V.

Nog geen halfjaar na de Leeuws huwelijk, waren er reeds, die het

gevoelen van den steenbakker in hunne gesprekken openlijk durfden

herhalen. Ja, de teekenmeester had een dommen streek bedreven. Zijne

vrouw had weinig of geen fortuin, en hoe zouden zij in Valendam van

zijne teekenlessen bestaan. Een ander deel van het publiek, en het waren

de meest notabelen, de burgemeester en de predikant, zagen de zaak zoo

duister niet in—in elk geval scheen de welwillende en gedienstige

teekenmeester toch nog eenig vermogen te bezitten, als men naar zijn

uiterlijken staat mocht oordeelen en zijne verdiensten konden op den

duur vermeerderen.

Meneer en mevrouw de Leeuw vormden op dat oogenblik geheel andere

gedachten. Ze leefden in de blijde hope, eerlang hun gezin met een

telg te zien vermeerderd. De teekenlessen gingen geregeld voort en de

zeer matige inkomsten werden met vreugde door de echtgenooten geïnd.

Inderdaad had mevrouw de Leeuw eene kleine som aan contanten ten

huwelijk meegebracht, waarvan de onbeduidende rente het huiselijk budget

maar zeer onvoldoende kwam aanvullen. Daarom deed zich een en andermaal

de noodzakelijkheid gevoelen, om het kleine kapitaaltje voor een deel te

gebruiken in de hoop, dat toekomstige winsten dit te kort zouden dekken.

De Leeuw ontwierp daarom ook eene kapitale schilderij: „Eene episode uit

den watersnood” voorstellend, en waarvoor de bezieling hoofdzakelijk in

eene oude vergeten gravure uit de Muzen-Almanak van 't jaar 184* gezocht

was.

Een ander verschijnsel was van zorgwekkender natuur. Door de

onuitputtelijke goedhartigheid van zijn karakter had de gelukkige

teekenmeester in de eerste maanden van zijn huwelijk zijne dwergachtige

echtgenoote zoo volkomen gevierd en toegegeven, dat zijn wil allengs

eene vrij onbeteekenende omstandigheid in het gezin werd. Mevrouw de

Leeuw had een vroolijk en luchthartig karakter met eene kleine

overhelling tot zelfzucht, die door de medeplichtigheid van haren

echtgenoot zich langzamerhand ontwikkelde tot eigenzinnigheid en

heerschzucht. Nu de tijd meer en meer naderde, dat hare blijde

verwachting zou vervuld worden, kon de arme de Leeuw wel eens

oogenblikken doorleven, die hem aan zijn huiselijk geluk, zoo luid

geprezen bij de club, in allen ernst deden twijfelen. Reeds hadden

de vrienden uit kortswijl hem verweten, dat hij „onder de pantoffel”

zuchtte, en had hij zijne onafhankelijkheid bewezen, door getrouwer dan

ooit de fatsoenlijke sociëteit: „Oefening en Vermaak” te bezoeken.

Mevrouw de Leeuw was zeer tegen het laat blijven op de sociëteit, 't

zij des avonds, 't zij des morgens. Haar echtgenoot wist dit en paste

inderdaad voorbeeldig op zijn tijd. Eens gebeurde het hem, dat hij tot

kwart na tweeën aan het biljart bleef toeven, en toen ontstond er aan

tafel tusschen de echtgenooten een zeer ernstig geschil. De Leeuw was

altijd toegevend en goedhartig, tot laf wordens toe, maar als zijne

gevoeligheid eens was opgewekt, gaf hij toe aan eene plotselinge

uitbarsting van drift, die aanstonds plaats maakte voor een diep berouw.

Zoo ging het hem thans. Zijne vrouw kreeg een hevig zenuwtoeval, gilde,

huilde en wrong zich in allerlei bochten. De radelooze teekenmeester

stiet in zijn angst meubelen omver, riep om artsen, heelmeesters en

spiritus, doch de persoon, die weldra bleek het meest noodig te zijn,

vergat hij: de baker.

Mevrouw de Leeuw stond den schok dezer onverwachte gebeurtenis redelijk

wel door—zij schonk haren berouwvollen echtgenoot vergiffenis, en

beiden verheugden zich over hun telgje, waaraan niets opmerkelijks dan

eene bijzondere kleinheid en dwergachtigheid was waar te nemen. De

keerzijde van deze gebeurtenis was echter een noodzakelijk aantal

uitgaven, waartoe het grootste deel van het overblijvend kapitaaltje

gebruikt werd. Een jaar na zijn huwelijk kon Hendrik de Leeuw de

gedachte niet onderdrukken, dat de toekomst meer bezwaren aanbood dan

vóór zijn trouwen. Daarbij kwam, dat zijne kapitale schilderij: „Eene

episode uit den watersnood”—door de commissie van de Tentoonstelling

geweigerd was!

De arme kunstenaar had nu rust noch duur. Zijne schilderij geweigerd,

zijne uitgaven zich uitbreidend voor zoover hem dit mogelijk was, zijne

inkomsten verminderd door de vertering van het gering kapitaal zijner

vrouw—alles drukte hem diep ter neder. Daarbij kwam dat zijn krediet

allengs verminderde. Een jaar was verloopen en wederom was de nu vrij

aanzienlijke huishuur niet betaald. Daar werden beleefde briefjes

gewisseld met den banketbakker, wiens bovenwoning men gehuurd had. Een

uitstel van betaling werd toegestaan. En intusschen schreeuwde het wicht

in duodecimo, 't welk in die bovenwoning het licht aanschouwd had, op

zoo oorverscheurende wijze, dat De Leeuw ten einde raad zijn hoed greep,

en radeloos in de sociëteit zich met al de kranten boven zijn leed

poogde te verheffen.

In 't eind vertrouwde hij zijn moeilijken toestand aan den

postdirecteur. Deze schudde verschillende malen ernstig zijn hoofd. Zij

zaten in Van Schilferen's zwierige voorkamer en dronken, om de zaak

bedaard te kunnen overwegen, een glas Schotsch bier.

„Had je me dat maar vroeger vertrouwd, amice! dan was er nog wat aan te

doen geweest, ik heb je altijd gezegd, je moest eens bij me komen!”

De Leeuw zuchtte. Aan dien raad had hij niets. Van Schilferen dronk zijn

glas deftig uit, wreef met zijn wijsvinger tegen zijn dikken,

knobbeligen neus, en ging voort:

„In zoo'n akelig nest als Valendam kunnen eigenlijk geene kunstenaars,

als wij zijn, bestaan. Als ik dat ellendig baantje van postdirecteur er

niet bij had, dan zou ik ook niet kunnen leven. Ik had een ruimer en

beter werkkring moeten kiezen!”

„Je meent, dat het voor mij beter zou zijn, in een grooter en bevolkter

stad teekenlessen te zoeken?”

Van Schilferen schonk zeer bedaard de glazen in, dronk het zijne leeg,

en zeide langzaam:

„Juist!”

De Leeuw verzonk in diep gepeins. Dit was althans een raad. Maar Van

Schilferen sloot zijne secretaire open en nam er een tal manuscripten

uit, die hij op de tafel uitstalde. Weldra had hij er een opgevat.

„Ja, De Leeuw!”—begon hij—„'t Is wel treurig, dat de kunst zoo om

brood moet vragen. Ga daarom zoo spoedig je kunt. Ik moet hier blijven.

Maar ik verlies nog alle hoop niet. Ik wijd mij ijverig aan de Muzen.

Eenmaal zal misschien een dezer zangen de opmerkzaamheid wekken van een

echt kunstkenner. Hoor eens, wat dunkt je daarvan?”

En met eene kunstmatig trillende basstem hief hij aan:

#Verzuchting.#

„Wen 't bliksemvuur der maagdenoogen

Mijn aangezicht beroert,

Word ik gants, ja gants bewogen

Want ik ben.....”

„Een ploert!”—schreeuwde eene luide stem door het geopende venster.

De postdirecteur verbleekte van woede, en mompelde driftig eenige

vloeken. De Leeuw zag toevallig, hoe de oudste zoon van den notaris met

twee zijner zusters zachtjes den hoek omsloeg. Zij hadden staan

luisteren.

Twee maanden later werd door den teekenmeester en zijne echtgenoote het

plan vastgesteld, om hunne huisgoden naar de hoofdstad der provincie

over te brengen. 't Werd hun in Valendam toch reeds moeielijk genoeg

gemaakt. Het laatste overblijfsel van hun klein kapitaaltje werd

geofferd, om het noodigste te voldoen. De Leeuw kondigde zijnen

leerlingen weldra zijn aanstaand vertrek aan. De meesten namen het vrij

luchtig op. De zonen van den burgemeester kwamen met een fraai plaatwerk

als herinnering hunne dankbaarheid betuigen. Anton Lanting, de jongen

met den hoogen rug, kwam een der allerlaatste dagen van De Leeuw's

verblijf bij zijn teekenmeester, om hem vaarwel te zeggen. Hij vond

de geheele bovenwoning in verwarring. Overal stonden de meubels

gepakt—overal stof en wanorde. Mevrouw de Leeuw was uitgegaan, om hare

kennissen in Valendam voor 't laatst te groeten. Der waarheid getrouw,

mocht beweerd worden, dat zij waarschijnlijk sedert haar verblijf in

Valendam geen driemalen met dat doel hare woning verlaten had.

Anton Lanting vond zijn meester in groote onrust, het bovenvertrek op en

neer loopend. Hij droeg zijn telgje op de beide armen sussend heen en

weer. Het wicht gierde en schreeuwde van verontwaardiging, misschien

over de onhandige wijze, waarop het werd gedragen. Hendrik de Leeuw

vertoonde een buitengewoon mistroostig gelaat. Zijn schilderachtig jasje

met strikken en lussen als een huzarenpak hing gelijk een oud vod om

zijne leden, zijne roode muts, met vlakken olieverf bezoedeld, slingerde

achter op zijne verwarde blonde hairen. Hij gevoelde zich buitengemeen

ongelukkig. Toen hij Anton Lanting zag, riep hij aanstonds:

„Mevrouw is niet thuis, jongelief! Mevrouw maakt visites voor afscheid.

Ik ben alleen thuis.... Stil, mannetje, schreeuw dan toch zoo niet!”....

Het mannetje in duodecimo op zijn arm, tot wien deze laatste woorden

gericht waren, ving aan nu nog veel luider te gieren.

De Leeuw begon aanstonds nog ijveriger te sussen en rond te loopen.

Anton Lanting stond besluiteloos in een hoek. Daar eindelijk De Leeuw

zijn dwergachtig welpje tot eenig stilzwijgen scheen bewogen te hebben,

trad de jonge Lanting uit zijn hoek.

„Ik kwam meneer bedanken voor 't onderwijs!”—zeide hij met

jongensachtige verlegenheid.—„'t Spijt mij, dat meneer weggaat, want ik

was nu al een mooi eind op weg met teekenen, zeit vader.”

„Ja, Anton! 't spijt me voor jou, jongen—maar 't zal nu veel beter met

mij gaan. Ik zal ginder ook wel een aardig troepje leerlingen krijgen,

zeker meer dan hier.... stil dan toch, stil kereltje!”

Wederom deed het gekrijt van het kind hem de kamer op en neer loopen.

Anton Lanting bleef wachten, want hij had zijne taak nog niet volbracht.

Toen De Leeuw weer op hem toetrad, zei deze goedhartig, als altijd

glimlachend:

„Neem me niet kwalijk, dat ik je geen stoel kan geven. Ze zijn altemaal

ingepakt en naar 't schip gebracht, waarmeê we verhuizen!”

„O, dat komt er niet op aan, meneer! Maar als meneer 't niet kwalijk

neemt, vader zei, dat ik meneer als gedachtenis”—hier bracht hij met

moeite en haast een pakje te voorschijn—„dit drinkglas moest

aanbieden!”

De Leeuw had geen vinger, waarmee hij het geschenk kon aanvaarden. Hij

glimlachte zeer vriendelijk en verlegen, en verzocht of Anton het hem

eens wilde laten zien. Anton pakte het voorzichtig uit en deed hem een

kristallen bierglas zien, waarop met sierlijke krulletters de woorden:

„Tot eene gedachtenis aan Anton Lanting” gegraveerd stonden. Had zijn

kind niet zoo onophoudelijk gekraaid, De Leeuw zoude stellig zeer

getroffen geweest zijn, en zich in dankbetuigingen uitgeput hebben.

Thans was hem dit onmogelijk. Daarenboven werd er op dit oogenblik luide

gescheld. Omdat er niemand thuis was, zette de dankbare leerling zijn

geschenk op den schoorsteenmantel, en ging openen. Hij keerde terug met

een brief. Op verzoek van De Leeuw verscheurde hij de enveloppe, en liet

den brief aan zijn meester zien.

Deze herkende aanstonds de hand. Het was eene nota van Tjerko Meindert

Hattinga, wijnhandelaar: „voor aan UEd. geleverden wijn volgens

rekening.... ƒ84.40.” Onderaan stond: „NB: Meld mij ~vóór uw vertrek~,

wanneer ik over dit sommetje kan beschikken!” De Leeuw fronste de

wenkbrauwen, liet de nota vallen en schudde zijn kind zoo heftig op en

neer, dat het luider dan ooit begon te kraaien. Anton Lanting, die

reeds lang hunkerde om te vertrekken, en die den armen teekenmeester

vrij ondankbaar vond voor zijn fraai geschenk, haastte zich weg met een:

„Nu, ik wensch u het beste, meneer! mijn complimenten aan mevrouw!”.

„Dank je wel, Anton!”—en met den linkerarm zijn welp vasthoudend,

drukte De Leeuw met aandoening, haast en verlegenheid de hand van zijn

vertrekkenden leerling. Wat zij verder elkaar toeriepen, had niemand

kunnen verstaan, het luid geschrei van de kleine maakte het onmogelijk.

Zoo spoedig Anton vertrokken was, hoopten zich de donkere wolken op De

Leeuw's voorhoofd samen.

„Stil kind! stil!”—schreeuwde hij met de uiterste drift.—„Frederike

mag niet uitgaan! Neen, ze mag niet uitgaan! Ik verbied het! Ik wil het!

Dat lamme geschreeuw! Stil dan toch.... zwijg!”

En een oogenblik later met de uiterste moedeloosheid zijn hoofd

schuddend, fluisterde hij:

„O God! was ik maar grutter gebleven!”

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 35 / 58 题