I.

„Velen zijn geroepen....”

„Daar was een heer, die meneer graag eens zou gesproken hebben!”

Het nuffige kindermeisje van Mr. Johan van der Lely, kantonrechter in

het stedeke Valendam, riep deze woorden door eene reet van de deur. De

achtbare kantonrechter zat met zijne echtgenoote en zijn oudsten spruit

aan de theetafel. Eenigszins verrast zag hij op, en vroeg:

„Weet je niet wie 't is, Jans?”

„Neen meneer! 't Is een vreemd heer, weet u, en hij zei, alsdat hij

meneer graag wou spreken!”

„Ja maar,.... nu laat hij maar even hier komen!”

Mevrouw van der Lely, eene kleine tengere vrouw, met een mager, bleek

gelaat, waarop eene gestadige trilling van ontzag en heimelijke vrees

zichtbaar was, misschien voor den persoon van haar zwaarlijvigen

echtgenoot met zijn koperrood wezen en luide basstem—mevrouw van

der Lely zag angstig om zich heen, duchtend, dat de eene of andere

verwarring in het fraai gestoffeerde huisvertrek door den vreemden heer

zou kunnen worden opgemerkt. Haar oudste zoon, de jongeheer Frans van

der Lely, een knaap van veertien jaar—die sterk op zijn vader geleek,

en met eene even luide stem zijne bevelen tot een fraaien witten poedel

richtte, welke eene buitengewone vaardigheid in het uitvoeren van kleine

kunstvertooningen aan den dag legde—keek aanstonds nieuwsgierig op, en

liet het dier met rust. De kantonrechter was opgestaan—een bescheiden

tikken op de deur volgde.

„Binnen!”—klonk het, en zoo schel was de uitroep geweest, dat de wanden

van de kamer het geluid duidelijk weerkaatsten, toen de deur langzaam en

voorzichtig geopend werd.

Binnen trad nu een fatsoenlijk, maar vreemd gekleed heer, die in diepen

ootmoed voor den kantonrechter, voor diens echtgenoote, voor den knaap

boog, en al buigende twee schreden nader kwam.

„Wien heb ik 't plezier?” begon de kantonrechter, met dezelfde luide

stem, die den vreemdeling „binnen” had toegeroepen. Deze had juist zijn

hoofd uit zijne diepe buigingen opgeheven, maar bij het forsche geluid

van den heer Van der Lely boog hij het aanstonds weer omlaag, tastte in

eene kleine brieventasch en bood hem onder toenemende verlegenheid en

onhandigheid een kaartje aan.

„Hendrik de Leeuw! kunstschilder! Zoo, zoo, meneer! is u Hendrik de

Leeuw, kunstschilder?”

„Om u te dienen, meneer!”—bracht de meer en meer in verwarring

gerakende bezoeker uit.

De kantonrechter wierp met een lomp gebaar het kaartje op de theetafel.

Naar een stoel wijzend, zette de achtbare ambtenaar zich weer in zijn

gemakkelijken fauteuil, en sprak daverend:

„Ga zitten, meneer de Leeuw! en vertel ons wat je hier brengt!”

De jongeheer Frans had van zijne moeder een wenk ontvangen. Hij had met

loome schreden een stoel naar de tafel geschoven, en haastig den poedel

op zij geschopt, die nieuwsgierig en grommend langs de blauw- en

groen-geruite pantalon van den vreemdeling snuffelde.

„Dank u, doe geene moeite, jongeheer! Vraag u wel excuus! Dank u!”

Onder deze betuigingen ging Hendrik de Leeuw, „kunstschilder,” zitten,

terwijl hij zijn hoed voorzichtig onder zijn stoel borg, en met

zenuwachtige snelheid zijn blond hair achter de ooren streek. De

kantonrechter nam hem in een ondeelbaar oogenblik van 't hoofd tot de

voeten op, en kon zich geene rekenschap geven, of hij een jonkman, dan

wel een man van middelbare jaren voor zich zag. Hendrik de Leeuw had een

eenigszins kaal hoofd, maar levendige en goedhartig schitterende blauwe

oogen. Zijn gelaat had niets schoons of indrukwekkends, maar 't boezemde

vertrouwen in door eene uitdrukking van gestadige welwillendheid, die

zelfs te midden zijner tegenwoordige bedremmelde houding zich duidelijk

kenbaar maakte.

„Ik ben zoo vrij, meneer!”—begon hij, nog gestadig buigend—„mij in

persoon bij u te vervoegen.... de heer Burgemeester heeft mij aanbevolen

bij u te komen, meneer!.... Ik wenschte mij in deze stad te vestigen,

meneer!.... Men heeft mij verzekerd, meneer! dat er hier geene

gelegenheid voor teekenlessen in de stad was, meneer.... en daarom....”

„Kom je, om hier teekenlessen aan te bieden! Begrepen! als je denkt, dat

die onderneming gelukken zal, dan denk je mis!”

„Ha zoo, meneer!”—antwoordde de man, welke zich „kunstschilder” genoemd

had, met eene uitdrukking, die de grootste welwillendheid aan den dag

legde.

„Hier in Valendam teekenlessen geven!”—ging de kantonrechter voort,

terwijl hij beide handen diep in de zakken van zijne zwartlakensche

„beenkleederen” verborg.—„Dat is eene illusie, meneer! de Vos,.... de

Leeuw! meen ik.... dat is eene illusie! je kent zeker onze plaats niet,

hè?”

„Ha zoo, meneer!”—prevelde de „kunstschilder”, steeds welwillender.

„Neen, meneer! dan ken je onze plaats niet. 't Is hier alles

doodstroom! Er heerscht hier volstrekt geen publieke geest, meneer! Als

we hier niet zooveel rijke boeren rondom ons hadden wonen, dan hadden we

niemendal, geen veemarkt, geen paardenmarkt, niets hoegenaamd, meneer de

Vos!”

„Ha zoo, meneer!”

„Ja, meneer! Ik durf met zekerheid beweren, dat er geen lamzaliger

plaats in ons koninkrijk bestaat dan Valendam. Wil je een bewijs?

Laatst, bij de verkiezingen, toen ieder rechtgeaard staatsburger de

heilige verplichting gevoelde, om naar de stembus op te gaan, kwam niet

eens de kleine helft der kiezers zich aanmelden. Daarom hebben we hier

ook zoo'n potsierlijk afgevaardigde voor de Tweede Kamer—een vent, dien

we misschien nooit weer kwijtraken.... een liberaal van den kouden

grond. God beter het!”

„Ha zoo, meneer!”

Hendrik de Leeuw had onder den driftig en bulderend uitgesproken

~speech~ van den kantonrechter zich verschillende reizen met angst het

hair achter de ooren gestreken en enkele malen zenuwachtig gekucht.

Mevrouw van der Lely achtte nu het oogenblik geschikt, om zich in het

gesprek te mengen.

„Maar, Johan! als meneer zich hier toch vestigde, zou het dan niet goed

zijn voor onzen Frans, dat hij teekenen leerde? Je weet, hij teekent al

zoo aardig uit zich zelven!”

„Ha zoo, mevrouw!”

„Ja, meneer! Frans! laat je teekening van gistermorgen eens aan meneer

zien!”

Frans had gedurende het gesprek den aanstaanden teekenmeester van

Valendam met een nieuwsgierigen blik aangegluurd. Hij stond traag op,

schopte den witten poedel ter zij, en zocht uit eene portefeuille op de

vensterbank een paar zijner meesterstukken. Mevrouw van der Lely reikte

ze met een zweem van een glimlach aan den „kunstschilder.” Hendrik de

Leeuw beschouwde aanstonds uiterst aandachtig een grooten boom met een

loodrechten stam van gebrande terre-siènne, met dito takken, waaraan

gelijke en gelijkvormige bladeren van sapgroen en een verbazend aantal

uitheemsche vruchten van vermiljoen. Verschillende malen knikte hij zeer

welwillend tegen het kunststuk.

„Veel aanleg!”—zeide hij daarop, bescheiden kuchend.—„Zeer veel

aanleg, mevrouw!”

De kantonrechter, die, barsch rondkijkend, voortdurend met sleutels en

geld in zijne zakken gerammeld had, bracht nu zijne linkerhand te

voorschijn, en gaapte zoo luid, dat de witte poedel verschrikt naar een

schuilhoek vloog onder de sofa.

„Weet je wat, meneer de Vos!”—klonk het nu steeds geeuwend—„als jij

het hier in dit beroerde nest probeeren wilt, gun ik je veel succes!

Maar herinner je altijd, wat ik je dadelijk zei, 't is hier een beroerde

boel!.... Wat heeft de Burgemeester je gezeid?”

„De heer Burgemeester was zeer voorkomend, meneer! Hij vroeg mij naar

bewijzen mijner bekwaamheid. Ik vertelde hem, dat ik verschillende

medailles aan de teeken-academie in de hoofdstad dezer provincie

verdiend heb voor handteekenen en boetseeren, meneer!”

„Jawel, Geelhuyzen is altijd zeer formeel en zeer ceremonieel, dat weten

we. Maar hij heeft zonen....”

„De jongeheeren Van Geelhuyzen zijn mijne eerste discipelen, meneer!”

„Frans! kom eens hier!”

De kantonrechter had nog luider geschreeuwd en barscher gekeken, dan

gewoonlijk.

Frans naderde.

„Wil je teekenen leeren, jongen?”

„Ja, Pa!”

„Dan moet meneer maar zien of hij wat van je maken kan! Geef meneer de

hand!”

Hendrik de Leeuw, „kunstschilder,” was zeer vereerd, boog zich

verscheidene malen, en geloofde, dat het heel goed gaan zou. Nu kwam

er nog een gewichtig punt: de conditiën. Maar hierover scheen de

kantonrechter zich minder te bekommeren dan zijne echtgenoote, die

aanstonds vuur vatte bij deze onderhandeling. De eischen van den nieuwen

teekenmeester waren echter zoo bescheiden, dat het verdrag weldra

gesloten was.

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 31 / 58 题