De laatste oogenblikken der koperen bruiloft van den WelEdelgeb. Heer
Caspar Janssen van der Comme waren ten slotte gekomen. Er begon weer
groote drukte te heerschen in het particulier domein der drie pioenroode
kornetjes. Jonge en oude dames hingen zich die wijde, witte mantels om,
in de wereld der modeartikelen onder den naam van ~sorties~ bekend, en
legden dan het witte of lichtgele handje snel op de ruwe, harde vingeren
der kornetjes—'t welk altijd een vroolijken glimlach der laatsten ten
gevolge had, mitsgaders een echt Amsterdamsch uitgesproken: „Dank je
well, juffrauw!” of: „Dank uwes well, mevrauw!”
De koperen Bruid en Bruidegom hadden zich deftig in een hoek der
danszaal geplaatst, de commissarissen van orde en hun chef hielden zich
op kleinen afstand in gelid. Soms wierp Caspar Janssen een bezorgden
blik naar die groep, daar men er luidruchtiger was, dan wel met de
eischen van 's gastheers fatsoen scheen te strooken. En langzaam kwam nu
de talrijke stoet der gasten eene vleierij tot afscheid zeggen, waarop
mevrouw Van der Comme met luidheid en radheid, haar echtgenoot met een
tevreden glimlach, antwoordde.
Toen juffrouw Rotsenaer in hare vigilante stapte, glimlachte ze zeer
tevreden over het genot, 't welk zij reeds bij voorraad smaakte, van
morgen eens recht op haar gemak al de dwaasheden en aanstootelijkheden
van 't feest aan eene stokoude tante te verhalen, in wier huis zij de
betrekking van ziekentroosteres vervulde, en op wier erfenis ze al
vijftien jaren had gespeculeerd.
Toen de heer Van Menghelen en zijne beide dochters naar huis reden,
dacht de eerste met een gering zweempje van jaloezie aan de weelde, die
zoo'n aannemer kon tentoonspreiden, zich troostend met de overtuiging,
dat er toch eene aanzienlijke slachting in des aannemers kelder was
ontstaan. Suze dacht, dat Anne-Kee toch een intrigant schepsel was, en
Anne-Kee dacht, dat er zich spoedig eene goede gelegenheid zou voordoen,
om den beleefden, maar wanhopenden Rederijker aan hare ouders voor te
stellen—en zij hield zoo veel van reciteeren!
Toen de familie Berghuysen onder vele buigingen in haar rijtuig gepakt
was, ontstond er dadelijk eene levendige woordenwisseling over den
allerdolsten avond en de allerzonderlingste familie Van der Comme. In
stilte meende mijnheer, dat het souper en de wijnen toch ~first rate~
waren. Mevrouw zou er nu bepaald op aandringen, spoedig een diner te
geven, daar de meisjes zoo'n bijzonder succes hadden, vooral in
vergelijking met de Zilverlinks. De oudste juffrouw Berghuysen
herinnerde zich, dat rood hair inzonderheid bij de Schotten voor mooi
gold, en de jongste juffrouw Berghuysen dacht niets, daar ze van
vermoeienis in slaap was gevallen.
Toen de heer Zilverlink met zijne vijf dochters, uitgeleid door een
dozijn nog altijd volijverige orde-commissarissen en hoogst ernstige
Rederijkers, in twee rijtuigen had plaats genomen, begon de familie zeer
systematisch te geeuwen. Het achtbaar lid van den Stedelijken Raad dacht
een oogenblik met welgevallen aan de schuchterheid van den gastheer, aan
Hilversum, aan den stedelijken accijns op het gedistilleerd, en geeuwde
daarop zoo luide, dat Laura en Wilhelmina er waarlijk om moesten gillen
van lachen. De andere dames in het tweede rijtuig hadden zich maar zeer
middelmatig vermaakt, daar de twee fatsoenlijkste jongelui van het
gezelschap door hare twee oudere zusters zoo geheel waren in beslag
genomen, dat ze zich met de twijfelachtige hoflijkheden van een drietal
kunstlievende kamerbroeders hadden moeten vergenoegen.
Toen de heer Versuylen op 't punt was in zijn rijtuig te stappen, keerde
hij zich vluchtig tot Koenraad Vechters, die Pauline had uitgeleid, en
zeide:
„Zonder ~rancune~, meneer Vechters! Gun me het genoegen, u van tijd tot
tijd bij mij aan huis te mogen ontmoeten!”
* * * * *
„Ja maar, meneer de auteur! daar ben ik niet mee tevreden!”
„Wat ontbreekt er dan aan mijne vertelling?”
„Wel, hoe alles afliep—of de jonge schilder met Pauline verloofd
werd—of de heer Caspar van der Comme lid van den Raad is geworden—hoe
het met Jasper Jodocus ging—en wat er van Mlle de Tourzel geworden is!”
„Leest u de Haarlemmer courant?”
„Alle dagen!”
„Over eene week of zes, zeven zal u er de ondertrouw van den heer
Koenraad Vechters en mejuffrouw Pauline van Someren in moeten vinden,
over een paar jaren zal het den heer Caspar Janssen wel gelukken in den
Stedelijken Raad te worden gekozen, hij heeft er veel geld voor over. De
heer Jasper Jodocus gaat binnenkort huwen met eene der jongste dames
Berghuysen, en wat Mlle de Tourzel aangaat.... In het diepste geheim
zal ik het u en u alleen toefluisteren. Ik zelf was ook ter zilveren
bruiloft—u heeft het kunnen vermoeden—en.... en toen werd ik
zóó getroffen, zóó getroffen, dat ik op dit oogenblik mijne
vrijgezels-onafhankelijkheid mis, en—als men het dan toch volstrekt
weten moet—dat ik nu naast iemand zit, welke ik met het volkomenste
recht en de innigste vereering het mooiste, het liefste, het geestigste,
het vroomste vrouwtje der wereld noem: Mevrouw.... enfin, mijne vrouw,
vroeger Mlle de Tourzel!”