#Hier begint de vestiging van meneer Apollo, den wonderbare, in
Oosterwolde en zijne eerste kennismaking met de Beötiërs.#
Halfelf in den voormiddag. De vreemde heer, die den vorigen avond in de
Zon is komen logeeren, heeft luid gebeld. De weduwe van der Zwaag is nog
ontoonbaar in haar morgengewaad en zonder oorijzer, maar hare jongste
dochter Géésien, eene verminking van Gesina, „het de muts al op.” Met
zekere nieuwsgierigheid wipt de vroolijke deerne de trappen op, die naar
het boven den hoofdingang gebouwde pronkvertrek leiden. Na een zacht
tikken op de deur, treedt ze haastig binnen en vraagt:
„Het meneer scheld?”[3]
[3] Heeft meneer gescheld?
De reiziger knikt allervriendelijkst ja. Hij staat van zijne tafel op,
waar de rest van zijn ontbijt valt waar te nemen. Hij is nog ruim zoo
zwierig gekleed als den vorigen avond.
„Ik woude u etwas vragen, mijn liebes kind!”—zegt hij.—„Geeft het
bij u ook een groote vertrek, waar damen en heeren versammelen? Voor
concerten, ballen, theaterstukken....”
„Veur 'n bal? Joa, meneer! Bi ons!”
„Bij u? Ach zoo! Dat is kostlich!”
„'s Winters heb' we drij bals van de groote sociëteit en twij van de
burgers! Zummers heb' wie mit peerdemarkt en mit harddroaverij nog
twijmoal bal....”
De zwierige reiziger loopt even zijn vertrek op en neer. Hij glimlacht
steeds even aanmoedigend. Daarna blijft hij in eene schilderachtige
houding bij de tafel staan, beide armen over de borst kruisend. Gesina
gaat intusschen voort met hem op te sommen hoevele voortreffelijkheden
zich in de Zon vereenigen. De slotsom is, dat er beneden eene groote
zaal is, waarin gedanst wordt, en zeer zelden ook een concert wordt
gegeven. Meneer behoeft niet te twijfelen, of de zaal groot genoeg is,
want in den vorigen winter hebben zelfs de „komedianten” uit X, de
hoofdstad van de provincie, er gespeeld. Gesina glimlacht even, en voegt
er bij:
„Moar meneer is toch zeker nijt bi de komedianten?”
„Gewis, niet, mijn liebes kind! Aber.... wie is toch ihr naam?”
„Géésien!”
„Gretchen! Ach zoo! Das is een prachtvolle naam! Al onze schönste
jonkvrauwen heeten Gretchen! Nu, Gretchen....”
De reiziger deed twee stappen van de tafel, en roerde even op zachte
wijze de vingertoppen van „Gretchen” aan. Daarna zag hij haar met zijne
helderblauwe schitterende oogen zoo innemend aan, dat het jonge meisje,
vuurrood van verlegenheid, tevergeefs poogde eenige stugheid aan den dag
te leggen. Meneer wilde beneden de zaal zien. Snel springt Gesina
vooruit, meneer ijlt haar na, maar heeft haar toch eerbiedig de hand
gedrukt. Beneden loopt het „liebes kind” zoo vreeslijk snel door de
gang, dat haar grijs kleedje aan de groote kist blijft haken. Doch
ze getroost zich liever een goeden winkelhaak, dan dat meneer met
zijne drieste oogen haar komt helpen. Zoo is ze een tweetal trappen
opgevlogen, heeft de deur geopend, en staat nu boven. Meneer volgt haar,
en treedt haar ter zijde in een zeer ruim vertrek, dat vrij wel op een
bal- of concertzaal zou gelijken, indien het niet veel te laag van
verdieping ware.
In gedachten wandelt hij dit vertrek op en neer. Gesina leunt tegen een
biljart, 't welk met een wit stofkleed is overdekt, meneer gluurt een
raam uit naar den zonderlingen, spitsen toren met blauwe leien, die een
der sieraden van Oosterwolde uitmaakt. Daarna zegt hij:
„De kammer is kostlich, Gretchen! Voortreflich! Hept u niet een paar
kerl', om mijn te helfen an die groote kist hier te bringen?”
„Gretchen” denkt even na. De vreemde heer wil een kist brengen op de
groote zaal, waar de „Heeren” om halftwee sociëteit houden—kan dit? En
wat zit er in die kist? Als er zich moeilijke gevallen, of onoplosbare
vragen voordoen, neemt Gesina als brave dochter altijd het advies van
moeder. Snel loopt ze naar de deur en roept:
„Meneer blieft even wachten! Ik zel even zijn!”
De vreemdeling blijft alleen. Hij plaatst zich weder bij een venster.
Het volle daglicht schijnt over zijne rijzige gestalte. Niemand kan
met recht volhouden, dat hij wezenlijke knapheid en innemendheid mist.
Zijne trekken zijn fraai, zijn gelaat in rust heeft bijna eene edele
uitdrukking. Het hooge, blanke voorhoofd, de fijne gebogen neus, de
purperen lippen, waarom een glanzig zwarte knevel krult, de zeldzaam
lange, fijne en behaagziek verwarde hairlokken, die, meestal achter het
oor weggestreken, naar de schouders golven, dit alles vormt hem tot een
knap man. Zijne oogen zijn wel fraai blauw en schitterend, maar de
uitdrukking mist waardigheid. Zij werpen wat al te vrijmoedige blikken
in 't rond, daar blaakt een vuur in van zinnelijke driestheid en ijdel
zelfvertrouwen. Meestal evenwel is dat vuur getemperd door de half
gesloten oogleden en den allereerbiedigsten lach, die elk zijner woorden
vergezelt.
Voor het stedeke Oosterwolde is hij veel te zwierig gekleed. Zijn
keurige sluitjas van donkere kleur doet maar een zeer klein deel van het
hooge sneeuwwitte vest en der lange blauwe zijden das te voorschijn
komen. Genoeg evenwel, om de kolossale diamanten speld te doen fonkelen,
waarnaast een helder groen en rood lint in zijn knoopsgat schittert,
eene ridderorde van den Vorst van Lichtenstein.
Geruime poos staat hij aan het venster te turen. Eene breede straat,
half plein, half rijweg, strekt zich voor hem uit. Huizen van ééne
verdieping, zonder eenig bijzonder kenteeken, maar kleinsteedsch van
de grondvesten tot aan de daksparren, een paar lindeboomen boven
een tuinmuur, de spitse toren, een paar kwajongens op groote houten
klompen, een paar boeren met drie runderen, een paar kippen, die ijlings
wegvluchten, dit is het tafereel, 't welk zich aan onzen Lichtensteiner
Ridder voordoet.
„Philister, und noch einmahl Philister!”
Terwijl hij dit met zekere bitterheid binnensmonds prevelt, naderen
snelle voetstappen. De weduwe van der Zwaag met Hillegie en Géésien,
allen in oorijzer en kanten muts, treden de zaal binnen.
„Wol meneer de kist in de zaol brocht hebben?”—vraagt de kasteleines.
„Ach ja! Laat maar een paar kerl kommen!” Doch zoo snel ging de weduwe
niet tot het ontheiligen van hare zaal over. Met een vloed van woorden
betoogde ze, dat de „Heeren” er sociëteit hielden en of de kist niet in
de gang kon blijven. Zij was verbijsterd over het schoone kostuum en de
voorname manieren van haar gast, maar vroeg toch luide, wat er dan toch
eigenlijk in die kist was.
„Mijn klavier!”—zei de vreemdeling snel.
Moeder en dochters zagen elkander aan, en begrepen de zaak maar half.
Met een voornamen glimlach voegde hij er thans bij, dat zijn „klavier”
moest ontpakt worden, dat het niet veel plaats innam en zeer „famos”
was. Maar spoedig, zeer spoedig. De kasteleines had dikwerf hooren
verhalen, dat voorname vreemdelingen, vooral Engelschen, de eene of
andere zonderlinge liefhebberij aankweeken, en daarom meende ze nu, dat
deze niet zonder zijn „klavier” zou kunnen leven. Fluisterende met hare
dochters, werd er nu besloten den staljongen en den tuinman te laten
roepen. Haar gast was intusschen reeds in het voorportaal en poogde de
pianokist van den muur te schuiven. Met groote voorzichtigheid, terwijl
nog twee keukenmeiden, wier zilveren oorijzers en zwarte kousen—zij
hadden hare klompen op hoog bevel achtergelaten—een zweem van glimlach
bij den klavierman deden ontstaan, op het ijverigst medehielpen, werd nu
de groote en zware kist, naar de zaal gedragen. De Lichtensteiner Ridder
gaf allerlei bevelen in zijne moedertaal, die niemand recht begreep,
doch de kist stond weldra zonder ongeval bij een der vensters. In een
ommezien had hij zelf de planken losgemaakt en ontdekte nu voor de
verbaasde lieden uit de ~Zon~ eene fraaie pianino. Met groote
bedrijvigheid deed hij de houten bekleedselen wegbrengen, had hij het
instrument geopend en liet hij plotseling een stroom van luide en
grillige akkoorden door de zaal galmen. Het stuk was wat ontstemd,
weldra had hij er de vergulden luchters afgelicht, de pianino van
voorwand ontbloot, en een stemsleutel ter hand genomen. Hierop ving hij
ijverig aan te stemmen.
De kasteleines, de meisjes, de keukenmeiden, de staljongen en de
tuinman bleven op eerbiedigen afstand staan luisteren. Misschien was er
in geheel Oosterwolde maar één piano, die met deze kon wedijveren, bij
den Burgemeester. En die hadden de meeste hunner nooit gezien. Als de
vreemdeling soms eensklaps met beide handen de volle kracht van zijn
stuk liet doorklinken, zagen zij elkander vol verbazing aan. Weldra was
de zuiverheid van toon hersteld. Zonder naar zijne hoorders om te zien,
wier tegenwoordigheid hij evenwel had opgemerkt, ving hij aan met eene
vlugge, aangename melodie te doen hooren. Plotseling viel hij in met
eene vrij zwakke, doch dragelijke tenorstem een Duitsch lied aan te
heffen. De kasteleines en hare huisgenooten hielden den adem in. De
beide jonge meisjes volgden met vroolijke blikken den zanger. Dat
hadden ze nog nooit zoo gehoord! Zoo mooi kon juffer Martha van den
Burgemeester niet zingen! Hoor, hij zwijgt. Twee forsche akkoorden,
alles is stil. Meneer rijst op, en sluit de pianino. Het publiek deinst
af, en verdwijnt met groote overhaasting uit de zaal.