Vóór de deftige heerenhuizing, waar den vorigen avond de zanglievende
Charles de Bruyn van Oudenhoven ophield om binnen te treden, stond nu
eene vorstelijk mooie calèche met twee vorstelijk mooie schimmels.
De lakei, die op den bok zat en diep in den bonten kraag van zijn
knechtenpak was weggedoken, hield het lichaam en het hoofd kaarsrecht,
om aan te toonen, dat hij zeer wel wist, welk eene belangrijke
persoonlijkheid hij in het vorstelijk 's Gravenhage voorstelde. Op de
stoep des huizes liep dribbelend heen en weer een jeugdiger Mercurius
in hetzelfde pak als de koetsier. Uit zijne oogen straalde niet minder
ingenomenheid met zijne eervolle betrekking als lakei-palfrenier. Aan
den overkant was een lange slagersknecht juist bezig om eene bolronde
keukengravin met karmozijnen koonen het hof te maken, op welk tafereel
de verheven lakeien van den huize de Bruyn van Oudenhoven met innige
minachting nederblikten.
De palfrenier bleef staan en riep den Mercurius op den bok toe:
„Heb ik het je niet gezeid, George!”
„Van die zotte keuken-Trien?”
„Excuseer, met dat slag van menschen bemoei ik me niet! Ik meen van den
ouwe!”
„Zoo! Ja, 't is de schimmels in den grond bederven, dat eeuwige
wachten! 't Wordt met den dag vervelender! En dan die Fransche prinses!”
„Asjeblieft! De kamenier van die madam is net zoo!”
Het gelaat van den achtenswaardigen koetsier nam eene uitdrukking van
kortswijl aan, voor zoover 's mans aanzienlijke persoon en bediening dit
veroorloofden.
„Nou Filip!”—klonk het van zijne lippen—„je bent een beste! Hoor die
meid daarover eens gieren!”
Maar Filip stapte met een diplomatischen glimlach de stoep op en
neer. De keukenmeid stak nog even het hoofd buiten de deur, toen de
slagersknecht met zijne mand wegstapte, en wisselde een heimelijken blik
met George.
Terwijl beiden intusschen in het geheim huns harten, voor de winterkou
overvloedig beschermd door scharlaken vesten en azuur-blauwe overjassen,
met voldoening overlegden, hoezeer de overige Haagsche menschheid een
hoogen dunk mocht koesteren van hunne nuttige en achtbare personen, was
de man, voor wien hun ruggegraat zich kromde, in zijne binnenkamer met
de aangenaamste tijdkorting bezig.
Men zoude hem op dat oogenblik in het salon hebben aangetroffen,
waar zijne dochter en de oude dame, die Charles tante Bet noemde,
den vorigen avond een zoo ernstig onderhoud met dien veelbelovenden
spruit des Oudenhovenschen huizes hadden gehouden. De oude heer de
Bruyn van Oudenhoven was er volstrekt niet op gesteld, dat men hem een
~ouden~-heers-rang toekende. De eerste kleermakers van de residentie,
zich noemende ~tailleurs~, hadden hun best gedaan, om het kostuum
van den royalen klant zoo jeugdig mogelijk te maken. Hij zat op dit
oogenblik in een zwierigen, rood damasten leunstoel, dus kon men niet
aanstonds bemerken, hoe vlug en kort de prachtige zwartfluweelen smoking
was, die 's mans magere gestalte omsloot.
Kenmerkend in den uiterlijken tooi des heeren de Bruyn was nog het
gouden lorgnet, waren de uiterst hooge halsboorden met breede bruine
strepen en hondekoppen en een lint, lichtgroen met rozerood, waaraan een
ridderkruis in zijn knoopsgat.
De heer de Bruyn van Oudenhoven was sedert den vorigen zomer
gedecoreerd. Tante Bet heeft ons reeds geleerd, hoe gelukkig de Fortuin
haar schoonbroeder had bedacht. Men heeft daarenboven opgemerkt, welk
eene edele kunstbescherming hij het koor- en ballet-personeel der
Haagsche Opera gewoon was te verzekeren.
In deze kunstlievende kringen had eene aangename kennismaking met
een jeugdigen ~attaché~ van den Laubenstein-Apfenroder Erfprins hem
bijzonder gebaat. In zekere zeer galante omstandigheden had hij den
jongen staatsman een belangrijken dienst bewezen, en deze had den Vorst
van Laubenstein-Apfenrode over de hooge bekwaamheden van den heer de
Bruyn van Oudenhoven eene belangrijke dépêche geschreven. Zoo was deze
laatste ridder van 't Laubenstein-Apfenroder Luipaard geworden.
In zijn rooden fauteuil gedoken, ziet hij met zekere grimmigheid naar
een glas champagne, 't welk hij tegen het licht houdt. Tegenover hem
aan eene kleine ronde tafel, waarop een luisterrijk ontbijt van oesters
en geroosterd brood is geplaatst, zit eene jongedame van een zeer in
't oog vallend uiterlijk. Lichtblauwe zijde teekent hare figuur met
nauwe plooien van de schouders tot even boven den enkel. Een ceintuur
van rood lint, rood als de vlammen van den breeden haard, waarin de
kamer-Mercurius juist ijverig pookt, valt in overbreede strikken en
lamfers langs het pianostoeltje, 't welk ze met opzet gekozen heeft,
uit vrees voor eenige kreuking van bovengenoemde ornamenten.
Het gelaat dezer jongedame had zulk eene luisterrijke rozeroode tint,
dat ze met de fraaiste wassen beelden had kunnen wedijveren, ook was
de leverancier van haar blos een der aanzienlijkste ~coiffeurs~ uit
de residentie. Voor 't overige had ze een alledaagsch wezen, doffe,
donkere oogen, kleine vingers vol ringen, en een stel zware vlechten,
aan het achterhoofd vastgehaakt, met wier geldswaarde eene zuinige
arbeidersvrouw maanden lang hare huishouding had kunnen bekostigen.
Was zij rozerood, haar gastheer was perkamentkleurig geel. Had zij een
hoog opstijgend haartooisel, haar gastheer vertoonde een gladde kruin
met enkele kunstig gedraaide grijze haarspieren. De Bruyn van Oudenhoven
vestigde nog steeds zijne kleine grijze oogen op het glas champagne, en
schreeuwde op eens:
„Hendrik! schenk in! een schoon glas, als de wind!”
Hij voegde er nog een paar sterk sprekende uitdrukkingen bij, die we pro
memorie vermelden, en steeds zullen verwaarloozen.
Hendrik sprong van den haard, en bood eerbiedig het gevraagde. Daarna
bracht hij eene flesch van het buffet uit den hoek, en schonk.
„Nog een glas, Paquita?”—ging de gastheer voort in 't Fransch.
„Twee droppels, ~mon ami~!”
„Ja, nu ben je lief, Paquita! Omdat ik je zin doe, ben je lief! Maar ik
moet nog weten wat gisteravond....”
„~Tais-toi!~”
En Mlle Paquita Duflos, de beroemde kunstenares, die zoo menig ~pas de
trois~, zoo menig ~pas Bohémien~ voor het verrukte Haagsche parterre
had afgedanst, sloeg met hare zwakke vuist op de tafel, dat de fraaie
champagnekelken trilden. De ridder van het Laubenstein-Apfenroder
Luipaard keek met onverminderde grimmigheid rechts en links, en riep:
„Hendrik! sta je daar nog zoo te luieren? Heb je de freule Mina gezegd,
dat ik haar wachtte aan 't ontbijt?”
„De freule heeft hoofdpijn, meneer!”
„Kuren!”
En de heer de Bruyn van Oudenhoven stampte met zijne verlakte laarzen op
het tapijt, terwijl hij een woedenden blik door de kamer wierp, doch
plotseling het hoofd deed zinken, daar hij het portret van zijne
overledene vrouw gewaarwerd.
De deur werd op dat oogenblik eerbiedig geopend. Eene dienstbode kwam
vragen, of meneer thuis was voor den heer Adolf Weber.
„Wel zeker! Laat hem binnen! Paquita, ~ma chère~! Een beroemd
kladschilder vraagt gehoor!”
Met vlugge schreden trad een jongmensch de kamer binnen. Toen hij
bemerkte, dat de heer des huizes niet alleen was, bleef hij met eene
uitdrukking van onaangename teleurstelling staan. De heer de Bruyn
wenkte met de hand en riep:
„Ga zitten, Weber! Geneer je niet, kerel! Hendrik, geef een stoel! Een
glas champagne, he?”
Adolf Weber aarzelde. Zijn gelaat was bleek, eene zekere ontroering was
zichtbaar in al zijne bewegingen.
Eindelijk sprak hij met blijkbaren tegenzin:
„Reeds een paar weken heb ik getracht u te ontmoeten, meneer de Bruyn.
Altijd tevergeefs. Nu meende ik gelukkiger te zijn, maar wederom is u
niet alleen, en ik wilde u om de gunst van een vertrouwelijk onderhoud
onder vier oogen verzoeken!”
„Met plezier, kerel! De dame daar is Mlle Duflos, eene kunstenares....
Mlle Paquita Duflos, ~monsieur~ Weber, ~un des nos meilleurs peintres~!”
De danseres nam Weber met een lorgnet langzaam op, de schilder maakte
eene halve buiging, waarin vrij wat bedwongen wrevel om den hoek
gluurde. De heer de Bruyn van Oudenhoven ging voort:
„We kunnen zeer vertrouwelijk spreken, Weber! Ze verstaat geen enkel
woord Hollandsch! Je hoeft je niet te geneeren! Hendrik geef de flesch
hier, en maak als de weerga, dat je weg komt! Niemand mag ons komen
storen.”
Adolf Weber scheen een besluit te nemen, want hij plaatste zich niet ver
van den heer des huizes, met den rug voor driekwart naar de Fransche
danseres. Deze trok den schotel met oesters naar zich toe, en ving aan
ze met grooten eetlust te verslinden. Een blik van onverholen minachting
op de beide mannen vergezelde ieder harer bewegingen.
De schilder Adolf Weber had uiterlijk zeer weinig van datgene, 't welk
men soms kunstenaars-„chique” noemt. Niemand kon aan zijn gezicht of
kleeding iets opmerkelijks bespeuren. Hij was rijzig, had onverschrokken
blauwe oogen, eene gezonde kleur en eene zekere fierheid in zijne
gebaren, die een aangenamen indruk maakte. Als zoodanig leverde hij een
volmaakt verschil met den vervallen, bleekgelen Maecenas tegenover hem,
die zich ongelooflijke moeite gaf, om iets ontzagwekkends in toon en
manieren aan te nemen, maar niets dan de lompe driestheid van een
grofzinnelijken geldman in 't oog deed vallen.
De kunstenaar ving aan:
„Ik doe een beroep op uw geduld, meneer de Bruyn! Lang al heb ik u
willen zeggen, wat ik u nu ga mededeelen—maar altijd hielden uwe....
zaken u bezig!”
„Natuurlijk! Gisteren een souper gegeven aan de beste artisten van de
Opera! Laat geworden! Van morgen met Paquita getoerd, die er nu eens op
stond bij mij aan huis te ontbijten!”
„Ik herinner u, meneer! dat in vroegere jaren, toen u nog op de kleine
bovenwoning van de Zuilingstraat gevestigd was, mijne ouders zeer
vriendschappelijk met u en mevrouw uwe echtgenoote hebben omgegaan.
Menig avond was u met vrouw en dochter bij ons.”
„Ja, kerel! Die tijden zijn voorbij! Mijne goede nicht Daalberg heeft
mij eenig vermogen vermaakt—ik heb mijn ontslag gevraagd als
adjunct-commies bij Koloniën, en ben zoo langzamerhand in andere
kennissen gekomen.”
„Mijne familie beklaagt zich daarover niet. Ik matig mij geen oordeel
aan over uwe handelingen! Maar u zal het mij niet euvel duiden, dat ik
mij op die vriendschap beroep!”
„Wil je eene schilderij verkoopen? Heb je geld noodig? Adolf! spreek
vrij, kerel!”
Adolf Weber beet zich met drift op de lippen. Eene donker roode kleur
trok over zijn voorhoofd. Zijn oog fonkelde. Hij bedwong zich evenwel,
en ging voort:
„Ik wilde mij op uwe vriendschap beroepen, meneer de Bruyn! met een
geheel ander doel! Ik zal kort zijn. Nog eene vergissing als de vorige,
en ik zou moeten zwijgen! U weet, onze gezinnen hebben jarenlang met
elkander omgegaan. Ik heb de zekerheid, meneer de Bruyn! dat uwe dochter
Mina mij innig en hartelijk liefheeft—gelijk ik het van het eerste
oogenblik onzer ontmoeting deed. Toen begon ik als kunstenaar, mijn naam
was onbekend. Ik durfde haar niet van mijne liefde spreken—thans ga ik
de toekomst met hoop te gemoet, mijn werk in de kunst is niet ongelukkig
geslaagd. Mina heeft mij liefde en trouw beloofd, alles hangt af Van uwe
toestemming!”
De heer de Bruyn van Oudenhoven schonk langzaam de glazen in, sprak een
paar woorden Fransch met Paquita, en vestigde toen zijne grijze oogen
door de glazen van zijn gouden lorgnet met zekere grappige verwondering
op Weber. Deze zag strak voor zich, en bleef wachten.
„Weet je, wat ik er van denk, kerel!”—begon de heer de Bruyn—„Ik
geloof dat je een beetje al te sentimenteel bent. Liefde en zulke kuren
gaan goed op in de Opéra Comique, maar bij mij aan huis wil ik er
niemendal van weten! Op zijn tijd zal Mina trouwen, natuurlijk! Maar dan
zal ik er me mee bemoeien! Ze zal een aardig stuivertje erven, en er
zijn liefhebbers genoeg!”
Adolf Weber stond langzaam op. Zijn oog fonkelde opnieuw. Zijne
ademhaling was hoorbaar.
„Is dit uw laatste woord?”—vroeg hij fluisterend.
„Wel neen, kerel! Ik zal er nog wat bij zeggen! Je bent een
voortreffelijke, beste jongen, als je nog eene mooie teekening hebt,
zooals laatst, neem ik ze dadelijk voor 't zelfde geld!”
Weber sidderde, maar bedwong zich nog. Uiterlijk kalm sprak hij:
„U kan mijn aanzoek weigeren, meneer! Ik had mij er op voorbereid. Maar
uwe grofheden duld ik niet!”
Luidkeels lachend wierp de ex-adjunct-commies zich achterover in zijn
stoel, en riep in 't Fransch:
„Luister, Paquita! meneer maakt me eene scène! Meneer wil met mijne
dochter trouwen, en is niet in zijn humeur, omdat ik weiger!”
„Wel, dat is zeer grappig!” antwoordde de danseres, die hare laatste
oesterschelp nauwkeurig bekeek.
Wat Adolf Weber zou antwoorden was gemakkelijk te voorspellen, voor wien
de aderen op zijn hoog voorhoofd had zien zwellen—maar in ditzelfde
oogenblik opende zich eene zijdeur, en trad de dochter des huizes
doodsbleek te voorschijn. IJlings trad ze op den schilder toe en riep:
„Zwijg, Adolf! Laat u niet beleedigen door dat....”
Het woord stokte op hare kleurlooze lippen, maar ze wees met eene
beweging vol toorn en minachting naar de Française.
Sprakeloos van verbazing had de heer de Bruyn van Oudenhoven zijne
dochter zien binnentreden—nu barstte hij eensklaps los:
„Is er hier een komplot, of wat duivel, mankeert je, Mina? Denk je, dat
ik zoo stom zal wezen, om je met dien kladschilder te laten trouwen? Heb
je bij de deur staan luisteren als eene keukenmeid, en denk-je, dat ik
om al dat gejank een zier geef? Ik ben hier de baas in mijn eigen huis,
is het niet waar, Charles?”
Deze laatste woorden werden tot den veelbelovenden zoon des huizes
gezegd, die met een wijsje uit de ~Duchesse~ de kamer binnenstormde.
„Zoo, is er een scène? Bonjour, Paquita! Wat wil Weber?”
De aangesprokene had gedurende de weinige seconden, waarin dit alles
geschiedde, een zwaren strijd gestreden. De bleekheid van zijn gelaat
scheen ieder oogenblik doffer te worden: met de armen over elkaar
geslagen, het hoofd gebogen, wierp hij een blik naar het meisje, dat hij
liefhad.
„Wat ik wil?”—vroeg hij.—„Ik wil de waarheid zeggen, die mij reeds
jaren op de lippen ligt, maar die ik smoorde uit eerbied voor haar!”
Hij strekte zijne hand naar Mina uit. Deze deed vastberaden eene schrede
vooruit, en greep Adolfs hand.
De ex-adjunct-commies vloog uit zijn leunstoel op, en schreeuwde:
„Geene familiariteiten, als-je-blieft!”
De schilder trok zijne hand zachtjes terug, en antwoordde:
„Ik zal u de waarheid zeggen, meneer de Bruyn, bijgenaamd van
Oudenhoven! Dat U u zelven niet ontziet en jaarlijks dieper zinkt in het
slijk uwer liederlijkheid, dat U het huis, waarin uwe edele overledene
vrouw eens leefde, en uwe arme dochter hare wettige plaats bezit,
bezoedelt door de tegenwoordigheid eener beschilderde deerne, als daar
ginds—dat is laag! Dat U uw zoon meesleept in uwe eigen onreinheden,
dat U hem dagelijks meer verdierlijkt door uw heerlijk voorbeeld, zoodat
hij van de knechts der Haagsche koffiehuizen kleine sommen leent, om ze
heimelijk in handen dierzelfde deerne te storten, om u zooveel mogelijk
uwe grofheden en ellende te vergelden door list en bedrog—dat is
laag! Dat U een kunstenaar, op wiens eer en goeden naam ook door de
bekrompenste zielen niets valt af te dingen, voorbedachtelijk uittart en
beleedigt in uw huis—U, de armzalige parasiet onzer hoogaanzienlijke,
Haagsche maatschappij, U, de ijdele leeglooper en lafhartige verkwister,
ijdeler en lafhartiger dan de heele schitterende gilde der Haagsche
leege pronkers en leege praters—dat is laag! Maar, dat U uwe eigene
dochter, uwe vlekkelooze, reine dochter in 't bijzijn van deze creatuur
durft te verdenken en te lasteren, dat is meer dan laag, dat is de daad
van een godvergeten schoft!”
De heer des huizes schreeuwde luide vloekwoorden, Charles greep naar
zijn rotting. Mlle Paquita begon luide te fluiten. Eensklaps vliegt de
oude schurk naar de bel, en doet haar luide overgaan. Hendrik stort
binnen.
„Hei daar, Hendrik! smijt dien ploert de deur eens uit!”
Weber maakte eene korte beweging. Hendrik stond oogenblikkelijk aan den
grond genageld. Nu trad Mina op den schilder toe, greep zijne hand, en
sprak zoo luide mogelijk:
„Adolf! misschien zien wij elkaar nooit weer. Het is mijn treurige
plicht mijn vader te gehoorzamen! Maar wees gerust! Ik heb je trouw
beloofd. Ik zal mijn woord houden!”