„Wel, wel! uw voortreffelijk geheugen brengt mij in verlegenheid, meneer
Van der Comme!”
„Ik heb er den heelen avond over nagedacht!”
„Ik beveel u betere onderwerpen aan!”
„Geloof me, 't was eene kapitale teleurstelling!”
„Bijzonder hoffelijk van u, ~parlons d'autre chose s'il vous plait~!”
„Neen, maar in goeden ernst, juffrouw Tourzel, ik geloof niet, dat ik in
een of ander opzicht je ontevredenheid heb kunnen verdienen, of dat ik
iets gezegd of gedaan heb, waarover je boos zou kunnen zijn, vat je?”
„Ik geloof het ook niet. Maar—~sans vous commander~—hoe komt u tot dat
zonderlinge denkbeeld?”
„Omdat je mijn arm niet aangenomen hebt, noch voor de quadrille, noch
voor het souper, vat je? Ik had er op gerekend, vast op gerekend!”
„~C'est bien aimable à vous, monsieur!~”
„'t Heeft me den heelen avond gehinderd, begrijp je? Tevergeefs heb ik
de gelegenheid gezocht, het je te zeggen. Als niet een van de jongelui
daar ginder zoo'n lang vers reciteerde, zou het me ook nu nog onmogelijk
geweest zijn. Sakkerloot, juffrouw Tourzel, ik heb je iets heel
gewichtigs te zeggen!”
Jasper Jodocus dronk schielijk zijn boordevol glas uit, zag de
gouvernante zeer geheimzinnig aan, en legde zijn vinger op de lippen.
Mlle de Tourzel schoof haar stoel snel wat achteruit. De hoogroode
gelaatskleur van den talentvollen ceremoniemeester, en de zonderling
grappige wijze, waarop hij in 't ronde zag, boezemde haar weinig
vertrouwen in. Gelukkig voor Jasper, dat niemand op hem lette, daar
de heeren Versuylen en Van Menghelen zoo beleefd waren naar een zeer
uitvoerig relaas van nicht Anna Geertruida over de familieverwikkelingen
der Van der Commes te luisteren.
„Ik twijfel geen oogenblik aan 't gewicht uwer woorden, meneer Van
der Comme! We hebben allen daartoe te veel verplichting aan uwe
voortreffelijke leiding van dit feest, we zijn te zeer overtuigd van uwe
talenten!”
„Ware het alleen, om dit nog eens van je te hooren, zoo zou ik gaarne
voor 't minst vijftig keeren het dubbele van dit werk willen doen, vat
je?”
Mlle de Tourzel schoof wederom wat achteruit, en hield haar waaier voor
den schamper lachenden mond.
„Ik geloof, juffrouw Tourzel, dat je niet twijfelt, of ik een solide man
ben. Vraag op de Beurs aan ieder, of de firma Van der Comme & Laarman
solide is! Vraag wie de meest geachte makelaars in effecten zijn! 't
Zal tot mijne eer uitkomen, begrijp je! Dat je zoo iemand weigert voor
eene quadrille en een souper, dat zijn damesgrillen, daar is niets aan
verbeurd! Maar luister nu eens goed toe. Ik ben het oude-vrijers-leven
moe, vat je? Ik heb er lang over nagedacht, alles goed berekend, goed
overwogen, en daar ik me vlei, dat ik je hoogachting en genegenheid
gewonnen heb—zoo vraag ik je rondborstig....”
Jasper Jodocus had bij deze woorden driftig zijne linkerhand
vooruitgestoken. Hij wilde tot naderen aandrang zijner
makelaars-verliefdheid de fijne vingeren zijner uitverkorene vatten—hij
zag in zijne geestdrift het woud van glazen over 't hoofd, dat tusschen
hem en haar een natuurlijken scheidsmuur vormde, en wierp er een
drietal, met wijn gevuld, in den schoot van Mlle de Tourzel. Alles
was zóó snel geschied, en zóó juist van pas stond een aantal heeren
op, om—bij 't eind van een langdradigen heildronk op de familie Van
der Comme—met koperen Bruid en Bruidegom te klinken, dat niemand
de waarachtige toedracht der zaak vermoedde, toen Versuylen met de
gouvernante de zaal verliet, en Jasper Jodocus met onverstoorbare
koelbloedigheid de talrijke gelukwenschingen beantwoordde, welke ook
hem, als zoo talentvol lid der familie, van alle zijden werden
aangeboden.
Opgewonden en vol heldenmoed stelde hij zich aanstonds voor, het gesprek
op bekwamer tijdstip te hervatten, daar hij niet vermoeden konde, dat
juffrouw Tourzel zoo dwaas zou zijn, om een man van zijne soliditeit te
weigeren. Wel begreep hij niet, waarom ze zoo spoedig was opgestaan,
ook herinnerde hij zich niet, of hij eenige verschooning in 't midden
had gebracht. Maar dit alles was bijzaak, 't kwam er nu op aan de
aandacht van het gezelschap geheel in beslag te nemen, opdat niemand
van het voorgevallene iets mocht merken. Stormachtig klonk eensklaps
zijne schel. Met buitengewone geestdrift kondigde hij aan, dat het
oogenblik gekomen was, om opnieuw eenige verpoozing te zoeken in de
danszaal,—daar reeds de toonkunst hare stem bij de zijne voegde, en
ieder uitnoodigde zich nog ten slotte eene wijle onder de bevelen van
den heer Quastman te stellen.
Ieder snelde vroolijk toe, om aan de uitnoodiging te voldoen. De oudere
heeren hadden uit verveling, gedurende de lange ontboezemingen der
Kameristen: ~Sic itur ad astra~, hunne flesschen geledigd, en verlangden
naar beweging en gesprek. De dames van leeftijd hadden zooveel opgemerkt
en gezien, 't welk zij malkaar gaarne in 't diepst geheim zouden
toefluisteren. De jongelieden—zoowel de Romeo's als de Julia's—hadden
al zooveel gesproken, dat ze waarlijk verlegen omzagen naar iets nieuws,
en geen beter hulpmiddel zouden hebben kunnen ontdekken, dan eene polka.
Daarenboven vreesden de Julia's zeer, dat de laatste glazen misschien
nog de kleine rest van 't verstand der Romeo's zouden rooven, en daarom
drongen zij ijverig vooruit naar de danszaal.
Maar drie der aanwezigen waren teleurgesteld door 't plotseling afbreken
van 't souper: de twee treurende Rederijkers, die nog eensklaps den moed
voelden rijzen, om hunne stemmen op te heffen en te spreken—en de
gastvrouw, die het bejammerde, dat er geene amandelen en rozijnen waren
aangeboden, waarvan HED. zoo buitengewoon veel hield.