VI.

De heer Mr. Johan van der Lely bewoonde een zeer deftig huis in de

hoofdstad der provincie. Juist met het klokkenspel van twaalven treedt

hij deftig in 't zwart zijn huisvertrek binnen, waar zijne echtgenoote

met stil ontzag zijne komst verbeidt in gezelschap van een koffiekan,

die niet loopt, en den witten poedel, die slaapt. Zwijgend zet de

Rechter der arrondissements-rechtbank zich neer. Voordat hij echter de

lippen zet aan den eersten kop koffie, zegt hij met zijne daverende

stem:

„Waar blijft Frans?”

„Ik begrijp het niet, misschien heeft hij straf op het Gymnasium!”

„Kom, kom! een jongen van zeventien jaar en vlug als Frans wordt nooit

gestraft. Bovendien er moest niet gestraft worden op het Gymnasium! Ik

heb het den Rector laatst gezegd. Als een jongen zich onbehoorlijk

gedraagt, is het altijd de schuld van den docent!”

„Maar Johan....”

Dreunend werd de huisdeur toegeworpen, er klonken snelle stappen in de

gang. Met een luid galmenden uitroep trad Frans van der Lely binnen. Hij

was een lang opgeschoten knaap geworden, zag er rood opgezet uit, als

zijn vader, en trok snel een stoel naar de tafel, om zijn kop koffie te

ledigen.

„Hoe kom je zoo laat, jongen?”

„Ik heb in de Slijtersstraat staan kijken naar eene verkooping van een

inboedel!”

„Waarom?”

„In 't begin maar om zoo eens te kijken, maar gauw zag ik een paar

dingen, die ik heel vreemd vond. U herinnert zich wel dien meneer de

Leeuw, waarbij ik in Valendam een poos teekenles had?”

„Ja, voor een halfjaar zoo wat is hij hier komen wonen!”

„Nu, het was zijn inboedel!”

Mr. Johan van der Lely verzonk een oogenblik in deftig gepeins. Frans

vervolgde:

„Ik zag het aan de schilderijen en teekeningen in waterverf. Er was ook

eene massa nog vrij aardige en nieuwe meubels bij, stoelen, tafels, een

wieg....”

„Maar was dat alles van meneer de Leeuw, Frans?”—vroeg zijne moeder.

„Zeker! Ik sprak een man aan, die er bij stond, en die zei, dat het

boeltje voor schulden moest verkocht worden. Daar waren er van hier en

uit Valendam, die geld van De Leeuw moesten hebben!”

De Rechter der arrondissements-rechtbank had intusschen den loop zijner

gedachten vervolgd. Plechtig, maar luid, viel hij nu in:

„Ik heb het hem wel voorspeld! Daar was in Valendam niets te halen, 't

was een ellendig nest in mijn tijd, en het zal het nog wel zijn. Eene

hoofdplaats van een kiesdistrict, waar ze zoo'n kwast, zoo'n babbelaar

naar de Tweede Kamer hebben gestuurd! Zoo'n liberaal van den kouden

grond! Bah!”

„Ik heb maar medelijden met zijne arme vrouw en zijn arm

kind!”—fluisterde mevrouw van der Lely.

„En ik mocht De Leeuw wel!”—voegde Frans er bij.—„Hij was heel goed en

hartelijk voor zijne jongens, en hij teekende toch zoo kwaad niet?”

„Hij schreef ten minste zeer net!”—merkte de heer des huizes aan.—„Dat

bleek uit zijne nota's!”

„Gunst, Johan!”—viel zijne echtgenoote in.—„Gisteren vertelde je me,

dat eene klerksplaats op de provinciale griffie vacant was, en dat

iemand je gevraagd had naar een geschikt persoon. Help nu die arme

menschen daaraan!”

„Hm! hm.... Zou hij niet te trotsch zijn.... een kunstenaar klerk te

maken? Maar.... nu ja, ik wil het wel eens probeeren. Hij heeft onzen

Frans teekenen geleerd.”

* * * * *

Een jaar, na dit gesprek, in den vroegen zomerochtend snelden twee

personen, die beiden van verschillende kanten der straat kwamen, te

X.... naar elkaar toe. Eene opgewekte en hartelijke begroeting volgde.

„En wat kom jij hier in den vroegen morgen doen, Van Schilferen?”

„Van alles zoo wat, amice! Ik kom ~emplètes~ maken voor mijne

huishouding, want in Juli trouw ik. Bertha is allerliefst. En dan moet

ik ook bij den postdirecteur zijn.... daar is eene kleine verwarring

op mijn kantoor geweest! Ik zal 't wel goed maken! A propos! Het

Leeskabinet heeft een paar van mijne verzen geplaatst! En hoe maak jij

het, De Leeuw?”

De oud-teekenmeester Hendrik de Leeuw, nu zeer eenvoudig in 't zwart

gekleed, antwoordde kalm:

„Och, het gaat me redelijk! Ik ben klerk op de provinciale griffie door

de protectie van meneer van der Lely geworden. Ik neem nog een paar

andere besognes van schrijfwerk waar, en verdien omstreeks negenhonderd

gulden in 't jaar. Dat is nog weinig, maar ik ben weer met mijn oom den

grutter verzoend, en dat helpt in de huishouding!”

„Bij al de Goden! Is 't mogelijk? Ben jij klerk geworden? Heb jij de

kunst vaarwel gezegd? Neen, dan dien ik mijne Muzen trouwer! Een bundel

verzen ligt klaar, en als de zaak met het postkantoor goed afloopt, dan

draag ik hem op aan den Minister van financiën! En jij klerk, De Leeuw!

hoe is 't mogelijk?”

De Leeuw glimlachte, en antwoordde:

„Neem me niet kwalijk, ik moet aan 't werk. Men kan die zaken

verschillend beschouwen. Een eerlijk beroep trouw te vervullen is voor

den man zonder talent beter dan plichtverzuim bij gebrekkige en leelijke

kunstoefening. Goeden morgen! Als ik aan de griffie wat voor je doen

kan, reken op mij. En denk er aan: ~n'est pas poëte qui veut~!”

Mijnheer Apollo en de menschen in Beötië.

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 36 / 58 题