt met breede scharen van badhuisbezoekers—want het was
midden in de week, juist tegen twaalf uren, dat we een jongmensch met
langzame schreden naar het zeedorp zien wandelen.
Adolf Weber, wiens stem anderhalf jaar geleden zoo nadrukkelijk klonk
in het prachtige vertrek des heeren de Bruyn van Oudenhoven, komt van
eene reis naar het zonnige Zuiden terug. Hij had Tyrol en de meren van
Noord-Italië bezocht, hij zou naar Florence vertrekken, toen een brief
hem terugriep. Adolf Weber heeft een zwaren strijd met zijn lot bestaan.
Hij had, na de heftige tooneelen bij den vermogenden balletbegunstiger,
Mina niet weer ontmoet. Toen hij er eene poging voor in 't werk stelde,
was die mislukt. Hij had zich namelijk tot tante Bet gewend, die eene
hartelijke vriendschap voor den jongen, ernstigen kunstenaar koesterde.
Aanstonds had deze zijn vurigste wenschen afgewezen—elk onderhoud
met de teeder geliefde jonkvrouw was nu onmogelijk, had de oude dame
verklaard. Mina was haar vader gehoorzaamheid verplicht, en had Adolf
hare trouw verpand. Elke ontmoeting was nu ongepast, daar zij heimelijk
zou moeten geschieden, en de oude tante kende hare nicht te goed, om
niet te vermoeden, dat de fierheid van deze zoodanige voorwaarde zou
afwijzen. Weber behoefde nimmer te wanhopen—Mina had haar woord
gegeven. Zoolang echter de heer de Bruyn van Oudenhoven zijne meeningen
niet wijzigde, was het onkiesch, 't zij in persoon, 't zij met een
brief, het diepverslagen meisje aan hare beloften te herinneren.
Wat zoude de teleurgestelde kunstenaar tegen deze logica? Met
onuitsprekelijken weedom onderwierp hij zich geduldig—en herinnerde
zich ieder oogenblik de koene woorden van de kloeke jonkvrouw, toen
een lakei geroepen werd, om hem de deur uit te werpen, toen haar oog
fonkelde van verontwaardiging, en hare vingeren trilden in zijne hand.
Maar toch, in hare nabijheid te leven, haar niet te mogen naderen, zelfs
eene toevallige ontmoeting zooveel mogelijk te schuwen, was boven zijne
kracht. Zijn leven in de residentie werd hem ondragelijk—zijn werk
boezemde hem geen belang meer in—hij bracht oogenblikken door, waarin
hem de voorzichtige wijsheid der oude dame als iets monsterachtigs
voorkwam, waarin hij zich diets maakte, dat alle hoop verloren was,
dat Mina hem eerlang vergeten zoude. Vandaar zijne reis. Reeds lang
lokte hem het land der beloften voor ieder kunstenaar, nu eischten de
omstandigheden iederen dag luider eene kunstreis naar Italië. Tante Bet
keurde zijn besluit volkomen goed, zelfs beloofde zij hem voor het
geval, dat de heer de Bruyn van Oudenhoven zijn besluit mocht wijzigen,
een onmiddellijk bericht.
Adolf Weber zette zich een oogenblik op eene bank onder het zonnige
lommer van het Scheveningsche hout. Nu klopte zijn hart luide van de
heerlijkste hoop—en toch aarzelde hij het doel van zijne wandeling
te bereiken. Een schrijven van tante Bet had hem naar Nederland
teruggeroepen. Daarin was hij voorbereid op groote veranderingen. De
hoogst ernstige, bijna angstwekkende toon had hem met den uitersten
spoed doen reizen. Den vorigen avond was hij aangekomen. En uit den
mond van zijn spraakzamen huisbaas, een bolbleek Haagsch koekenbakker,
had hij zoo gewichtige dingen vernomen, dat hij den geheelen nacht in
onrustige gepeinzen had doorwaakt.
Iedereen wist het in de residentie—de rijke heer de Bruyn van
Oudenhoven was op ellendige wijze aan zijn eind gekomen. In den vorigen
winter had hem een zware slag getroffen. Zijn veelbelovende zoon Charles
had hem eenige duizenden guldens ontfutseld, zei bakker Willemsen, en
was daarna op de vlucht getogen, met zoo'n Fransche „madam” van de
komedianten. De menschen vertellen er bij, dat de Fransche „madam”
eigenlijk met den ouden heer had moeten trouwen, maar dat hij er geen
„genie” voor getoond had. De jongeheer Charles was er nog het ergst
afgekomen, want die was na veertien dagen al weer terug—de Fransche
danseres had hem weggejaagd. Zijn vader deed niet beter. Er moest al
vrij wat zijn voorgevallen, want de oude heer zag er na dien tijd
als een stokoud mannetje uit. De jongeheer had eerst op zijn krediet
geleefd, maar toen men merkte, dat er niet betaald zou worden, was hij
achtervolgd en daarna plotseling verdwenen uit Den Haag. Iedereen wist,
dat hij, voor een maand of vier, als koloniaal naar de Oost vertrokken
was en dat de oude heer gezworen had, geen cent van 's jonkers schulden
af te doen.
Maar, voegde bakker Willemsen er bij, 't was wonderlijk geweest, zoo
woest en „schandalig” die oude heer na dat tijdstip geleefd, gereden
en gedronken had. Bij alle koffiehuizen zag men des nachts zijn rijtuig
met de fraaie schimmels staan, en in het holste van den nacht rende hij
onder woest geschreeuw door de straten. Zijne bedienden hadden hem meest
allen verlaten, en daarom was zijn laatste koetsier een groote brekebeen
geweest. Zoo had deze voor een groote vier weken, tegen den morgenstond,
een toertje met den heer de Bruyn van Oudenhoven door de stad gemaakt,
en was hij met het rijtuig bij het oprijden van een brug naar het
Bosch tegen een lantaarnpaal aangeslingerd, door welken schok de oude
heer zijn evenwicht verloren had, en uit den open wagen op de steenen
was nedergestort. Zwaar was het achterhoofd gewond en stervende was
hij zijne woning ingedragen, waar hij reeds den laatsten adem had
uitgeblazen, voordat zijne eenige dochter, die bij familie woonde,
aan zijn sterfbed verscheen.
Wel vroeg de jonge kunstenaar zijn huisbaas tal van ophelderingen, welke
deze hem met groote breedsprakigheid meedeelde, maar van mejuffrouw de
Bruyn en van hare familie wist hij niets meer, dan dat zij op eene villa
aan den Scheveningschen weg woonde. In den vroegen morgen was hij naar
de bovenwoning van tante Bet gesneld, en daar had men hem zonder eenige
verdere opheldering het nummer en den naam van het buitenverblijf
meegedeeld. Eenige zijner beste vrienden, die hij daarna om inlichting
raadpleegde, verzekerden hem, dat het relaas van bakker Willemsen
volkomen juist was. Men verhaalde hem zelfs, dat de oude schelm zijn
zoon Charles van diefstal had willen aanklagen, maar dat hij door
tusschenkomst van zijne dochter dit had opgegeven. Weinig wist men hem
van Mina te zeggen—eenigen hadden haar gezien in den tuin der villa, en
verzekerden hem, dat zij iets lijdends in haar voorkomen vertoonde, en
nimmer onder menschen verscheen.
En terwijl Adolf Weber al deze dingen met groote snelheid overwoog,
klopte hem het hart van angst en verlangen tevens—nog eenige schreden,
en hij zou de dierbare geliefde terugzien. Hoe zou hij worden ontvangen?
* * * * *
Een lieflijk plekje was het inderdaad.
't Was de tuin der villa, waar tante Bet zich met hare nicht Mina
voor den zomer gevestigd had. Langs de zuidzijde van de woning
strekte zich eene veranda uit, door een afdak en breede guirlandes
van slingerplanten, vooral geurige kamperfoelie, tegen de al te felle
schittering der zon beveiligd. Een rozentuin, in den vollen zin des
woords, strekte zich voor het terras uit. De golvende duinrug stuitte
den blik en sloot dit aan geuren en kleuren zoo rijke oord met een
groenenden muur van de buitenwereld af. Wel klonk het geraas van den
rijweg tot in den tuin, maar geen nieuwsgierig oog van buiten kon tot
in het heiligdom der vrouwen doordringen.
Thans zitten ze te zaam op het terras, tante Bet aan de ijzeren
tuintafel, waarop ze de koffie klaarmaakt, Mina in een der hooge
matten stoelen, die eene eigenaardigheid schijnen te vormen van het
Scheveningsche strand, en die zoo uitmuntend geschikt zijn, elken
hinderlijken tochtwind onschadelijk te maken. Hare liggende houding en
de treffende bleekheid van haar gelaat bewezen, dat ze veel geleden had,
en nog steeds leed. De schittering der zon in den tuin over de teedere
kleuren van rozen en geraniums, scheen haar zachtblauw oog zelfs te
fel—haar hoofd leunde achterover, terwijl zij de fijne hand boven de
oogen beschermend opgeheven hield.
„Kom Mina!”—sprak tante Bet.—„Ik hoor weer geen woord van morgen! Je
zult opnieuw ziek worden, melieve! als je altijd toegeeft aan dien zin
voor mijmeren en zwijgen!”
Mina hief zich eenigszins op, en glimlachte flauw. Zacht klonk hare
stem:
„Tante! U zal nog wat geduld met mij moeten oefenen! Ik heb zooveel
treurigs doorleefd, dat ik mij niet gewennen kan aan eenig denkbeeld van
geluk! Alles om mij heen is gestorven—soms schijnt het mij, dat hopen
en leven voor mij eene zeer zware taak zal worden!”
De oude dame schudde het hoofd:
„Alles is gestorven!”—mompelde zij zacht.—„Vergeet je dan, dat ik je
liefheb, mijn kind?”
Mina bloosde snel, en de handen uitstrekkende, terwijl een traan in haar
oog glinsterde, fluisterde zij:
„Vergeef me, tante! U alleen weet, wat ik ondervond.... welke hoop....”
„Nu ja, ik zal je weer moeten beknorren, als een kind. Waarom altijd het
ergste vermoed! Wie zegt je, dat Adolf....”
„Och, tante! Spreek niet van hem! Diep beleedigd heeft hij ons huis
verlaten. Kan hij dat alles vergeten,—vergeten, dat ik de dochter ben
van een man als mijn vader, de zuster.... neen tante! Adolf is fier! ik
ken hem. Nooit heeft hij iets van zich doen hooren in al dien tijd....
het is voorbij, voor goed voorbij!”
Mina leunde achterover, en weende stil.
De oude vrouw stond op, naderde den grooten stoel, en knielde op een
voetbankje voor de bedroefde jonkvrouw.
Hare hand grijpend, sprak ze snel:
„Plaag je niet langer, mijn kind! Adolf kon, mocht niet komen. Hoe
dikwijls vertelde ik je, dat ik dit zelve met hem heb bepaald. Hij heeft
me immers geschreven!”
„Zeker, tante! Dat is alles zeer goed en waar. Maar er rust nu schande
op mijn naam. Adolf zal in Italië zijne kunst met al de kracht van zijn
geest gaan beoefenen—de nieuwe wereld zal hem troosten, hij zal u nog
eenige reizen schrijven zeker,—maar eindelijk houdt ook dit op en
dan....”
„Ondeugend, zwaarmoedig schepsel! Je spreekt tegen eigen overtuiging!
Adolf heeft je lief, boven alles hartelijk lief!”
Er klonk een zachte tred over het grind van het tuinpad. Tante Bet zag
om, doch bemerkte niemand. Mina had op niets gelet.
„En”—ging tante Bet voort—„geloof me, kind! Adolf verneemt natuurlijk,
zoodra hij terug zal gekomen zijn, alles wat er hier is voorgevallen.
Zijn eerste werk zal zijn ons op te zoeken—want je kunt hem nu
bewijzen, dat je het waarlijk meende, toen je hem trouw hebt beloofd!”
Mina richtte zich geheel op. Plotseling kwam er gloed in haar oog. Zij
zag de oude dame uitvorschend aan.
„Tante! U weet iets! Uw toon zegt het mij! Tante, spreek toch....!”
Maar de oude dame zag peinzend naar het zijpad bij de villa. Daar
klonk weer de tred. Eensklaps richt zij zich op, en maakt eene haastige
beweging. Adolf Weber stond op het terras. Beiden wilden spreken, maar
stonden beweegloos stil. Doch de jonkvrouw had haar zetel verlaten. De
kunstenaar strekte de armen uit. Met het diepste stilzwijgen ving hij in
een ondeelbaar oogenblik de sidderende Mina in zijne armen....
* * * * *
„Neen, tante, van vreugd zal ik niet instorten! Ik ben wel, volmaakt
wel! Laat mij toch met Adolf spreken!”
Dat zeide Mina aan den avond van dienzelfden dag, waarop zij des morgens
nog wanhoopte aan de terugkomst van den langverwachte. Een wonderlijke
medicijnmeester is de liefde! De kwijnende bloem is geheel opgericht,
de moedelooze maagd is eene sterke, van vreugde stralende jonkvrouw
geworden. Tante Bet schudt het hoofd wel, maar wischt toch heimelijk een
traan weg. Het geluk van haar pleegkind, de zaligheid van den edelen,
flinken jonkman—dat schouwspel, zoo lang gewenscht en gehoopt, ze had
het nu voor oogen. En in alle stilte getuigt haar geweten, dat hare
plichtsbetrachting tegenover beiden niet zonder vrucht is gebleven. De
jongelieden spraken, fluisterden, glimlachten en zwegen eene lange poos,
zooals ik hoop, dat ieder, die een gezond menschenhart met warmte heeft
voelen kloppen, eens gesproken, gefluisterd, geglimlacht en gezwegen
heeft, of althans eenmaal spreken, fluisteren, glimlachen of zwijgen
zal.
Slechts een woord uit hun gesprek wordt ter wille der historie hier
vermeld.
„Mijn broer Charles!”—verhaalde Mina—„vertrok naar Indië. Voor eenige
dagen kregen wij een zeer kort bericht, dat hij in het hospitaal te
Batavia aan eene hevige ziekte overleden was!”
„Misschien nog het beste voor hem”—meende Adolf.—„Hij was ongeschikt
voor eene ernstige taak. Zijn hart was diep bedorven in het best van
zijne jonge jaren. Je weet het, melieve! de eenigste opvoeding, welke
hij ooit genoot, ontving hij in de stalles der Fransche Opera in Den
Haag!”