#Hier begint de waarachtige historie van mijnheer Apollo, den
wonderbare, en hoe hij aankwam in Beötië.#
't Was maar eene zeer gewone herberg. Het uithangbord was vroeger op
prachtige wijze donkerblauw geschilderd, en te midden van dien blauwen
grond schitterde weleer eene zon van echt verguldsel. De tijd had de
kleuren veel kwaad gedaan, de zon was koperrood geworden, en scheen
steeds op het punt van onder te gaan. Duidelijkheidshalve schilderde men
er weleer nog bij: ~In de Zon~, opdat niemand zich vergissen mocht. De
herberg was van meer opschriften voorzien. Eene witte plank met zwarte
letters riep den voorbijganger toe: ~Logement en Stalling, Wed. F. C.
van der Zwaag~. Het Logement had maar eene verdieping, met een soort van
opkamertje boven den hoofdingang. Toch was het een groot huis met zeer
ruime kamers, stallen en een grooten tuin. Bovendien was de ~Zon~ de
eenige fatsoenlijke herberg van Oosterwolde, een soort van klein stedeke
in het Noorden van ons vaderland.
Voor de deur van dit logement stond bij 't vallen van de duisternis eens
guren November-avonds van het jaar 1849 een reiziger met eene groote
menigte bagage. Eene kar, door vier sjouwers onder veel geschreeuw en
gemor voortgeduwd, droeg voornamelijk eene enorme houten kist, die hoog
opstond en door een paar solide koffers in evenwicht werd gehouden. Een
fraai valies, een reisdeken en andere kleinigheden verrieden, dat de
reiziger een zeer welgegoed man was. Met zeker ongeduld trok hij aan den
koperen belleknop van de glazen deur. Eene lange vrouwelijke gestalte
opende weldra.
„Kan man dat hierein brengen?”—vroeg de reiziger met uitheemsch accent.
„Wat 'n groote kist!”—antwoordde de gestalte.—„Droag 'm moar in 't
veurhuus!”
Dit was tot de vier sjouwers gesproken, die met tragen spoed de koffers
naarbinnen brachten, en eindelijk onder toezicht van den reiziger ook de
kist van den wagen tilden. Verscheidene malen riep de vreemde heer iets
in zijne taal, terwijl hij angstig de kist ondersteunde; eindelijk
plaatste hij haar met behulp zijner mannen in het breede voorportaal.
De vrouwelijke gestalte had een koperen blaker met walmende vetkaars
ontstoken, en deze verspreidde een zwak licht in 't ronde. Daarna
stonden de sjouwers stil met de hand aan de pet. De vreemdeling tastte
snel naar geld, en gaf ze een gulden. De mannen zagen elkaar even snel
aan. De kleinste van hen riep:
„Doar ken' wie 't nijt veur doun!”
Een ander voegde er bij:
„Twij kwartjes de man!”
De vreemdeling tastte wederom snel naar geld, en gaf nog een gulden. De
vier sjouwers klompten de gang uit, en de vrouwelijke gestalte met den
blaker schudde deftig het hoofd, 't was „veul te veul.”
Intusschen werd eene groote dubbele deur in de gang geopend, waardoor
een stroom van licht naar buiten golfde. Onze reiziger richtte zich
aanstonds naar dat licht. Hij trad eene ruime kamer binnen, welke de
~genius loci~ met den naam van „jachtweide” bestempeld heeft, anders
gezegd: de gelagkamer van 't logement. Aan den open haard brandde een
vroolijk turfvuur. Met opgewektheid trad hij naar 't vuur, en strekte
zijne voeten uit, die verstijfd schenen, hoewel de hooge reislaarzen met
bont gevoerd waren. Het gezelschap in de „jachtweide” gluurde met
groote, eenigszins schichtige nieuwsgierigheid naar den nieuw aangekomen
gast. Dit gezelschap bestond vooreerst uit de vrouw met den blaker, die
ook binnengetreden was, en op een soort van buffet aanliep, waar zij
met een koperen domper haar licht uitbluschte. 't Was eene groote,
vrij deftige matrone, geheel in 't zwart gekleed, met een breed wit
voorschoot, waaronder zij nu hare handen en armen verborg, terwijl zij
tegen het buffet, aldaar „tapkast” genoemd, aanleunde. Opmerkelijk was
in deze figuur een gouden hoofddeksel of oorijzer met „stiften”,
waarover eene fijne kanten muts, die met plooien naar de schouders
afdaalde. Vervolgens waren er twee jongere vrouwen, evenals deze
gekleed, maar met grijze of bruine kleedjes zonder voorschoot, terwijl
ook oorijzer en kanten muts twee bolronde, blozende gezichtjes
omlijstten. Eindelijk zaten er aan een tafeltje, ter zijde van den
haard, drie mannen in zwarte jassen van een everlasten stof, zwarte
vesten, zwarte dassen, zonder linnengoed en met lompe vetlaarzen. Zij
bliezen allen dikke rookwolken uit lange Goudsche pijpen en hadden wijn
in flesschen en glazen voor zich.
Allen hielden het oog onafgebroken op den reiziger. Niemand sprak.
Het voorwerp van hunne oplettendheid scheen zich weinig om hunne
tegenwoordigheid te bekreunen. Hij warmde zijne voeten, daarna zijne
handen, geeuwde een paar malen zeer luid, en wreef zich in de handen.
Bij het turfvuur kon men duidelijk de ringen zien flonkeren aan zijne
vingers. Daarna zag hij vluchtig in 't rond, wendde den rug naar 't
vuur, en sloeg zijne blikken naar de vrouwen. Hij droeg een ruimen pels
met grijs bont en op zijne borst schitterde een groote diamant in eene
das van donkerblauwe zijde. Al de personen in de „jachtweide” schenen
den blik des vreemdelings te willen ontwijken, want ieder keek schuchter
voor zich.
De man met den grijsbonten pels liep nu langzaam naar de „tapkast”, en
bleef voor de vrouw in 't zwart staan.
„Wed'we van der Zwaag, nicht waar? Kan ik eene goete kammer bekommen?”
„As meneer blieft! Wil meneer de koamer zijn?[1] Hillegie steek den
bloaker op!”
[1] Zien.
Dit laatste was tegen een der bolronde gezichtjes gezegd. Deze prevelde,
of men eerst „de kachel op meneers koamer nijt most anleggen,” en de
vreemdeling, die haar scheen te begrijpen, riep:
„Ja schön, etwas heitzen!”
Daarna keerde hij tot het vuur terug. De weduwe van der Zwaag, die
niets van 's mans taal verstond, gaf evenwel order, dat de kachel op
de logeerkamer zou worden aangelegd, zij had den toon van zijne stem
begrepen. Hillegie, eene gewestelijke verhaspeling van Hillegonde,
verliet de „jachtweide”. De man met den grijsbonten pels zag nu naar het
andere bolronde gezichtje, en, terwijl hij flauw glimlachte, streek hij
de blanke vingers met fonkelende ringen door zijn lang en prachtig
krullend zwart hair. Hij poogde haar aan te zien, doch zij keek zeer
bedaard naar het fijne en witte zand, dat over den planken vloer der
„jachtweide” was uitgestrooid. Daarom deed hij opnieuw twee stappen naar
de „tapkast”, en vroeg, ditmaal aan het jonge meisje:
„Hept ihr ook cognac?”—met den dubbelen nadruk op de eerste lettergreep
van het woord cognac.
Het jonge meisje zag hare moeder aan, en deze nam een karaf van wit
glas, waarop met sierlijke gulden krulletters „Cognac” te lezen stond.
Toen de weduwe daarna een zeer klein glas van grof maaksel nauwelijks
gevuld had, bracht hare dochter het den voornamen heer. Deze zag het
aardig gezichtje zeer genadig aan, glimlachte met zijne schitterende
blauwe oogen, en nam het glaasje met een zwierigen zwaai. Eenigen
tijd keek hij naar het vocht in het glas, daarna goochelde hij het
vliegensvlug naar binnen. Niemand sprak intusschen een woord, de drie
rookers en drinkers bleven met drieste verbazing rondzien, de vrouwen
bleven onbeweeglijk bij de „tapkast”.
Eindelijk kwam Hillegie terug. De kachel brandde. De weduwe van der
Zwaag nam nu andermaal haren blaker, en ging den vreemdeling voor naar
zijne kamer. Zij had er eigenlijk maar eene, maar die was allerkeurigst.
Zij moest er zelve de eer van ophouden. Nauw waren zij beiden
vertrokken, of de drie drinkers bij den haard zagen elkander deftig aan.
De dikste van het drietal blies eene reusachtige rookwolk uit, en riep:
„Wat 'n wind het[2] dij kerel!”
[2] Heeft.
De magerste dronk zijn glas uit, en sprak na eene kleine poos:
„Zeker zoo'n mofsche koalhans!”
De derde eindelijk blies rookwolken weg, en dronk tevens zijn glas uit,
terwijl hij wederom na eene poos opmerkte:
„Pas moar op, Hillegie! moak, dat je de kerel zien centen kriegt!”
„Doar bin' wie nijt bang veur, meneer Jellemoa! Veur 't brengen van zien
koffer hettie twij gulden geven!”
„En nou vraagt meneer om een karaf vol cognac met woater en suker! Gauw
wat!”—riep de weduwe, die met zekere haast binnenstoof.