IV.

#Hier verrukt Phoebus Apollo al de Beötiërs op een na.#

Vijf dagen achtereen reeds is het stedeke Oosterwolde in rep en roer.

Van den Burgemeester tot den minsten straatjongen is ieder bezig zich

te bemoeien met den voornamen vreemdeling, die in de ~Zon~ logeert.

De Faam geeft verschillende voorstellingen van zijn persoon. De meest

algemeene lezing luidt, dat hij een schatrijk Duitsch Prins is, die

belangeloos zijne kunst doet bewonderen, en uit grilligheid heel de

wereld doorreist. De Burgemeester heeft hem op de sociëteit voorgesteld,

waar hij het middelpunt eener goedhartige en lastige bewondering vormt.

De bewoners van Oosterwolde onderscheiden zich hierin voornamelijk van

de overige Nederlanders, dat zij onbegrijpelijk stug en terughoudend

tegenover landgenooten, maar buitengewoon eerbiedig en vriendschappelijk

tegenover vreemdelingen zijn. Herr von Hohenburg had er de dagelijksche

ervaring van. Een enkel woord van hem deed het heele gezelschap in

de sociëteit schateren, den tweeden avond van zijn verblijf had hij

zeer vriendschappelijk in den huiselijken kring des Burgemeesters

doorgebracht, den derden dag had hij bij den kantonrechter, die

ongetrouwd was, met de bloem der Oosterwoldsche ~jeunesse dorée~

gedineerd, en men had er eene onbegrijpelijke hoeveelheid flesschen wijn

en champagne verbruikt. Herr von Hohenburg had echter gezorgd, dat de

heeren meer dronken dan hij. Hij was volkomen waardig gebleven, en had

geen enkelen gewaagden volzin gesproken, een euvel, waarvoor hij zeer

voorzichtig op zijne hoede was. De lijst van het concert, 't welk nu

aan den avond van den vijfden dag zou plaats grijpen, was bijna door

al de notabelen van de stad met ijver geteekend. Herr von Hohenburg had

den prijs zeer hoog gesteld voor Oosterwolde. Niet dikwijls wilde men

daar voor eenig kunstgenot ƒ2.50 betalen, de „komedianten” uit X****

lieten zich bewonderen voor 75 centen, maar boven aan de lijst van den

Duitschen professor prijkten de woorden: ~Ten voordeele der algemeene

armen~, welke, gevoegd bij de tooverkracht, die in zijne persoonlijke

verschijning verborgen was, de koorden van ieders beurs hadden

losgemaakt.

In Oosterwolde leefde echter één persoon, die zich niet bij de algemeene

beweging aansloot. Hij had wel niet bijzonder veel invloed, maar telde

toch mede onder de notabelen. Er bestond namelijk in het stedeke eene

zeer oude instelling, die niemand vergat onder de merkwaardigheden der

plaats te noemen: eene Latijnsche school. Rector van deze school was

sinds een paar jaren een jongmensch, pas gepromoveerd, vreemd in het

stadje, maar blijde, dat hij zijne loopbaan aldaar beginnen mocht. Het

personeel der leeraren werd door hem alleen vertegenwoordigd, terwijl

het getal zijner leerlingen tusschen de vijf en zeven bleef. Zijn naam

was Dr. Herman Warmenhuizen, hij was gezien bij de meeste fatsoenlijke

families, doch men vond hem steeds wat vreemd. Twee groote voordeelen

had hij aan zijne zijde: hij was ongetrouwd, en hij wist in gezelschap

tamelijk wel piano te spelen. De oude en jongere dames waren nogal op

zijne hand, de heeren mochten hem niet—hij was te wijs en te stil.

Hij was geen ware sociëteitsman, hij biljartte niet, hij maakte geene

partijtjes, hij rookte geene Goudsche pijpen. Zijne beschaafde

Nederlandsche taal maakte hem bij de Oosterwoldsche ~bachelors~

verdacht, en zijne politieke meeningen bij de ~père-nobles~. De

predikant, de burgemeester en de kantonrechter hadden echter een

zekeren eerbied voor hem, 't welk al de overigen in bedwang hield.

Dr. Herman Warmenhuizen had van den beginne niet in de algemeene

koorts gedeeld, die na de verschijning van Professor von Hohenburg

heel Oosterwolde had besmet. Hij had den beroemden man op de sociëteit

gezien en gesproken. Hij verklaarde, dat hij nimmer iets van eene

Lichtensteinsche hofhouding gehoord had—dat zulk een voornaam man als

de professor al een zeer zonderling figuur in zulk een klein plaatsje

als Oosterwolde maakte. Doch hij deed alleen een koor van lofredenaars

voor den vreemden kunstenaar ontstaan, die hem even warm tegenspraken,

als zij den Duitscher prezen. Vele oordeelden het volkomen ongepast en

bespottelijk pedant van den Latijnschen „schoolvos”, dat hij zich zulke

opmerkingen veroorloofde. Zelfs bij de familie Snijders, waar hij met

gulheid ontvangen werd—men mompelde soms iets van eene geheime

verloving tusschen hem en mejuffrouw Mina—zelfs bij de Snijdersen,

moest hij zwijgen tegenover de opgewonden lofredenen des Burgemeesters,

de uitroepingen van mevrouw en de zachte opmerkingen van mejuffrouw

Martha.

Onder deze omstandigheden was het bijna met zekerheid te voorspellen,

dat het concert een ongehoorden bijval zou winnen. Dr. Warmenhuizen

voorzag het, en trok kwartier voor zeven van den bewusten avond naar het

welbekende vereenigingslokaal der weduwe van der Zwaag. Ongewone drukte

en levendigheid heerschte alom in de ~Zon~. De veldwachter stond in

pontificaal bij de voordeur, en oefende naast zijn eigen, ook nog het

beroep van bureaulist uit. In de „jachtweide” blonk alles nog eens zoo

luisterrijk als gewoonlijk—het vuur was eens zoo hoog opgestapeld en de

„tapkast” zuchtte onder de reusachtige menigte flesschen van allerlei

gehalte. De kasteleines met hare beide dochters vertoonden zich in

groot gala, zwarte zijde, oorhangers, bloedkoralen halskettingen met

eerbiedwaardige vierkante gouden sloten en armbanden. Zij zweefden

onophoudelijk heen en weer van de „jachtweide” naar de concertzaal.

Daar was alles even luisterrijk en feestelijk ingericht. Al de koperen

hanglampen blonken of ze van goud waren en brandden zoo helder, als

ouderwetsche olielampen immer hebben kunnen branden. Het biljart was

weggenomen. De ledige ruimte was met tafeltjes en stoelen bezet. Op eene

kleine verhevenheid zag men de gesloten pianino des professors met

waskaarsen verlicht, terwijl twee tafeltjes met groene kleeden nog tal

van luchters en waskaarsen naast het klavier vertoonden. Men moest den

kunstenaar kunnen ~zien~!

Reeds lang vóór zeven uren was het publiek bijna voltallig, daar het te

laat komen in Oosterwolde niet tot de goede manieren behoorde. Men zag

er de bloem der ongetrouwde jonge meisjes met hare moeders meestal te

zamen, terwijl de heeren en jongelieden op den achtergrond der zaal

afzonderlijke groepen uitmaakten. De familie van den Burgemeester had

zich zonder aarzelen op den voorgrond bij de verhevenheid met de pianino

geplaatst—al de vriendinnen in 't ronde fluisterden met Martha en Mina

over den Duitscher. Von Hohenburg was allerbeleefdst—niets trotsch, hij

was onvermoeid in 't spelen, en hij zong goddelijk! Verbeeld je, hij had

voor Martha allerbeleefdst de muziek omgeslagen, toen zij de ~Judith~

van ~Bordese~ gezongen had, je weet wel:

„Sur les remparts de Béthulie

Holopherne a conduit ses infames soldats!”

En aangenaam was hij in gezelschap, voor iemand van zooveel talent was

het toch waarlijk niet veel als hij Martha of Mina hoorde spelen, maar

met het grootste genoegen, hoor! Zoo sprak mevrouw Snijders. En de echo

ging de zaal rond, tot zij aankwam bij den jongen Rector Warmenhuizen,

die met teleurstelling zijn hoofd schudde, en veler verontwaardiging

opwekte.

De held van den avond wachtte intusschen naar een geschikt oogenblik, om

op te treden. Juist was de „jachtweide” ledig, daar allen in gespannen

verwachting naar de zaal waren gesneld, en er dien avond niet voor het

publiek „getapt” werd. Herr von Hohenburg droeg een prinselijken blauwen

rok met gouden knoopen, twee fraaie ridderkruisen glinsterden in zijn

knoopsgat, zijn witte das en vest vormden een wonder van blankheid en

pracht. Voor den schuins hangenden spiegel schikt hij nogmaals de zwart

blinkende hairen. Een tred klinkt achter hem.

„Ach zoo! ben jij daar Gretchen!”—roept hij uit.

Gesina kwam eene stoof halen voor eene jongedame, die wat koude

voeten had. In de vijf dagen van des Duitschers verblijf is ze wat

vriendelijker geworden jegens den voornamen heer, van wien ieder met lof

spreekt. Wel lacht hij altijd even familiaar, wel drukt hij hare hand

somtijds, of vat haar schertsend om hare leest, maar anders is hij een

recht hupsch heer, een knap heer, een royaal heer—Gesina is niet meer

zoo kinderachtig bevreesd, als dien eersten morgen. Herr von Hohenburg

treedt op haar toe, met eene uitdrukking van ongeveinsde bewondering

ziet zij hem aan.

„Ik denke nu' mal an te vangen, Gretchen!”

„De klok het al lang zeuven sloagen, meneer!”

„'t Is gerade tijd! Is de kammer vol, Gretchen?”

„Der kennen nijt meer ien, meneer!”

„Alzoo! Das geht los!”

Herr von Hohenburg glimlacht zoo vriendelijk mogelijk tegen het jonge

meisje, trekt zijne witte handschoenen zoo nauw mogelijk aan zijne

vingeren, en blijft naast haar staan. Zij draagt de stoof met beide

handen. Plotseling slaat hij zijn arm om haar midden en drukt een

vluchtigen kus op haar mond. Daarna verdwijnt hij bliksemsnel langs eene

zijdeur, die uit de „jachtweide” naar de verhevenheid in de concertzaal

voert—het ~entrée des artistes~. Een daverend bijvalsgejuich weergalmt

tot in de „jachtweide.” Gesina is wel wat ontsteld, maar niemand heeft

het gezien—en dan zoo'n knap heer.... Zij haast zich, ook bij het

concert te zijn.

Professor Maximilian Brandt von Hohenburg is voor het geachte publiek

opgetreden. Zijne buiging heeft de algemeene geestdrift gewekt. Hij

opent zijn klavier, ziet rechts en links, trekt langzaam zijne witte

handschoenen uit en legt ze op een der lichtdragende tafeltjes.

Daarna zit hij recht als eene kaars, bemerkt, dat het publiek onder

hooge inspanning wacht, en begint met een grillig forto zijn eerste

concertstuk. Er zijn programma's gedrukt—iets geenszins alledaagsch in

Oosterwolde. Het eerste stuk heette: ~Souvenir de l'Opéra: Il Trovatore

de Giuseppe Verdi~. De componist van dit ~souvenir~ was de heer von

Hohenburg zelf. Eene volkomen stilte heerschte in de zaal. Ieder vond

zich zedelijk verplicht de muziek onvergelijkelijk mooi te vinden, en

op aller gelaat vertoonde zich een glimlach van stille tevredenheid.

De Rector Warmenhuizen glimlachte ook, maar uit.... medelijden.

't Zou eene te zware taak zijn, het schitterend succes des Duitschen

professors in al zijne volheid te verhalen. Zoo ras zijne voordracht

van eenig stuk eindigde, maakte hij zich onzichtbaar te midden van

oorverdoovend gejuich. In de eerste afdeeling van zijn concert genoten

de Oosterwoldenaren nog de ~Nocturne~ van Döhler en ~Rondo capricioso~

van den heer von Hohenburg zelven. Bij de laatste maten van dit laatste

stuk scheen men het op den vloer der weduwe van der Zwaag te hebben

gemunt—de kunstenaar werd teruggeroepen, de pauze begon. Met dit

gewichtig onderdeel voor alle feestelijkheden daar ter plaatse, kwam

er gewoonlijk eenige meerdere losheid onder het publiek. De dames en

de heeren zagen de grenslijnen hunner verschansingen overtreden door

sommige vermetelen. Men wisselde eenige woorden over de muziek. De

meeste heeren waren in de gelagkamer verdwenen, die nu voor koffiekamer

gold. De voorname dames schikten zich aan tafeltjes en ontvingen

bezoeken van bekenden. Mevrouw Snijders zat met hare dochters in een

wolk van vrienden.

„'t Is verrukkelijk!”—riep de kantonrechter.

„Onnavolgbaar!”—meende de ontvanger.

„Zoo iets hebben we hier nooit gehad!”—sprak Martha fluisterend.

„Ik hoop niet, dat de dames het mij kwalijk zullen nemen!”—zei de

Rector Warmenhuizen.—„Ik vind dien Hohenburg zeer middelmatig. De

muziek van Verdi is aardig, meer niet—en die ~Rondo~ is een duidelijk

plagiaat!”

„Meneer Warmenhuizen is moeilijk te voldoen!”—merkte mevrouw Snijders

op.

De andere heeren zwegen. Martha lachte achter haar zakdoek. Mina zag den

jongen Rector snel aan, en knikte hem zoo deelnemend en vriendelijk toe,

dat hij er van af zag, nog iets in 't midden te brengen.

De bewierookte professor had zich in de pauze uit de „jachtweide”

verwijderd, toen hij de heeren rookers en drinkers zag naderen. Hij

zocht eene toevlucht op zijne kamer. Hij neuriede zeer tevreden, toen

hij de deur sloot. De maan keek helder door het groote venster naar

binnen. Herr von Hohenburg wreef zich in de handen, en trok plotseling

luide aan de bel. Aanstonds bijna vloog de gedienstige Gesina binnen,

en bleef op den drempel staan, om meneers orders te vernemen. 't Was

om eene flesch Rijnschen wijn. Even spoedig was zij terug met het

gevraagde, en terwijl zij glas en flesch nederzette, greep zij naar een

kurketrekker. De beleefde kunstenaar nam haar echter dit werk uit de

handen, en had in eene seconde zijn glas gevuld.

„Kom, Gretchen! Doe mij dat vergenoegen, en drink een glas op de

concert!”

„Meneer wordt vrundelijk bedankt—ik heb geen tied!”

Maar Gesina meende het zoo erg niet. Met eenige aarzeling voldeed zij

aan het beleefd verzoek. Toen schonk de knappe heer zich zelven in, en

zag haar zoo aardig lachend aan, dat zij zelve moest meelachen.

„Gij zijt nicht boos, Gretchen?”

„Och Heere mien tied!”

De uitroep gold geheel iets anders, dan wel de vraag van den

vriendelijken professor. Hij had de knappe deerne vast om hare leest

gegrepen, en poogde haar weder te omhelzen.

Een luid kloppen op de deur klonk plotseling. Gesina vloog naar eene

zijdeur, en nauw was zij in 't donker verdwenen, of de veldwachter

vertoonde zich, om Herr von Hohenburg een zak met honderdachtenvijftig

rijksdaalders aan te bieden.

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 40 / 58 题