II.

#Hier begint de vestiging van meneer Apollo, den wonderbare, in

Oosterwolde en zijne eerste kennismaking met de Beötiërs.#

Halfelf in den voormiddag. De vreemde heer, die den vorigen avond in de

Zon is komen logeeren, heeft luid gebeld. De weduwe van der Zwaag is nog

ontoonbaar in haar morgengewaad en zonder oorijzer, maar hare jongste

dochter Géésien, eene verminking van Gesina, „het de muts al op.” Met

zekere nieuwsgierigheid wipt de vroolijke deerne de trappen op, die naar

het boven den hoofdingang gebouwde pronkvertrek leiden. Na een zacht

tikken op de deur, treedt ze haastig binnen en vraagt:

„Het meneer scheld?”[3]

[3] Heeft meneer gescheld?

De reiziger knikt allervriendelijkst ja. Hij staat van zijne tafel op,

waar de rest van zijn ontbijt valt waar te nemen. Hij is nog ruim zoo

zwierig gekleed als den vorigen avond.

„Ik woude u etwas vragen, mijn liebes kind!”—zegt hij.—„Geeft het

bij u ook een groote vertrek, waar damen en heeren versammelen? Voor

concerten, ballen, theaterstukken....”

„Veur 'n bal? Joa, meneer! Bi ons!”

„Bij u? Ach zoo! Dat is kostlich!”

„'s Winters heb' we drij bals van de groote sociëteit en twij van de

burgers! Zummers heb' wie mit peerdemarkt en mit harddroaverij nog

twijmoal bal....”

De zwierige reiziger loopt even zijn vertrek op en neer. Hij glimlacht

steeds even aanmoedigend. Daarna blijft hij in eene schilderachtige

houding bij de tafel staan, beide armen over de borst kruisend. Gesina

gaat intusschen voort met hem op te sommen hoevele voortreffelijkheden

zich in de Zon vereenigen. De slotsom is, dat er beneden eene groote

zaal is, waarin gedanst wordt, en zeer zelden ook een concert wordt

gegeven. Meneer behoeft niet te twijfelen, of de zaal groot genoeg is,

want in den vorigen winter hebben zelfs de „komedianten” uit X, de

hoofdstad van de provincie, er gespeeld. Gesina glimlacht even, en voegt

er bij:

„Moar meneer is toch zeker nijt bi de komedianten?”

„Gewis, niet, mijn liebes kind! Aber.... wie is toch ihr naam?”

„Géésien!”

„Gretchen! Ach zoo! Das is een prachtvolle naam! Al onze schönste

jonkvrauwen heeten Gretchen! Nu, Gretchen....”

De reiziger deed twee stappen van de tafel, en roerde even op zachte

wijze de vingertoppen van „Gretchen” aan. Daarna zag hij haar met zijne

helderblauwe schitterende oogen zoo innemend aan, dat het jonge meisje,

vuurrood van verlegenheid, tevergeefs poogde eenige stugheid aan den dag

te leggen. Meneer wilde beneden de zaal zien. Snel springt Gesina

vooruit, meneer ijlt haar na, maar heeft haar toch eerbiedig de hand

gedrukt. Beneden loopt het „liebes kind” zoo vreeslijk snel door de

gang, dat haar grijs kleedje aan de groote kist blijft haken. Doch

ze getroost zich liever een goeden winkelhaak, dan dat meneer met

zijne drieste oogen haar komt helpen. Zoo is ze een tweetal trappen

opgevlogen, heeft de deur geopend, en staat nu boven. Meneer volgt haar,

en treedt haar ter zijde in een zeer ruim vertrek, dat vrij wel op een

bal- of concertzaal zou gelijken, indien het niet veel te laag van

verdieping ware.

In gedachten wandelt hij dit vertrek op en neer. Gesina leunt tegen een

biljart, 't welk met een wit stofkleed is overdekt, meneer gluurt een

raam uit naar den zonderlingen, spitsen toren met blauwe leien, die een

der sieraden van Oosterwolde uitmaakt. Daarna zegt hij:

„De kammer is kostlich, Gretchen! Voortreflich! Hept u niet een paar

kerl', om mijn te helfen an die groote kist hier te bringen?”

„Gretchen” denkt even na. De vreemde heer wil een kist brengen op de

groote zaal, waar de „Heeren” om halftwee sociëteit houden—kan dit? En

wat zit er in die kist? Als er zich moeilijke gevallen, of onoplosbare

vragen voordoen, neemt Gesina als brave dochter altijd het advies van

moeder. Snel loopt ze naar de deur en roept:

„Meneer blieft even wachten! Ik zel even zijn!”

De vreemdeling blijft alleen. Hij plaatst zich weder bij een venster.

Het volle daglicht schijnt over zijne rijzige gestalte. Niemand kan

met recht volhouden, dat hij wezenlijke knapheid en innemendheid mist.

Zijne trekken zijn fraai, zijn gelaat in rust heeft bijna eene edele

uitdrukking. Het hooge, blanke voorhoofd, de fijne gebogen neus, de

purperen lippen, waarom een glanzig zwarte knevel krult, de zeldzaam

lange, fijne en behaagziek verwarde hairlokken, die, meestal achter het

oor weggestreken, naar de schouders golven, dit alles vormt hem tot een

knap man. Zijne oogen zijn wel fraai blauw en schitterend, maar de

uitdrukking mist waardigheid. Zij werpen wat al te vrijmoedige blikken

in 't rond, daar blaakt een vuur in van zinnelijke driestheid en ijdel

zelfvertrouwen. Meestal evenwel is dat vuur getemperd door de half

gesloten oogleden en den allereerbiedigsten lach, die elk zijner woorden

vergezelt.

Voor het stedeke Oosterwolde is hij veel te zwierig gekleed. Zijn

keurige sluitjas van donkere kleur doet maar een zeer klein deel van het

hooge sneeuwwitte vest en der lange blauwe zijden das te voorschijn

komen. Genoeg evenwel, om de kolossale diamanten speld te doen fonkelen,

waarnaast een helder groen en rood lint in zijn knoopsgat schittert,

eene ridderorde van den Vorst van Lichtenstein.

Geruime poos staat hij aan het venster te turen. Eene breede straat,

half plein, half rijweg, strekt zich voor hem uit. Huizen van ééne

verdieping, zonder eenig bijzonder kenteeken, maar kleinsteedsch van

de grondvesten tot aan de daksparren, een paar lindeboomen boven

een tuinmuur, de spitse toren, een paar kwajongens op groote houten

klompen, een paar boeren met drie runderen, een paar kippen, die ijlings

wegvluchten, dit is het tafereel, 't welk zich aan onzen Lichtensteiner

Ridder voordoet.

„Philister, und noch einmahl Philister!”

Terwijl hij dit met zekere bitterheid binnensmonds prevelt, naderen

snelle voetstappen. De weduwe van der Zwaag met Hillegie en Géésien,

allen in oorijzer en kanten muts, treden de zaal binnen.

„Wol meneer de kist in de zaol brocht hebben?”—vraagt de kasteleines.

„Ach ja! Laat maar een paar kerl kommen!” Doch zoo snel ging de weduwe

niet tot het ontheiligen van hare zaal over. Met een vloed van woorden

betoogde ze, dat de „Heeren” er sociëteit hielden en of de kist niet in

de gang kon blijven. Zij was verbijsterd over het schoone kostuum en de

voorname manieren van haar gast, maar vroeg toch luide, wat er dan toch

eigenlijk in die kist was.

„Mijn klavier!”—zei de vreemdeling snel.

Moeder en dochters zagen elkander aan, en begrepen de zaak maar half.

Met een voornamen glimlach voegde hij er thans bij, dat zijn „klavier”

moest ontpakt worden, dat het niet veel plaats innam en zeer „famos”

was. Maar spoedig, zeer spoedig. De kasteleines had dikwerf hooren

verhalen, dat voorname vreemdelingen, vooral Engelschen, de eene of

andere zonderlinge liefhebberij aankweeken, en daarom meende ze nu, dat

deze niet zonder zijn „klavier” zou kunnen leven. Fluisterende met hare

dochters, werd er nu besloten den staljongen en den tuinman te laten

roepen. Haar gast was intusschen reeds in het voorportaal en poogde de

pianokist van den muur te schuiven. Met groote voorzichtigheid, terwijl

nog twee keukenmeiden, wier zilveren oorijzers en zwarte kousen—zij

hadden hare klompen op hoog bevel achtergelaten—een zweem van glimlach

bij den klavierman deden ontstaan, op het ijverigst medehielpen, werd nu

de groote en zware kist, naar de zaal gedragen. De Lichtensteiner Ridder

gaf allerlei bevelen in zijne moedertaal, die niemand recht begreep,

doch de kist stond weldra zonder ongeval bij een der vensters. In een

ommezien had hij zelf de planken losgemaakt en ontdekte nu voor de

verbaasde lieden uit de ~Zon~ eene fraaie pianino. Met groote

bedrijvigheid deed hij de houten bekleedselen wegbrengen, had hij het

instrument geopend en liet hij plotseling een stroom van luide en

grillige akkoorden door de zaal galmen. Het stuk was wat ontstemd,

weldra had hij er de vergulden luchters afgelicht, de pianino van

voorwand ontbloot, en een stemsleutel ter hand genomen. Hierop ving hij

ijverig aan te stemmen.

De kasteleines, de meisjes, de keukenmeiden, de staljongen en de

tuinman bleven op eerbiedigen afstand staan luisteren. Misschien was er

in geheel Oosterwolde maar één piano, die met deze kon wedijveren, bij

den Burgemeester. En die hadden de meeste hunner nooit gezien. Als de

vreemdeling soms eensklaps met beide handen de volle kracht van zijn

stuk liet doorklinken, zagen zij elkander vol verbazing aan. Weldra was

de zuiverheid van toon hersteld. Zonder naar zijne hoorders om te zien,

wier tegenwoordigheid hij evenwel had opgemerkt, ving hij aan met eene

vlugge, aangename melodie te doen hooren. Plotseling viel hij in met

eene vrij zwakke, doch dragelijke tenorstem een Duitsch lied aan te

heffen. De kasteleines en hare huisgenooten hielden den adem in. De

beide jonge meisjes volgden met vroolijke blikken den zanger. Dat

hadden ze nog nooit zoo gehoord! Zoo mooi kon juffer Martha van den

Burgemeester niet zingen! Hoor, hij zwijgt. Twee forsche akkoorden,

alles is stil. Meneer rijst op, en sluit de pianino. Het publiek deinst

af, en verdwijnt met groote overhaasting uit de zaal.

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 38 / 58 题