IV.

Er werd gewalst en gepolkeerd, er werden quadrilles en mazurka's

gedanst. De heer Quastman glimlachte in stilte over de uitmuntende

geestdrift van het gezelschap. De virtuozen deden hun uiterste best.

Niemand van 't aanschouwend publiek, tot Caspar Janssen incluis—die

niet in stilte wenschte, eens even te mogen meedoen. Deftige oude

vrijers met kale schedels en dikke buiken wendden zich tot de spijtigste

muurbloemen, en verkregen een dans. Zelfs nicht Anna Geertruida walste

met een wanhopig Rederijker.

In den hoek naast de nis der bloemen stond nog altijd de sofa—weleer

het toevluchtsoord van den koperen Bruidegom. Thans zitten er twee

vriendinnen in levendigen kout gewikkeld, zonder een oogenblik naar 't

dansgewoel om te zien. Mlle de Tourzel heeft Pauline van Someren veel

nieuws mee te deelen, en veel van haar te vernemen. 't Is een voorrecht,

beide bevallige jonkvrouwen in stilte te mogen bespieden, als ze

plotseling uitbarsten in een kluchtig-hartelijk lachen, en 't haar aan

tijd schijnt te schorten, om elkaar alles te vertellen, wat haar op 't

hart ligt.

Na het heldenfeit van den opperceremoniemeester had de Zwitsersche

den heer Versuylen gevraagd, zoo spoedig mogelijk te willen vluchten,

daar 't haar te eng werd aan 't feestmaal, en ze zich alleen vergunnen

mocht in stilte over de groteske aanmatiging van den trouwlustigen

effectenhandelaar te lachen. Toen ze aan 't eind der tweede receptiezaal

genaderd waren, stond Pauline van Someren aan den arm van Koenraad

Vechters eensklaps voor hen, en scheen er aan 't vragen en schertsen

geen eind. Pauline was zeer nieuwsgierig en wilde weten, waarom oom

Versuylen en zijne dame zoo spoedig opstonden; was het tijd om te

vertrekken, ze meende dat het nog zeer vroeg was. In 't eind had men

Koenraad Vechters plechtig aan oom Versuylen voorgesteld, had het

viertal zich eene poos in de breede marmeren gang vertreden, en, toen

eindelijk het feestgewoel opnieuw naar de danszaal verplaatst was, had

men zich onder de blijde, koutende paartjes gemengd, totdat de beide

dames dringend noodzakelijk vonden, elkaar in 't diepst vertrouwen te

spreken, en de heeren alzoo genoodzaakt werden een goed heenkomen te

zoeken.

Op dit oogenblik keurde Vechters het gepast, zich terug te trekken, en

den heer Versuylen niet langer met zijn gezelschap lastig te vallen,

maar deze verhinderde hem spoedig door de uitnoodiging, om saam eene

sigaar te ontsteken, en weldra vinden we beiden druk rookende en

sprekende in de kleine smoking-room bijeen, waar Jasper Jun. zich eenige

uren vroeger zoo goed vermaakt had. Natuurlijk handelde men over kunst,

over de tentoonstelling, over Italië. De heer Versuylen deed zich

onmiddellijk als een smaakvol kunstvriend kennen—zijn oordeel was

altijd wellevend, nooit oppervlakkig.

„Uwe tafereelen van het Italiaansche landleven zijn geestig ontworpen en

uitmuntend van kleur—ik heb ze voor mijn kabinet aangekocht, meneer

Vechters!”

De schilder bloosde. [Als ik naar waarheid moest bekennen, wat er de

oorzaak van was, zou ik min of meer onbescheiden zijn, dus volsta de

vermelding van het feit.]

„'t Is wel eene aangename belooning, als men in 't eind zijn ernstig en

veelgeliefd streven door mannen van uwe kennis gewaardeerd ziet!”—had

Vechters met warmte geantwoord.

„Ditmaal zijn uwe kleuren wat hard en overdreven!”

„Vergeef mij, als men veel teleurstelling en minachting ondervonden

heeft, dan is eene erkenning als de uwe dubbel welkom!”

„Ik meende, dat u zich niet te beklagen had. Men heeft aanstonds uw

ontluikend talent opgemerkt, men heeft u naar Italië doen reizen, en 't

schijnt, dat ook uw verblijf te Munchen niet zonder vrucht is geweest!”

„Zoo heb ik onjuist gesproken! Ik klaag niet over miskenning van mijn

schilderwerk bij deskundigen, ik herinnerde mij alleen de vernederende

geringachting van mijn kunstenaarsstand!”

„Jongelieden oordeelen dikwijls snel en hard!”

„Mannen van rijperen leeftijd letten meestal op de eischen van het koude

gezond-verstand!”

„En terecht, meneer Vechters! Waant u misschien, dat u door uw

uitmuntend talent een vrijbrief bezit tot het doen van overijlde,

onvoegzame handelingen, waarmee een kalm en redelijk overleg geene

rekening houdt?”

Vechters zag den spreker angstig aan. Zou hij zijn verleden kennen?

Versuylens stem althans klonk bescheiden en innemend. Op zijn gelaat was

niet de minste toespeling te lezen.

„Verschoon mij”—antwoordde de jonkman snel en hoog—„ik herinner mij

niet aan dergelijke dwaasheden schuldig te zijn!”

„Ik beschuldig u ook in geenen deele. Al wederom is uw oordeel te

haastig, en daarbij schijnt mij uw geheugen niet volkomen nauwkeurig!”

„Meneer Versuylen, het kan uw doel niet zijn mij te krenken. Zoo u

weten mocht, wat ik een diep geheim waande, zoo u kennis draagt van eene

teleurstelling, zoo bitter en grievend als geene enkele in mijn heele

leven—spaar mij dan ten minste de herinnering, of laat ons een gesprek

af breken, dat mij noodeloos zou kunnen verbitteren!”

„Nog altijd dezelfde! Welnu, ja, ik weet wat er eens tusschen mijn

zwager Van Someren en u is voorgevallen. Ik heb behoefte om er u over te

spreken, want, spijt uwe lichtgeraaktheid, en ondanks uwe zonderlinge

overijling, heb ik achting voor uw karakter, ingenomenheid met uw

talent!”

„Zoo heeft ook u mijn gedrag veroordeeld! Zoo heeft ook u miskend, dat

ik in dat uur mij ten heiligste verplicht achtte te spreken van de

eenige, groote, alles beheerschende gedachte, die ieder oogenblik van

mijn leven met zaligheid vervulde. Zoo heeft ook u toegejuicht, dat ik

met koelen trots gehoord, met smadelijke onverschilligheid afgewezen

werd!”

„Nog eens, u is heftig en onbillijk! Heeft u ooit nagedacht over den

indruk van uw aanzoek op Van Someren? Wie was u? Een jongmensch van

gelukkigen aanleg, zooals er meer zijn. Dat u kunstenaar was en wakker

streefde, om door nobelen arbeid uwe betrekkingen te onderhouden, het

waren uwe eeretitels! Maar, dat u toen reeds naar de hand zijner eenige

dochter stond, zou de alles met verstand overleggende vader nimmer

hebben kunnen billijken!”

„Alsof een waarachtig liefhebbend hart alles met ijskoud verstand zou

moeten becijferen. O, de logica van 't gemoed is toch veel

verkwikkender!”

„Onverbeterlijke dweper!”

„Daarenboven, had men mij dit waardig en wellevend onder 't oog

gebracht, ik had mijn hoofd moeten buigen—nu hief ik het fier omhoog,

daar ik geleerd had trots tegen trots te stellen, en laatdunkende

minachting met gelijke munt wist te betalen!”

„Hoe u mijn armen, overleden zwager miskend! Hij had twintig jaren in

Oost-Indië doorgebracht. Denk eens na, welk eene verandering dit bij

ieder, zelfs bij 't meest allerdaagsche karakter, moet teweegbrengen.

Van Someren was koel, kortaf, onbeleefd, zelfs ruw, maar zijn leven in

de tropische gewesten met kruipende bedienden en aartsdomme kleurlingen

had hem langzaam den fijneren Europeeschen toon doen vergeten. Hij had

een zeldzaam scherpen blik op menschen en zaken, maar bovenal bezat hij

een nobel, edelgevoelend hart; wist u eens, hoe vurig en teeder hij

zijne dochter liefhad....”

Luid juichend en schaterend stormen op dit oogenblik de

ordecommissarissen naar binnen, Jasper Jodocus is in hun midden. Al de

heeren zijn buitengewoon opgewonden, en snellen driftig naar 't buffet.

Men wil den hoogstverdienstelijken leider der feesten een warme dankrede

onder een extra-glas aanbieden. De knal der champagneflesschen geeft het

sein. De heer Proost klimt op een stoel. Jasper Jodocus leunt in eene

schilderachtige houding tegen het buffet, en overziet zijne trawanten

met opgetogen, zelfs wat brutale blikken.

Vechters was door het gerucht genoodzaakt een onwillekeurigen blik aan

dit tafereel te wijden. Toen hij weder opzag, was de heer Versuylen

verdwenen.

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 27 / 58 题