V.

De laatste oogenblikken der koperen bruiloft van den WelEdelgeb. Heer

Caspar Janssen van der Comme waren ten slotte gekomen. Er begon weer

groote drukte te heerschen in het particulier domein der drie pioenroode

kornetjes. Jonge en oude dames hingen zich die wijde, witte mantels om,

in de wereld der modeartikelen onder den naam van ~sorties~ bekend, en

legden dan het witte of lichtgele handje snel op de ruwe, harde vingeren

der kornetjes—'t welk altijd een vroolijken glimlach der laatsten ten

gevolge had, mitsgaders een echt Amsterdamsch uitgesproken: „Dank je

well, juffrauw!” of: „Dank uwes well, mevrauw!”

De koperen Bruid en Bruidegom hadden zich deftig in een hoek der

danszaal geplaatst, de commissarissen van orde en hun chef hielden zich

op kleinen afstand in gelid. Soms wierp Caspar Janssen een bezorgden

blik naar die groep, daar men er luidruchtiger was, dan wel met de

eischen van 's gastheers fatsoen scheen te strooken. En langzaam kwam nu

de talrijke stoet der gasten eene vleierij tot afscheid zeggen, waarop

mevrouw Van der Comme met luidheid en radheid, haar echtgenoot met een

tevreden glimlach, antwoordde.

Toen juffrouw Rotsenaer in hare vigilante stapte, glimlachte ze zeer

tevreden over het genot, 't welk zij reeds bij voorraad smaakte, van

morgen eens recht op haar gemak al de dwaasheden en aanstootelijkheden

van 't feest aan eene stokoude tante te verhalen, in wier huis zij de

betrekking van ziekentroosteres vervulde, en op wier erfenis ze al

vijftien jaren had gespeculeerd.

Toen de heer Van Menghelen en zijne beide dochters naar huis reden,

dacht de eerste met een gering zweempje van jaloezie aan de weelde, die

zoo'n aannemer kon tentoonspreiden, zich troostend met de overtuiging,

dat er toch eene aanzienlijke slachting in des aannemers kelder was

ontstaan. Suze dacht, dat Anne-Kee toch een intrigant schepsel was, en

Anne-Kee dacht, dat er zich spoedig eene goede gelegenheid zou voordoen,

om den beleefden, maar wanhopenden Rederijker aan hare ouders voor te

stellen—en zij hield zoo veel van reciteeren!

Toen de familie Berghuysen onder vele buigingen in haar rijtuig gepakt

was, ontstond er dadelijk eene levendige woordenwisseling over den

allerdolsten avond en de allerzonderlingste familie Van der Comme. In

stilte meende mijnheer, dat het souper en de wijnen toch ~first rate~

waren. Mevrouw zou er nu bepaald op aandringen, spoedig een diner te

geven, daar de meisjes zoo'n bijzonder succes hadden, vooral in

vergelijking met de Zilverlinks. De oudste juffrouw Berghuysen

herinnerde zich, dat rood hair inzonderheid bij de Schotten voor mooi

gold, en de jongste juffrouw Berghuysen dacht niets, daar ze van

vermoeienis in slaap was gevallen.

Toen de heer Zilverlink met zijne vijf dochters, uitgeleid door een

dozijn nog altijd volijverige orde-commissarissen en hoogst ernstige

Rederijkers, in twee rijtuigen had plaats genomen, begon de familie zeer

systematisch te geeuwen. Het achtbaar lid van den Stedelijken Raad dacht

een oogenblik met welgevallen aan de schuchterheid van den gastheer, aan

Hilversum, aan den stedelijken accijns op het gedistilleerd, en geeuwde

daarop zoo luide, dat Laura en Wilhelmina er waarlijk om moesten gillen

van lachen. De andere dames in het tweede rijtuig hadden zich maar zeer

middelmatig vermaakt, daar de twee fatsoenlijkste jongelui van het

gezelschap door hare twee oudere zusters zoo geheel waren in beslag

genomen, dat ze zich met de twijfelachtige hoflijkheden van een drietal

kunstlievende kamerbroeders hadden moeten vergenoegen.

Toen de heer Versuylen op 't punt was in zijn rijtuig te stappen, keerde

hij zich vluchtig tot Koenraad Vechters, die Pauline had uitgeleid, en

zeide:

„Zonder ~rancune~, meneer Vechters! Gun me het genoegen, u van tijd tot

tijd bij mij aan huis te mogen ontmoeten!”

* * * * *

„Ja maar, meneer de auteur! daar ben ik niet mee tevreden!”

„Wat ontbreekt er dan aan mijne vertelling?”

„Wel, hoe alles afliep—of de jonge schilder met Pauline verloofd

werd—of de heer Caspar van der Comme lid van den Raad is geworden—hoe

het met Jasper Jodocus ging—en wat er van Mlle de Tourzel geworden is!”

„Leest u de Haarlemmer courant?”

„Alle dagen!”

„Over eene week of zes, zeven zal u er de ondertrouw van den heer

Koenraad Vechters en mejuffrouw Pauline van Someren in moeten vinden,

over een paar jaren zal het den heer Caspar Janssen wel gelukken in den

Stedelijken Raad te worden gekozen, hij heeft er veel geld voor over. De

heer Jasper Jodocus gaat binnenkort huwen met eene der jongste dames

Berghuysen, en wat Mlle de Tourzel aangaat.... In het diepste geheim

zal ik het u en u alleen toefluisteren. Ik zelf was ook ter zilveren

bruiloft—u heeft het kunnen vermoeden—en.... en toen werd ik

zóó getroffen, zóó getroffen, dat ik op dit oogenblik mijne

vrijgezels-onafhankelijkheid mis, en—als men het dan toch volstrekt

weten moet—dat ik nu naast iemand zit, welke ik met het volkomenste

recht en de innigste vereering het mooiste, het liefste, het geestigste,

het vroomste vrouwtje der wereld noem: Mevrouw.... enfin, mijne vrouw,

vroeger Mlle de Tourzel!”

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 28 / 58 题