III.

#Hoe Mr. Willem Snijders in den kring der zijnen gewoon is aan de

koffietafel te regeeren.#

Oosterwolde was een plattelandsstadje met een drieduizend inwoners, eene

arrondissements-rechtbank, beroemde veemarkten, een weinig nijverheid

en veel ongetrouwde meisjes. Men was er uren ver van alle groote of

grootere steden. Al het verkeer met de omliggende plaatsen werd levendig

gehouden door een paar goedaardige trekschuiten. Een telegraafkantoor

werd door niemand gehoopt, en ieder Oosterwoldenaar van geboorte

begreep, dat er nooit eenige de minste kans voor een spoorweg zou komen

opdagen. Het stedeke had daardoor een zeker vast karakter verkregen,

waarom elk eenigszins buitengewoon voorval aanstonds de algemeene

belangstelling wekte. Men zag er niemand vreemds, dan de boeren en

boerinnen uit den omtrek, de eersten met ouderwetsche hoeden en zilveren

tabaksdoozen, de laatsten met gouden hoofdijzers, „stiften” en lompe

oorhangers. De doortocht van een man met een draaiorgel, of van een

troep nomadische Duitsche horenblazers, maakte eene geweldige

gebeurtenis uit. Al wat Oosterwolde aan straatjongens bezat, schaarde

zich rondom het vreemde verschijnsel op de straat, terwijl de vaders der

gezinnen met al hun personeel op de stoep hunner woningen post vatten.

Eene zekere stoffelijke welvaart was in Oosterwolde evenwel niet te

miskennen. De handel in vee en landbouwvoortbrengselen, waarvan de stad

meer en meer stapelplaats werd, bracht veel vertier aan. Winkeliers,

logementhouders en procureurs deden er schoone zaken, 't welk zich

zichtbaar aankondigde in de netheid en frischheid der meestal kleine

huizen. Heerenhuizingen van twee verdiepingen vond men er wel, maar die

behoorden tot de uitzonderingen. Eene der aanzienlijkste lag juist aan

't eind der breede straat, die het heerenlogement de Zon onder hare

sieraden telde. Dit huis lag, een eind van de andere woningen in den

omtrek verwijderd, in de schaduw van twee reusachtige kastanjeboomen.

't Was stevig en hecht gebouwd, maar de architect had bijzonder weinig

goeden smaak aan den dag gelegd. Goede smaak was in 't algemeen in

Oosterwolde zeer duur. De huizing nu, met de kastanjeboomen als wachters

voor den ingang, was bij ieder bekend en beroemd, daar woonde de

Burgemeester.

Mr. Willem Snijders, van beroep advocaat en notaris, had met koninklijk

goedvinden de eereplaats in de Oosterwoldsche magistratuur bezet. Op het

oogenblik, waartoe onze waarachtige historie thans genaderd is, vinden

wij hem in zijne vroolijke en welingerichte huiskamer. De familie gaat

koffie gebruiken. Bij de zilveren kan treffen we mevrouw Snijders aan,

eene zeer bedrijvige en drukke, maar extra vroolijke en gulle dame van

diep in de veertig met zeer ongehoorzaam lichtbruin hair, 't welk ze

voortdurend met eene snelle beweging onder de muts wegschuift. Voorts

ontmoeten we nog twee jonge dames, Martha en Mina, die al onze aandacht

waard zijn. Martha is eene beroemde schoonheid, Mina had te grooten

neus, om voor mooi door te gaan. Martha was eene flinke, lief

glimlachende jonkvrouw met ongemeen fraaie blonde, lange krullen. Mina

was niet zoo mooi, maar ieder hield bij uitstek van haar. Zij was

mevrouw Snijders plaatsvervangster in alle huiselijke zaken van gewicht,

en de afgod van hare talrijke jongere zusters en broers. Een deel van

dezen zit ook aan de koffietafel, rondwangige meisjes met lange witte

schorten, en twee mannetjes met blond krullend hair en inkt aan de

vingers.

Voorzitter was daar evenwel de Burgemeester zelf, Mr. Willem Snijders in

eigen persoon. Deze brave magistraat was zeer klein, had kleine vlugge,

grijze oogen, een klein kaal voorhoofd en kleine grijze bakkebaarden.

Hij was even levendig als zijne vlugge gade, sprak niet zoo rad, maar

daarom te gewichtiger. Hij achtte zich zelven zoo gelukkig en tevreden,

als een zeer rijk man in Oosterwolde maar eenigszins zijn kan. Hij had

geld genoeg, om in Amsterdam of Den Haag equipage te houden, maar zijne

familie en die zijner vrouw behoorden tot de Oosterwoldsche patriciërs,

en daarom had hij geen het minste denkbeeld naar de Heerengracht of den

Vijverberg te verhuizen. Eerzucht had hij in zekere mate: bij alle

dingen, die zijn huis en familie betroffen, moest solide weelde en

onbesnoeide ruimte heerschen. Voor 't overige bemoeide hij zich met

niets, zelfs niet met de politiek. Eene candidatuur voor de Tweede Kamer

had hij van de hand gewezen, alles, wat hij misschien van dien aard

wenschen mocht, stond in betrekking tot zijn maagdelijk knoopsgat.

't Had juist twaalf geslagen. Mevrouw Snijders schenkt de dampende

koffie in, Mina snijdt een stuk koek voor de meisjes en knaapjes,

die heel stil moeten blijven zitten, want vader leest de „oprechte”

Haarlemmer. De mooie Martha heeft een boek naast haar kop koffie, en

werpt er ter sluik een blik in. Zij leest eene verbazende hoeveelheid

romans in 't jaar, meest alle uit het Engelsch vertaald en vol brave

helden en heldinnen.

Mr. Willem Snijders legt de krant neer, en zegt:

„Geen nieuws vandaag! Uit Leeuwarden wordt veel gepocht over een groot

concert!”

„Dat mag wel! Concerten zijn heel prettig in Leeuwarden!”—zegt Martha,

die den vorigen winter in Frieslands hoofdstad heeft gelogeerd.

„Litholf en nog zoo'n snuiter!”—vervolgt de Burgemeester.

„Hier is nooit eens concert!”—antwoordt de dochter.

„Kom, kom!”—valt moeder in.—„Hier is het Nut, en bals en allerlei

pretjes! Ik zou er niet voor in Leeuwarden willen zitten!”

„Ja, mama dweept met Oosterwolde, dat weet ik wel!”

De mooie Martha had dit met eenig humeur gezegd. Opmerkelijk was het

ook, dat mevrouw Snijders eene andere uitspraak van hare moedertaal

bezigde, dan hare dochter. Mama sprak eenigszins in den trant der

kasteleines uit de Zon, en Martha had de uitspraak van een duur

kostschool in Gelderland, waar zij drie jaren was „gesoigneerd.”

De Burgemeester vond het niet aangenaam, als er verschil van meening was

onder de zijnen. Hij hield veel van zijne knappe dochter, hij pronkte

graag met haar in bijeenkomsten van het Oosterwoldsche publiek, maar de

zienswijze van zijne vrouw en de liefde voor zijne stad deden hem elke

minachting van deze laatste ernstig tegenspreken.

„Hoor eens, Martha! Ik vind het niet aardig, dat je zoo van Oosterwolde

spreekt! Jij bent de dochter van den Burgemeester! En wat de concerten

betreft....”

Juist werd de deur geopend, en bracht de „kamermeid” Stientje een

kaartje aan den Burgemeester. De heer Snijders zag het onverschillig in,

maar maakte plotseling eene beweging van verwondering.

„Daar heb je het al!”—riep hij uit.—„Hoor eens, welk bezoek wij

ontvangen:

Prof. Maximilian Brandt von Hohenburg, Fürst. Hofpianist und

Director des Fürst. Theaters zu Lichtenstein-Vadoetz.

„Stientje!”—gaat de Burgemeester voort,—„laat meneer in de voorkamer!

Deksels een professor! En ik in mijne grijze ochtendjas! Dat kan

onmogelijk! Ik vlieg, om mijn rok aan te trekken!”

De Burgemeester was niet gewoon dagelijks vele professoren in

Oosterwolde te ontmoeten, en dan zoo'n aanzienlijk man! Intusschen

gevoelde hij genoeg van zijne burgemeesterswaardigheid, om zich niet

bedremmeld voor zijn bezoeker te vertoonen. Zijn rok en witte das, welke

laatste hij dagelijks droeg, stonden hem in dit goede voornemen bij,

zoodat hij uiterst deftig de deur van zijne voorkamer ontsloot, en den

diepbuigenden professor een stoel aanbood.

„Professor Maximilian Brandt von Hohenburg, de Lichtensteiner Ridder

met de pelsjas, thans resideerende bij de weduwe van der Zwaag in de

~Zon~, heeft de eer zich bij den „genadigen” heer Burgemeester te

vervoegen met tweeërlei doel. Hij reist voor zijn genoegen door het

westen van Europa, en bezoekt thans Nederland. Zijne vorstelijke genade,

de Vorst van Lichtenstein, heeft hem deze kunstreis opgedragen, om zich

van de tegenwoordige ontwikkeling der toonkunst in het westen van Europa

een helder denkbeeld te vormen. Vorst Johan II is een zeer verlicht

Maecenas, waarvan Herr von Hohenburg slechts de nederige dienaar is.

Maar Herr von Hohenburg beoefent ook in alle nederigheid de kunst. Hij

is professor aan de vorstelijke kunstacademie van zijne vorstelijke

genade. Hij is vorstelijke hofpianist en directeur der muziek van de

vorstelijke opera te Lichtenstein-Vadoetz. Het is zijn voornemen in

alle plaatsen van Nederland, die hij bezoekt, bij uitzondering één

concert te geven. Als de „genadige” heer Burgemeester denkt, dat een

klavierconcert in zijne stad eenigen bijval mocht verwerven, dan....”

Herr von Hohenburg heeft dit alles in zeer vloeiend en hoffelijk Duitsch

gesproken. De Burgemeester van Oosterwolde houdt zich ferm, maar is lang

niet op zijn gemak. Duitsch spreken is volstrekt zijne gewoonte niet.

Een gek figuur maken kon een man van zijne waardigheid nog veel minder,

vooral tegenover zulk een diplomatisch kunstenaar als de heer von

Hohenburg, zeker een edelman, en dan met zoo iets roods en groens in

zijn knoopsgat.

„Vergun me, meneer de Professor, dat ik in mijne moedertaal u

antwoorde....”

„Bitte, bitte, gnädige Herr!”

„Ik geloof, dat er hier in Oosterwolde een zeer dankbaar publiek voor

pianomuziek zou gevonden worden, en we hebben een vrij goede zaal in de

~Zon~ bij vrouw van der Zwaag.”

Herr von Hohenburg beaamt de woorden van den „genadigen heer

Burgemeester”, daar hij echter Duitsch blijft spreken, en geene moeite

doet zich in hetgeen hij Hollandsch noemt uit te drukken, zullen wij hem

hier als tolk ter zijde staan.

„Ik zou u echter raden, meneer de professor, om vooraf eene lijst bij de

notabele ingezetenen rond te zenden, men is zoo zeldzaam in de

gelegenheid iets goeds te hooren!”

„Ach! ik vraag duizendmaal om verschooning, genadige heer! Ik moet u nog

iets mededeelen! Ik behoor niet tot de zoodanige artisten, die concerten

geven voor geld. Mijne kunst heeft edeler doel. Ik laat een entrée

betalen, om na aftrek van de noodzakelijke kosten het batig saldo in de

armenkas te storten!”

Mr. Willem Snijders, die tot nog toe met het denkbeeld, dat de Duitsche

professor voor geld concerten gaf, zich zelven een riem onder het hart

had gestoken, gevoelde nu, dat alle bewustheid van meerderheid hem

ontzonk. Hij glimlachte nog vriendelijker dan te voren, en verzekerde

meneer den professor dat hij zijne komst in Oosterwolde op hoogen prijs

stelde.

Herr von Hohenburg had gebogen, gelachen, en de kamer rond gezien. Bij

het ontdekken eener pianino had hij met onweerstaanbare losheid zich

naar het stuk begeven, het geopend en als gedachteloos een paar

akkoorden gegrepen. Plotseling weer naar zijne stoel terugsnellend, riep

hij uit:

„Ik vraag duizendmaal om verschooning, genadige heer! Ik heb de slechte

gewoonte, als ik een klavier zie, aanstonds naar de toetsen te

grijpen....”

„Integendeel! Ik hoopte reeds, dat u ongemerkt zou hebben doorgespeeld!”

De beide heeren putten zich van weerszijden uit in tallooze

hoffelijkheden. De slotsom was eindelijk, dat de beroemde professor von

Hohenburg zich nogmaals voor de pianino plaatste, en na onder menigte

van sierlijke zwenkingen met hoofd, lichaam en armen, een stroom van

luidklinkende melodiën door het pronkvertrek van den Oosterwoldschen

Burgemeester deed ruischen. Mr. Willem Snijders was geheel verrukking.

Hij wist niet hoe hij zijn voornamen gast zou danken. Hij verhaalt, hoe

zijne oudste dochters beiden wat aan muziek doen. Intusschen phantaseert

Herr von Hohenburg verder. De Burgemeester zou waarlijk, als meneer de

professor er niets tegen had, zoo gaarne mevrouw Snijders en zijne

oudste dochters.... De professor vraagt duizendmaal verschooning voor de

hooge eer.... De Burgemeester heeft gebeld. Weldra verschijnen de drie

dames, die in de aangrenzende kamer geene noot van de muziek verloren

hebben.

Zoo spoedig zij de kamer binnentraden, had Herr von Hohenburg zijne

sierlijkste en innemendste buiging gemaakt. Met een snellen blik had hij

het mooi gezichtje van Martha waargenomen en in stilte een paar Duitsche

woorden gemompeld, die zeer plat, maar zeer vleiend voor de dochter des

Burgemeesters waren. Beide meisjes hadden echter eene te schuchtere

natuur, om in het eerste oogenblik veel op den schitterenden heer te

letten, door haar vader met veel omhaal van naam en qualiteiten deftig

aan haar voorgesteld. Herr von Hohenburg vroeg eenige duizenden malen

om verschooning, aan de „gnädige Frau Bürgemeisterin” en aan de „gnädige

Fräulein.” Hij had maar even aan de pianino geraakt, en het was zijn

noodlot, dat hij onwillekeurig bleef spelen. Mr. Willem Snijders wilde

vrouw en dochters gaarne op de hoogte brengen van al de verdiensten des

vreemden professors, en voerde hem weder naar het klavier terug.

Toen speelde de bereidwillige en edelmoedige kunstenaar eene

uitvoerige phantasie met gedruischmakende fortissimo's, en zwenkte hij

allerbevalligst heen en weer op de lage pianotabouret. Martha volgde

hem oplettend, en was in diepe aandacht verzonken. Het knappe gelaat van

den Duitscher, de geniale wijze van het hoofd te buigen, terwijl zijne

linkerhand soms plotseling de over zijn voorhoofd vallende zwarte hairen

wegwierp, het merkwaardig uitheemsche, 't welk zijne geheele gestalte

een soort van tooverglans schonk, dit alles maakte op haar eenvoudig,

maar stil dwepend gemoed een zeer diepen indruk. Daarbij kwam, dat zij

het niet bijster ver in de muziek gebracht had, en vol verbazing de

vaardigheid van den vreemdeling waarnam. Deze eindigde nu snel zijn

woesten storm van tonen, en stond glimlachend naast de dames. Ieder

zweeg met dankbare waardeering. Herr von Hohenburg begreep, dat hij het

best deed onder dezen indruk te vertrekken. Hij sluit de fraaie pelsjas

over al de pracht van zijn uitgezocht kostuum, en greep de coquette

parelgrijze handschoenen.

De Burgemeester uitte een stroom van vriendelijke dankbetuigingen, hij

had niet vermoed, dat er zulk een schat van fraaie geluiden in zijne

pianino verborgen was.

„Ach zoo!”—antwoordde de schitterende professor.—„Ik vraag duizendmaal

om verschooning, maar uw klavier is zeer zwak van toon! Hollandsch

fabrikaat, geloof ik, zeer middelmatige instrumenten. Neen, dan hebben

we er beter in Duitschland.”

„Maar ik ben met mijne piano zeer tevreden!”—viel Martha plotseling met

haar kostschool-Duitsch in.—„Wij zijn in onze kleine stad niet zoo

scherp van gehoor! Bovendien de piano is pas nieuw, en uit de fabriek

van Schulz te Leeuwarden!”

„Ik waag het niet u tegen te spreken, mein gnädiges Fräulein! Maar

ik hoor, dat u kunstenares is, en men heeft recht op het edelste en

schoonste, zoodra men zulk eene bekoorlijke kunstenares is, als u.... Ik

vraag duizendmaal om verschooning! Duizendmaal! Genadige Vrouw! Genadige

heer Burgemeester! Genadige Freules!”

Herr von Hohenburg boog met onbeschrijfelijke bevalligheid. Terzelfder

tijd bleef zijne houding edel en waardig—zoo streefde hij vooruit, en

de nu werkelijk een weinig bedremmelde heer Snijders volgde hem onder

het uiten van overvloedige beleefdheidsbetuigingen.

Toen deze daarna bij vrouw en dochters terugkwam, riep hij luide:

„Geen kwakzalver, hoor! Een edelman! Hij geeft concerten, om de

plaatselijke armen te bevoordeelen! Verduiveld royaal! Onze piano is

slecht!”

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 39 / 58 题