Er werd gewalst en gepolkeerd, er werden quadrilles en mazurka's
gedanst. De heer Quastman glimlachte in stilte over de uitmuntende
geestdrift van het gezelschap. De virtuozen deden hun uiterste best.
Niemand van 't aanschouwend publiek, tot Caspar Janssen incluis—die
niet in stilte wenschte, eens even te mogen meedoen. Deftige oude
vrijers met kale schedels en dikke buiken wendden zich tot de spijtigste
muurbloemen, en verkregen een dans. Zelfs nicht Anna Geertruida walste
met een wanhopig Rederijker.
In den hoek naast de nis der bloemen stond nog altijd de sofa—weleer
het toevluchtsoord van den koperen Bruidegom. Thans zitten er twee
vriendinnen in levendigen kout gewikkeld, zonder een oogenblik naar 't
dansgewoel om te zien. Mlle de Tourzel heeft Pauline van Someren veel
nieuws mee te deelen, en veel van haar te vernemen. 't Is een voorrecht,
beide bevallige jonkvrouwen in stilte te mogen bespieden, als ze
plotseling uitbarsten in een kluchtig-hartelijk lachen, en 't haar aan
tijd schijnt te schorten, om elkaar alles te vertellen, wat haar op 't
hart ligt.
Na het heldenfeit van den opperceremoniemeester had de Zwitsersche
den heer Versuylen gevraagd, zoo spoedig mogelijk te willen vluchten,
daar 't haar te eng werd aan 't feestmaal, en ze zich alleen vergunnen
mocht in stilte over de groteske aanmatiging van den trouwlustigen
effectenhandelaar te lachen. Toen ze aan 't eind der tweede receptiezaal
genaderd waren, stond Pauline van Someren aan den arm van Koenraad
Vechters eensklaps voor hen, en scheen er aan 't vragen en schertsen
geen eind. Pauline was zeer nieuwsgierig en wilde weten, waarom oom
Versuylen en zijne dame zoo spoedig opstonden; was het tijd om te
vertrekken, ze meende dat het nog zeer vroeg was. In 't eind had men
Koenraad Vechters plechtig aan oom Versuylen voorgesteld, had het
viertal zich eene poos in de breede marmeren gang vertreden, en, toen
eindelijk het feestgewoel opnieuw naar de danszaal verplaatst was, had
men zich onder de blijde, koutende paartjes gemengd, totdat de beide
dames dringend noodzakelijk vonden, elkaar in 't diepst vertrouwen te
spreken, en de heeren alzoo genoodzaakt werden een goed heenkomen te
zoeken.
Op dit oogenblik keurde Vechters het gepast, zich terug te trekken, en
den heer Versuylen niet langer met zijn gezelschap lastig te vallen,
maar deze verhinderde hem spoedig door de uitnoodiging, om saam eene
sigaar te ontsteken, en weldra vinden we beiden druk rookende en
sprekende in de kleine smoking-room bijeen, waar Jasper Jun. zich eenige
uren vroeger zoo goed vermaakt had. Natuurlijk handelde men over kunst,
over de tentoonstelling, over Italië. De heer Versuylen deed zich
onmiddellijk als een smaakvol kunstvriend kennen—zijn oordeel was
altijd wellevend, nooit oppervlakkig.
„Uwe tafereelen van het Italiaansche landleven zijn geestig ontworpen en
uitmuntend van kleur—ik heb ze voor mijn kabinet aangekocht, meneer
Vechters!”
De schilder bloosde. [Als ik naar waarheid moest bekennen, wat er de
oorzaak van was, zou ik min of meer onbescheiden zijn, dus volsta de
vermelding van het feit.]
„'t Is wel eene aangename belooning, als men in 't eind zijn ernstig en
veelgeliefd streven door mannen van uwe kennis gewaardeerd ziet!”—had
Vechters met warmte geantwoord.
„Ditmaal zijn uwe kleuren wat hard en overdreven!”
„Vergeef mij, als men veel teleurstelling en minachting ondervonden
heeft, dan is eene erkenning als de uwe dubbel welkom!”
„Ik meende, dat u zich niet te beklagen had. Men heeft aanstonds uw
ontluikend talent opgemerkt, men heeft u naar Italië doen reizen, en 't
schijnt, dat ook uw verblijf te Munchen niet zonder vrucht is geweest!”
„Zoo heb ik onjuist gesproken! Ik klaag niet over miskenning van mijn
schilderwerk bij deskundigen, ik herinnerde mij alleen de vernederende
geringachting van mijn kunstenaarsstand!”
„Jongelieden oordeelen dikwijls snel en hard!”
„Mannen van rijperen leeftijd letten meestal op de eischen van het koude
gezond-verstand!”
„En terecht, meneer Vechters! Waant u misschien, dat u door uw
uitmuntend talent een vrijbrief bezit tot het doen van overijlde,
onvoegzame handelingen, waarmee een kalm en redelijk overleg geene
rekening houdt?”
Vechters zag den spreker angstig aan. Zou hij zijn verleden kennen?
Versuylens stem althans klonk bescheiden en innemend. Op zijn gelaat was
niet de minste toespeling te lezen.
„Verschoon mij”—antwoordde de jonkman snel en hoog—„ik herinner mij
niet aan dergelijke dwaasheden schuldig te zijn!”
„Ik beschuldig u ook in geenen deele. Al wederom is uw oordeel te
haastig, en daarbij schijnt mij uw geheugen niet volkomen nauwkeurig!”
„Meneer Versuylen, het kan uw doel niet zijn mij te krenken. Zoo u
weten mocht, wat ik een diep geheim waande, zoo u kennis draagt van eene
teleurstelling, zoo bitter en grievend als geene enkele in mijn heele
leven—spaar mij dan ten minste de herinnering, of laat ons een gesprek
af breken, dat mij noodeloos zou kunnen verbitteren!”
„Nog altijd dezelfde! Welnu, ja, ik weet wat er eens tusschen mijn
zwager Van Someren en u is voorgevallen. Ik heb behoefte om er u over te
spreken, want, spijt uwe lichtgeraaktheid, en ondanks uwe zonderlinge
overijling, heb ik achting voor uw karakter, ingenomenheid met uw
talent!”
„Zoo heeft ook u mijn gedrag veroordeeld! Zoo heeft ook u miskend, dat
ik in dat uur mij ten heiligste verplicht achtte te spreken van de
eenige, groote, alles beheerschende gedachte, die ieder oogenblik van
mijn leven met zaligheid vervulde. Zoo heeft ook u toegejuicht, dat ik
met koelen trots gehoord, met smadelijke onverschilligheid afgewezen
werd!”
„Nog eens, u is heftig en onbillijk! Heeft u ooit nagedacht over den
indruk van uw aanzoek op Van Someren? Wie was u? Een jongmensch van
gelukkigen aanleg, zooals er meer zijn. Dat u kunstenaar was en wakker
streefde, om door nobelen arbeid uwe betrekkingen te onderhouden, het
waren uwe eeretitels! Maar, dat u toen reeds naar de hand zijner eenige
dochter stond, zou de alles met verstand overleggende vader nimmer
hebben kunnen billijken!”
„Alsof een waarachtig liefhebbend hart alles met ijskoud verstand zou
moeten becijferen. O, de logica van 't gemoed is toch veel
verkwikkender!”
„Onverbeterlijke dweper!”
„Daarenboven, had men mij dit waardig en wellevend onder 't oog
gebracht, ik had mijn hoofd moeten buigen—nu hief ik het fier omhoog,
daar ik geleerd had trots tegen trots te stellen, en laatdunkende
minachting met gelijke munt wist te betalen!”
„Hoe u mijn armen, overleden zwager miskend! Hij had twintig jaren in
Oost-Indië doorgebracht. Denk eens na, welk eene verandering dit bij
ieder, zelfs bij 't meest allerdaagsche karakter, moet teweegbrengen.
Van Someren was koel, kortaf, onbeleefd, zelfs ruw, maar zijn leven in
de tropische gewesten met kruipende bedienden en aartsdomme kleurlingen
had hem langzaam den fijneren Europeeschen toon doen vergeten. Hij had
een zeldzaam scherpen blik op menschen en zaken, maar bovenal bezat hij
een nobel, edelgevoelend hart; wist u eens, hoe vurig en teeder hij
zijne dochter liefhad....”
Luid juichend en schaterend stormen op dit oogenblik de
ordecommissarissen naar binnen, Jasper Jodocus is in hun midden. Al de
heeren zijn buitengewoon opgewonden, en snellen driftig naar 't buffet.
Men wil den hoogstverdienstelijken leider der feesten een warme dankrede
onder een extra-glas aanbieden. De knal der champagneflesschen geeft het
sein. De heer Proost klimt op een stoel. Jasper Jodocus leunt in eene
schilderachtige houding tegen het buffet, en overziet zijne trawanten
met opgetogen, zelfs wat brutale blikken.
Vechters was door het gerucht genoodzaakt een onwillekeurigen blik aan
dit tafereel te wijden. Toen hij weder opzag, was de heer Versuylen
verdwenen.