#Hoe Mr. Willem Snijders in den kring der zijnen gewoon is aan de
koffietafel te regeeren.#
Oosterwolde was een plattelandsstadje met een drieduizend inwoners, eene
arrondissements-rechtbank, beroemde veemarkten, een weinig nijverheid
en veel ongetrouwde meisjes. Men was er uren ver van alle groote of
grootere steden. Al het verkeer met de omliggende plaatsen werd levendig
gehouden door een paar goedaardige trekschuiten. Een telegraafkantoor
werd door niemand gehoopt, en ieder Oosterwoldenaar van geboorte
begreep, dat er nooit eenige de minste kans voor een spoorweg zou komen
opdagen. Het stedeke had daardoor een zeker vast karakter verkregen,
waarom elk eenigszins buitengewoon voorval aanstonds de algemeene
belangstelling wekte. Men zag er niemand vreemds, dan de boeren en
boerinnen uit den omtrek, de eersten met ouderwetsche hoeden en zilveren
tabaksdoozen, de laatsten met gouden hoofdijzers, „stiften” en lompe
oorhangers. De doortocht van een man met een draaiorgel, of van een
troep nomadische Duitsche horenblazers, maakte eene geweldige
gebeurtenis uit. Al wat Oosterwolde aan straatjongens bezat, schaarde
zich rondom het vreemde verschijnsel op de straat, terwijl de vaders der
gezinnen met al hun personeel op de stoep hunner woningen post vatten.
Eene zekere stoffelijke welvaart was in Oosterwolde evenwel niet te
miskennen. De handel in vee en landbouwvoortbrengselen, waarvan de stad
meer en meer stapelplaats werd, bracht veel vertier aan. Winkeliers,
logementhouders en procureurs deden er schoone zaken, 't welk zich
zichtbaar aankondigde in de netheid en frischheid der meestal kleine
huizen. Heerenhuizingen van twee verdiepingen vond men er wel, maar die
behoorden tot de uitzonderingen. Eene der aanzienlijkste lag juist aan
't eind der breede straat, die het heerenlogement de Zon onder hare
sieraden telde. Dit huis lag, een eind van de andere woningen in den
omtrek verwijderd, in de schaduw van twee reusachtige kastanjeboomen.
't Was stevig en hecht gebouwd, maar de architect had bijzonder weinig
goeden smaak aan den dag gelegd. Goede smaak was in 't algemeen in
Oosterwolde zeer duur. De huizing nu, met de kastanjeboomen als wachters
voor den ingang, was bij ieder bekend en beroemd, daar woonde de
Burgemeester.
Mr. Willem Snijders, van beroep advocaat en notaris, had met koninklijk
goedvinden de eereplaats in de Oosterwoldsche magistratuur bezet. Op het
oogenblik, waartoe onze waarachtige historie thans genaderd is, vinden
wij hem in zijne vroolijke en welingerichte huiskamer. De familie gaat
koffie gebruiken. Bij de zilveren kan treffen we mevrouw Snijders aan,
eene zeer bedrijvige en drukke, maar extra vroolijke en gulle dame van
diep in de veertig met zeer ongehoorzaam lichtbruin hair, 't welk ze
voortdurend met eene snelle beweging onder de muts wegschuift. Voorts
ontmoeten we nog twee jonge dames, Martha en Mina, die al onze aandacht
waard zijn. Martha is eene beroemde schoonheid, Mina had te grooten
neus, om voor mooi door te gaan. Martha was eene flinke, lief
glimlachende jonkvrouw met ongemeen fraaie blonde, lange krullen. Mina
was niet zoo mooi, maar ieder hield bij uitstek van haar. Zij was
mevrouw Snijders plaatsvervangster in alle huiselijke zaken van gewicht,
en de afgod van hare talrijke jongere zusters en broers. Een deel van
dezen zit ook aan de koffietafel, rondwangige meisjes met lange witte
schorten, en twee mannetjes met blond krullend hair en inkt aan de
vingers.
Voorzitter was daar evenwel de Burgemeester zelf, Mr. Willem Snijders in
eigen persoon. Deze brave magistraat was zeer klein, had kleine vlugge,
grijze oogen, een klein kaal voorhoofd en kleine grijze bakkebaarden.
Hij was even levendig als zijne vlugge gade, sprak niet zoo rad, maar
daarom te gewichtiger. Hij achtte zich zelven zoo gelukkig en tevreden,
als een zeer rijk man in Oosterwolde maar eenigszins zijn kan. Hij had
geld genoeg, om in Amsterdam of Den Haag equipage te houden, maar zijne
familie en die zijner vrouw behoorden tot de Oosterwoldsche patriciërs,
en daarom had hij geen het minste denkbeeld naar de Heerengracht of den
Vijverberg te verhuizen. Eerzucht had hij in zekere mate: bij alle
dingen, die zijn huis en familie betroffen, moest solide weelde en
onbesnoeide ruimte heerschen. Voor 't overige bemoeide hij zich met
niets, zelfs niet met de politiek. Eene candidatuur voor de Tweede Kamer
had hij van de hand gewezen, alles, wat hij misschien van dien aard
wenschen mocht, stond in betrekking tot zijn maagdelijk knoopsgat.
't Had juist twaalf geslagen. Mevrouw Snijders schenkt de dampende
koffie in, Mina snijdt een stuk koek voor de meisjes en knaapjes,
die heel stil moeten blijven zitten, want vader leest de „oprechte”
Haarlemmer. De mooie Martha heeft een boek naast haar kop koffie, en
werpt er ter sluik een blik in. Zij leest eene verbazende hoeveelheid
romans in 't jaar, meest alle uit het Engelsch vertaald en vol brave
helden en heldinnen.
Mr. Willem Snijders legt de krant neer, en zegt:
„Geen nieuws vandaag! Uit Leeuwarden wordt veel gepocht over een groot
concert!”
„Dat mag wel! Concerten zijn heel prettig in Leeuwarden!”—zegt Martha,
die den vorigen winter in Frieslands hoofdstad heeft gelogeerd.
„Litholf en nog zoo'n snuiter!”—vervolgt de Burgemeester.
„Hier is nooit eens concert!”—antwoordt de dochter.
„Kom, kom!”—valt moeder in.—„Hier is het Nut, en bals en allerlei
pretjes! Ik zou er niet voor in Leeuwarden willen zitten!”
„Ja, mama dweept met Oosterwolde, dat weet ik wel!”
De mooie Martha had dit met eenig humeur gezegd. Opmerkelijk was het
ook, dat mevrouw Snijders eene andere uitspraak van hare moedertaal
bezigde, dan hare dochter. Mama sprak eenigszins in den trant der
kasteleines uit de Zon, en Martha had de uitspraak van een duur
kostschool in Gelderland, waar zij drie jaren was „gesoigneerd.”
De Burgemeester vond het niet aangenaam, als er verschil van meening was
onder de zijnen. Hij hield veel van zijne knappe dochter, hij pronkte
graag met haar in bijeenkomsten van het Oosterwoldsche publiek, maar de
zienswijze van zijne vrouw en de liefde voor zijne stad deden hem elke
minachting van deze laatste ernstig tegenspreken.
„Hoor eens, Martha! Ik vind het niet aardig, dat je zoo van Oosterwolde
spreekt! Jij bent de dochter van den Burgemeester! En wat de concerten
betreft....”
Juist werd de deur geopend, en bracht de „kamermeid” Stientje een
kaartje aan den Burgemeester. De heer Snijders zag het onverschillig in,
maar maakte plotseling eene beweging van verwondering.
„Daar heb je het al!”—riep hij uit.—„Hoor eens, welk bezoek wij
ontvangen:
Prof. Maximilian Brandt von Hohenburg, Fürst. Hofpianist und
Director des Fürst. Theaters zu Lichtenstein-Vadoetz.
„Stientje!”—gaat de Burgemeester voort,—„laat meneer in de voorkamer!
Deksels een professor! En ik in mijne grijze ochtendjas! Dat kan
onmogelijk! Ik vlieg, om mijn rok aan te trekken!”
De Burgemeester was niet gewoon dagelijks vele professoren in
Oosterwolde te ontmoeten, en dan zoo'n aanzienlijk man! Intusschen
gevoelde hij genoeg van zijne burgemeesterswaardigheid, om zich niet
bedremmeld voor zijn bezoeker te vertoonen. Zijn rok en witte das, welke
laatste hij dagelijks droeg, stonden hem in dit goede voornemen bij,
zoodat hij uiterst deftig de deur van zijne voorkamer ontsloot, en den
diepbuigenden professor een stoel aanbood.
„Professor Maximilian Brandt von Hohenburg, de Lichtensteiner Ridder
met de pelsjas, thans resideerende bij de weduwe van der Zwaag in de
~Zon~, heeft de eer zich bij den „genadigen” heer Burgemeester te
vervoegen met tweeërlei doel. Hij reist voor zijn genoegen door het
westen van Europa, en bezoekt thans Nederland. Zijne vorstelijke genade,
de Vorst van Lichtenstein, heeft hem deze kunstreis opgedragen, om zich
van de tegenwoordige ontwikkeling der toonkunst in het westen van Europa
een helder denkbeeld te vormen. Vorst Johan II is een zeer verlicht
Maecenas, waarvan Herr von Hohenburg slechts de nederige dienaar is.
Maar Herr von Hohenburg beoefent ook in alle nederigheid de kunst. Hij
is professor aan de vorstelijke kunstacademie van zijne vorstelijke
genade. Hij is vorstelijke hofpianist en directeur der muziek van de
vorstelijke opera te Lichtenstein-Vadoetz. Het is zijn voornemen in
alle plaatsen van Nederland, die hij bezoekt, bij uitzondering één
concert te geven. Als de „genadige” heer Burgemeester denkt, dat een
klavierconcert in zijne stad eenigen bijval mocht verwerven, dan....”
Herr von Hohenburg heeft dit alles in zeer vloeiend en hoffelijk Duitsch
gesproken. De Burgemeester van Oosterwolde houdt zich ferm, maar is lang
niet op zijn gemak. Duitsch spreken is volstrekt zijne gewoonte niet.
Een gek figuur maken kon een man van zijne waardigheid nog veel minder,
vooral tegenover zulk een diplomatisch kunstenaar als de heer von
Hohenburg, zeker een edelman, en dan met zoo iets roods en groens in
zijn knoopsgat.
„Vergun me, meneer de Professor, dat ik in mijne moedertaal u
antwoorde....”
„Bitte, bitte, gnädige Herr!”
„Ik geloof, dat er hier in Oosterwolde een zeer dankbaar publiek voor
pianomuziek zou gevonden worden, en we hebben een vrij goede zaal in de
~Zon~ bij vrouw van der Zwaag.”
Herr von Hohenburg beaamt de woorden van den „genadigen heer
Burgemeester”, daar hij echter Duitsch blijft spreken, en geene moeite
doet zich in hetgeen hij Hollandsch noemt uit te drukken, zullen wij hem
hier als tolk ter zijde staan.
„Ik zou u echter raden, meneer de professor, om vooraf eene lijst bij de
notabele ingezetenen rond te zenden, men is zoo zeldzaam in de
gelegenheid iets goeds te hooren!”
„Ach! ik vraag duizendmaal om verschooning, genadige heer! Ik moet u nog
iets mededeelen! Ik behoor niet tot de zoodanige artisten, die concerten
geven voor geld. Mijne kunst heeft edeler doel. Ik laat een entrée
betalen, om na aftrek van de noodzakelijke kosten het batig saldo in de
armenkas te storten!”
Mr. Willem Snijders, die tot nog toe met het denkbeeld, dat de Duitsche
professor voor geld concerten gaf, zich zelven een riem onder het hart
had gestoken, gevoelde nu, dat alle bewustheid van meerderheid hem
ontzonk. Hij glimlachte nog vriendelijker dan te voren, en verzekerde
meneer den professor dat hij zijne komst in Oosterwolde op hoogen prijs
stelde.
Herr von Hohenburg had gebogen, gelachen, en de kamer rond gezien. Bij
het ontdekken eener pianino had hij met onweerstaanbare losheid zich
naar het stuk begeven, het geopend en als gedachteloos een paar
akkoorden gegrepen. Plotseling weer naar zijne stoel terugsnellend, riep
hij uit:
„Ik vraag duizendmaal om verschooning, genadige heer! Ik heb de slechte
gewoonte, als ik een klavier zie, aanstonds naar de toetsen te
grijpen....”
„Integendeel! Ik hoopte reeds, dat u ongemerkt zou hebben doorgespeeld!”
De beide heeren putten zich van weerszijden uit in tallooze
hoffelijkheden. De slotsom was eindelijk, dat de beroemde professor von
Hohenburg zich nogmaals voor de pianino plaatste, en na onder menigte
van sierlijke zwenkingen met hoofd, lichaam en armen, een stroom van
luidklinkende melodiën door het pronkvertrek van den Oosterwoldschen
Burgemeester deed ruischen. Mr. Willem Snijders was geheel verrukking.
Hij wist niet hoe hij zijn voornamen gast zou danken. Hij verhaalt, hoe
zijne oudste dochters beiden wat aan muziek doen. Intusschen phantaseert
Herr von Hohenburg verder. De Burgemeester zou waarlijk, als meneer de
professor er niets tegen had, zoo gaarne mevrouw Snijders en zijne
oudste dochters.... De professor vraagt duizendmaal verschooning voor de
hooge eer.... De Burgemeester heeft gebeld. Weldra verschijnen de drie
dames, die in de aangrenzende kamer geene noot van de muziek verloren
hebben.
Zoo spoedig zij de kamer binnentraden, had Herr von Hohenburg zijne
sierlijkste en innemendste buiging gemaakt. Met een snellen blik had hij
het mooi gezichtje van Martha waargenomen en in stilte een paar Duitsche
woorden gemompeld, die zeer plat, maar zeer vleiend voor de dochter des
Burgemeesters waren. Beide meisjes hadden echter eene te schuchtere
natuur, om in het eerste oogenblik veel op den schitterenden heer te
letten, door haar vader met veel omhaal van naam en qualiteiten deftig
aan haar voorgesteld. Herr von Hohenburg vroeg eenige duizenden malen
om verschooning, aan de „gnädige Frau Bürgemeisterin” en aan de „gnädige
Fräulein.” Hij had maar even aan de pianino geraakt, en het was zijn
noodlot, dat hij onwillekeurig bleef spelen. Mr. Willem Snijders wilde
vrouw en dochters gaarne op de hoogte brengen van al de verdiensten des
vreemden professors, en voerde hem weder naar het klavier terug.
Toen speelde de bereidwillige en edelmoedige kunstenaar eene
uitvoerige phantasie met gedruischmakende fortissimo's, en zwenkte hij
allerbevalligst heen en weer op de lage pianotabouret. Martha volgde
hem oplettend, en was in diepe aandacht verzonken. Het knappe gelaat van
den Duitscher, de geniale wijze van het hoofd te buigen, terwijl zijne
linkerhand soms plotseling de over zijn voorhoofd vallende zwarte hairen
wegwierp, het merkwaardig uitheemsche, 't welk zijne geheele gestalte
een soort van tooverglans schonk, dit alles maakte op haar eenvoudig,
maar stil dwepend gemoed een zeer diepen indruk. Daarbij kwam, dat zij
het niet bijster ver in de muziek gebracht had, en vol verbazing de
vaardigheid van den vreemdeling waarnam. Deze eindigde nu snel zijn
woesten storm van tonen, en stond glimlachend naast de dames. Ieder
zweeg met dankbare waardeering. Herr von Hohenburg begreep, dat hij het
best deed onder dezen indruk te vertrekken. Hij sluit de fraaie pelsjas
over al de pracht van zijn uitgezocht kostuum, en greep de coquette
parelgrijze handschoenen.
De Burgemeester uitte een stroom van vriendelijke dankbetuigingen, hij
had niet vermoed, dat er zulk een schat van fraaie geluiden in zijne
pianino verborgen was.
„Ach zoo!”—antwoordde de schitterende professor.—„Ik vraag duizendmaal
om verschooning, maar uw klavier is zeer zwak van toon! Hollandsch
fabrikaat, geloof ik, zeer middelmatige instrumenten. Neen, dan hebben
we er beter in Duitschland.”
„Maar ik ben met mijne piano zeer tevreden!”—viel Martha plotseling met
haar kostschool-Duitsch in.—„Wij zijn in onze kleine stad niet zoo
scherp van gehoor! Bovendien de piano is pas nieuw, en uit de fabriek
van Schulz te Leeuwarden!”
„Ik waag het niet u tegen te spreken, mein gnädiges Fräulein! Maar
ik hoor, dat u kunstenares is, en men heeft recht op het edelste en
schoonste, zoodra men zulk eene bekoorlijke kunstenares is, als u.... Ik
vraag duizendmaal om verschooning! Duizendmaal! Genadige Vrouw! Genadige
heer Burgemeester! Genadige Freules!”
Herr von Hohenburg boog met onbeschrijfelijke bevalligheid. Terzelfder
tijd bleef zijne houding edel en waardig—zoo streefde hij vooruit, en
de nu werkelijk een weinig bedremmelde heer Snijders volgde hem onder
het uiten van overvloedige beleefdheidsbetuigingen.
Toen deze daarna bij vrouw en dochters terugkwam, riep hij luide:
„Geen kwakzalver, hoor! Een edelman! Hij geeft concerten, om de
plaatselijke armen te bevoordeelen! Verduiveld royaal! Onze piano is
slecht!”