De heer Mr. Johan van der Lely bewoonde een zeer deftig huis in de
hoofdstad der provincie. Juist met het klokkenspel van twaalven treedt
hij deftig in 't zwart zijn huisvertrek binnen, waar zijne echtgenoote
met stil ontzag zijne komst verbeidt in gezelschap van een koffiekan,
die niet loopt, en den witten poedel, die slaapt. Zwijgend zet de
Rechter der arrondissements-rechtbank zich neer. Voordat hij echter de
lippen zet aan den eersten kop koffie, zegt hij met zijne daverende
stem:
„Waar blijft Frans?”
„Ik begrijp het niet, misschien heeft hij straf op het Gymnasium!”
„Kom, kom! een jongen van zeventien jaar en vlug als Frans wordt nooit
gestraft. Bovendien er moest niet gestraft worden op het Gymnasium! Ik
heb het den Rector laatst gezegd. Als een jongen zich onbehoorlijk
gedraagt, is het altijd de schuld van den docent!”
„Maar Johan....”
Dreunend werd de huisdeur toegeworpen, er klonken snelle stappen in de
gang. Met een luid galmenden uitroep trad Frans van der Lely binnen. Hij
was een lang opgeschoten knaap geworden, zag er rood opgezet uit, als
zijn vader, en trok snel een stoel naar de tafel, om zijn kop koffie te
ledigen.
„Hoe kom je zoo laat, jongen?”
„Ik heb in de Slijtersstraat staan kijken naar eene verkooping van een
inboedel!”
„Waarom?”
„In 't begin maar om zoo eens te kijken, maar gauw zag ik een paar
dingen, die ik heel vreemd vond. U herinnert zich wel dien meneer de
Leeuw, waarbij ik in Valendam een poos teekenles had?”
„Ja, voor een halfjaar zoo wat is hij hier komen wonen!”
„Nu, het was zijn inboedel!”
Mr. Johan van der Lely verzonk een oogenblik in deftig gepeins. Frans
vervolgde:
„Ik zag het aan de schilderijen en teekeningen in waterverf. Er was ook
eene massa nog vrij aardige en nieuwe meubels bij, stoelen, tafels, een
wieg....”
„Maar was dat alles van meneer de Leeuw, Frans?”—vroeg zijne moeder.
„Zeker! Ik sprak een man aan, die er bij stond, en die zei, dat het
boeltje voor schulden moest verkocht worden. Daar waren er van hier en
uit Valendam, die geld van De Leeuw moesten hebben!”
De Rechter der arrondissements-rechtbank had intusschen den loop zijner
gedachten vervolgd. Plechtig, maar luid, viel hij nu in:
„Ik heb het hem wel voorspeld! Daar was in Valendam niets te halen, 't
was een ellendig nest in mijn tijd, en het zal het nog wel zijn. Eene
hoofdplaats van een kiesdistrict, waar ze zoo'n kwast, zoo'n babbelaar
naar de Tweede Kamer hebben gestuurd! Zoo'n liberaal van den kouden
grond! Bah!”
„Ik heb maar medelijden met zijne arme vrouw en zijn arm
kind!”—fluisterde mevrouw van der Lely.
„En ik mocht De Leeuw wel!”—voegde Frans er bij.—„Hij was heel goed en
hartelijk voor zijne jongens, en hij teekende toch zoo kwaad niet?”
„Hij schreef ten minste zeer net!”—merkte de heer des huizes aan.—„Dat
bleek uit zijne nota's!”
„Gunst, Johan!”—viel zijne echtgenoote in.—„Gisteren vertelde je me,
dat eene klerksplaats op de provinciale griffie vacant was, en dat
iemand je gevraagd had naar een geschikt persoon. Help nu die arme
menschen daaraan!”
„Hm! hm.... Zou hij niet te trotsch zijn.... een kunstenaar klerk te
maken? Maar.... nu ja, ik wil het wel eens probeeren. Hij heeft onzen
Frans teekenen geleerd.”
* * * * *
Een jaar, na dit gesprek, in den vroegen zomerochtend snelden twee
personen, die beiden van verschillende kanten der straat kwamen, te
X.... naar elkaar toe. Eene opgewekte en hartelijke begroeting volgde.
„En wat kom jij hier in den vroegen morgen doen, Van Schilferen?”
„Van alles zoo wat, amice! Ik kom ~emplètes~ maken voor mijne
huishouding, want in Juli trouw ik. Bertha is allerliefst. En dan moet
ik ook bij den postdirecteur zijn.... daar is eene kleine verwarring
op mijn kantoor geweest! Ik zal 't wel goed maken! A propos! Het
Leeskabinet heeft een paar van mijne verzen geplaatst! En hoe maak jij
het, De Leeuw?”
De oud-teekenmeester Hendrik de Leeuw, nu zeer eenvoudig in 't zwart
gekleed, antwoordde kalm:
„Och, het gaat me redelijk! Ik ben klerk op de provinciale griffie door
de protectie van meneer van der Lely geworden. Ik neem nog een paar
andere besognes van schrijfwerk waar, en verdien omstreeks negenhonderd
gulden in 't jaar. Dat is nog weinig, maar ik ben weer met mijn oom den
grutter verzoend, en dat helpt in de huishouding!”
„Bij al de Goden! Is 't mogelijk? Ben jij klerk geworden? Heb jij de
kunst vaarwel gezegd? Neen, dan dien ik mijne Muzen trouwer! Een bundel
verzen ligt klaar, en als de zaak met het postkantoor goed afloopt, dan
draag ik hem op aan den Minister van financiën! En jij klerk, De Leeuw!
hoe is 't mogelijk?”
De Leeuw glimlachte, en antwoordde:
„Neem me niet kwalijk, ik moet aan 't werk. Men kan die zaken
verschillend beschouwen. Een eerlijk beroep trouw te vervullen is voor
den man zonder talent beter dan plichtverzuim bij gebrekkige en leelijke
kunstoefening. Goeden morgen! Als ik aan de griffie wat voor je doen
kan, reken op mij. En denk er aan: ~n'est pas poëte qui veut~!”
Mijnheer Apollo en de menschen in Beötië.