Er waren na de eerste verschijning van Hendrik de Leeuw in Valendam
ruim driekwart jaars verloopen. Veel verandering was er in dien tijd
niet tot stand gekomen. 't Was winter en de vergaderingen van het Nut,
het jaarlijksche bal der sociëteit: „Oefening en Vermaak”, alles had
op behoorlijken tijd plaats gegrepen. Een aanzienlijk inwoner had de
stad verlaten. Mr. Johan van der Lely was benoemd tot rechter in de
arrondissements-rechtbank te X.... de hoofdstad der provincie. De
jongeheer Frans had zijne kameraden met jongenshartelijkheid de hand
gedrukt, van zijn teekenmeester had hij ook een vroolijk, maar toch
dankbaar afscheid genomen.
Want Hendrik de Leeuw, wat er ook in dat driekwart jaars met hem
mocht zijn voorgevallen, had zich de vriendschap zijner leerlingen
weten te winnen. De onuitputtelijke goedhartigheid van zijn karakter
had, trots de baldadigheid der meesten, eindelijk over hunnen onwil
gezegevierd. Zij konden het op 't laatst niet meer van zich verkrijgen
den beleefden, vriendelijken man, die daarenboven zoo kennelijk een
trek van diepe zorg op 't gelaat vertoonde, met hunne uitgelatenheid
of euvelmoed te kwellen. De oudste zoon van den notaris had daarenboven
zeker zedelijk gezag over zijne kleinere kameraden weten uit te oefenen,
en zoo was het langzamerhand al beter geworden bij de lessen—de
jongelui, zelfs de bijzonder ondeugende zoon van den predikant, Hein
van der Grijp, hadden zich met min of meer goed gevolg op het teekenen
toegelegd. Hendrik de Leeuw had alles in 't werk gesteld, om zijne
leerlingen te boeien. Met vier der meest gevorderden begaf hij zich eens
in de week, zoolang het weer dit gedoogde, naar buiten om te „schetsen
naar de natuur.” Dit alles ging vrij voorspoedig—maar andere
zwarigheden begonnen hem te bemoeilijken.
Toen hij zich te Valendam ging vestigen, had hij gehoopt zijne inkomsten
te zien vermeerderen door het toenemen der lessen of door het schilderen
van portretten. Er mochten een paar jongelieden aan zijn tiental worden
toegevoegd, één—Frans van der Lely—vertrok weder; en portretten, zoo
die in Valendam werden gevraagd, zouden enkel besteld worden bij den
een of ander photograaf van de hoofdstad der provincie. De arme De
Leeuw zag duidelijk, dat hij van zijne kunst niet zou kunnen leven.
En het tegendeel hiervan had hij steeds bij zijn voormaligen voogd,
bij zijn oom, den grutter Jakob de Leeuw, volgehouden—daarom waren
zij vijandelijk van elkaar gescheiden, toen Hendrik zijne studiën aan
de teekenacademie had volbracht, en met de stoutste plannen voor de
toekomst naar Valendam vertrok. Want hij had zijn klein vaderlijk
erfdeel in zijne studiejaren moeten verteren, hij meende nu de renten
van zijn kapitaal te winnen.
Maar die tijd scheen nog verre. Van het begin af had hij geoordeeld, dat
hij zich zooveel mogelijk vrienden verwerven moest in de stad zijner
nieuwe vestiging. De heer Hattinga, de dichterlijke Van Schilferen en
de bemiddelde steenbakker Kalkman waren zijne meest intieme vrienden
geworden. Hij had hen zooveel mogelijk gezelschap gehouden des ochtends
en des avonds op de sociëteit—maar daarmee was al zijn gereed en
verdiend geld verslonden. De heeren hadden zich steeds gedragen, of zij
er niet op letten, als De Leeuw uiterst zuinig was gebleven in al zijne
verteringen en dit was zeer welwillend van hen—maar zoo kon het niet
blijven. Het fatsoenlijk publiek van Valendam had zich—o wonder!—tot
nog toe weinig met de huiselijke omstandigheden van den teekenmeester
bemoeid, alleen de manufactuurhandelaar, wiens kamers hij bewoonde,
schudde soms bedenkelijk het hoofd, daar de betaling der huurpenningen
onder allerlei vriendelijke en verlegen uitvluchten tot na de voleinding
van het eerste jaar was uitgesteld. De kennismaking met de meeste
families had langzamerhand plaats gegrepen. De voornaamste patriciërs
der stad hadden de behoorlijke reserve in acht genomen, vooral daar de
jonge kunstenaar tot de club van den wijnkooper Hattinga behoorde,
waartegen de dames een zeer sterk vooroordeel koesterden. Bij het
gezin echter van den ontvanger der directe belastingen was de club
welgezien, daar de dichterlijke postdirecteur op de Nuts-avonden verzen
declameerde, 't geen den heer des huizes aangenaam was—dewijl Van
Schilferen daarenboven vrij duidelijk zijn hof maakte aan de lichtblonde
Bertha, de jongste dochter des gezins, 't geen algemeen in den smaak
viel. Ook Hendrik de Leeuw had zich de goede gunsten van het
ontvangersgezin weten te verwerven, door zijne onuitputtelijke
goedhartigheid, en door in de vergadering van het Nut eene voorlezing te
houden over de verschillende genres van schilderkunst, 't welk hem veel
hoofdbrekens en luid gelach van des notaris dochters had op den hals
gehaald.
Daar echter zijn toestand financieel hoe langer hoe pijnlijker werd,
had hij morgen en avond op het een of ander plan gepeinsd, om zich van
zijne zorg te bevrijden. Eindelijk had hij iets ontdekt. Met een strak
peinzend gelaat had hij een lang epistel geschreven aan eene oude kennis
in X....—eene dame, half en half eene nicht, een vijftal jaren ouder
dan hij en met een weinig fortuin, zeide men. 't Gevolg van dit alles
was, dat op zekeren morgen meer dan ooit gedronken werd door de club,
terwijl de postdirecteur Van Schilferen, tot verbazing van al de
aanwezigen, luide een vers declameerde. Hendrik de Leeuw verhaalde
aan zijne vrienden, dat hij verloofd was met eene nicht, geenszins de
dochter van zijn oom, den grutter, maar eene verre nicht, uit eene
zeer fatsoenlijke familie gesproten, eene wees.... De vrienden voegden
er bij, dat het een deksels slimme trek van hem was—dat hij zeker
wel een rijk vrouwtje zou huwen, dat al de jongedames in Valendam om
wraak zouden roepen. De geestdrift steeg zoo hoog, dat de goedhartige
kunstenaar niet nalaten kon, zijnen vrienden onder diep geheim te
verzekeren, dat zijne bruid inderdaad eenig fortuin bezat—zoodat men
het middagmaal in den steek liet, en een geïmproviseerd diner in de
sociëteit gebruikte.
Eerlang nam de gelukkige Hendrik de Leeuw een acht dagen vacantie.
Het huwelijk werd zonder veel vertoef gesloten. De bruidegom scheen
zijne 25, de bruid hare 30 jaren tot voorwendsel gekozen te hebben
om niet al te lang te wachten. Het jonge echtpaar betrok nu eene
flinke bovenwoning, die met de meubelen der nieuwe mevrouw de Leeuw
voortreffelijk werd gestoffeerd—en de huurpenningen voor den
manufactuurhandelaar met nog eenige kleinigheden aan wijn voor vriend
Hattinga werden, begeleid van zeer beleefde brieven, door den jeugdigen
echtgenoot aanstonds na zijne terugkomst in Valendam betaald. Ieder
had gedurende een veertien dagen veel op te merken over de Leeuws
huwelijk, maar toch bleef ieder uiterlijk zeer hartelijk gezind voor
de jonggetrouwden. Dezen meenden een stap te moeten doen, om de
welgezindheid der Valendammer fatsoenlijke wereld, vooral wat de
ongehuwde jongelui aangaat, voor goed te winnen. Vóór zijn huwelijk had
de Leeuw nog onder zijne leerlingen een prijs uitgeloofd voor de beste
teekening in zwartkrijt. Daar de oudste zoon van den notaris zich
buiten mededinging hield, was die prijs ten deel gevallen aan den zoon
van den hoofdonderwijzer, den jongen met den hoogen rug. Die prijs,
eene zilveren teekenpen, zou op eene plechtige wijze worden uitgereikt.
Daarom hadden „meneer en mevrouw” de Leeuw besloten eenige vrienden tot
bijwoning dier plechtigheid uit te noodigen. 't Waren de leden van de
club, Hattinga, de postdirecteur en Kalkman, benevens de drie dochters
van den ontvanger.
Omstreeks zes uren waren de jongelui in de nieuwe woning bescheiden. 't
Was der moeite waard het vergenoegd gezicht van Hendrik de Leeuw waar te
nemen, als hij daar te midden der toebereidselen uiterst gelukkig zijne
kamer op en neer wandelde. En daar was mevrouw de Leeuw waarlijk ook!
Welk een aardig, vlug, levendig vrouwtje was mevrouw de Leeuw! Ze was
wat heel klein, sommigen meenden al te klein, maar ze had een geestigen
wipneus, kleine fonkelende zwarte oogen en een fijn kinnetje. Men
behoefde haar maar eene enkele reis ontmoet te hebben, om haar aanstonds
te herkennen, waartoe niet weinig bijdroeg, dat niemand haar ooit zonder
een fraai mutsje met zwierige rooskleurige linten en een paar zwarte
zijden ~mitaines~ gezien had. Zoo was het uiterlijk der verre nicht, die
Hendrik de Leeuw hart en hand had geschonken. Vlug en vroolijk sprak ze
met haar echtgenoot, die in zijne gewone goedheid al de schoone
eigenschappen zijner vrienden nog eens opsomde.
Na een bescheiden tikken op de deur traden nu de Leeuw's discipelen
allen te zamen binnen. Mevrouw was recht vriendelijk tegen de
jongeheeren, en de teekenmeester was ook zeer vriendelijk, en tevens wat
deftiger dan gewoonlijk, en de jongelui waren ook zeer vriendelijk en
glimlachten allen even welwillend als hun goedhartige onderwijzer....
maar allen waren wat verlegen en het gesprek stokte ieder oogenblik.
De Leeuw deed met veel verwarring en drukte zijne leerlingen plaats
nemen, zijne kleine, bedrijvige vrouw schonk thee, en praatte snel
door over de suiker en de melk en duizend kleinigheden, zoodat men
reeds eenigszins meer vertrouwelijk was, toen de drie dochters van den
ontvanger met veel vriendelijke uitroepingen en buigingen binnentraden.
De verschijning dezer drie blonde schoonheden deed al het gesprek der
jongelui verstommen, maar integendeel het praten van mevrouw de Leeuw in
gelijke mate levendiger worden. Niet lang duurde het nu, of Hattinga,
grappiger, de postdirecteur, dichterlijker, en Jan Kalkman, lomper dan
ooit te voren, kwamen het gezelschap voltallig maken. In een oogenblik
waren de beide eersten meester van den toestand, en schertsten en
schreeuwden of zij zich in de lokalen der vermakelijke stads-sociëteit
bevonden.
„'t Doet me toch plezier, dat mevrouw de Leeuw nogal schik heeft in
Valendam!”—riep Hattinga uit.—„De menschen klagen wel eens wat gauw,
maar 't is hier goed uit te houden, wat zeg jij, Gonne?”
Gonne, of beter Hildegonda, de oudste blonde dochter van den ontvanger,
die evenals hare zusters een bolrond gelaat en groote, niet bijzonder
schrandere blauwgrijze oogen bezat, lachte verlegen, en zei rad:
„Hou je mond toch, Hattinga, zie je dan niet dat de Leeuw wat zeggen
wil!”
Inderdaad stond Hendrik de Leeuw juist op dit oogenblik gereed eene
aanspraak tot de jongelui te houden. Hij had een paar malen bescheiden
gekucht, reeds eenmaal aangevangen met een: „Dames en Heeren!” maar het
geluid der sprekenden had zijne stem overvleugeld, en daarom had hij nu
luider op de tafel getikt.
Allen zwegen. De heeren en dames, die tot nog toe den meesten tijd
staande hadden doorgebracht, zetten zich op een afstand van de tafel
en fluisterden vroolijk door, toen zij zagen, dat de Leeuw met zekere
zenuwachtigheid eenige teekeningen en papieren rangschikte, een rolletje
papier met roode linten ter hand nam en zijne leerlingen deftig aanzag.
Men bemerkte aanstonds, dat hij tamelijk verlegen was, maar toch eene
zekere waardigheid had aangenomen na zijn huwelijk, welke niet weinig
verhoogd werd door eene deftige zwarte jas en een sierlijken gouden
horlogeketting. Eindelijk begon hij:
„Dames en Heeren! Het doet mij hartelijk, ja zeer hartelijk
veel genoegen, dat gij wel zoo goed wildet zijn, deze geringe,
deze huiselijke plechtigheid, als ik zoo spreken mag, met uwe
tegenwoordigheid te vereeren. Voor een paar maanden heb ik mijne
leerlingen tot een wedstrijd opgeroepen en een prijs uitgeloofd voor de
beste teekening in zwart krijt....”
Hier haperde de Leeuw een oogenblik. Zijn geheugen—hij had zijne
aanspraak van buiten geleerd—liet hem in den steek. Weldra hervatte hij
kuchend:
„Voor de beste teekening in zwart krijt. Die wedstrijd heeft plaats
gehad. Na een onpartijdig oordeel te hebben geraadpleegd, bleek het mij,
dat de teekening van mijn jongen vriend Anton Lanting, oudsten zoon van
onzen geachten hoofdonderwijzer alhier, dien prijs had behaald, terwijl
ik een getuigschrift voor de tweede best gekeurde teekening aan Jan van
Geelhuyzen, zoon van onzen hooggeschatten heer burgemeester, mag
toekennen!”
De genoemde jongelui stonden op. De Leeuw reikte met volkomen
achtbaarheid—de blijdschap zijne rede naar wensch te hebben
uitgesproken, maakte hem stouter—de zilveren teekenpen en het
getuigschrift aan de bekroonde jongelieden, die vrij verlegen en met
diepe buigingen hunne plaats weer opzochten.
Had de echtgenoote van den glimlachenden teekenmeester juist niet met
een blad, waarop wijn en glazen, komen aandragen, misschien ware zijn
toestand dan wederom wat moeilijker geworden, want zijn voorraad van
buiten geleerde volzinnen was uitgeput. Doch nauw hadden de dames en ook
de heeren van de club een glas wijn in handen, of Hattinga stond op en
sprak:
„Jongens! jelui moet maar flink oppassen bij meneer de Leeuw! Ik zou
jelui aanraden, om een volgend jaar zoo weergaas mooi te teekenen, dat
je altemaal wat verdiend hadt. En als je me nu een plezier wilt doen,
dan drinken we dit glas op de gezondheid van meneer en mevrouw de
Leeuw!”
Luid gejuich en salvo's van vroolijke uitroepingen volgden. De oudste
zoon van den notaris vond het zeer aanmatigend van den roodhairigen
wijnkooper, om zich zoo in zaken te mengen, waarbij hij eigenlijk niet
anders dan als toekijker genoodigd was—maar omdat hij niet wist wat hij
zeggen zou, zweeg hij met een betrokken gelaat.
De plechtigheid was nu geëindigd. Mevrouw de Leeuw bood een gebakje,
haar man schonk wijn—waarbij Hattinga een aardig procentje winst
maakte—ieder bewoog zich met meerdere vrijheid dan voorheen. Doch de
jongelui stonden te zaam voorzichtig te fluisteren. Op eens traden zij
allen te voorschijn, reikten hun meester de hand, en gaven hun voornemen
te kennen, om te vertrekken. Maar nu moest ieder nog een glas drinken,
nu werd de gezondheid van beide bekroonden bedacht, en onder veel
betuigingen van wederzijdsche tevredenheid trok de stoet der jongens af.
„Zie zoo, dat geeft ruimte!”—riep Hattinga, zijn stoel bij de tafel
schuivend.—„Je weet niet wat je met die kereltjes praten moet! Ze
zitten zoo verduiveld zot rond te kijken. Die jongen van den
burgemeester had het op je krullen, Bertha!”
De lichtblonde Bertha, jongste dochter van den ontvanger, schaterde
het uit, meneer en mevrouw de Leeuw schaterden mede, en de heer
van Schilferen bewonderde de schakeeringen van zijn bont gekleurd
vest. Weldra was men in de genoeglijkste stemming. Jan Kalkman dronk
zoo dikwijls zijn glas uit, dat hij ook spraakzaam werd, en eenige
zwaarwichtige beleefdheden richtte tot mejuffrouw Thérèse, gewoonlijk
Trees genoemd. Deze was in leeftijd tusschen de dames Hildegonda
en Bertha, en onderscheidde zich door eene zekere kwijning in haar
voorkomen, benevens door een zeer kunstmatig keurslijf, 't welk eenige
gebreken in haar aanleg op passende wijze te gemoet kwam. De heer van
Schilferen was vol poëtische invallen—de schoonste richtte hij tot
Bertha. Mevrouw de Leeuw schertste zoo druk mede, dat ze al spoedig zeer
hoog in de schatting van de club stond aangeschreven. Haar gelukkige
echtgenoot deed zijn uiterste best. Op vereerend verzoek zong hij een
weemoedig lied—het eenige van zijn repertoire—waarin de kortheid van
het menschelijke leven, de maan en de eeuwige trouw der min werden
verheerlijkt. De postdirecteur was onuitputtelijk in het voordragen van
tragische, elegische en comische verzen. Sommige waren aan zijne eigene
kunst te danken, en bij deze noodigde hij telkens het gezelschap uit, om
eens bij hem te komen, daar hij hun de handschriften toonen zou.
Toen men eindelijk in eene zeer opgewondene stemming naar huis trok,
begeleidde het drietal heeren de dochters van den ontvanger naar hare
ouderlijke woning. Daar aangekomen, bleef mejuffrouw Thérèse nog een
oogenblik met den steenbakker keuvelen.
„Zou jij gelooven, Kalkman! dat die vrouw van de Leeuw zooveel fortuin
had?”
„Neen!”
„Weet je er ook wat meer van!”
„Ik weet alles!”
„En dat is?”
„Dat de Leeuw een heel zotten streek heeft begaan. Dat mensch met dat
mutsje brengt hem wat nieuwe meubeltjes aan, en een heel klein sommetje
geld. Ik weet het van mijn broer te X.....”
„'t Is de moeite waard, om zich zoo'n air te geven. Nu, adieu, Kalkman!
ik dank je voor je geleide!”