#De Burgemeester van Oosterwolde maakt gebruik van eene voordeelige
geldbelegging, en geeft een feest aan zijne vrienden.#
De opgewondenheid heerschte voortdurend in Oosterwolde. Het concert
won zulk een reusachtigen bijval, dat men er den geheelen volgenden
dag in huizen en straten over sprak. Het tweede deel had nog meer
applaus verworven dan het eerste. Het laatste nummer was eene
verrassing geweest. De heer professor had met indrukwekkende stem een
„Heimath-Lied” van eigen maaksel voorgedragen, en toen was er aan het
bravo-geroep geen einde geweest. Tevergeefs had Herr von Hohenburg zich
bescheiden aan het algemeen gejuich onttrokken. De Burgemeester zelf had
hem in den kring der zijnen gebracht—nu het concert toch geëindigd was.
Er werd champagne gedronken, en bij eene aanspraak des heeren Snijders
vernam het geëerde publiek, dat de armen van Oosterwolde dien avond drie
honderd gulden rijker waren geworden. Er kwam geen eind aan den lof des
edelmoedigen kunstenaars. Deze had zich onder de dames gemengd, en zat
fluisterend te spreken met Martha. Daarna had hij tot steeds klimmend
genoegen van het publiek op buitengewonen aandrang een vroolijk air uit
~Mozart's Zauberflöte~ gezongen, enz. enz. Het was zeer laat geworden.
De Burgemeester had een aantal uitnoodigingen gedaan voor den volgenden
avond ten zijnent. Ook had hij een lang particulier onderhoud met den
Duitschen professor gehad, en zeer opgewonden met zijne vrouw gesproken
over het gunstig rapport, 't welk ~von Hohenburg~ in Duitschland zou
maken, en dat men nooit kon weten, waarvoor zoo iets goed was.
't Was misschien om deze reden, dat des Burgemeesters woning thans zich
zoo luisterrijk tooit. De pronkkamer is door de geopende deuren met de
huiskamer als ~suite~ tot feestzaal ingericht. De muziekavond zal om
halfacht beginnen. Niemand is nog aanwezig. De dames des huizes maken
groot toilet. Het lustig branden van de beide open haarden en het rustig
tikken van eene kostbare doch smakeloos vergulde pendule verbreken
de stilte. Nu wordt de deur der huiskamer zacht geopend. Mejuffrouw
Martha zweeft naar binnen. Hoe bevallig staat haar dat lichtgroene
zijden kleed. Zij heeft werkelijk goeden smaak—en dit is althans het
gevolg van haar kostschool-verblijf. Voor het overige heeft Martha
geene schadelijke invloeden ondergaan bij het „acheveeren” harer
„educatie”—de kloosterachtige afsluiting en de belachelijke vormdienst
hebben alleen hare verbeelding wat al te sterk gevoed en haar soms wat
droomerig gemaakt. Zij heeft zich in dit uur gehaast spoedig gereed te
zijn—en toch toont haar uiterlijk, dat zij dien avond de koningin van
het feest wil zijn. Hare donkere oogen schitteren van ongewonen gloed,
zij stelt zich buitengemeen genot voor. Natuurlijk bedoelt zij
kunstgenot, als Herr von Hohenburg zijne uitstekende gave zal doen
bewonderen, maar er is ook nog iets anders..... een levendige
belangstelling in den persoon des kunstenaars. Gisteravond, na het
concert, hadden ze samen in 't Duitsch gedweept met muziek.... en
Duitsch is zulk eene lieve taal, als men een beschaafd man vloeiend en
fraai hoort spreken. Zeker fluistert Herr von Hohenburg zoo intiem met
haar alleen, omdat zij zijne moedertaal verstaat, en er hem in
antwoordt. Die anderen zijn ook zoo bang, om een woord Duitsch te
zeggen! Maximiliaan heet hij.... aardige naam: Maximiliaan!
Hier verandert plotseling de stroom harer denkbeelden door eene
buitengewone omstandigheid. Zij merkt, dat er twee piano's zijn. In de
huiskamer en in de pronkkamer beide prijkt een klavier. Daar heeft zij
niets van gehoord. Die in de huiskamer is de hare, de Leeuwarder. Maar
in de voorkamer staat eene vreemde, eene fonkelnieuwe! Heeft haar vader
dit als eene verrassing dus beschikt! Misschien is het ook, dat de
Duitsche professor zijn eigen klavier wil behouden.... Daar wordt de
deur toevallig geopend.
„Zoo, Martha, kind!”—klinkt de stem van den Burgemeester—„wat zeg je
er van? Is dat geene verrassing?”
„Die nieuwe piano?”
„Nieuwe! Zeg eenige, zeg onvergelijkelijke! Met veel moeite heb ik von
Hohenburg overgehaald. Je weet wel, dat die van Schulz weinig deugt.
Daar heb je er een van Laurent, een der beste fabrieken uit Parijs. Ik
sprak er gisteren over met onzen professor, en vroeg hem raad voor een
goed stuk—want je moet een door en door goede piano hebben, Martha!
geen knoeiwerk! 't Was zeer moeilijk een wezenlijk goed instrument
te verkrijgen—men moest er kenner voor zijn. Hij had voor deze ƒ800
gegeven—maar wilde haar voor geen ƒ900 weer missen! Eindelijk, nadat ik
duidelijk te kennen gegeven had, dat ik hem zijn stuk benijdde, was hij
edelmoedig genoeg het mij aan te bieden! Zonder winst natuurlijk voor
ƒ800—maar het was een dienst. Wij zijn er uitstekend mee geholpen, en
zie je, onze Duitsche vriend zal er niet over zwijgen in zijn vaderland,
dat hij hier in Oosterwolde zoo goed is ontvangen en dat kan geen kwaad,
kind!”
„En heeft meneer von Hohenburg nu geen klavier meer?”
„Je begrijpt, dat hij met zijne kennis spoediger een ander vindt dan
wij. Hij zeide me dit zoo even nog confidentieel, toen ik in de ~Zon~
met hem afrekende!”
„En hoe komt de pianino hier zoo gauw?”
„Dit heb ik alles met mama maar in stilte geschikt, om ons feest van
avond luisterrijker te maken en ook om je eens te verrassen, kind!”
Martha had de tranen van erkentelijkheid in de oogen. Zij omarmde haar
goeden vader met een vroolijken blos. De Burgemeester legde met trots de
hand op hare zijzachte glinsterende lokken, en gevoelde zich volkomen
gelukkig.
Met luid lachende stemmen stormden nu de kleine Snijdersen in galagewaad
binnen en hadden het ontzettend druk over de mooie piano, die Martha
weldra voor hunne gauwe vingertjes moest sluiten. De drukke mevrouw
Snijders kwam nu pratende aanhollen, en berichtte, dat de dominé en
zijne vrouw al in de gang stonden. Zij was buitengewoon feestelijk
gedost door eene menigte juweelen en had meer verdriet van haar
struikerig en verwilderd kapsel, dan in gewone dagen. Na den predikant
kwamen de meeste gasten en daaronder het grootste deel van het
concertpubliek des vorigen avonds. Ook de Rector Warmenhuizen was
natuurlijk gevraagd en gekomen. Hij had zich niet weder over den held
van den dag uitgelaten—zijn gelaat droeg echter de sporen van ernstige
bekommering, toen hij den Burgemeester begroette.
Professor Maximilian Brandt von Hohenburg maakt zijne opwachting
bij de genadige vrouw „Burgemeesterin” en buigt voor al de heeren en
dames met bevalligen zwier. Zijn kostuum verschilt niet veel van het
concert-gala—zijn linnengoed en witte das zijn echter nog weidscher, er
blinken meer ringen aan zijne vingers. Er is een oogenblik stilte in de
feestzaal. De groote man weet zeer geschikt gebruik te maken van de
algemeene aandacht op zijn persoon, om zijn gesteendrukt portret met
loftuitend onderschrift den Burgemeester aan te bieden. 't Was eene
belofte van den vorigen avond. Algemeene uitroepingen van bewondering
deden aanstonds eene levendige beweging ontstaan. Had de Burgemeester
geweten, dat hij de tweede was in zijne stad, die zulk een portret
ontving, zijne geestdrift was wellicht minder groot geweest. De eerste
begiftigde was Gesina van der Zwaag.... die toevallig op „meneers
koamer” was verschenen, toen het geschenk voor den burgervader gereed
werd gemaakt.
Intusschen bewezen de levendigste gesprekken, dat de algemeene stemming
zeer vroolijk was. Een paar jongedames, dochters van den ontvanger,
speelden op de nieuwe piano, wat wij nog niet anders gewoon zijn te
noemen, dan een „~quatre-mains~.” Ieder sprak, de meisjes haastten zich
aan het eind te komen, daarna volgde een beleefd, maar flauw handgeklap.
Mejuffrouw Martha trad nu met een zangstuk op. Herr von Hohenburg
accompagneerde zelf. Nieuwe uitroepingen van bewondering. De zwakke,
doch lieve stem van Burgemeesters oudste dochter bezong de
eeuwenheugende:
„Fleuve du Tage.”
Von Hohenburg improviseerde eene schitterende finale, en de geestdrift
brak met onstuimigheid los. Thans werd de stemming voortdurend
feestelijker. Stientje en de veldwachter, die nu als huisknecht optrad,
brachten wijn en warme dranken. Ieder was voldaan. Misschien maakte de
jonge Rector Warmenhuizen eene uitzondering. Hij hield zich uiterlijk
zeer onbezorgd, maar volgde den Duitscher voortdurend met de oogen. In
den loop van den avond trof hij de tweede dochter des huizes, die geene
muziek maakte, maar aan alles dacht, 't welk hare bedrijvige en drukke
moeder vergat, een oogenblik bijna alleen in de huiskamer.
„Luister, Mina!”—fluisterde hij snel.—„De zaak gaat verkeerd. Die
kwakzalver strooit je beste ouders zand in de oogen, en is druk op weg
je zuster 't hoofd op hol te brengen.”
„Stil, Herman! zeg het toch niet! Je zult onaangenaamheden krijgen. Ze
gelooven je niet! Weet je al, dat vader die piano van den professor
gekocht heeft voor ƒ800!”
„Dat 's knap van den kerel! Daar wint hij ƒ400 of ƒ500 mee! Maar ik kan
het zoo niet langer aanzien....”
„Je kunt er niets aan doen, Herman! Vader heeft nog moeite gehad, om het
ding voor dat geld te krijgen. Hij is in de wolken—en moeder in de
wolken—en Martha in de wolken! Ons heele huis zweeft!”
„Boven den afgrond, misschien. Maar wees gerust, Mina! Wij zijn er ook
met ons tweeën! Wij moeten handelen, melieve!”
„Maar wat te doen?”
„Wil je me één ding toestemmen, Mina?”
„Och, Herman! Je meent vader te spreken....”
„Juist! Beloof me dat eene! Als het mij gelukt dien zwendelaar te
verjagen, mag ik dan tot belooning uw vader over onze liefde spreken!”
„Ik laat het aan je over, Herman!”
„Uitmuntend! Hier is mijne hand! Ik verklaar je met den meesten ernst,
dat ik zeer spoedig met dien professor zal afrekenen.... nu je dit
zegt!”
„Op welke manier?”
Het oorverdoovend handgeklap, 't welk een lied uit den Don Juan door
Herr von Hohenburg beloonde, maakte des Rectors antwoord onverstaanbaar.
De verschijning van eenige gasten belette de voortzetting van het
gesprek.
Een half uur later greep er een ander gesprek plaats bij de pianino, 't
welk eene geheel verschillende kleur droeg. De gasten woelden druk door
elkander heen. Men maakte met onbekrompenheid gebruik van 's heeren
Snijders voortreffelijken wijn. Ieder verdiepte zich met buurman of
buurvrouw in een hoog opgeven over het uitstekend muzikale genot.
Mejuffrouw Martha zou eene aria zoeken uit den Robert, en bladerde in
een prachtig gebonden muziekboek. Herr von Hohenburg stond achter haar
stoel en boog zich zoo nabij haar oor, dat zijn zwart haar hare blonde
lokken aanroerde. Zij spraken Duitsch.
„Er komt een oogenblik in ons leven,”—zeide hij—„dat ons de oogen
geopend worden. Het onbestemde, het nevelachtige ideaal onzer ziel wordt
werkelijkheid! Toen ik het eerst dit vertrek binnentrad voor weinige
dagen, zweefde mij maar eene onduidelijke voorstelling voor oogen, wat
liefde was! Ik heb al dien tijd in een droom geleefd, toen is het licht
geworden!”
Martha bedekte haar blos met het muziekboek. Ze ziet even op, haar
voorhoofd raakt de lippen des sprekers, die zich schielijk opheft, en
met den vinger op de muziek wijzend, vervolgt:
„De liefde is de waarachtige melodie van het leven, schooner dan al de
melodiën van al de maestro's te zamen. Maar zij is een duet, waarbij de
krachtige slag van het beminnend hart het ~tempo~ aangeeft. Mijn hart is
~allegro~.... o Martha!”
Martha verstaat den knappen man, en lispt:
„Ik kan u niets antwoorden.... u heeft goed gesproken, Herr von....”
„Noem mij toch Max, mijn eenvoudige naam, waarmee mijne moeder mij riep!
Dat klinkt mij zoo weemoedig en gemoedelijk in 't oor!”
„Ik mag dit niet, Max....”
„Waarom niet?”
„Binnen weinige dagen zul-je vertrekken, dan zie ik je nimmer weer, en
je vergeet aanstonds het opgewonden gesprek van het onbeduidende
landmeisje.”
De eenvoudige Max bracht zijn hoofd weder aan haar oor, en fluisterde:
„Ik vergeet u nooit! Ik heb niemand lief dan u alleen! Maar u....
Martha?”
Martha boog het hoofd en scheen een moeielijke maat op het muziekblad te
ontcijferen. Snel zag zij daarna op en verzekerde met dien blik alles,
wat de professor durfde te droomen.
„Ik vertrek niet uit deze stad. Ik blijf, Martha! Mijn besluit staat
vast. Wij kunnen nu niet langer fluisteren. Die lange jongen, dien je
Rector noemt, bespiedt ons. Kan ik u morgen tien minuten zonder getuigen
spreken?”
„Kom om tien uren hier, dan is papa op zijn bureau, en mama nog niet
klaar! Je maakt een bezoek, eenvoudig! Niemand kan er iets op
aanmerken!”