I.

De groote klok speelde zeer luchtig:

„Je suis le mari de la Reine.”

't Was elf uren in den nacht. Een heer, die luid met de klok meezong,

liep door een van de voornaamste kwartieren der residentie zoo snel

mogelijk voort.

Hij bewoog zijne beide armen zeer heftig, en sloeg met een zeer korten

rotting driftig door den kouden mist. Hij zette het wijsje voort,

toen de klok al lang had stilgezwegen, en hield niet op, voordat hij

bij de stoep van een der deftigste woningen was aangekomen. Met een

miniatuur-sleutel verschafte hij zich toegang, en trad in het volle

licht van de gaslantaarn.

Hij was nog zeer jong. Zijn gelaat scheen weinig merkwaardig. Donkere

oogen, zwart hair, een knevel in wording, bleeke kleur, vielen 't

spoedigst in 't oog. Hij trok zijne zware overjas vlug uit, en snelde

de gang door. Daarna opende hij eene deur, en trad een ruim, prachtig

gestoffeerd vertrek binnen. Eene gaskroon deed alles in helder licht

baden—inzonderheid de breede vergulde lijsten van een aantal zeer

middelmatige schilderijen. Voor eene tafel was eene sofa geschoven,

waarop twee dames zaten, die met zekeren schrik den jonkman zagen

binnentreden.

Deze haakte een vierkant glas tusschen de leden van zijn rechteroog en

zei:

„Ah zoo! Tante Bet! Hoe vaar je? Dag Mina! Verduiveld aardig geweest van

avond!”

En zich in eene tooneelhouding plaatsend voor de tafel:

„~Voici le sabre! le sabre! le sabre!~”

De jonkman had eene zeer schorre stem, maar aan de gebaren kon men zeker

talent van nabootsing niet ontzeggen.

De beide dames zwegen. Er lag een open boek voor de oudste, door den

jeugdigen melomaan met den naam van tante Bet aangesproken. Zij had

juist gelezen. Haar hoogst ernstig gelaat droeg er nog den jongen,

bezielenden indruk van, zij was te eenvoudig gekleed, om in harmonie

te verkeeren met de weidsche pracht van hare omgeving—maar haar zwart

kleed, de kleine grijze krullen onder de breede strooken van hare muts

gaven dat ernstige gelaat eene tint van eerwaardigheid, die aantrok en

tot ontzag stemde.

De vroolijke bewonderaar van Offenbach keek de beide vrouwen eene poos

stilzwijgend aan. Een klein boos lachje stierf weg, toen hij de hand

weder ophief en voortging.

„'t Was enorm vol! ~L'auteur de mes jours~, de honorabele heer de Bruyn

van Oudenhoven, had twee ruikers in de ~loge grillée~ op stoelen naast

zich geplaatst. Toen Mlle Paquita Duflos verscheen met dien vervelenden

Chinees, welke altijd meespringt als zij danst, wierp onze eerwaardige

vader de beide ruikers aan hare wit satijnen voeten! De heele zaal

daverde van gejuich. Een heer naast mij in de stalles riep: „Leve de

Bruyn van Oudenhoven!” Mlle Paquita boog naar alle kanten, en ik kreeg

nog een extra-knikje!

„Oh! mon père qu'elle était belle,

Et, contre mon coeur sans secours,

C'est Dieu, que j'implore.... et c'est elle,

C'est elle! que je vois toujours!”

De jongste der beide dames, door den schorren zanger Mina genoemd, was

met eene toornige beweging opgestaan. Zij had den mond geopend tot

spreken. Het gaslicht viel over haar niet onbevallig gelaat, over haar

lichtbruin hair en helder blauwe oogen—zij geleek op den schreeuwer,

maar verschilde nog meer van hem. De uitdrukking van hare trekken was

sombere smart. Eindelijk klonk hare stem, trillend van verontwaardiging:

„Zul je zwijgen, Charles! Dadelijk zwijgen! Ik wil niet, dat tante meer

hoort!”

Charles maakte eene deftige buiging. Hij stak de linkerhand in het laag

uitgesneden zwarte vest, strekte zijne rechterhand uit om zijn lorgnet

met een sierlijken zwaai voor zijn oog te brengen:

„Waarlijk, mejuffrouw! U is al te gestreng! Wij kennen u het recht niet

toe, ons, uwen eenigen broeder op deze aarde, het stilzwegen voor te

schrijven!”

Deze woorden waren volkomen op den tooneeltoon gesproken. De heer

Charles had er een ongemeen behagen in, want hij beproefde in een

zenuwachtig lachen te vervallen, alsof hij de kopie van een clown wilde

geven.

Zijne zuster Mina viel op de sofa terug. Zij stak hare handen smeekend

naar de oude dame uit, die roerloos en met wijd geopende oogen den

jonkman in zijne bewegingen volgde.

„Weet je wat, Mina!”—vervolgde deze eenigszins bedaarder.—„Ik ben

eigenlijk voor jou thuis gekomen, ik moet je even spreken!”

Het jonge meisje keek hem met kwalijk verholen gramschap aan.

„Veel eer!”—antwoordde ze bitter.

„De eer is aan mij, kind! Kan ik je even in de gang spreken?”

„Neen!”

„Dan zal tante Bet wel niet kwalijk nemen, als ik je hier over iets

huiselijks raadpleeg. 't Is maar een kleinigheid! Papa geeft me

rijkelijk zakgeld,—Maandag nog wat muntjes gehad, maar ik kan ze niet

lang bewaren—en hem nu meer vragen, dat doe ik niet. Hij geeft van

avond een souper aan eenige bekwame artisten van onze bloeiende Haagsche

Opera in het Hotel ***, en ik heb.... eene kleine reünie met een paar

vrienden. Leen me voor een paar dagen een bankje van zestig of honderd?”

De beide vrouwen zwegen.

„Kom, Mina! Ik heb niet veel tijd! Je moest het maar doen! Misschien zie

ik Adolf Weber wel, je weet wel, dien gevoeligen vriend van je! Ik zal

hem spreken over je goedheid....”

Tante Bet hief nu de hand op, en sprak zoo koud en kalm mogelijk:

„De heer Adolf Weber, ons beider vriend,—niet waar Mina?—is een

fatsoenlijk man! Ik twijfel ten sterkste of hij zeer op het gezelschap

gesteld is van iemand als mijn neef Charles de Bruyn....”

„Van Oudenhoven! als je blieft, tante Bet! Mijn achtenswaardige vader

heeft de heerlijkheid Oudenhoven niet zoo duur gekocht, om kortaf de

Bruyn te heeten. Maar ga voort, ga voort, tante Bet!”

„Ik wilde u verzoeken u zoo min mogelijk te bemoeien met den heer Adolf

Weber en onze vriendschap voor hem!”

„Uw verzoek is zeer vriendelijk, tante Bet! Maar ik begrijp het niet!”

„Dat behoeft ook niet!”

De heer Charles de Bruyn van Oudenhoven bleef plotseling stilstaan.

„Ah ça! Maar, tante Bet, ik hoop niet, dat dit eene onaangenaamheid is!”

„Wat jij hoopt, is mij onverschillig!”

„Zoo, dat verandert. Maar dan zou ik wel eens willen weten, met welk

recht u hier over mij zit, om mij zoo iets te zeggen!”

De heer Charles was de tafel genaderd, leunde met beide handen aan den

rand, en sprak deze laatste woorden op uitdagenden toon.

Tante Bet knipte met de oogen. Zij had een breiwerk ter hand genomen,

en bewoog met koortsachtige drift de naalden. Daar liet zij het werk

eensklaps steken, en riep luide:

„Onbeschaamde jongen! Zou het mij niet geoorloofd zijn aan den zoon van

mijne overledene zuster te zeggen, wat ik goed vind! Heb ik nu niet

sedert drie jaren dagelijks mij geschaamd om de schande door uw vader

over dit ongelukkige huis gebracht! Mijne arme zuster, uwe eigen moeder,

Charles! is gestorven van verdriet! Vroeger was zij gelukkig, voor dat

die rampzalige erfenis je vader tot een ellendigen lichtmis en jou tot

een ellendigen leeglooper had gemaakt! Je vader is nooit een bijzonder

edel mensch geweest, maar hij arbeidde ten minste, en moest van zijn

klein inkomen leven. Dagelijks heb ik je moeder bijgestaan in de stille,

eenvoudige bovenwoning, waar jij bent opgegroeid! De goede vrouw was

zwak, beide naar lichaam en geest—jij hebt het ondervonden, dat ik je

jongensstreken zwaar heb gestraft, als je vader lachte en je moeder

begon te schreien. Toen zijn de dagen van voorspoed gekomen. Door

handige vleierij is het je vader gelukt, zijne oude nicht Daalberg

geheel in te palmen en haar testament maakte hem plotseling zeer

vermogend. Van dat oogenblik was alle vreugde voor je arme moeder

voorbij—je vader betrok dit huis, en maakte door zijne smakelooze

snoeverijen zich berucht in de heele residentie. Maar wat het ergste

was—op bijna vijftigjarigen leeftijd ving hij een leven van een losbol

aan, en sleepte zijn zestienjarigen zoon overal mede. Elken avond moest

jij, als een bespottelijk pronker opgedirkt, in de stalles van de

Haagsche Opera verschijnen, en in de handen klappen, zoodra de gemeene

deernen op het tooneel verschenen, aan welke je vader zijne bloemen

toewierp....”

„Een oogenblik, tante Bet! Ik ben al lang aan uwe sermoenen gewend—maar

u zal mij toch genoegen doen de dames van het ballet en het koor niet

met zulke leelijke scheldwoorden aan te duiden! Dat ik uit verveling de

meeste avonden in de Opera doorbreng, weet ik wel! Daar schuilt niets

misdadigs in, voor zoover ik kan zien. Integendeel, ik heb er een schat

van aardige airs opgedaan, die me in leege oogenblikken zeer vermaken,

en als ik mij niet een poosje geërgerd had over alles, wat u daar van

Mama zegt, zou ik er u een proef van geven!”

Tante Bet had hare rechterhand, die van aandoening en verontwaardiging

sidderde, op het boek gelegd, waar zij voor eenigen tijd uit las.

De heer Charles de Bruyn van Oudenhoven had voortdurend de kamer driftig

op en neer gewandeld, terwijl de oude dame sprak. Eensklaps trok hij een

voltaire naar de tafel, ging er achteloos in liggen, en zeide:

„Nu we er toch over spreken, tante Bet! zal ik u mijne volle opinie

maar eens zeggen, meteen voor Mina, dan ben ik er af, en verzoek van

verdere opmerkingen welwillend verschoond te blijven. Mijn vader is

rijk geworden door eene onverwachte erfenis—daar zal wel niemand tegen

hebben, behalve zij, die hem benijden. Mijn vader maakt gebruik van zijn

geld, helpt arme drommels van kunstenaars vooruit—laatst heeft hij nog

eene teekening van Adolf Weber gekocht—mijn vader wil zich amuseeren,

daar komt hij voor uit. Bovendien is hij goed en mild voor zijne

kinderen, hij geeft mij alles wat ik vraag, ik ben soms verlegen om hem

lastig te vallen, zooals juist van avond. Zoolang Papa niemand iets

schuldig is, aan niemand verplichtingen heeft, kan niemand iets tegen

den man inbrengen! Ik verlang daar nooit meer van te vernemen—alles wat

ik vraag is, of Mina mij een bankje van zestig of honderd wil leenen.”

De oude dame was onbeweeglijk blijven zitten, met de hand op het boek.

Mina had de beide handen om haar schouder geslagen en het hoofd tegen

haar arm gevlijd. Een traan van ergernis blonk in het oog van het jonge

meisje. Tante Bet knikte haar vriendelijk toe. Toen sprak zij met eene

zachte, bijna roerend ernstige stem:

„Wij zullen niet langer met elkander twisten, neef Charles! Misschien

val ik je nooit weer lastig met mijn gesprek. Maar dit eene moet je nog

hooren! Zoo zeker als ik mijne hand uitstrek over dit heilig Evangelie,

zoo waarachtig zal ik de belofte houden, die ik uwe moeder gedaan heb in

het uur van haar dood!”

Zachtjes was tante Bet opgestaan, en had Mina aan hare zijde getrokken.

Achter de sofa hing een levensgroot portret. 't Was de flink

geschilderde beeltenis der overledene vrouw des huizes—een jaar voor

haar dood in de dagen van zoogenaamden voorspoed vervaardigd. Op den

grijzen achtergrond las men den naam van den kunstenaar: Adolf Weber.

Tante Bet had zich ter zijde gewend en den vinger uitstrekkend naar het

portret, ging zij voort:

„Charles! Je hebt je moeder liefgehad! Hieraan wil ik niet twijfelen!

Zij hoort mij in dit oogenblik—zij spreekt tot je door mij! Nu is het

al anderhalf jaar geleden—zij lag ginder boven op haar sterfbed. Je

vader wist het wel, maar had niet veel tijd, zich met zijne vrouw te

bemoeien. De debuten waren in de Opera begonnen. 't Zal na zevenen in

den avond geweest zijn. De arme kranke lag beweegloos. Ik zat naast

haar—Mina was op de knieën gezonken, en schreide zacht. Plotseling komt

een luide tred en een opendoen der deur ons ontstellen. Je vader stond

vóór ons—jij zelf bleeft op den drempel, beiden in groot galakostuum

met al die gouden kettingen en ornamenten, waarmee mijn schoonbroer zich

zelven en zijn zoon overlaadt. Jelui kwaamt van het diner—en je vader

is dan gewoonlijk luidruchtiger door zijn onmatig drinken, dan een

fatsoenlijk man betaamt. Ik stond op, en wees hem op zijne doodelijk

zieke vrouw. Hij wenkte met de hand, dat hij maar even kwam zien—en

trok je mede. Toen hief zich uwe stervende moeder op—zij klemde

zich aan mij vast, en riep je naam, Charles! herhaalde keeren, met

zoo angstwekkende, doordringende stem, dat ik nog dagelijks dien

vreeselijken kreet in mijne ooren verneem. In dat uur fluisterde zij mij

eene bede toe—eene bede voor je geluk. Jelui waart lang vertrokken en

toen je des avonds terugkwaamt—was het met je arme moeder gedaan!”

De oude dame had hare blikken op het portret der gestorvene zuster

gevestigd. Zij zag niet, dat de heer Charles achter zijne nog met den

witten handschoen bekleede hand geeuwde. Mina had haar hoofd aan tantes

schouder verborgen. Niemand zag het. De geschilderde beeltenis alleen

scheen het te zien—want toen Charles die toevallig in het oog kreeg,

mompelde hij zacht eenige woorden, en verdween hij met een snellen tred

uit het vertrek.

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 44 / 58 题