#Hier eindigt de geschiedenis van mijnheer Apollo, den wonderbare,
tot verbazing van alle Beötiërs.#
Des morgens na de soirée bij den Burgemeester waren er verschillende
personen in het stedeke Oosterwolde, die min of meer de naweeën van twee
feestavonden begonnen te ondervinden. De dochters van den ontvanger
vonden, dat Burgemeesters Martha wel wat al te vrij met dien voornamen
heer omsprong, en de ontvanger vond, dat het aankoopen van zoo'n duur
stuk wel wat al te kwistig was. In de ~Zon~ was de stemming niet zeer
vroolijk. De kasteleines had vreeselijk tegen Géésien uitgevaren, dat
kind wist niet meer wat ze deed, alles liep in de war, ze bleef soms een
kwartier weg, als meneer boven schelde. Ze mocht niet meer naar boven,
Hillegien zou het wel waarnemen, en na dat oogenblik zwierf Géésien met
rood beschreide oogen door de „jachtweide.” Bij de Snijdersen was tevens
zekere afgematheid waar te nemen. Mevrouw had hoofdpijn, en hield hare
kamer. Meneer had zijne bezigheden der twee vorige dagen nog af te doen,
en mocht niet gestoord worden in zijn bureel. Mina zweeg, en scheen
bekommerd, alleen Martha was opgewekt en in een keurig morgengewaad aan
't lezen gegaan.
Groote bedrijvigheid heerschte er bij den Rector. Omstreeks negen uren
had de post hem een drietal zeer belangrijke brieven gebracht. 't Was
gelukkig Zaterdag en dan had hij geene lessen. Ontbijten en zich
klaarmaken was zeer spoedig gedaan. Maar de Burgemeester kon hem nog
niet ontvangen, meneer werd verzocht over een uur terug te komen.
Warmenhuizen schikte zich in dezen tegenspoed en begaf zich naar de
~Zon~, waar hij met de weduwe van der Zwaag een zeer lang en gewichtig
gesprek had, terwijl de beide dochters van tijd tot tijd werden geroepen
en geraadpleegd.
Juist had het tien uren geslagen, toen Stientje aan den Burgemeester
kwam zeggen, dat de „vremde heer van guster oavend in de veurkoamer
was.” Niemand was gereed om hem te ontvangen, dan alleen Martha. Mina
zou vader en moeder waarschuwen, Martha zou hem wel zoolang aan den
praat houden. Toen zij de deur van de pronkkamer achter zich sloot,
gevoelde Martha eene hevige hartklopping. Maximiliaan kwam met snelle
schreden haar verwelkomen. Zij wist er zich geen rekenschap van te
geven, maar zij rustte weldra aan de elegante borst van den knappen
vreemdeling, terwijl stilzwijgend eene lange, vurige omhelzing volgde.
Maar Martha ontwaakte, en hoog blozend zette ze zich in een armstoel
neder. Herr von Hohenburg volgde haar met hoffelijke onderdanigheid, en
knielde aan hare voeten.
„Wat is de tijd mij lang gevallen, mijne dierbare engel!”—fluisterde
Max in zijn fraaiste Duitsch.—„Ik had den heelen nacht geen rust!
Allerlei treurige gedachten deden mij waken! Een vreeselijke angst,
dat dit heerlijke geluk mij weldra zou ontstolen worden, maakte mij
kinderachtig week en bang!”
„Maar waarom”—antwoordde Martha, die haar hoofd aan zijn schouder
vlijde en zijn arm om haar leest gevoelde.
„Ach, denk eens, Martha mijne! Uwe ouders zullen immers nooit toestemmen
in onze vereeniging? Ik ben een vreemdeling, mijne roeping is in mijn
vaderland. Ik moet eenmaal naar Duitschland terugkeeren, en jij zelve,
zul-je ouders en zusters vaarwel kunnen zeggen om mij te volgen?”
Martha antwoordde niet. Allerlei aandoeningen overstelpten haar. Haar
hart klopte heviger. Max raakte eerbiedig aan hare gulden lokken en
drukte ze daarna vol hartstocht aan zijne lippen. Twee dikke tranen
biggelden over Martha's bleeke wang.
„Je spreekt niet!”—vleide de Duitscher verder.—„Ik heb een stout, een
gevaarlijk plan! Liefde is sterker dan de dood. Liefde trotseert alles!
Uwe ouders zullen ons dwarsboomen! Maar wij moeten overwinnen! Martha!
je zult mij volgen immers, waar ik ga? Welnu, hedenavond met het vallen
van de duisternis zal een rijtuig klaar staan even buiten de stad bij
het logement: de Posthoorn. Als je dan komt, zal niemand ons meer
scheiden!”
Martha hief zich plotseling van haar stoel op.
„Neen”—snikte ze,—„mijne lieve ouders bedriegen.....”
Doch Max trok haar opnieuw tegen de blauwe zijden das met diamanten
speld en overdekte haar voorhoofd met zachte kussen.
„Heb ik je dan kwalijk verstaan, melieve? Heb je mij geen liefde
beloofd?”
Martha zag met de oogen vol tranen naar den knappen spreker, en sloeg
toen plotseling de armen om zijn hals, onstuimig snikkende....
Daar wordt de deur der kamer heftig geopend. De Rector Warmenhuizen en
de Burgemeester Snijders treden ijlings binnen. Met bliksemsnelheid
heeft Martha zich in den armstoel doen zinken. Herr von Hohenburg heeft
een album met platen ter hand genomen. 't Was te laat. Hij was verrast
en betrapt. De beide heeren bleven een oogenblik verbijsterd staan, toen
trad de jonge Rector vastberaden naar de tafel.
„Herr Heinrich Brandt, ik zoek u!”—sprak hij met een kalme stem.—„De
commissaris van politie te Zwolle vraagt mij om uw adres!”
De man, die nu Heinrich Brandt genoemd werd, scheen plotseling van
gedaante te verwisselen. 't Was of hij kleiner werd. Hij greep zijn hoed
van 't tapijt en zag met een boosaardigen glimlach naar de deur. Daarna
zeide hij tot den Rector met schorre stem:
„Ik versta u niet! Ik heb niets met u te maken!”
„Maar wel met mij, vervloekte schurk!”—viel Mr. Willem Snijders
in.—„Valsche oplichter! Weet je wel, dat je in mijne macht bent! Dat
je geen professor, geen directeur en wat nog al meer zijt, dat je met
valsche ridderkruisen pronkt....”
Heinrich Brandt knoopte zijn pels toe.
„Dat je onder een valschen naam reist, schoft! Dat je te Zwolle en te
Kampen dit spel evenzoo hebt beproefd! Dat je den notaris van Leek eene
oude pianino voor ƒ700 hebt verkocht, zooals je mij bedrogen hebt met
dat vod, valsche reiziger in oude pianino's! Had de Rector mij niet
gewaarschuwd, God weet, welke schande nog over mijn huis zou gekomen
zijn. Maar ik ben Officier van Justitie en ik zal je schadeloos maken!”
„Ach Jesus Maria! Das sollte mein Verderben sein!”
Heinrich Brandt prevelde deze woorden met trillende lippen. Doch de
jonge Rector had een medelijdend oog geslagen op Martha, die wezenloos
naar den grond bleef staren, en viel op strengen toon in:
„Ik heb nog iets aan onzen reiziger in oude pianino's te zeggen. Hij is
niet alleen een beurzensnijder, hij is ook een vrouwenbederver. In de
~Zon~, waar alles vroeger vrede en vroolijkheid ademde, is nu groote
verslagenheid. Hij heeft vrouw van der Zwaags mooiste dochter het hof
gemaakt, op zijne kamer gelokt, zijn portret geschonken, het arme kind
het hoofd op hol gebracht....”
„Nicht weiter!”—viel de verslagen Duitscher in.—„Das Gretchen hat
nichts Böses erfahren!”
„Ik hoop, dat je niet liegt....”
De Rector zweeg. Martha was doodsbleek opgestaan, had zich bevende aan
haar vader vastgeklemd, en toen plotseling zulk een kreet van diepe
ellende en smart uitgegild, dat ieder de oogen naar haar heenwendde. De
Burgemeester weende in stilte, en hief haar liefderijk op. Door de
openstaande deur vlogen nu mevrouw Snijders en Mina binnen. Niemand
sprak. Het zachte snikken der bedrogen jonkvrouw klonk alleen in het
vertrek.
„Waar is de schoft?”—riep plotseling de Burgemeester.
Allen zagen op. De pseudo-professor was verdwenen. Zeer stil had hij
zich uit de voeten gemaakt. De jonge Rector fluisterde den Burgemeester
iets in, 't welk deze aanstonds toestemde.
Te twaalf uren bij de koffie waren de Snijdersen al wat hersteld van den
schok. Martha's gezichtje was treurig bleek, maar zij sloeg de oogen
toch op. Hare natuurlijke trots begon reeds te zegepralen over eene
al te onvoorzichtige gevoeligheid. Dr. Herman Warmenhuizen deed een
uitvoerig verhaal van zijne handelingen. Hij had aanstonds achterdocht
gevoeld, toen hij den schitterenden vreemdeling had zien verschijnen.
Hij had naar twintig verschillende plaatsen aan vrienden en bekenden
geschreven en gelukkig, dat althans een drietal hem had geantwoord. Hij
oordeelde het beter de zaak te laten rusten, voor de eer der familie. De
menschen in Oosterwolde zouden er toch genoeg van spreken, al hield men
alles nog zoo geheim.
„Ja, Rector!”—antwoordde de Burgemeester.—„Ik ben je veel verplicht,
maar gelukkig weet ik een middel, om je mijne dankbaarheid te toonen. Is
het niet zoo, Mina?”
De jongelieden lachten en waren onhandig verheugd, want de stille
verloving van beiden was een soort van openbaar geheim in de familie.
Martha verliet stil het vertrek.
„Eene voorwaarde maak ik er bij,”—zei mevrouw Snijders.—„Jelui hebt
de zaak al zoo lang geheim gehouden, laat het nu niet bekend worden
voor het volgend voorjaar. 't Is om onze Martha. Overmorgen gaat ze
naar Leeuwarden, om er een prettigen winter bij eene vriendin door te
brengen. Daarna zal alles wel vergeten zijn!”
„Mijn brave Herman wil juist wat moeder wil!”—zei Mina blozend, en
legde zachtjes hare hand in de zijne.
* * * * *
Des avonds te acht uren van dezen gedenkwaardigen dag trok meneer
Ex-Apollo over de Pruisische grenzen.