II.

Drie weken later had het stedeke Valendam het zeer druk over de

verschijning van een nieuw lid der Valendamsche samenleving. De heer

Hendrik de Leeuw had een paar gemeubelde bovenkamers bij een koopman in

manufacturen gehuurd—hij had zijne opwachting bij alle notabelen van

het plaatsje gemaakt, en al een tiental leerlingen voor „handteekenen”

aangeworven. De ouders dier leerlingen hadden van hem tevens eene

bescheiden aanbeveling voor het schilderen van hun portret ontvangen,

maar tot nog toe was er van deze aanbieding geen gebruik gemaakt.

Evenwel was zijne verschijning genoeg geweest voor het stille

landstadje, om allerlei vriendelijke gesprekken uit te lokken. De

Burgemeester Van Geelhuyzen had met den Gemeente-Secretaris—een

deftigen ouden vrijer, die zich onderscheidde door eene verkleurde

donkerbruine pruik—een ampel gesprek gevoerd, waarbij ten stelligste

was uitgemaakt, dat Hendrik de Leeuw, „kunstschilder,” nimmer eenige

aanspraak zou maken op den titel van Stadsteekenmeester, noch op eenige

toelage uit de Gemeentekas, daar deze zoodanigen last niet zou kunnen

dragen. Voor 't overige merkte de Burgemeester op, dat de vestiging van

„genoemden” Hendrik de Leeuw in „deze gemeente” als eene aanwinst moest

beschouwd worden, weshalve hij ook zijne beide zonen aan de teekenlessen

deed deelnemen.

In het college: „Oefening en Vermaak”—een koffiehuis, waar de

notabelste heeren des middags van één tot twee ouderwetsche glaasjes met

„geestrijke vochten” opslorpten, en tweemalen 's weeks des avonds van

zevenen tot tienen zich oefenden en vermaakten in kaartspel en rooden

wijn—in dit zeer fatsoenlijk college had de kantonrechter Van der

Lely zeer luid aan den Ontvanger der directe belastingen, een sufferig

burgerlijk mannetje met een vuurrooden neus, te kennen gegeven, dat

die arme duivel van een De Vos of De Leeuw er wel spoedig berouw over

gevoelen zou, dat hij in zoo'n pitoyabele plaats als Valendam gekomen

was. Hoe zou er liefde voor de kunst ontstaan in eene stad, waar de

helft der kiezers niet opkwam en waar men zulke liberalen van den kouden

grond naar de Kamer zond? De Ontvanger, die drie volwassen ongetrouwde

dochters had, en tevens secretaris van het Valendamsche Nut was, die dus

van den armen duivel van een teekenmeester nog op de eene of andere

wijze partij dacht te trekken, stemde evenwel gaaf toe, omdat de

kantonrechter zeer luid had geschreeuwd, en bovendien door zijn geld en

ambt daar ter plaatse zeer gezien was.

In de wereld der oudere en jongere dames was tevens vrij wat beweging

over den nieuwen inwoner der stad. De ouderen vonden hem zeer beleefd en

voorkomend, maar zijn hair was veel te lang. Dit punt had inzonderheid

een onderwerp van bezorgdheid uitgemaakt voor de echtgenoote van den

predikant, wiens eenig kind onder de leerlingen des heeren de Leeuw werd

geteld. De jongeren hadden ook hare opmerkingen. De dochters van den

notaris vonden hem niet knap, en besloten hem bij alle voorkomende

gelegenheden dapper uit te lachen, een privilege, 't welk deze dames,

omdat zij de jongste, de knapste en de vroolijkste waren van den

„jofferenstoet” uit het stedeke, besloten zeer duchtig te doen gelden.

Maar de dochters van den ontvanger dachten wat gunstiger over den

nieuwen teekenprofessor. Hij droeg zeer zonderlinge broeken en vesten,

blauw- en groen-geruit, en zijne leverkleurige dassen met zwarte ouwels

waren niet volgens haren smaak, evenwel scheen hij een zeer „geschikt

jongmensch.”

Het onderwerp van al deze beschouwingen stond juist op een

Zaterdagmorgen te tien uren klaar voor het eerst zijn tiental

leerlingen te ontvangen. Van zijne beide vertrekken had hij het beste

voor leerkamer en atelier ingeruimd. Op de breede schuiftafel stond een

zwart rek, bestemd voor de teekeningen en gravures, die het tiental

tot model zouden dienen. Voor ieder was een overvloed van papier en

teekenbehoeften gereedgemaakt. De stoelen stonden om de tafel

geschaard—alles wachtte op de komst der jeugdige, teekenlustige

Valendammertjes. Aan de wanden der kamer hingen velerlei studiën, die

het kunstenaarstalent van Hendrik de Leeuw moesten staven—vooral

portretten en studiekoppen, officiers met zwarte knevels en buitengemeen

fraaie gouden epauletten, benevens Socratessen of Homerussen naar

gipsbeelden op een bruinen grond met een stuk tafellaken van purper.

Het kloppen aan de deur deed den eenigszins zenuwachtigen teekenmeester

verschrikt opzien. Oogenblikkelijk daarna kwamen de teekenlustige knapen

een voor een binnen. Met veel verwarring en haast wees Hendrik de Leeuw

hun ieder eene plaats aan. De oudste zoon van den notaris, een jonkman

van zestien jaar, die meer aan teekenen gedaan had, kreeg eene soort van

eereplaats en koos aanstonds een groot landschap in waterverf, om te

kopieeren. De knapen, die nog nooit eene teekenpen in handen hadden

genomen, zaten bij elkaar, om rechte en kromme lijnen te maken, en

Hendrik de Leeuw stond bij hen, om hun de geheimen van de houtskool en

het zwart krijt te ontvouwen. De zoon van den predikant, een knaap met

fraai krullend blond hair, mooie blauwe oogen, maar met een gemeenen

trek om een leelijken mond, zat naast Frans van der Lely en brak

voortdurend elk nieuw stuk houtskool, dat de nieuwe teekenmeester hem in

handen gaf. De beide jongeheeren vonden het vernederend, dat men hen

strepen deed namaken, en nog geen kwart uurs had de les geduurd, of Hein

van der Grijp, des dominé's zoon, wierp een stuk houtskool over het rek

naar de overzijde van de tafel, waar de jongens van den Burgemeester

zaten. Deze jongeheeren zaten zeer rustig hun best te doen, om de

aanwijzingen van „meneer” de Leeuw te volgen, toen het voorwerp van de

andere zijde op hun werk viel.

„Pas op, Hein!”—riep de oudste jongen van den burgemeester.

„Pas zelf op, kroeskop!”

Kroeskop was een eerenaam, dien Jan van Geelhuyzen om zijn zwart

kroeshair onder de jeugd van Valendam voerde.

Een algemeen en luid gelach volgde.

Onze teekenmeester zag verschrikt op. Hij wijdde al zijne aandacht aan

den zoon van den notaris, die zeer voorzichtig en netjes zijn landschap

begon te schetsen. Daar evenwel de meesten den schilder nog maar zeer

kort kenden, bogen ze zich vol ijver over hun werk, zoodra hij opzag.

Zijn uiterlijk was evenwel weinig geschikt, om hun ontzag in te

boezemen. Hij droeg een nauwsluitend grijs huisjasje met koorden en

lussen als een huzarenpak, en op zijn hoofd prijkte eene roode Turksche

muts met blauwen kwast. Zijne welwillende blikken en goedhartige

glimlachjes dwaalden een poos over de hoofden der jongens—maar allen

schenen ijverig bezig.

„Meneer! mijn krijt is gebroken!”—riep Hein van der Grijp met luide

stem.

„Ha zoo, jongeheer!”

Met groote beleefdheid haastte hij zich, zijn discipel te helpen. Daarna

keerde hij weder naar de Geelhuyzens, die hem riepen, om inlichting.

Nauw had hij zich gebogen of eene groote prop papier vloog rakelings

voorbij zijn aangezicht. Bloedrood van verlegenheid en ergernis zag hij

op—een onderdrukt gelach klonk van de zijde, waar Frans van der Lely

naast Hein van der Grijp zat.

„Mijn krijt deugt niet!”—sprak de zoon van den kantonrechter, zoo luid

als zijn vader gewoon was, toen hij bemerkte, dat meneer de Leeuw hem

aanzag.

„Ha zoo, jongeheer!”—had deze gezegd en zich werktuiglijk naar de

andere zijde begeven, om met groote onhandigheid een nieuw stuk krijt

voor zijn leerling te zoeken. Dit oogenblik namen de Geelhuyzens te

baat, om het bombardement van hunne zijde te beantwoorden. Doch daar de

Leeuw aanstonds op hen toetrad, volgde er weder een oogenblik van rust.

Dit spel werd nu met nieuwe tusschenpoozen een uur lang voortgezet.

De heer Hendrik de Leeuw verkeerde in een moeilijk te beschrijven

toestand—hij zag volstrekt geen middel om de baldadigheid der

„jongeheeren” te keer te gaan, hij wilde ze wel gaarne eens ernstig

waarschuwen, maar hij was zeer onhandig met alles, wat naar eene

aanspraak geleek. Telkens, als hij zich met iemand in 't bijzonder

bezighield, vingen de anderen aan onderling eene of andere aardigheid te

vertoonen. De ziel van alle baldadigheid was de zoon van den dominé,

Hein van der Grijp. Juist was deze opgestaan, om een klein manneke van

twaalf jaren met een hoogen rug een reep papier achter op zijn buis te

spelden, toen de teekenmeester voor hem trad.

„Ha zoo, jongeheer! Mag ik u verzoeken te blijven zitten! Teekenen is

een moeilijk werk, jongeheeren! Daartoe behoort veel studie! Mag ik u

verzoeken, te blijven zitten jongeheer van der Grijp!”

Daar echter de blonde domineeszoon een zeer uitdagend gezicht vertoonde,

en eene prop tegen den zolder wierp, die aller vroolijkheid gaande

maakte, verloor de welwillende heer de Leeuw zijn geduld.

„Beroerde kwajongen!.... ga aan je werk, ga aan je werk, of ik smijt je

de trappen af, versta je?”

Ieder zweeg, ieder keek onthutst en verwonderd op zijne strepen en

kromme lijnen. De stem van den teekenmeester had rouw en luid

geklonken—hij had met den voet op den vloer gestampt, zijn gelaat was

purperrood geworden. Zijne drift was zoo onverwacht en plotseling

losgebroken, dat er dien morgen niets verder voorviel, alleen zat Hein

van der Grijp te fluisteren tot Frans van der Lely, dat hij zich niet

liet uitschelden voor „kwajongen,” dat hij niet terug wilde komen, dat

hij geene hand meer aan zijne teekening zette, dat hij het aan zijne

ouders zou vertellen. Het uur van twaalven verloste meester en

discipelen, alleen de zoon van den notaris had met genoegen gewerkt,

en het manneke met den hoogen rug, het eenig zoontje van den

hoofdonderwijzer, had veel achting opgevat voor zijn teekenleeraar.

Met luide uitroepingen van pret en baldadigheid stormden de wildste

jongens de trap af tot groote ergernis der eerzame wederhelft van den

manufactuurhandelaar, bij wien Hendrik de Leeuw kamers had gehuurd. Deze

zelf had zich, zoo spoedig zijne leerlingen vertrokken waren, op den

eenigen armstoel neergezet, die zijne woning rijk was. Hij kruiste de

armen over de borst, en verviel in een diep en somber gepeins. Zijn

goedhartig gelaat plooide zich in strakke rimpels en scherpe trekken,

zijne mondhoeken trilden, zijn oog staarde wezenloos in 't ronde. Als

ware het een gevolg van zijn gemijmer, greep hij eensklaps zijne roode

Turksche muts met blauwen kwast, en wierp haar woedend in een hoek der

kamer.

In 't eind schudde hij langzaam, zacht mompelend, zijn hoofd—eene

zucht rees uit zijne borst. Hij stond op en begon het teekengereedschap

weg te ruimen, terwijl zijn gelaat steeds diepe neerslachtigheid aan

den dag legde. Er werd aan de deur geklopt—de juffrouw van beneden

vroeg of „meneer” ook een kop koffie zou gebruiken. De Leeuw antwoordde

met verlegenheid, en nam het voorstel aan. Het wild gedrag zijner

leerlingen zou wel aan de juffrouw van beneden in 't oog gevallen

zijn. Daar twijfelde hij niet aan! Dankbaar aanvaardde hij dus den kop

koffie—terwijl hij zeer welwillend, schoon zonder eenige aanleiding,

opmerkte, dat er zeer veel passage was in de straat, waarop hij uitzag,

iets wat de juffrouw met eenige aarzeling toestemde, daar ze al te wel

overtuigd was van de stilte en eenzaamheid der buurt, waarin ze woonde.

Op dit oogenblik werd er luide aan de deur geklopt.

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 32 / 58 题