Drie weken later had het stedeke Valendam het zeer druk over de
verschijning van een nieuw lid der Valendamsche samenleving. De heer
Hendrik de Leeuw had een paar gemeubelde bovenkamers bij een koopman in
manufacturen gehuurd—hij had zijne opwachting bij alle notabelen van
het plaatsje gemaakt, en al een tiental leerlingen voor „handteekenen”
aangeworven. De ouders dier leerlingen hadden van hem tevens eene
bescheiden aanbeveling voor het schilderen van hun portret ontvangen,
maar tot nog toe was er van deze aanbieding geen gebruik gemaakt.
Evenwel was zijne verschijning genoeg geweest voor het stille
landstadje, om allerlei vriendelijke gesprekken uit te lokken. De
Burgemeester Van Geelhuyzen had met den Gemeente-Secretaris—een
deftigen ouden vrijer, die zich onderscheidde door eene verkleurde
donkerbruine pruik—een ampel gesprek gevoerd, waarbij ten stelligste
was uitgemaakt, dat Hendrik de Leeuw, „kunstschilder,” nimmer eenige
aanspraak zou maken op den titel van Stadsteekenmeester, noch op eenige
toelage uit de Gemeentekas, daar deze zoodanigen last niet zou kunnen
dragen. Voor 't overige merkte de Burgemeester op, dat de vestiging van
„genoemden” Hendrik de Leeuw in „deze gemeente” als eene aanwinst moest
beschouwd worden, weshalve hij ook zijne beide zonen aan de teekenlessen
deed deelnemen.
In het college: „Oefening en Vermaak”—een koffiehuis, waar de
notabelste heeren des middags van één tot twee ouderwetsche glaasjes met
„geestrijke vochten” opslorpten, en tweemalen 's weeks des avonds van
zevenen tot tienen zich oefenden en vermaakten in kaartspel en rooden
wijn—in dit zeer fatsoenlijk college had de kantonrechter Van der
Lely zeer luid aan den Ontvanger der directe belastingen, een sufferig
burgerlijk mannetje met een vuurrooden neus, te kennen gegeven, dat
die arme duivel van een De Vos of De Leeuw er wel spoedig berouw over
gevoelen zou, dat hij in zoo'n pitoyabele plaats als Valendam gekomen
was. Hoe zou er liefde voor de kunst ontstaan in eene stad, waar de
helft der kiezers niet opkwam en waar men zulke liberalen van den kouden
grond naar de Kamer zond? De Ontvanger, die drie volwassen ongetrouwde
dochters had, en tevens secretaris van het Valendamsche Nut was, die dus
van den armen duivel van een teekenmeester nog op de eene of andere
wijze partij dacht te trekken, stemde evenwel gaaf toe, omdat de
kantonrechter zeer luid had geschreeuwd, en bovendien door zijn geld en
ambt daar ter plaatse zeer gezien was.
In de wereld der oudere en jongere dames was tevens vrij wat beweging
over den nieuwen inwoner der stad. De ouderen vonden hem zeer beleefd en
voorkomend, maar zijn hair was veel te lang. Dit punt had inzonderheid
een onderwerp van bezorgdheid uitgemaakt voor de echtgenoote van den
predikant, wiens eenig kind onder de leerlingen des heeren de Leeuw werd
geteld. De jongeren hadden ook hare opmerkingen. De dochters van den
notaris vonden hem niet knap, en besloten hem bij alle voorkomende
gelegenheden dapper uit te lachen, een privilege, 't welk deze dames,
omdat zij de jongste, de knapste en de vroolijkste waren van den
„jofferenstoet” uit het stedeke, besloten zeer duchtig te doen gelden.
Maar de dochters van den ontvanger dachten wat gunstiger over den
nieuwen teekenprofessor. Hij droeg zeer zonderlinge broeken en vesten,
blauw- en groen-geruit, en zijne leverkleurige dassen met zwarte ouwels
waren niet volgens haren smaak, evenwel scheen hij een zeer „geschikt
jongmensch.”
Het onderwerp van al deze beschouwingen stond juist op een
Zaterdagmorgen te tien uren klaar voor het eerst zijn tiental
leerlingen te ontvangen. Van zijne beide vertrekken had hij het beste
voor leerkamer en atelier ingeruimd. Op de breede schuiftafel stond een
zwart rek, bestemd voor de teekeningen en gravures, die het tiental
tot model zouden dienen. Voor ieder was een overvloed van papier en
teekenbehoeften gereedgemaakt. De stoelen stonden om de tafel
geschaard—alles wachtte op de komst der jeugdige, teekenlustige
Valendammertjes. Aan de wanden der kamer hingen velerlei studiën, die
het kunstenaarstalent van Hendrik de Leeuw moesten staven—vooral
portretten en studiekoppen, officiers met zwarte knevels en buitengemeen
fraaie gouden epauletten, benevens Socratessen of Homerussen naar
gipsbeelden op een bruinen grond met een stuk tafellaken van purper.
Het kloppen aan de deur deed den eenigszins zenuwachtigen teekenmeester
verschrikt opzien. Oogenblikkelijk daarna kwamen de teekenlustige knapen
een voor een binnen. Met veel verwarring en haast wees Hendrik de Leeuw
hun ieder eene plaats aan. De oudste zoon van den notaris, een jonkman
van zestien jaar, die meer aan teekenen gedaan had, kreeg eene soort van
eereplaats en koos aanstonds een groot landschap in waterverf, om te
kopieeren. De knapen, die nog nooit eene teekenpen in handen hadden
genomen, zaten bij elkaar, om rechte en kromme lijnen te maken, en
Hendrik de Leeuw stond bij hen, om hun de geheimen van de houtskool en
het zwart krijt te ontvouwen. De zoon van den predikant, een knaap met
fraai krullend blond hair, mooie blauwe oogen, maar met een gemeenen
trek om een leelijken mond, zat naast Frans van der Lely en brak
voortdurend elk nieuw stuk houtskool, dat de nieuwe teekenmeester hem in
handen gaf. De beide jongeheeren vonden het vernederend, dat men hen
strepen deed namaken, en nog geen kwart uurs had de les geduurd, of Hein
van der Grijp, des dominé's zoon, wierp een stuk houtskool over het rek
naar de overzijde van de tafel, waar de jongens van den Burgemeester
zaten. Deze jongeheeren zaten zeer rustig hun best te doen, om de
aanwijzingen van „meneer” de Leeuw te volgen, toen het voorwerp van de
andere zijde op hun werk viel.
„Pas op, Hein!”—riep de oudste jongen van den burgemeester.
„Pas zelf op, kroeskop!”
Kroeskop was een eerenaam, dien Jan van Geelhuyzen om zijn zwart
kroeshair onder de jeugd van Valendam voerde.
Een algemeen en luid gelach volgde.
Onze teekenmeester zag verschrikt op. Hij wijdde al zijne aandacht aan
den zoon van den notaris, die zeer voorzichtig en netjes zijn landschap
begon te schetsen. Daar evenwel de meesten den schilder nog maar zeer
kort kenden, bogen ze zich vol ijver over hun werk, zoodra hij opzag.
Zijn uiterlijk was evenwel weinig geschikt, om hun ontzag in te
boezemen. Hij droeg een nauwsluitend grijs huisjasje met koorden en
lussen als een huzarenpak, en op zijn hoofd prijkte eene roode Turksche
muts met blauwen kwast. Zijne welwillende blikken en goedhartige
glimlachjes dwaalden een poos over de hoofden der jongens—maar allen
schenen ijverig bezig.
„Meneer! mijn krijt is gebroken!”—riep Hein van der Grijp met luide
stem.
„Ha zoo, jongeheer!”
Met groote beleefdheid haastte hij zich, zijn discipel te helpen. Daarna
keerde hij weder naar de Geelhuyzens, die hem riepen, om inlichting.
Nauw had hij zich gebogen of eene groote prop papier vloog rakelings
voorbij zijn aangezicht. Bloedrood van verlegenheid en ergernis zag hij
op—een onderdrukt gelach klonk van de zijde, waar Frans van der Lely
naast Hein van der Grijp zat.
„Mijn krijt deugt niet!”—sprak de zoon van den kantonrechter, zoo luid
als zijn vader gewoon was, toen hij bemerkte, dat meneer de Leeuw hem
aanzag.
„Ha zoo, jongeheer!”—had deze gezegd en zich werktuiglijk naar de
andere zijde begeven, om met groote onhandigheid een nieuw stuk krijt
voor zijn leerling te zoeken. Dit oogenblik namen de Geelhuyzens te
baat, om het bombardement van hunne zijde te beantwoorden. Doch daar de
Leeuw aanstonds op hen toetrad, volgde er weder een oogenblik van rust.
Dit spel werd nu met nieuwe tusschenpoozen een uur lang voortgezet.
De heer Hendrik de Leeuw verkeerde in een moeilijk te beschrijven
toestand—hij zag volstrekt geen middel om de baldadigheid der
„jongeheeren” te keer te gaan, hij wilde ze wel gaarne eens ernstig
waarschuwen, maar hij was zeer onhandig met alles, wat naar eene
aanspraak geleek. Telkens, als hij zich met iemand in 't bijzonder
bezighield, vingen de anderen aan onderling eene of andere aardigheid te
vertoonen. De ziel van alle baldadigheid was de zoon van den dominé,
Hein van der Grijp. Juist was deze opgestaan, om een klein manneke van
twaalf jaren met een hoogen rug een reep papier achter op zijn buis te
spelden, toen de teekenmeester voor hem trad.
„Ha zoo, jongeheer! Mag ik u verzoeken te blijven zitten! Teekenen is
een moeilijk werk, jongeheeren! Daartoe behoort veel studie! Mag ik u
verzoeken, te blijven zitten jongeheer van der Grijp!”
Daar echter de blonde domineeszoon een zeer uitdagend gezicht vertoonde,
en eene prop tegen den zolder wierp, die aller vroolijkheid gaande
maakte, verloor de welwillende heer de Leeuw zijn geduld.
„Beroerde kwajongen!.... ga aan je werk, ga aan je werk, of ik smijt je
de trappen af, versta je?”
Ieder zweeg, ieder keek onthutst en verwonderd op zijne strepen en
kromme lijnen. De stem van den teekenmeester had rouw en luid
geklonken—hij had met den voet op den vloer gestampt, zijn gelaat was
purperrood geworden. Zijne drift was zoo onverwacht en plotseling
losgebroken, dat er dien morgen niets verder voorviel, alleen zat Hein
van der Grijp te fluisteren tot Frans van der Lely, dat hij zich niet
liet uitschelden voor „kwajongen,” dat hij niet terug wilde komen, dat
hij geene hand meer aan zijne teekening zette, dat hij het aan zijne
ouders zou vertellen. Het uur van twaalven verloste meester en
discipelen, alleen de zoon van den notaris had met genoegen gewerkt,
en het manneke met den hoogen rug, het eenig zoontje van den
hoofdonderwijzer, had veel achting opgevat voor zijn teekenleeraar.
Met luide uitroepingen van pret en baldadigheid stormden de wildste
jongens de trap af tot groote ergernis der eerzame wederhelft van den
manufactuurhandelaar, bij wien Hendrik de Leeuw kamers had gehuurd. Deze
zelf had zich, zoo spoedig zijne leerlingen vertrokken waren, op den
eenigen armstoel neergezet, die zijne woning rijk was. Hij kruiste de
armen over de borst, en verviel in een diep en somber gepeins. Zijn
goedhartig gelaat plooide zich in strakke rimpels en scherpe trekken,
zijne mondhoeken trilden, zijn oog staarde wezenloos in 't ronde. Als
ware het een gevolg van zijn gemijmer, greep hij eensklaps zijne roode
Turksche muts met blauwen kwast, en wierp haar woedend in een hoek der
kamer.
In 't eind schudde hij langzaam, zacht mompelend, zijn hoofd—eene
zucht rees uit zijne borst. Hij stond op en begon het teekengereedschap
weg te ruimen, terwijl zijn gelaat steeds diepe neerslachtigheid aan
den dag legde. Er werd aan de deur geklopt—de juffrouw van beneden
vroeg of „meneer” ook een kop koffie zou gebruiken. De Leeuw antwoordde
met verlegenheid, en nam het voorstel aan. Het wild gedrag zijner
leerlingen zou wel aan de juffrouw van beneden in 't oog gevallen
zijn. Daar twijfelde hij niet aan! Dankbaar aanvaardde hij dus den kop
koffie—terwijl hij zeer welwillend, schoon zonder eenige aanleiding,
opmerkte, dat er zeer veel passage was in de straat, waarop hij uitzag,
iets wat de juffrouw met eenige aarzeling toestemde, daar ze al te wel
overtuigd was van de stilte en eenzaamheid der buurt, waarin ze woonde.
Op dit oogenblik werd er luide aan de deur geklopt.