VI.

#Hier eindigt de geschiedenis van mijnheer Apollo, den wonderbare,

tot verbazing van alle Beötiërs.#

Des morgens na de soirée bij den Burgemeester waren er verschillende

personen in het stedeke Oosterwolde, die min of meer de naweeën van twee

feestavonden begonnen te ondervinden. De dochters van den ontvanger

vonden, dat Burgemeesters Martha wel wat al te vrij met dien voornamen

heer omsprong, en de ontvanger vond, dat het aankoopen van zoo'n duur

stuk wel wat al te kwistig was. In de ~Zon~ was de stemming niet zeer

vroolijk. De kasteleines had vreeselijk tegen Géésien uitgevaren, dat

kind wist niet meer wat ze deed, alles liep in de war, ze bleef soms een

kwartier weg, als meneer boven schelde. Ze mocht niet meer naar boven,

Hillegien zou het wel waarnemen, en na dat oogenblik zwierf Géésien met

rood beschreide oogen door de „jachtweide.” Bij de Snijdersen was tevens

zekere afgematheid waar te nemen. Mevrouw had hoofdpijn, en hield hare

kamer. Meneer had zijne bezigheden der twee vorige dagen nog af te doen,

en mocht niet gestoord worden in zijn bureel. Mina zweeg, en scheen

bekommerd, alleen Martha was opgewekt en in een keurig morgengewaad aan

't lezen gegaan.

Groote bedrijvigheid heerschte er bij den Rector. Omstreeks negen uren

had de post hem een drietal zeer belangrijke brieven gebracht. 't Was

gelukkig Zaterdag en dan had hij geene lessen. Ontbijten en zich

klaarmaken was zeer spoedig gedaan. Maar de Burgemeester kon hem nog

niet ontvangen, meneer werd verzocht over een uur terug te komen.

Warmenhuizen schikte zich in dezen tegenspoed en begaf zich naar de

~Zon~, waar hij met de weduwe van der Zwaag een zeer lang en gewichtig

gesprek had, terwijl de beide dochters van tijd tot tijd werden geroepen

en geraadpleegd.

Juist had het tien uren geslagen, toen Stientje aan den Burgemeester

kwam zeggen, dat de „vremde heer van guster oavend in de veurkoamer

was.” Niemand was gereed om hem te ontvangen, dan alleen Martha. Mina

zou vader en moeder waarschuwen, Martha zou hem wel zoolang aan den

praat houden. Toen zij de deur van de pronkkamer achter zich sloot,

gevoelde Martha eene hevige hartklopping. Maximiliaan kwam met snelle

schreden haar verwelkomen. Zij wist er zich geen rekenschap van te

geven, maar zij rustte weldra aan de elegante borst van den knappen

vreemdeling, terwijl stilzwijgend eene lange, vurige omhelzing volgde.

Maar Martha ontwaakte, en hoog blozend zette ze zich in een armstoel

neder. Herr von Hohenburg volgde haar met hoffelijke onderdanigheid, en

knielde aan hare voeten.

„Wat is de tijd mij lang gevallen, mijne dierbare engel!”—fluisterde

Max in zijn fraaiste Duitsch.—„Ik had den heelen nacht geen rust!

Allerlei treurige gedachten deden mij waken! Een vreeselijke angst,

dat dit heerlijke geluk mij weldra zou ontstolen worden, maakte mij

kinderachtig week en bang!”

„Maar waarom”—antwoordde Martha, die haar hoofd aan zijn schouder

vlijde en zijn arm om haar leest gevoelde.

„Ach, denk eens, Martha mijne! Uwe ouders zullen immers nooit toestemmen

in onze vereeniging? Ik ben een vreemdeling, mijne roeping is in mijn

vaderland. Ik moet eenmaal naar Duitschland terugkeeren, en jij zelve,

zul-je ouders en zusters vaarwel kunnen zeggen om mij te volgen?”

Martha antwoordde niet. Allerlei aandoeningen overstelpten haar. Haar

hart klopte heviger. Max raakte eerbiedig aan hare gulden lokken en

drukte ze daarna vol hartstocht aan zijne lippen. Twee dikke tranen

biggelden over Martha's bleeke wang.

„Je spreekt niet!”—vleide de Duitscher verder.—„Ik heb een stout, een

gevaarlijk plan! Liefde is sterker dan de dood. Liefde trotseert alles!

Uwe ouders zullen ons dwarsboomen! Maar wij moeten overwinnen! Martha!

je zult mij volgen immers, waar ik ga? Welnu, hedenavond met het vallen

van de duisternis zal een rijtuig klaar staan even buiten de stad bij

het logement: de Posthoorn. Als je dan komt, zal niemand ons meer

scheiden!”

Martha hief zich plotseling van haar stoel op.

„Neen”—snikte ze,—„mijne lieve ouders bedriegen.....”

Doch Max trok haar opnieuw tegen de blauwe zijden das met diamanten

speld en overdekte haar voorhoofd met zachte kussen.

„Heb ik je dan kwalijk verstaan, melieve? Heb je mij geen liefde

beloofd?”

Martha zag met de oogen vol tranen naar den knappen spreker, en sloeg

toen plotseling de armen om zijn hals, onstuimig snikkende....

Daar wordt de deur der kamer heftig geopend. De Rector Warmenhuizen en

de Burgemeester Snijders treden ijlings binnen. Met bliksemsnelheid

heeft Martha zich in den armstoel doen zinken. Herr von Hohenburg heeft

een album met platen ter hand genomen. 't Was te laat. Hij was verrast

en betrapt. De beide heeren bleven een oogenblik verbijsterd staan, toen

trad de jonge Rector vastberaden naar de tafel.

„Herr Heinrich Brandt, ik zoek u!”—sprak hij met een kalme stem.—„De

commissaris van politie te Zwolle vraagt mij om uw adres!”

De man, die nu Heinrich Brandt genoemd werd, scheen plotseling van

gedaante te verwisselen. 't Was of hij kleiner werd. Hij greep zijn hoed

van 't tapijt en zag met een boosaardigen glimlach naar de deur. Daarna

zeide hij tot den Rector met schorre stem:

„Ik versta u niet! Ik heb niets met u te maken!”

„Maar wel met mij, vervloekte schurk!”—viel Mr. Willem Snijders

in.—„Valsche oplichter! Weet je wel, dat je in mijne macht bent! Dat

je geen professor, geen directeur en wat nog al meer zijt, dat je met

valsche ridderkruisen pronkt....”

Heinrich Brandt knoopte zijn pels toe.

„Dat je onder een valschen naam reist, schoft! Dat je te Zwolle en te

Kampen dit spel evenzoo hebt beproefd! Dat je den notaris van Leek eene

oude pianino voor ƒ700 hebt verkocht, zooals je mij bedrogen hebt met

dat vod, valsche reiziger in oude pianino's! Had de Rector mij niet

gewaarschuwd, God weet, welke schande nog over mijn huis zou gekomen

zijn. Maar ik ben Officier van Justitie en ik zal je schadeloos maken!”

„Ach Jesus Maria! Das sollte mein Verderben sein!”

Heinrich Brandt prevelde deze woorden met trillende lippen. Doch de

jonge Rector had een medelijdend oog geslagen op Martha, die wezenloos

naar den grond bleef staren, en viel op strengen toon in:

„Ik heb nog iets aan onzen reiziger in oude pianino's te zeggen. Hij is

niet alleen een beurzensnijder, hij is ook een vrouwenbederver. In de

~Zon~, waar alles vroeger vrede en vroolijkheid ademde, is nu groote

verslagenheid. Hij heeft vrouw van der Zwaags mooiste dochter het hof

gemaakt, op zijne kamer gelokt, zijn portret geschonken, het arme kind

het hoofd op hol gebracht....”

„Nicht weiter!”—viel de verslagen Duitscher in.—„Das Gretchen hat

nichts Böses erfahren!”

„Ik hoop, dat je niet liegt....”

De Rector zweeg. Martha was doodsbleek opgestaan, had zich bevende aan

haar vader vastgeklemd, en toen plotseling zulk een kreet van diepe

ellende en smart uitgegild, dat ieder de oogen naar haar heenwendde. De

Burgemeester weende in stilte, en hief haar liefderijk op. Door de

openstaande deur vlogen nu mevrouw Snijders en Mina binnen. Niemand

sprak. Het zachte snikken der bedrogen jonkvrouw klonk alleen in het

vertrek.

„Waar is de schoft?”—riep plotseling de Burgemeester.

Allen zagen op. De pseudo-professor was verdwenen. Zeer stil had hij

zich uit de voeten gemaakt. De jonge Rector fluisterde den Burgemeester

iets in, 't welk deze aanstonds toestemde.

Te twaalf uren bij de koffie waren de Snijdersen al wat hersteld van den

schok. Martha's gezichtje was treurig bleek, maar zij sloeg de oogen

toch op. Hare natuurlijke trots begon reeds te zegepralen over eene

al te onvoorzichtige gevoeligheid. Dr. Herman Warmenhuizen deed een

uitvoerig verhaal van zijne handelingen. Hij had aanstonds achterdocht

gevoeld, toen hij den schitterenden vreemdeling had zien verschijnen.

Hij had naar twintig verschillende plaatsen aan vrienden en bekenden

geschreven en gelukkig, dat althans een drietal hem had geantwoord. Hij

oordeelde het beter de zaak te laten rusten, voor de eer der familie. De

menschen in Oosterwolde zouden er toch genoeg van spreken, al hield men

alles nog zoo geheim.

„Ja, Rector!”—antwoordde de Burgemeester.—„Ik ben je veel verplicht,

maar gelukkig weet ik een middel, om je mijne dankbaarheid te toonen. Is

het niet zoo, Mina?”

De jongelieden lachten en waren onhandig verheugd, want de stille

verloving van beiden was een soort van openbaar geheim in de familie.

Martha verliet stil het vertrek.

„Eene voorwaarde maak ik er bij,”—zei mevrouw Snijders.—„Jelui hebt

de zaak al zoo lang geheim gehouden, laat het nu niet bekend worden

voor het volgend voorjaar. 't Is om onze Martha. Overmorgen gaat ze

naar Leeuwarden, om er een prettigen winter bij eene vriendin door te

brengen. Daarna zal alles wel vergeten zijn!”

„Mijn brave Herman wil juist wat moeder wil!”—zei Mina blozend, en

legde zachtjes hare hand in de zijne.

* * * * *

Des avonds te acht uren van dezen gedenkwaardigen dag trok meneer

Ex-Apollo over de Pruisische grenzen.

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 42 / 58 题