Nog geen halfjaar na de Leeuws huwelijk, waren er reeds, die het
gevoelen van den steenbakker in hunne gesprekken openlijk durfden
herhalen. Ja, de teekenmeester had een dommen streek bedreven. Zijne
vrouw had weinig of geen fortuin, en hoe zouden zij in Valendam van
zijne teekenlessen bestaan. Een ander deel van het publiek, en het waren
de meest notabelen, de burgemeester en de predikant, zagen de zaak zoo
duister niet in—in elk geval scheen de welwillende en gedienstige
teekenmeester toch nog eenig vermogen te bezitten, als men naar zijn
uiterlijken staat mocht oordeelen en zijne verdiensten konden op den
duur vermeerderen.
Meneer en mevrouw de Leeuw vormden op dat oogenblik geheel andere
gedachten. Ze leefden in de blijde hope, eerlang hun gezin met een
telg te zien vermeerderd. De teekenlessen gingen geregeld voort en de
zeer matige inkomsten werden met vreugde door de echtgenooten geïnd.
Inderdaad had mevrouw de Leeuw eene kleine som aan contanten ten
huwelijk meegebracht, waarvan de onbeduidende rente het huiselijk budget
maar zeer onvoldoende kwam aanvullen. Daarom deed zich een en andermaal
de noodzakelijkheid gevoelen, om het kleine kapitaaltje voor een deel te
gebruiken in de hoop, dat toekomstige winsten dit te kort zouden dekken.
De Leeuw ontwierp daarom ook eene kapitale schilderij: „Eene episode uit
den watersnood” voorstellend, en waarvoor de bezieling hoofdzakelijk in
eene oude vergeten gravure uit de Muzen-Almanak van 't jaar 184* gezocht
was.
Een ander verschijnsel was van zorgwekkender natuur. Door de
onuitputtelijke goedhartigheid van zijn karakter had de gelukkige
teekenmeester in de eerste maanden van zijn huwelijk zijne dwergachtige
echtgenoote zoo volkomen gevierd en toegegeven, dat zijn wil allengs
eene vrij onbeteekenende omstandigheid in het gezin werd. Mevrouw de
Leeuw had een vroolijk en luchthartig karakter met eene kleine
overhelling tot zelfzucht, die door de medeplichtigheid van haren
echtgenoot zich langzamerhand ontwikkelde tot eigenzinnigheid en
heerschzucht. Nu de tijd meer en meer naderde, dat hare blijde
verwachting zou vervuld worden, kon de arme de Leeuw wel eens
oogenblikken doorleven, die hem aan zijn huiselijk geluk, zoo luid
geprezen bij de club, in allen ernst deden twijfelen. Reeds hadden
de vrienden uit kortswijl hem verweten, dat hij „onder de pantoffel”
zuchtte, en had hij zijne onafhankelijkheid bewezen, door getrouwer dan
ooit de fatsoenlijke sociëteit: „Oefening en Vermaak” te bezoeken.
Mevrouw de Leeuw was zeer tegen het laat blijven op de sociëteit, 't
zij des avonds, 't zij des morgens. Haar echtgenoot wist dit en paste
inderdaad voorbeeldig op zijn tijd. Eens gebeurde het hem, dat hij tot
kwart na tweeën aan het biljart bleef toeven, en toen ontstond er aan
tafel tusschen de echtgenooten een zeer ernstig geschil. De Leeuw was
altijd toegevend en goedhartig, tot laf wordens toe, maar als zijne
gevoeligheid eens was opgewekt, gaf hij toe aan eene plotselinge
uitbarsting van drift, die aanstonds plaats maakte voor een diep berouw.
Zoo ging het hem thans. Zijne vrouw kreeg een hevig zenuwtoeval, gilde,
huilde en wrong zich in allerlei bochten. De radelooze teekenmeester
stiet in zijn angst meubelen omver, riep om artsen, heelmeesters en
spiritus, doch de persoon, die weldra bleek het meest noodig te zijn,
vergat hij: de baker.
Mevrouw de Leeuw stond den schok dezer onverwachte gebeurtenis redelijk
wel door—zij schonk haren berouwvollen echtgenoot vergiffenis, en
beiden verheugden zich over hun telgje, waaraan niets opmerkelijks dan
eene bijzondere kleinheid en dwergachtigheid was waar te nemen. De
keerzijde van deze gebeurtenis was echter een noodzakelijk aantal
uitgaven, waartoe het grootste deel van het overblijvend kapitaaltje
gebruikt werd. Een jaar na zijn huwelijk kon Hendrik de Leeuw de
gedachte niet onderdrukken, dat de toekomst meer bezwaren aanbood dan
vóór zijn trouwen. Daarbij kwam, dat zijne kapitale schilderij: „Eene
episode uit den watersnood”—door de commissie van de Tentoonstelling
geweigerd was!
De arme kunstenaar had nu rust noch duur. Zijne schilderij geweigerd,
zijne uitgaven zich uitbreidend voor zoover hem dit mogelijk was, zijne
inkomsten verminderd door de vertering van het gering kapitaal zijner
vrouw—alles drukte hem diep ter neder. Daarbij kwam dat zijn krediet
allengs verminderde. Een jaar was verloopen en wederom was de nu vrij
aanzienlijke huishuur niet betaald. Daar werden beleefde briefjes
gewisseld met den banketbakker, wiens bovenwoning men gehuurd had. Een
uitstel van betaling werd toegestaan. En intusschen schreeuwde het wicht
in duodecimo, 't welk in die bovenwoning het licht aanschouwd had, op
zoo oorverscheurende wijze, dat De Leeuw ten einde raad zijn hoed greep,
en radeloos in de sociëteit zich met al de kranten boven zijn leed
poogde te verheffen.
In 't eind vertrouwde hij zijn moeilijken toestand aan den
postdirecteur. Deze schudde verschillende malen ernstig zijn hoofd. Zij
zaten in Van Schilferen's zwierige voorkamer en dronken, om de zaak
bedaard te kunnen overwegen, een glas Schotsch bier.
„Had je me dat maar vroeger vertrouwd, amice! dan was er nog wat aan te
doen geweest, ik heb je altijd gezegd, je moest eens bij me komen!”
De Leeuw zuchtte. Aan dien raad had hij niets. Van Schilferen dronk zijn
glas deftig uit, wreef met zijn wijsvinger tegen zijn dikken,
knobbeligen neus, en ging voort:
„In zoo'n akelig nest als Valendam kunnen eigenlijk geene kunstenaars,
als wij zijn, bestaan. Als ik dat ellendig baantje van postdirecteur er
niet bij had, dan zou ik ook niet kunnen leven. Ik had een ruimer en
beter werkkring moeten kiezen!”
„Je meent, dat het voor mij beter zou zijn, in een grooter en bevolkter
stad teekenlessen te zoeken?”
Van Schilferen schonk zeer bedaard de glazen in, dronk het zijne leeg,
en zeide langzaam:
„Juist!”
De Leeuw verzonk in diep gepeins. Dit was althans een raad. Maar Van
Schilferen sloot zijne secretaire open en nam er een tal manuscripten
uit, die hij op de tafel uitstalde. Weldra had hij er een opgevat.
„Ja, De Leeuw!”—begon hij—„'t Is wel treurig, dat de kunst zoo om
brood moet vragen. Ga daarom zoo spoedig je kunt. Ik moet hier blijven.
Maar ik verlies nog alle hoop niet. Ik wijd mij ijverig aan de Muzen.
Eenmaal zal misschien een dezer zangen de opmerkzaamheid wekken van een
echt kunstkenner. Hoor eens, wat dunkt je daarvan?”
En met eene kunstmatig trillende basstem hief hij aan:
#Verzuchting.#
„Wen 't bliksemvuur der maagdenoogen
Mijn aangezicht beroert,
Word ik gants, ja gants bewogen
Want ik ben.....”
„Een ploert!”—schreeuwde eene luide stem door het geopende venster.
De postdirecteur verbleekte van woede, en mompelde driftig eenige
vloeken. De Leeuw zag toevallig, hoe de oudste zoon van den notaris met
twee zijner zusters zachtjes den hoek omsloeg. Zij hadden staan
luisteren.
Twee maanden later werd door den teekenmeester en zijne echtgenoote het
plan vastgesteld, om hunne huisgoden naar de hoofdstad der provincie
over te brengen. 't Werd hun in Valendam toch reeds moeielijk genoeg
gemaakt. Het laatste overblijfsel van hun klein kapitaaltje werd
geofferd, om het noodigste te voldoen. De Leeuw kondigde zijnen
leerlingen weldra zijn aanstaand vertrek aan. De meesten namen het vrij
luchtig op. De zonen van den burgemeester kwamen met een fraai plaatwerk
als herinnering hunne dankbaarheid betuigen. Anton Lanting, de jongen
met den hoogen rug, kwam een der allerlaatste dagen van De Leeuw's
verblijf bij zijn teekenmeester, om hem vaarwel te zeggen. Hij vond
de geheele bovenwoning in verwarring. Overal stonden de meubels
gepakt—overal stof en wanorde. Mevrouw de Leeuw was uitgegaan, om hare
kennissen in Valendam voor 't laatst te groeten. Der waarheid getrouw,
mocht beweerd worden, dat zij waarschijnlijk sedert haar verblijf in
Valendam geen driemalen met dat doel hare woning verlaten had.
Anton Lanting vond zijn meester in groote onrust, het bovenvertrek op en
neer loopend. Hij droeg zijn telgje op de beide armen sussend heen en
weer. Het wicht gierde en schreeuwde van verontwaardiging, misschien
over de onhandige wijze, waarop het werd gedragen. Hendrik de Leeuw
vertoonde een buitengewoon mistroostig gelaat. Zijn schilderachtig jasje
met strikken en lussen als een huzarenpak hing gelijk een oud vod om
zijne leden, zijne roode muts, met vlakken olieverf bezoedeld, slingerde
achter op zijne verwarde blonde hairen. Hij gevoelde zich buitengemeen
ongelukkig. Toen hij Anton Lanting zag, riep hij aanstonds:
„Mevrouw is niet thuis, jongelief! Mevrouw maakt visites voor afscheid.
Ik ben alleen thuis.... Stil, mannetje, schreeuw dan toch zoo niet!”....
Het mannetje in duodecimo op zijn arm, tot wien deze laatste woorden
gericht waren, ving aan nu nog veel luider te gieren.
De Leeuw begon aanstonds nog ijveriger te sussen en rond te loopen.
Anton Lanting stond besluiteloos in een hoek. Daar eindelijk De Leeuw
zijn dwergachtig welpje tot eenig stilzwijgen scheen bewogen te hebben,
trad de jonge Lanting uit zijn hoek.
„Ik kwam meneer bedanken voor 't onderwijs!”—zeide hij met
jongensachtige verlegenheid.—„'t Spijt mij, dat meneer weggaat, want ik
was nu al een mooi eind op weg met teekenen, zeit vader.”
„Ja, Anton! 't spijt me voor jou, jongen—maar 't zal nu veel beter met
mij gaan. Ik zal ginder ook wel een aardig troepje leerlingen krijgen,
zeker meer dan hier.... stil dan toch, stil kereltje!”
Wederom deed het gekrijt van het kind hem de kamer op en neer loopen.
Anton Lanting bleef wachten, want hij had zijne taak nog niet volbracht.
Toen De Leeuw weer op hem toetrad, zei deze goedhartig, als altijd
glimlachend:
„Neem me niet kwalijk, dat ik je geen stoel kan geven. Ze zijn altemaal
ingepakt en naar 't schip gebracht, waarmeê we verhuizen!”
„O, dat komt er niet op aan, meneer! Maar als meneer 't niet kwalijk
neemt, vader zei, dat ik meneer als gedachtenis”—hier bracht hij met
moeite en haast een pakje te voorschijn—„dit drinkglas moest
aanbieden!”
De Leeuw had geen vinger, waarmee hij het geschenk kon aanvaarden. Hij
glimlachte zeer vriendelijk en verlegen, en verzocht of Anton het hem
eens wilde laten zien. Anton pakte het voorzichtig uit en deed hem een
kristallen bierglas zien, waarop met sierlijke krulletters de woorden:
„Tot eene gedachtenis aan Anton Lanting” gegraveerd stonden. Had zijn
kind niet zoo onophoudelijk gekraaid, De Leeuw zoude stellig zeer
getroffen geweest zijn, en zich in dankbetuigingen uitgeput hebben.
Thans was hem dit onmogelijk. Daarenboven werd er op dit oogenblik luide
gescheld. Omdat er niemand thuis was, zette de dankbare leerling zijn
geschenk op den schoorsteenmantel, en ging openen. Hij keerde terug met
een brief. Op verzoek van De Leeuw verscheurde hij de enveloppe, en liet
den brief aan zijn meester zien.
Deze herkende aanstonds de hand. Het was eene nota van Tjerko Meindert
Hattinga, wijnhandelaar: „voor aan UEd. geleverden wijn volgens
rekening.... ƒ84.40.” Onderaan stond: „NB: Meld mij ~vóór uw vertrek~,
wanneer ik over dit sommetje kan beschikken!” De Leeuw fronste de
wenkbrauwen, liet de nota vallen en schudde zijn kind zoo heftig op en
neer, dat het luider dan ooit begon te kraaien. Anton Lanting, die
reeds lang hunkerde om te vertrekken, en die den armen teekenmeester
vrij ondankbaar vond voor zijn fraai geschenk, haastte zich weg met een:
„Nu, ik wensch u het beste, meneer! mijn complimenten aan mevrouw!”.
„Dank je wel, Anton!”—en met den linkerarm zijn welp vasthoudend,
drukte De Leeuw met aandoening, haast en verlegenheid de hand van zijn
vertrekkenden leerling. Wat zij verder elkaar toeriepen, had niemand
kunnen verstaan, het luid geschrei van de kleine maakte het onmogelijk.
Zoo spoedig Anton vertrokken was, hoopten zich de donkere wolken op De
Leeuw's voorhoofd samen.
„Stil kind! stil!”—schreeuwde hij met de uiterste drift.—„Frederike
mag niet uitgaan! Neen, ze mag niet uitgaan! Ik verbied het! Ik wil het!
Dat lamme geschreeuw! Stil dan toch.... zwijg!”
En een oogenblik later met de uiterste moedeloosheid zijn hoofd
schuddend, fluisterde hij:
„O God! was ik maar grutter gebleven!”