III.

De persoon, die binnenkwam, had nauw zijn gelaat vertoond, of hij riep

vroolijk:

„Bonjour, de Leeuw! Hoe maak je 't? Mooi weer vandaag, hè?”

Hendrik de Leeuw boog verlegen, en drukte den nieuw binnengekomen vriend

de hand. Deze was een klein manneke met kort afgeknipt rood hair, grove

trekken, grijze oogen met zonderlinge witte oogharen, eene zeer hooge

stem, als van eene vrouw, en een sluwen lach op het gladgeschoren wezen.

„Zoo, heb je teekenles gehad?”—ging hij voort.—„En wat ga je nu doen?

Naar de kroeg natuurlijk. Je bent al heelemaal een burger van deze

plaats, hè? Wat mij betreft, ik ben altijd blij, als er meer leven in de

stad komt—soms is het wel eens wat duf hier! Heb je ook eene sigaar?”

„Om u te dienen, meneer Hattinga! Neem me niet kwalijk.... Ik zal er wat

laten halen!”

De goedhartige, maar zuinige de Leeuw had geene sigaren in voorraad.

Hij schelde met groote overhaasting, en fluisterde aan de deur tegen

de juffrouw van beneden, die verdwenen was met iets zeer vinnigs op 't

gelaat, toen zij den bezoeker opmerkte.

De heer Hattinga was intusschen bezig de schilderijen aan den wand te

bestudeeren met een kennersblik.

„Weet je wel, dat daar weergasche aardige dingen bij zijn, de

Leeuw!”—riep hij steeds doorpratend.—„Dat bakkes van dien zwarten

generaal bevalt me! Ik zou m'n portret wel eens willen laten maken—nu,

zoodra als ik eene van die malle meiden hier trouw, dan zal jij me

portret maken! Die gipskoppen bevallen me minder—goed voor de jongens!

à propos, hoeveel kereltjes heb je er al?”

„Tien, meneer Hattinga!”

„Hoor eens, dat verveelt me! Gisteren en eergisteren heb ik je

onophoudelijk gezegd, dat ik Hattinga heet, of liever Tjerko Meindert

Hattinga—ik verzoek van dat meneer verschoond te blijven! We zijn

beiden jongelui, die onzen kost hier moeten verdienen, jij met teekenen

en schilderen en ik met de wijnkooperij—dat moet kortaf zijn: de Leeuw

en Hattinga of ik ga heen!”

„Zooals u verkiest!”—antwoordde de Leeuw verstrooid en verlegen,

terwijl hij een klein zakje met sigaren, dat juist gebracht werd, aan

zijn nieuwen vriend toereikte.

De wijnkooper Hattinga, „of liever Tjerko Meindert Hattinga,” greep eene

sigaar, nam een lucifer, en zweeg zoolang hij daarmee bezig was. Nauw

was hij gereed, of hij ging voort:

„Hoe is 't man! ben je vandaag niet in je humeur? 'n Beetje 't land,

misschien? Dat komt er niet op aan, iedereen heeft wel eens een beetje

het land! Je zult hier ook wel geen leven op rozen hebben, de Leeuw!

Maar daar hebben we wel een huismiddeltje voor. Wij jongelui, de

postdirecteur Van Schilferen en Jan Kalkman van de steenbakkerij, wij

zullen ons maar wat dichter aaneensluiten en ons onderling amuseeren!

Komaan, we zouden wel eens een paar droppeltjes kunnen gaan nuttigen,

proeven, verorberen ofte wel doorspoelen in onze veelszins vermakelijke

sociëteit: „Oefening en Vermaak!””

De wijnkooper Hattinga, die al den tijd van zijn vlug gesprek op een

hoek van eene tafel gezeten had, sprong op, en trok zijne ouderwetsche

hooge boorden uit zijn vale zwarte das. Hendrik de Leeuw, die meer

werktuiglijk aan zijne bevelen gehoorzaamde dan vrijwillig handelde—die

vooral niet wilde laten blijken, dat zijne pas ondernomen taak hem reeds

nu verdroot, schoot spoedig zijne beste zwarte jas aan, en zag in den

spiegel, of hij in staat was de fatsoenlijke Valendamsche sociëteit te

bezoeken. Hij kende den wijnkooper Hattinga nog maar een paar dagen, en

verwonderde zich wel over de snelheid, waarmeê hunne kennismaking tot

innige vriendschap was overgegaan, maar verheugde zich toch, dat hij

reeds in zoo korten tijd zich in de goede gunst der Valendamsche

jongelui had weten te vestigen.

Met snelle schreden spoedde het tweetal naar de sociëteit. 't Was het

eenige, wat het stedeke opleverde, had de wijnkooper gezegd, 't geen

voor hem eene zekere mate van waarschijnlijkheid mocht bevatten, daar

hij leverancier was van wijnen en likeuren aan den koffiehuishouder,

in wiens zalen de fatsoenlijke sociëteit: „Oefening en Vermaak” hare

Penaten had opgesteld. Bij het binnentreden van het gewone lokaal,

vonden zij de heeren habitué's reeds aanwezig—'t was ook kwart na

één—en groetten zij zoo vriendelijk mogelijk. De gemeente-secretaris

met de verkleurde donkerbruine pruik zag ongeduldig uit naar zijn

partner voor het edele dominospel, den postdirecteur Van Schilferen; en

daar hij verwachtte, dat die met Hattinga de zaal zou binnenkomen, trok

hij zijne vergrijsde wenkbrauwen zeer hoog op, toen hij zag, dat dit het

geval niet was. De nieuwe teekenmeester, bevreesd, dat zijn uitheemsch

toilet of zijne zwierige glacé-handschoenen de verstoordheid van den

achtbaren ambtenaar hadden opgewekt, boog zich nog dieper, en was zeer

tevreden, toen hij achter in de zaal aan een tafeltje met zijn vriend

had plaats genomen.

„Lamme kerels!”—ving Hattinga, zeer voorzichtig fluisterend, aan.—„De

burgemeester is nogal wel, zie je, maar de rest, altemaal ploerten!”

Bij deze woorden sloeg hij zich op de linkerborst, thans met een

versleten hoog toegeknoopt lakensch vest bedekt. De teekenmeester keek

schichtig op—zou iemand het gehoord hebben? Maar Hattinga knikte hem

bemoedigend toe—niemand lette op hen.

„Laat ons eens eene hartsterking nemen, waarde De Leeuw!”—ging hij

voort met zekere kluchtige overdrijving, die hem den naam van een groot

komiek had verzekerd.—„Piet, eene flesch port! Van de duurste soort, je

vader weet het wel!”

Dit was tot een mageren knaap gericht, die de dubbele betrekking van

markeur bij het biljart en koffiehuisknecht vervulde, en aanstonds op

een wenk van Hattinga toesnelde.

Hendrik de Leeuw staarde zijn nieuwen vriend met verbazing aan.

„Eene flesch port!”—sprak hij welwillend glimlachend—„me dunkt een

glas zou al zeer voldoende zijn!”

„Malligheid, mijn waarde! We blijven hier toch wel een beetje plakken,

en straks komen Van Schilferen en Jan Kalkman hier bij ons zitten! Proef

eens, is dat geen délicieuse port?”

De Leeuw dronk aarzelend eene kleine teug uit zijn glas. Hij knikte, en

hoestte verlegen achter zijn zakdoek.

„Ja, 't is goeie qualiteit en niet duur ook! Ik kan je nog van dezelfde

soort een paar ankertjes leveren: Maar je zult misschien liever met een

half ankertje beginnen.... zoo voor na het ontbijt, als je de vrienden

eens bij je krijgt.... 't komt altijd te pas!”

Onze teekenmeester had in 't minst geen plan om groote inkoopen te doen,

daar zijne middelen 't hem volstrekt niet vergunden, dus stotterde hij

in de uiterste verlegenheid de eene of andere verontschuldiging.

„Malligheid, De Leeuw! Neem gerust een half anker! Wij zullen het als

vrienden wel vinden! Bekommer je niet om den prijs! Kom, kom! als je 't

niet betalen kunt, dan laat ik je mijn portret maken. In elk geval, zal

ik je voor een kwart anker opschrijven! Over tafelwijn spreken we

later!”

Hendrik de Leeuw staarde sprakeloos in 't ronde. Hij had den moed niet,

om zijn nieuwen vriend tegen te streven, en toch.... hij gevoelde, dat

hij zich zorgvuldig van elke uitgaaf voor weelde moest onthouden.

Gelukkig kwamen op dit oogenblik twee leden van de sociëteit hun

gezelschap deelen. De nieuwe teekenmeester rees van zijne plaats op,

en reikte beide heeren de hand. Hij had ze al een paar dagen te voren

leeren kennen op dezelfde plaats. De een had een zeer pronkerig

voorkomen, een stroohoed met blauw lint, gekleurde das en lichte

handschoenen, de andere was geheel in 't deftig zwart zonder veel sporen

van linnengoed of eenigen smaak voor zijne kleeding. De pronkerige heer

had een dikken, knobbeligen neus en plukte onophoudelijk aan datgene op

zijn gelaat, 't welk in de toekomst wellicht eenmaal den naam van knevel

zou voeren. De zwarte had een rood verbrand wezen en dito handen—want

hij droeg geene handschoenen—en stak zijne lompe laarzen met zekere

zelfvoldoening vooruit. De Leeuw had beiden reeds bij naam en

hoedanigheid leeren kennen, de dandy was de postdirecteur Van

Schilferen, de zwartjas de steenbakker Jan Kalkman.

„Zitten jelui kerels al onder den port?”—vroeg deze laatste met een

zwaar provinciaal accent.—„Geef mij ook eens een glas!”

Piet, de markeur, stond al klaar, maar vroeg meteen uit naam van meneer

Schippers, den gemeente-secretaris, of meneer de postdirecteur niet zou

komen domineeren. Van Schilferen trok een lang gezicht, en bedacht zich

een oogenblik.

„Heb je geen zin, Schilfertje!”—riep de comische wijnkooper.—„Wacht,

Piet, zeg meneer Schippers, dat ik kom. Ik kan den man nog gauwer zijn

kwartje doen verliezen, dan jij, postdirecteur!.... Zeg, laat me soms

een inschenken!”

Met deze laatste woorden tot De Leeuw liet hij het drietal zitten, om

een klein winstje met het dominospel te maken. Hij was toch zeer handig

en grappig die Hattinga, zeiden de beide nieuw aangekomen heeren, en

zijn belang vergat hij nooit, nooit, wat er ook gebeurde. Intusschen

dronken de heeren een paar glazen port, en vroeg men De Leeuw, hoe het

hem in Valendam beviel. 't Gesprek vlotte niet recht in den beginne door

de schichtigheid van den nieuweling, maar de wijn had hem allengs wat

meer spraakzaamheid gegeven, zoodat men op 't laatst zeer vertrouwelijk

keuvelde. De steenbakker nam maar weinig deel aan het gesprek, hij

dronk, wiegelde met zijn stoel op en neer, en greep eindelijk het

Handelsblad.

„Men moet ergens beginnen, meneer De Leeuw!”—beweerde juist de

postdirecteur zeer wijsgeerig.—„Natuurlijk kan de waarachtige

kunstenaar zich niet in zoo'n nest opsluiten als Valendam. Maar de kunst

is soms eene bittere, onhartelijke stiefmoeder! Zooals ik hier voor u

zit, meneer De Leeuw! had ik ook nooit gedacht met een postje als 't

mijne hier mijn brood te moeten winnen! Ik ben letterkundige, ~mon

cher~! en naar ik verneem niet volkomen ongelukkig!”

De heer Van Schilferen sloot de oogen, en goot den inhoud van zijn

glas langzaam in zijne keel. Daarna zuchtte hij met diepen weemoed,

en bespiedde hij van ter zijde, welken indruk zijne woorden op zijn

nieuwen vriend maakten. Hendrik de Leeuw had vroolijk geknikt, ook

eens gedronken, en sprak nu sneller en opgewekter, dan hij in bedaarde

oogenblikken pleegde:

„Maar men moet wat opofferen voor de kunst, meneer Van Schilferen! mijn

heele leven tot nu toe was opoffering....”

„Als het mijne, als het mijne, ~mon cher~! Toen ik schooljongen was,

maakte ik mijne eerste verzen, aan een heerlijk onderwerp gewijd:

„~Zuleika~, de Circassische.” Ik zal je 't eens laten zien, als je bij

mij komt!”

„In mijne eerste jeugd wilden mijne ouders, later mijne voogden,

niet van schilderen weten! Ik zou in mijn ooms zaak komen. U weet

het misschien wel, als u in X....”—De Leeuw noemde de hoofdstad der

provincie—„naar de groote markt gaat, zal u die groote grutterswinkel

wel in 't oog gevallen zijn: Jakob de Leeuw & Zoon. Dat is mijns ooms

huis. Ik zou ook grutter worden, maar waarlijk ik gevoelde er niet veel

lust in....”

„Of je gelijk hadt, meneer De Leeuw! Laat ik je nog eens inschenken.

Neen, het kan volstrekt geen kwaad! Kalkman drink eens uit, en laat ons

nog een halfje voor den eten nemen!”

De ex-grutter-teekenmeester en kunstschilder gevoelde, dat de heeren

inderdaad zeer gul waren met aanbiedingen van morgenwijn. Reeds duizelde

zijn hoofd, maar 't hinderde hem niet bijzonder, zoodat hij aanstonds

weer even opgeruimd en goedhartig als gewoonlijk naar de orakelen van

den postdirecteur luisterde.

„'t Is mij bijna als u gegaan”—sprak deze, geheimzinnig met de oogen

knippend,—„mijne ouders bestemden mij voor een practisch baantje, en

inwendig gevoelde ik het ~feu divin~! Daarop heb ik menige klacht in

rijm vervaardigd—je moet eens bij mij komen, dan zal ik je meer laten

zien!”

„We zijn dan broeders in de kunst”—antwoordde de Leeuw met rooder tint

op zijne wangen.—„Ook ik moest voor den handel worden opgebracht. Maar

alles voerde mij tot de kunst. Als jongen op school bracht ik het tot

eene zeer aardige hoogte in 't schoonschrijven, en later ging het

evenzoo met het teekenen. Ik won twee medailles, meneer Van Schilferen!

voor schetsen naar 't naakt model!”

„Laat ons eens op onze broederschap drinken, De Leeuw! en dat stijve

meneer weglaten.”

„De drie percents weer gerezen!”—riep Jan Kalkman uit, die werktuiglijk

met de heeren klonk, en van het Handelsblad opzag.—„In die Amerikanen

is fortuin te maken!”

„Ik heb wel geen medailles verworven”—ging de postdirecteur voort,

zonder op den steenbakker in 't minst te letten—„maar ik heb toch mijne

sporen verdiend. Mijn eerste bundel: _Tulpen en Hyacinten_ getiteld, zag

verleden jaar het licht. Een persoonlijk vijand schreef er eene critiek

van in dat lamme _Leeskabinet_.... ik heb er wat onder geleden!”

„Niet waar, men kan lijden voor de kunst”—riep Hendrik de Leeuw uit

met stijgende geestdrift.—„Vandaag nog had ik eene onaangenaamheid. Ik

begon mijne teekenlessen, en de leerlingen betoonden zich meest allen

ongeschikt. Maar geduld.... ik zal er wel liefhebberij voor opwekken bij

de jongelui hier, als ik maar tijd heb!”

„Dat de kunst toch altijd aan zooveel materiëels en onaangenaams

verbonden is!”—klaagde Van Schilferen, en plaatste zijn glas zoo

driftig op het tafeltje, dat de kelk brak en de wijn over zijne vingers

stroomde.

„Dat doe je handig, Schilfertje!”—riep de wijnkooper Tjerko Meindert

Hattinga, die zijne vrienden weer kwam opzoeken, daar hij den secretaris

een paar kwartjes had doen betalen, en al de heeren reeds vertrokken

waren. 't Gesprek werd nu algemeener. Jan Kalkman bracht het een en 't

ander in 't midden omtrent de graanprijzen en de beursnoteeringen der

effecten. Hattinga was zeer grappig, en stelde voor, om des namiddags

een wedstrijd op het biljart te houden. Men scheidde onder wederzijdsche

belofte van omstreeks vier uren aanwezig te zijn.

Hendrik de Leeuw werd echter dien namiddag door zoo drukkende hoofdpijn

geplaagd, dat hij zijne kamer moest houden en geheel ziek zich te bed

begaf.

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 33 / 58 题