#Hier verrukt Phoebus Apollo al de Beötiërs op een na.#
Vijf dagen achtereen reeds is het stedeke Oosterwolde in rep en roer.
Van den Burgemeester tot den minsten straatjongen is ieder bezig zich
te bemoeien met den voornamen vreemdeling, die in de ~Zon~ logeert.
De Faam geeft verschillende voorstellingen van zijn persoon. De meest
algemeene lezing luidt, dat hij een schatrijk Duitsch Prins is, die
belangeloos zijne kunst doet bewonderen, en uit grilligheid heel de
wereld doorreist. De Burgemeester heeft hem op de sociëteit voorgesteld,
waar hij het middelpunt eener goedhartige en lastige bewondering vormt.
De bewoners van Oosterwolde onderscheiden zich hierin voornamelijk van
de overige Nederlanders, dat zij onbegrijpelijk stug en terughoudend
tegenover landgenooten, maar buitengewoon eerbiedig en vriendschappelijk
tegenover vreemdelingen zijn. Herr von Hohenburg had er de dagelijksche
ervaring van. Een enkel woord van hem deed het heele gezelschap in
de sociëteit schateren, den tweeden avond van zijn verblijf had hij
zeer vriendschappelijk in den huiselijken kring des Burgemeesters
doorgebracht, den derden dag had hij bij den kantonrechter, die
ongetrouwd was, met de bloem der Oosterwoldsche ~jeunesse dorée~
gedineerd, en men had er eene onbegrijpelijke hoeveelheid flesschen wijn
en champagne verbruikt. Herr von Hohenburg had echter gezorgd, dat de
heeren meer dronken dan hij. Hij was volkomen waardig gebleven, en had
geen enkelen gewaagden volzin gesproken, een euvel, waarvoor hij zeer
voorzichtig op zijne hoede was. De lijst van het concert, 't welk nu
aan den avond van den vijfden dag zou plaats grijpen, was bijna door
al de notabelen van de stad met ijver geteekend. Herr von Hohenburg had
den prijs zeer hoog gesteld voor Oosterwolde. Niet dikwijls wilde men
daar voor eenig kunstgenot ƒ2.50 betalen, de „komedianten” uit X****
lieten zich bewonderen voor 75 centen, maar boven aan de lijst van den
Duitschen professor prijkten de woorden: ~Ten voordeele der algemeene
armen~, welke, gevoegd bij de tooverkracht, die in zijne persoonlijke
verschijning verborgen was, de koorden van ieders beurs hadden
losgemaakt.
In Oosterwolde leefde echter één persoon, die zich niet bij de algemeene
beweging aansloot. Hij had wel niet bijzonder veel invloed, maar telde
toch mede onder de notabelen. Er bestond namelijk in het stedeke eene
zeer oude instelling, die niemand vergat onder de merkwaardigheden der
plaats te noemen: eene Latijnsche school. Rector van deze school was
sinds een paar jaren een jongmensch, pas gepromoveerd, vreemd in het
stadje, maar blijde, dat hij zijne loopbaan aldaar beginnen mocht. Het
personeel der leeraren werd door hem alleen vertegenwoordigd, terwijl
het getal zijner leerlingen tusschen de vijf en zeven bleef. Zijn naam
was Dr. Herman Warmenhuizen, hij was gezien bij de meeste fatsoenlijke
families, doch men vond hem steeds wat vreemd. Twee groote voordeelen
had hij aan zijne zijde: hij was ongetrouwd, en hij wist in gezelschap
tamelijk wel piano te spelen. De oude en jongere dames waren nogal op
zijne hand, de heeren mochten hem niet—hij was te wijs en te stil.
Hij was geen ware sociëteitsman, hij biljartte niet, hij maakte geene
partijtjes, hij rookte geene Goudsche pijpen. Zijne beschaafde
Nederlandsche taal maakte hem bij de Oosterwoldsche ~bachelors~
verdacht, en zijne politieke meeningen bij de ~père-nobles~. De
predikant, de burgemeester en de kantonrechter hadden echter een
zekeren eerbied voor hem, 't welk al de overigen in bedwang hield.
Dr. Herman Warmenhuizen had van den beginne niet in de algemeene
koorts gedeeld, die na de verschijning van Professor von Hohenburg
heel Oosterwolde had besmet. Hij had den beroemden man op de sociëteit
gezien en gesproken. Hij verklaarde, dat hij nimmer iets van eene
Lichtensteinsche hofhouding gehoord had—dat zulk een voornaam man als
de professor al een zeer zonderling figuur in zulk een klein plaatsje
als Oosterwolde maakte. Doch hij deed alleen een koor van lofredenaars
voor den vreemden kunstenaar ontstaan, die hem even warm tegenspraken,
als zij den Duitscher prezen. Vele oordeelden het volkomen ongepast en
bespottelijk pedant van den Latijnschen „schoolvos”, dat hij zich zulke
opmerkingen veroorloofde. Zelfs bij de familie Snijders, waar hij met
gulheid ontvangen werd—men mompelde soms iets van eene geheime
verloving tusschen hem en mejuffrouw Mina—zelfs bij de Snijdersen,
moest hij zwijgen tegenover de opgewonden lofredenen des Burgemeesters,
de uitroepingen van mevrouw en de zachte opmerkingen van mejuffrouw
Martha.
Onder deze omstandigheden was het bijna met zekerheid te voorspellen,
dat het concert een ongehoorden bijval zou winnen. Dr. Warmenhuizen
voorzag het, en trok kwartier voor zeven van den bewusten avond naar het
welbekende vereenigingslokaal der weduwe van der Zwaag. Ongewone drukte
en levendigheid heerschte alom in de ~Zon~. De veldwachter stond in
pontificaal bij de voordeur, en oefende naast zijn eigen, ook nog het
beroep van bureaulist uit. In de „jachtweide” blonk alles nog eens zoo
luisterrijk als gewoonlijk—het vuur was eens zoo hoog opgestapeld en de
„tapkast” zuchtte onder de reusachtige menigte flesschen van allerlei
gehalte. De kasteleines met hare beide dochters vertoonden zich in
groot gala, zwarte zijde, oorhangers, bloedkoralen halskettingen met
eerbiedwaardige vierkante gouden sloten en armbanden. Zij zweefden
onophoudelijk heen en weer van de „jachtweide” naar de concertzaal.
Daar was alles even luisterrijk en feestelijk ingericht. Al de koperen
hanglampen blonken of ze van goud waren en brandden zoo helder, als
ouderwetsche olielampen immer hebben kunnen branden. Het biljart was
weggenomen. De ledige ruimte was met tafeltjes en stoelen bezet. Op eene
kleine verhevenheid zag men de gesloten pianino des professors met
waskaarsen verlicht, terwijl twee tafeltjes met groene kleeden nog tal
van luchters en waskaarsen naast het klavier vertoonden. Men moest den
kunstenaar kunnen ~zien~!
Reeds lang vóór zeven uren was het publiek bijna voltallig, daar het te
laat komen in Oosterwolde niet tot de goede manieren behoorde. Men zag
er de bloem der ongetrouwde jonge meisjes met hare moeders meestal te
zamen, terwijl de heeren en jongelieden op den achtergrond der zaal
afzonderlijke groepen uitmaakten. De familie van den Burgemeester had
zich zonder aarzelen op den voorgrond bij de verhevenheid met de pianino
geplaatst—al de vriendinnen in 't ronde fluisterden met Martha en Mina
over den Duitscher. Von Hohenburg was allerbeleefdst—niets trotsch, hij
was onvermoeid in 't spelen, en hij zong goddelijk! Verbeeld je, hij had
voor Martha allerbeleefdst de muziek omgeslagen, toen zij de ~Judith~
van ~Bordese~ gezongen had, je weet wel:
„Sur les remparts de Béthulie
Holopherne a conduit ses infames soldats!”
En aangenaam was hij in gezelschap, voor iemand van zooveel talent was
het toch waarlijk niet veel als hij Martha of Mina hoorde spelen, maar
met het grootste genoegen, hoor! Zoo sprak mevrouw Snijders. En de echo
ging de zaal rond, tot zij aankwam bij den jongen Rector Warmenhuizen,
die met teleurstelling zijn hoofd schudde, en veler verontwaardiging
opwekte.
De held van den avond wachtte intusschen naar een geschikt oogenblik, om
op te treden. Juist was de „jachtweide” ledig, daar allen in gespannen
verwachting naar de zaal waren gesneld, en er dien avond niet voor het
publiek „getapt” werd. Herr von Hohenburg droeg een prinselijken blauwen
rok met gouden knoopen, twee fraaie ridderkruisen glinsterden in zijn
knoopsgat, zijn witte das en vest vormden een wonder van blankheid en
pracht. Voor den schuins hangenden spiegel schikt hij nogmaals de zwart
blinkende hairen. Een tred klinkt achter hem.
„Ach zoo! ben jij daar Gretchen!”—roept hij uit.
Gesina kwam eene stoof halen voor eene jongedame, die wat koude
voeten had. In de vijf dagen van des Duitschers verblijf is ze wat
vriendelijker geworden jegens den voornamen heer, van wien ieder met lof
spreekt. Wel lacht hij altijd even familiaar, wel drukt hij hare hand
somtijds, of vat haar schertsend om hare leest, maar anders is hij een
recht hupsch heer, een knap heer, een royaal heer—Gesina is niet meer
zoo kinderachtig bevreesd, als dien eersten morgen. Herr von Hohenburg
treedt op haar toe, met eene uitdrukking van ongeveinsde bewondering
ziet zij hem aan.
„Ik denke nu' mal an te vangen, Gretchen!”
„De klok het al lang zeuven sloagen, meneer!”
„'t Is gerade tijd! Is de kammer vol, Gretchen?”
„Der kennen nijt meer ien, meneer!”
„Alzoo! Das geht los!”
Herr von Hohenburg glimlacht zoo vriendelijk mogelijk tegen het jonge
meisje, trekt zijne witte handschoenen zoo nauw mogelijk aan zijne
vingeren, en blijft naast haar staan. Zij draagt de stoof met beide
handen. Plotseling slaat hij zijn arm om haar midden en drukt een
vluchtigen kus op haar mond. Daarna verdwijnt hij bliksemsnel langs eene
zijdeur, die uit de „jachtweide” naar de verhevenheid in de concertzaal
voert—het ~entrée des artistes~. Een daverend bijvalsgejuich weergalmt
tot in de „jachtweide.” Gesina is wel wat ontsteld, maar niemand heeft
het gezien—en dan zoo'n knap heer.... Zij haast zich, ook bij het
concert te zijn.
Professor Maximilian Brandt von Hohenburg is voor het geachte publiek
opgetreden. Zijne buiging heeft de algemeene geestdrift gewekt. Hij
opent zijn klavier, ziet rechts en links, trekt langzaam zijne witte
handschoenen uit en legt ze op een der lichtdragende tafeltjes.
Daarna zit hij recht als eene kaars, bemerkt, dat het publiek onder
hooge inspanning wacht, en begint met een grillig forto zijn eerste
concertstuk. Er zijn programma's gedrukt—iets geenszins alledaagsch in
Oosterwolde. Het eerste stuk heette: ~Souvenir de l'Opéra: Il Trovatore
de Giuseppe Verdi~. De componist van dit ~souvenir~ was de heer von
Hohenburg zelf. Eene volkomen stilte heerschte in de zaal. Ieder vond
zich zedelijk verplicht de muziek onvergelijkelijk mooi te vinden, en
op aller gelaat vertoonde zich een glimlach van stille tevredenheid.
De Rector Warmenhuizen glimlachte ook, maar uit.... medelijden.
't Zou eene te zware taak zijn, het schitterend succes des Duitschen
professors in al zijne volheid te verhalen. Zoo ras zijne voordracht
van eenig stuk eindigde, maakte hij zich onzichtbaar te midden van
oorverdoovend gejuich. In de eerste afdeeling van zijn concert genoten
de Oosterwoldenaren nog de ~Nocturne~ van Döhler en ~Rondo capricioso~
van den heer von Hohenburg zelven. Bij de laatste maten van dit laatste
stuk scheen men het op den vloer der weduwe van der Zwaag te hebben
gemunt—de kunstenaar werd teruggeroepen, de pauze begon. Met dit
gewichtig onderdeel voor alle feestelijkheden daar ter plaatse, kwam
er gewoonlijk eenige meerdere losheid onder het publiek. De dames en
de heeren zagen de grenslijnen hunner verschansingen overtreden door
sommige vermetelen. Men wisselde eenige woorden over de muziek. De
meeste heeren waren in de gelagkamer verdwenen, die nu voor koffiekamer
gold. De voorname dames schikten zich aan tafeltjes en ontvingen
bezoeken van bekenden. Mevrouw Snijders zat met hare dochters in een
wolk van vrienden.
„'t Is verrukkelijk!”—riep de kantonrechter.
„Onnavolgbaar!”—meende de ontvanger.
„Zoo iets hebben we hier nooit gehad!”—sprak Martha fluisterend.
„Ik hoop niet, dat de dames het mij kwalijk zullen nemen!”—zei de
Rector Warmenhuizen.—„Ik vind dien Hohenburg zeer middelmatig. De
muziek van Verdi is aardig, meer niet—en die ~Rondo~ is een duidelijk
plagiaat!”
„Meneer Warmenhuizen is moeilijk te voldoen!”—merkte mevrouw Snijders
op.
De andere heeren zwegen. Martha lachte achter haar zakdoek. Mina zag den
jongen Rector snel aan, en knikte hem zoo deelnemend en vriendelijk toe,
dat hij er van af zag, nog iets in 't midden te brengen.
De bewierookte professor had zich in de pauze uit de „jachtweide”
verwijderd, toen hij de heeren rookers en drinkers zag naderen. Hij
zocht eene toevlucht op zijne kamer. Hij neuriede zeer tevreden, toen
hij de deur sloot. De maan keek helder door het groote venster naar
binnen. Herr von Hohenburg wreef zich in de handen, en trok plotseling
luide aan de bel. Aanstonds bijna vloog de gedienstige Gesina binnen,
en bleef op den drempel staan, om meneers orders te vernemen. 't Was
om eene flesch Rijnschen wijn. Even spoedig was zij terug met het
gevraagde, en terwijl zij glas en flesch nederzette, greep zij naar een
kurketrekker. De beleefde kunstenaar nam haar echter dit werk uit de
handen, en had in eene seconde zijn glas gevuld.
„Kom, Gretchen! Doe mij dat vergenoegen, en drink een glas op de
concert!”
„Meneer wordt vrundelijk bedankt—ik heb geen tied!”
Maar Gesina meende het zoo erg niet. Met eenige aarzeling voldeed zij
aan het beleefd verzoek. Toen schonk de knappe heer zich zelven in, en
zag haar zoo aardig lachend aan, dat zij zelve moest meelachen.
„Gij zijt nicht boos, Gretchen?”
„Och Heere mien tied!”
De uitroep gold geheel iets anders, dan wel de vraag van den
vriendelijken professor. Hij had de knappe deerne vast om hare leest
gegrepen, en poogde haar weder te omhelzen.
Een luid kloppen op de deur klonk plotseling. Gesina vloog naar eene
zijdeur, en nauw was zij in 't donker verdwenen, of de veldwachter
vertoonde zich, om Herr von Hohenburg een zak met honderdachtenvijftig
rijksdaalders aan te bieden.