De persoon, die binnenkwam, had nauw zijn gelaat vertoond, of hij riep
vroolijk:
„Bonjour, de Leeuw! Hoe maak je 't? Mooi weer vandaag, hè?”
Hendrik de Leeuw boog verlegen, en drukte den nieuw binnengekomen vriend
de hand. Deze was een klein manneke met kort afgeknipt rood hair, grove
trekken, grijze oogen met zonderlinge witte oogharen, eene zeer hooge
stem, als van eene vrouw, en een sluwen lach op het gladgeschoren wezen.
„Zoo, heb je teekenles gehad?”—ging hij voort.—„En wat ga je nu doen?
Naar de kroeg natuurlijk. Je bent al heelemaal een burger van deze
plaats, hè? Wat mij betreft, ik ben altijd blij, als er meer leven in de
stad komt—soms is het wel eens wat duf hier! Heb je ook eene sigaar?”
„Om u te dienen, meneer Hattinga! Neem me niet kwalijk.... Ik zal er wat
laten halen!”
De goedhartige, maar zuinige de Leeuw had geene sigaren in voorraad.
Hij schelde met groote overhaasting, en fluisterde aan de deur tegen
de juffrouw van beneden, die verdwenen was met iets zeer vinnigs op 't
gelaat, toen zij den bezoeker opmerkte.
De heer Hattinga was intusschen bezig de schilderijen aan den wand te
bestudeeren met een kennersblik.
„Weet je wel, dat daar weergasche aardige dingen bij zijn, de
Leeuw!”—riep hij steeds doorpratend.—„Dat bakkes van dien zwarten
generaal bevalt me! Ik zou m'n portret wel eens willen laten maken—nu,
zoodra als ik eene van die malle meiden hier trouw, dan zal jij me
portret maken! Die gipskoppen bevallen me minder—goed voor de jongens!
à propos, hoeveel kereltjes heb je er al?”
„Tien, meneer Hattinga!”
„Hoor eens, dat verveelt me! Gisteren en eergisteren heb ik je
onophoudelijk gezegd, dat ik Hattinga heet, of liever Tjerko Meindert
Hattinga—ik verzoek van dat meneer verschoond te blijven! We zijn
beiden jongelui, die onzen kost hier moeten verdienen, jij met teekenen
en schilderen en ik met de wijnkooperij—dat moet kortaf zijn: de Leeuw
en Hattinga of ik ga heen!”
„Zooals u verkiest!”—antwoordde de Leeuw verstrooid en verlegen,
terwijl hij een klein zakje met sigaren, dat juist gebracht werd, aan
zijn nieuwen vriend toereikte.
De wijnkooper Hattinga, „of liever Tjerko Meindert Hattinga,” greep eene
sigaar, nam een lucifer, en zweeg zoolang hij daarmee bezig was. Nauw
was hij gereed, of hij ging voort:
„Hoe is 't man! ben je vandaag niet in je humeur? 'n Beetje 't land,
misschien? Dat komt er niet op aan, iedereen heeft wel eens een beetje
het land! Je zult hier ook wel geen leven op rozen hebben, de Leeuw!
Maar daar hebben we wel een huismiddeltje voor. Wij jongelui, de
postdirecteur Van Schilferen en Jan Kalkman van de steenbakkerij, wij
zullen ons maar wat dichter aaneensluiten en ons onderling amuseeren!
Komaan, we zouden wel eens een paar droppeltjes kunnen gaan nuttigen,
proeven, verorberen ofte wel doorspoelen in onze veelszins vermakelijke
sociëteit: „Oefening en Vermaak!””
De wijnkooper Hattinga, die al den tijd van zijn vlug gesprek op een
hoek van eene tafel gezeten had, sprong op, en trok zijne ouderwetsche
hooge boorden uit zijn vale zwarte das. Hendrik de Leeuw, die meer
werktuiglijk aan zijne bevelen gehoorzaamde dan vrijwillig handelde—die
vooral niet wilde laten blijken, dat zijne pas ondernomen taak hem reeds
nu verdroot, schoot spoedig zijne beste zwarte jas aan, en zag in den
spiegel, of hij in staat was de fatsoenlijke Valendamsche sociëteit te
bezoeken. Hij kende den wijnkooper Hattinga nog maar een paar dagen, en
verwonderde zich wel over de snelheid, waarmeê hunne kennismaking tot
innige vriendschap was overgegaan, maar verheugde zich toch, dat hij
reeds in zoo korten tijd zich in de goede gunst der Valendamsche
jongelui had weten te vestigen.
Met snelle schreden spoedde het tweetal naar de sociëteit. 't Was het
eenige, wat het stedeke opleverde, had de wijnkooper gezegd, 't geen
voor hem eene zekere mate van waarschijnlijkheid mocht bevatten, daar
hij leverancier was van wijnen en likeuren aan den koffiehuishouder,
in wiens zalen de fatsoenlijke sociëteit: „Oefening en Vermaak” hare
Penaten had opgesteld. Bij het binnentreden van het gewone lokaal,
vonden zij de heeren habitué's reeds aanwezig—'t was ook kwart na
één—en groetten zij zoo vriendelijk mogelijk. De gemeente-secretaris
met de verkleurde donkerbruine pruik zag ongeduldig uit naar zijn
partner voor het edele dominospel, den postdirecteur Van Schilferen; en
daar hij verwachtte, dat die met Hattinga de zaal zou binnenkomen, trok
hij zijne vergrijsde wenkbrauwen zeer hoog op, toen hij zag, dat dit het
geval niet was. De nieuwe teekenmeester, bevreesd, dat zijn uitheemsch
toilet of zijne zwierige glacé-handschoenen de verstoordheid van den
achtbaren ambtenaar hadden opgewekt, boog zich nog dieper, en was zeer
tevreden, toen hij achter in de zaal aan een tafeltje met zijn vriend
had plaats genomen.
„Lamme kerels!”—ving Hattinga, zeer voorzichtig fluisterend, aan.—„De
burgemeester is nogal wel, zie je, maar de rest, altemaal ploerten!”
Bij deze woorden sloeg hij zich op de linkerborst, thans met een
versleten hoog toegeknoopt lakensch vest bedekt. De teekenmeester keek
schichtig op—zou iemand het gehoord hebben? Maar Hattinga knikte hem
bemoedigend toe—niemand lette op hen.
„Laat ons eens eene hartsterking nemen, waarde De Leeuw!”—ging hij
voort met zekere kluchtige overdrijving, die hem den naam van een groot
komiek had verzekerd.—„Piet, eene flesch port! Van de duurste soort, je
vader weet het wel!”
Dit was tot een mageren knaap gericht, die de dubbele betrekking van
markeur bij het biljart en koffiehuisknecht vervulde, en aanstonds op
een wenk van Hattinga toesnelde.
Hendrik de Leeuw staarde zijn nieuwen vriend met verbazing aan.
„Eene flesch port!”—sprak hij welwillend glimlachend—„me dunkt een
glas zou al zeer voldoende zijn!”
„Malligheid, mijn waarde! We blijven hier toch wel een beetje plakken,
en straks komen Van Schilferen en Jan Kalkman hier bij ons zitten! Proef
eens, is dat geen délicieuse port?”
De Leeuw dronk aarzelend eene kleine teug uit zijn glas. Hij knikte, en
hoestte verlegen achter zijn zakdoek.
„Ja, 't is goeie qualiteit en niet duur ook! Ik kan je nog van dezelfde
soort een paar ankertjes leveren: Maar je zult misschien liever met een
half ankertje beginnen.... zoo voor na het ontbijt, als je de vrienden
eens bij je krijgt.... 't komt altijd te pas!”
Onze teekenmeester had in 't minst geen plan om groote inkoopen te doen,
daar zijne middelen 't hem volstrekt niet vergunden, dus stotterde hij
in de uiterste verlegenheid de eene of andere verontschuldiging.
„Malligheid, De Leeuw! Neem gerust een half anker! Wij zullen het als
vrienden wel vinden! Bekommer je niet om den prijs! Kom, kom! als je 't
niet betalen kunt, dan laat ik je mijn portret maken. In elk geval, zal
ik je voor een kwart anker opschrijven! Over tafelwijn spreken we
later!”
Hendrik de Leeuw staarde sprakeloos in 't ronde. Hij had den moed niet,
om zijn nieuwen vriend tegen te streven, en toch.... hij gevoelde, dat
hij zich zorgvuldig van elke uitgaaf voor weelde moest onthouden.
Gelukkig kwamen op dit oogenblik twee leden van de sociëteit hun
gezelschap deelen. De nieuwe teekenmeester rees van zijne plaats op,
en reikte beide heeren de hand. Hij had ze al een paar dagen te voren
leeren kennen op dezelfde plaats. De een had een zeer pronkerig
voorkomen, een stroohoed met blauw lint, gekleurde das en lichte
handschoenen, de andere was geheel in 't deftig zwart zonder veel sporen
van linnengoed of eenigen smaak voor zijne kleeding. De pronkerige heer
had een dikken, knobbeligen neus en plukte onophoudelijk aan datgene op
zijn gelaat, 't welk in de toekomst wellicht eenmaal den naam van knevel
zou voeren. De zwarte had een rood verbrand wezen en dito handen—want
hij droeg geene handschoenen—en stak zijne lompe laarzen met zekere
zelfvoldoening vooruit. De Leeuw had beiden reeds bij naam en
hoedanigheid leeren kennen, de dandy was de postdirecteur Van
Schilferen, de zwartjas de steenbakker Jan Kalkman.
„Zitten jelui kerels al onder den port?”—vroeg deze laatste met een
zwaar provinciaal accent.—„Geef mij ook eens een glas!”
Piet, de markeur, stond al klaar, maar vroeg meteen uit naam van meneer
Schippers, den gemeente-secretaris, of meneer de postdirecteur niet zou
komen domineeren. Van Schilferen trok een lang gezicht, en bedacht zich
een oogenblik.
„Heb je geen zin, Schilfertje!”—riep de comische wijnkooper.—„Wacht,
Piet, zeg meneer Schippers, dat ik kom. Ik kan den man nog gauwer zijn
kwartje doen verliezen, dan jij, postdirecteur!.... Zeg, laat me soms
een inschenken!”
Met deze laatste woorden tot De Leeuw liet hij het drietal zitten, om
een klein winstje met het dominospel te maken. Hij was toch zeer handig
en grappig die Hattinga, zeiden de beide nieuw aangekomen heeren, en
zijn belang vergat hij nooit, nooit, wat er ook gebeurde. Intusschen
dronken de heeren een paar glazen port, en vroeg men De Leeuw, hoe het
hem in Valendam beviel. 't Gesprek vlotte niet recht in den beginne door
de schichtigheid van den nieuweling, maar de wijn had hem allengs wat
meer spraakzaamheid gegeven, zoodat men op 't laatst zeer vertrouwelijk
keuvelde. De steenbakker nam maar weinig deel aan het gesprek, hij
dronk, wiegelde met zijn stoel op en neer, en greep eindelijk het
Handelsblad.
„Men moet ergens beginnen, meneer De Leeuw!”—beweerde juist de
postdirecteur zeer wijsgeerig.—„Natuurlijk kan de waarachtige
kunstenaar zich niet in zoo'n nest opsluiten als Valendam. Maar de kunst
is soms eene bittere, onhartelijke stiefmoeder! Zooals ik hier voor u
zit, meneer De Leeuw! had ik ook nooit gedacht met een postje als 't
mijne hier mijn brood te moeten winnen! Ik ben letterkundige, ~mon
cher~! en naar ik verneem niet volkomen ongelukkig!”
De heer Van Schilferen sloot de oogen, en goot den inhoud van zijn
glas langzaam in zijne keel. Daarna zuchtte hij met diepen weemoed,
en bespiedde hij van ter zijde, welken indruk zijne woorden op zijn
nieuwen vriend maakten. Hendrik de Leeuw had vroolijk geknikt, ook
eens gedronken, en sprak nu sneller en opgewekter, dan hij in bedaarde
oogenblikken pleegde:
„Maar men moet wat opofferen voor de kunst, meneer Van Schilferen! mijn
heele leven tot nu toe was opoffering....”
„Als het mijne, als het mijne, ~mon cher~! Toen ik schooljongen was,
maakte ik mijne eerste verzen, aan een heerlijk onderwerp gewijd:
„~Zuleika~, de Circassische.” Ik zal je 't eens laten zien, als je bij
mij komt!”
„In mijne eerste jeugd wilden mijne ouders, later mijne voogden,
niet van schilderen weten! Ik zou in mijn ooms zaak komen. U weet
het misschien wel, als u in X....”—De Leeuw noemde de hoofdstad der
provincie—„naar de groote markt gaat, zal u die groote grutterswinkel
wel in 't oog gevallen zijn: Jakob de Leeuw & Zoon. Dat is mijns ooms
huis. Ik zou ook grutter worden, maar waarlijk ik gevoelde er niet veel
lust in....”
„Of je gelijk hadt, meneer De Leeuw! Laat ik je nog eens inschenken.
Neen, het kan volstrekt geen kwaad! Kalkman drink eens uit, en laat ons
nog een halfje voor den eten nemen!”
De ex-grutter-teekenmeester en kunstschilder gevoelde, dat de heeren
inderdaad zeer gul waren met aanbiedingen van morgenwijn. Reeds duizelde
zijn hoofd, maar 't hinderde hem niet bijzonder, zoodat hij aanstonds
weer even opgeruimd en goedhartig als gewoonlijk naar de orakelen van
den postdirecteur luisterde.
„'t Is mij bijna als u gegaan”—sprak deze, geheimzinnig met de oogen
knippend,—„mijne ouders bestemden mij voor een practisch baantje, en
inwendig gevoelde ik het ~feu divin~! Daarop heb ik menige klacht in
rijm vervaardigd—je moet eens bij mij komen, dan zal ik je meer laten
zien!”
„We zijn dan broeders in de kunst”—antwoordde de Leeuw met rooder tint
op zijne wangen.—„Ook ik moest voor den handel worden opgebracht. Maar
alles voerde mij tot de kunst. Als jongen op school bracht ik het tot
eene zeer aardige hoogte in 't schoonschrijven, en later ging het
evenzoo met het teekenen. Ik won twee medailles, meneer Van Schilferen!
voor schetsen naar 't naakt model!”
„Laat ons eens op onze broederschap drinken, De Leeuw! en dat stijve
meneer weglaten.”
„De drie percents weer gerezen!”—riep Jan Kalkman uit, die werktuiglijk
met de heeren klonk, en van het Handelsblad opzag.—„In die Amerikanen
is fortuin te maken!”
„Ik heb wel geen medailles verworven”—ging de postdirecteur voort,
zonder op den steenbakker in 't minst te letten—„maar ik heb toch mijne
sporen verdiend. Mijn eerste bundel: _Tulpen en Hyacinten_ getiteld, zag
verleden jaar het licht. Een persoonlijk vijand schreef er eene critiek
van in dat lamme _Leeskabinet_.... ik heb er wat onder geleden!”
„Niet waar, men kan lijden voor de kunst”—riep Hendrik de Leeuw uit
met stijgende geestdrift.—„Vandaag nog had ik eene onaangenaamheid. Ik
begon mijne teekenlessen, en de leerlingen betoonden zich meest allen
ongeschikt. Maar geduld.... ik zal er wel liefhebberij voor opwekken bij
de jongelui hier, als ik maar tijd heb!”
„Dat de kunst toch altijd aan zooveel materiëels en onaangenaams
verbonden is!”—klaagde Van Schilferen, en plaatste zijn glas zoo
driftig op het tafeltje, dat de kelk brak en de wijn over zijne vingers
stroomde.
„Dat doe je handig, Schilfertje!”—riep de wijnkooper Tjerko Meindert
Hattinga, die zijne vrienden weer kwam opzoeken, daar hij den secretaris
een paar kwartjes had doen betalen, en al de heeren reeds vertrokken
waren. 't Gesprek werd nu algemeener. Jan Kalkman bracht het een en 't
ander in 't midden omtrent de graanprijzen en de beursnoteeringen der
effecten. Hattinga was zeer grappig, en stelde voor, om des namiddags
een wedstrijd op het biljart te houden. Men scheidde onder wederzijdsche
belofte van omstreeks vier uren aanwezig te zijn.
Hendrik de Leeuw werd echter dien namiddag door zoo drukkende hoofdpijn
geplaagd, dat hij zijne kamer moest houden en geheel ziek zich te bed
begaf.