III.

„Wel, wel! uw voortreffelijk geheugen brengt mij in verlegenheid, meneer

Van der Comme!”

„Ik heb er den heelen avond over nagedacht!”

„Ik beveel u betere onderwerpen aan!”

„Geloof me, 't was eene kapitale teleurstelling!”

„Bijzonder hoffelijk van u, ~parlons d'autre chose s'il vous plait~!”

„Neen, maar in goeden ernst, juffrouw Tourzel, ik geloof niet, dat ik in

een of ander opzicht je ontevredenheid heb kunnen verdienen, of dat ik

iets gezegd of gedaan heb, waarover je boos zou kunnen zijn, vat je?”

„Ik geloof het ook niet. Maar—~sans vous commander~—hoe komt u tot dat

zonderlinge denkbeeld?”

„Omdat je mijn arm niet aangenomen hebt, noch voor de quadrille, noch

voor het souper, vat je? Ik had er op gerekend, vast op gerekend!”

„~C'est bien aimable à vous, monsieur!~”

„'t Heeft me den heelen avond gehinderd, begrijp je? Tevergeefs heb ik

de gelegenheid gezocht, het je te zeggen. Als niet een van de jongelui

daar ginder zoo'n lang vers reciteerde, zou het me ook nu nog onmogelijk

geweest zijn. Sakkerloot, juffrouw Tourzel, ik heb je iets heel

gewichtigs te zeggen!”

Jasper Jodocus dronk schielijk zijn boordevol glas uit, zag de

gouvernante zeer geheimzinnig aan, en legde zijn vinger op de lippen.

Mlle de Tourzel schoof haar stoel snel wat achteruit. De hoogroode

gelaatskleur van den talentvollen ceremoniemeester, en de zonderling

grappige wijze, waarop hij in 't ronde zag, boezemde haar weinig

vertrouwen in. Gelukkig voor Jasper, dat niemand op hem lette, daar

de heeren Versuylen en Van Menghelen zoo beleefd waren naar een zeer

uitvoerig relaas van nicht Anna Geertruida over de familieverwikkelingen

der Van der Commes te luisteren.

„Ik twijfel geen oogenblik aan 't gewicht uwer woorden, meneer Van

der Comme! We hebben allen daartoe te veel verplichting aan uwe

voortreffelijke leiding van dit feest, we zijn te zeer overtuigd van uwe

talenten!”

„Ware het alleen, om dit nog eens van je te hooren, zoo zou ik gaarne

voor 't minst vijftig keeren het dubbele van dit werk willen doen, vat

je?”

Mlle de Tourzel schoof wederom wat achteruit, en hield haar waaier voor

den schamper lachenden mond.

„Ik geloof, juffrouw Tourzel, dat je niet twijfelt, of ik een solide man

ben. Vraag op de Beurs aan ieder, of de firma Van der Comme & Laarman

solide is! Vraag wie de meest geachte makelaars in effecten zijn! 't

Zal tot mijne eer uitkomen, begrijp je! Dat je zoo iemand weigert voor

eene quadrille en een souper, dat zijn damesgrillen, daar is niets aan

verbeurd! Maar luister nu eens goed toe. Ik ben het oude-vrijers-leven

moe, vat je? Ik heb er lang over nagedacht, alles goed berekend, goed

overwogen, en daar ik me vlei, dat ik je hoogachting en genegenheid

gewonnen heb—zoo vraag ik je rondborstig....”

Jasper Jodocus had bij deze woorden driftig zijne linkerhand

vooruitgestoken. Hij wilde tot naderen aandrang zijner

makelaars-verliefdheid de fijne vingeren zijner uitverkorene vatten—hij

zag in zijne geestdrift het woud van glazen over 't hoofd, dat tusschen

hem en haar een natuurlijken scheidsmuur vormde, en wierp er een

drietal, met wijn gevuld, in den schoot van Mlle de Tourzel. Alles

was zóó snel geschied, en zóó juist van pas stond een aantal heeren

op, om—bij 't eind van een langdradigen heildronk op de familie Van

der Comme—met koperen Bruid en Bruidegom te klinken, dat niemand

de waarachtige toedracht der zaak vermoedde, toen Versuylen met de

gouvernante de zaal verliet, en Jasper Jodocus met onverstoorbare

koelbloedigheid de talrijke gelukwenschingen beantwoordde, welke ook

hem, als zoo talentvol lid der familie, van alle zijden werden

aangeboden.

Opgewonden en vol heldenmoed stelde hij zich aanstonds voor, het gesprek

op bekwamer tijdstip te hervatten, daar hij niet vermoeden konde, dat

juffrouw Tourzel zoo dwaas zou zijn, om een man van zijne soliditeit te

weigeren. Wel begreep hij niet, waarom ze zoo spoedig was opgestaan,

ook herinnerde hij zich niet, of hij eenige verschooning in 't midden

had gebracht. Maar dit alles was bijzaak, 't kwam er nu op aan de

aandacht van het gezelschap geheel in beslag te nemen, opdat niemand

van het voorgevallene iets mocht merken. Stormachtig klonk eensklaps

zijne schel. Met buitengewone geestdrift kondigde hij aan, dat het

oogenblik gekomen was, om opnieuw eenige verpoozing te zoeken in de

danszaal,—daar reeds de toonkunst hare stem bij de zijne voegde, en

ieder uitnoodigde zich nog ten slotte eene wijle onder de bevelen van

den heer Quastman te stellen.

Ieder snelde vroolijk toe, om aan de uitnoodiging te voldoen. De oudere

heeren hadden uit verveling, gedurende de lange ontboezemingen der

Kameristen: ~Sic itur ad astra~, hunne flesschen geledigd, en verlangden

naar beweging en gesprek. De dames van leeftijd hadden zooveel opgemerkt

en gezien, 't welk zij malkaar gaarne in 't diepst geheim zouden

toefluisteren. De jongelieden—zoowel de Romeo's als de Julia's—hadden

al zooveel gesproken, dat ze waarlijk verlegen omzagen naar iets nieuws,

en geen beter hulpmiddel zouden hebben kunnen ontdekken, dan eene polka.

Daarenboven vreesden de Julia's zeer, dat de laatste glazen misschien

nog de kleine rest van 't verstand der Romeo's zouden rooven, en daarom

drongen zij ijverig vooruit naar de danszaal.

Maar drie der aanwezigen waren teleurgesteld door 't plotseling afbreken

van 't souper: de twee treurende Rederijkers, die nog eensklaps den moed

voelden rijzen, om hunne stemmen op te heffen en te spreken—en de

gastvrouw, die het bejammerde, dat er geene amandelen en rozijnen waren

aangeboden, waarvan HED. zoo buitengewoon veel hield.

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 26 / 58 题