II.

De luister van het ~souper~ overtrof ieders verwachting. De lakeien en

kornetjes draafden ijverig heen en weer. De weelde der verlichting,

het schitterend tafelzilver, de rijkdom van porseleinen borden, de

overdreven pracht van fijngeslepen glaswerk, alles werkte mee om de

genoeglijke stemming der gasten tot dat ~sempre crescendo~ op te winden,

't welk den gastheer alleszins gerust mocht stellen omtrent het zeer

fatsoenlijke karakter van zijn feest. De beide groote receptiezalen

waren met tal van kleine tafeltjes gevuld. Een luid gerucht van stemmen,

van gelach, van glazen en kelken, waarmee werd aangestooten, getuigde,

dat de feestvreugde eerst nu haar hoogste glanspunt had bereikt.

Nog altijd zetelde er een wolk op 't voorhoofd van den verdienstelijken

ceremoniemeester ~en chef~. Jasper Jodocus was volkomen terneergeslagen

door de dubbele weigering van Mlle de Tourzel. En thans juist scheen

het, of ze elk oogenblik belangrijker werd in zijne oogen, thans had hij

haar maar een paar minuten afzonderlijk willen spreken, om te beproeven

of ze werkelijk alles zou weigeren, wat hij haar dien avond mocht

voorstellen. Toen de heer Versuylen zich met haar naar 't einde der

tweede zaal begaf, waar koperen Bruidegom en Bruid eene eereplaats was

aangewezen, had hij hen onmiddellijk gevolgd, en nicht Anna Geertruida

zoo haastig meegesleept, dat ze tot tweemalen toe tegen een paartje

jongelui aanbotste, 't welk zich rustig bezighield eene passende plaats

op te zoeken. Nicht Anna Geertruida glimlachte echter zeer opgetogen,

en knikte de gestoorde jongelieden zoo goedhartig toe, alsof hun

plotseling een onverwacht genot was ten deel gevallen. In een oogenblik

had Jasper Jodocus de zaak naar zijn verlangen geregeld. De heer

Versuylen werd zijn tafelgenoot en de groote zilveren schel der

ceremoniemeesterswaardigheid vond eene plaats in de onmiddellijke

nabijheid van 't bord der gouvernante.

Sinds dat oogenblik was hij zeker van zijne zaak, en wijdde hij zich

geheel aan de plichten van zijn feestambt. Hij vond den moed eene lange

rede uit te spreken tot openlijke gelukwensching van den ~jubilaris~ en

zijne echtgenoote. Deze laatste scheen wel de eenige te zijn, die zijn

proza recht genoot, daar zij telkens van het vroolijkste lachen tot de

diepste ontroering oversloeg en den spreker gedurende zijne voordracht

geen oogenblik uit het oog verloor. Caspar Janssen tuurde verlegen op

zijn bord, en bespiedde in stilte de uitwerking van den ~speech~ op

Zilverlink. De jongere helft der gasten fluisterde gestadig voort, en

schertste en dronk, of er geen opper-ceremoniemeester in de nabijheid

ware.

Oogenblikkelijk daarna werd er weder een lied uit den koperrooden bundel

opgezongen, gedurende welke plechtigheid de heeren Proost en Brunner

zich oefenden in het zingen met kunstig nagebootste vrouwenstemmen. Zoo

spoedig Jasper den boozen geest der toosten had wakker gemaakt, scheen

het of deze eene onverbiddelijke toovermacht over het gezelschap zou

uitoefenen. Deftig gevouwen papieren in groot formaat komen eensklaps

aan alle zijden te voorschijn. Men strijdt om het woord. De leden der

kamer: ~Sic itur ad astra~ verkrijgen den voorrang. Jasper werpt

fonkelende blikken naar 't feestvierend echtpaar.

Nicht Anna Geertruida vindt de partij zeer aangenaam en zeer

fatsoenlijk, ze had het in den beginne niet durven denken. Jasper was

toch wel een goed mensch, zoo spraakzaam en zoo beleefd. Waarom hij toch

zooveel wijn drinkt? Gedurig ziet hij glimlachend voor zich, en van tijd

tot tijd spreekt hij een paar woorden met de gouvernante, die naast

hem zit. Die gouvernante! Ze heeft waarlijk meer het voorkomen van

eene aanzienlijke ~logée~ of van eene hooggeborene gast dan van eene

gouvernante. Dat er toch altijd nog menschen moesten zijn die hunne

positie niet begrepen, en zich boven hun stand wilden verheffen!—Nicht

Anna Geertruida verzelt de laatste gedachte met een diepen zucht, en

neemt eene aanzienlijke hoeveelheid ham en kalfsvleesch.

Met koortsachtige haast volgen de officieele feestdronken elkander op.

Caspar Janssen hoort nauwkeurig toe, wie aan 't woord is en richt zijne

belangstelling naar het maatschappelijk gewicht van den spreker. Hij is

geheel oor, daar de heer Zilverlink hem een uitvoerig verslag van zijn

nieuw buiten bij Hilversum meedeelt. Hij betrapt zich zelven op de

stoutmoedige begeerte, om zijne vrouw minzame blikken toe te werpen, en

zijn glas haastig tweemaal te ledigen. Hij is bijkans geheel op zijn

gemak, en beschouwt zijn broeder Jasper Jodocus met meer dan gewone

dankbaarheid.

Deze laatste slingert zijne zilveren schel met uitbundige deftigheid,

zoo dikwijls hij het gezelschap tot gezang of stilte verlangt uit te

noodigen. Voor den scherpen opmerker blijft het niet verborgen, dat iets

buitengemeens in zijn gemoed voorvalt. Zijne stem klinkt opmerkelijk

luid, zijne woorden vloeien met het uiterste gemak, mocht ook zijne

logica bij een paar zijner hoorders de hoogste verbazing opwekken. Zijne

oogen glimmen met zonderlinge opgewektheid, hij schijnt zich zelven te

oefenen in een dom en geheimzinnig lachen. Mocht hij al zijne uiterste

krachten inspannen, om de plichten zijner hooge waardigheid met klem te

vervullen, nog ijveriger doet hij zich als plaatsvervanger van den

gastheer aan zijn tafelgezelschap kennen.

Onafgebroken noodigt hij de heeren Versuylen en Van Menghelen, om hunne

glazen te vullen tot bescheid op den een of ander hoogst belangrijken

dronk. De eerste kreunt zich zeer weinig aan den ijver van 't kleine

manneke, en zet steeds een levendig gesprek voort met Mlle de Tourzel,

waarin somtijds de naam van Koenraad Vechters fluisterend wordt genoemd.

De tweede is geenszins onwillig, om het verlangen des ceremoniemeesters

te bevredigen. Tusschen Anna Geertruida, die in stilte een

eerbiedwekkenden eetlust ontwikkelt, en zijne dochter Suze, voor

wie zich geen gelei-jonker tot het ~souper~ had opgedaan, vindt hij

geene betere uitspanning, dan de volkomene bevrediging van zijn

wijnkoopersgeweten—in 't geheim de fijne merken prijzende, die uit

zijn kelder naar dien van Caspar Janssen zijn overgebracht.

De jongere leden van het feest hebben zich bijna allen in de eerste

receptiezaal aaneengesloten. Ook onder hen verheffen zich van tijd

tot tijd sprekers, maar schoon er opstaan, die onder de bekende en

alom gehuldigde sterren der kunstlievende Kamer: ~Sic itur ad astra~

geteld worden, niets beweegt een al te ondankbaar gehoor, om eene poos

zijn heiligschennend rumoer te staken. De heer Verswayen, de lange

jonkman met vuurrood hair, dien wij reeds onder de drinkers in 't

zijvertrekje hebben opgemerkt, moet tot zijne ongemeene verbazing

gewaarworden, dat dezelfde stuipachtige gebaren, die hem nog kort te

voren, als Don Carlos, de uitbundige toejuiching van een wellevend

publiek hadden verzekerd, thans ten eenenmale nutteloos zijn, nu hij een

koperen-bruiloftsgedicht, voor deze gelegenheid expresselijk vervaardigd

door een leerling van Schenkman, poogt voor te dragen. Ja, zelfs de heer

Sleepman Galmering, de alom geprezen ~jeune-premier~ der Kamer, de held

van wedstrijden en samenkomsten der Nederlandsche Rederijkers, zelfs

Sleepman Galmering wordt onachtzaam verwaarloosd, nu hij eene ode op 't

huiselijk geluk in den vorm van een toost door de zaal doet trillen. Is

't wonder, dat beide jongelieden elkaar blikken van verstandhouding

toewerpen, tot driewerf toe een beker van onderlinge vertroosting

drinken?

Ook de jongedames schijnen niet oningenomen met de vermakelijkheden van

den avond. De dames Zilverlink beheerschen hare omgeving, en vinden naar

gewoonte een krachtig verzet van de zijde der dames Berghuysen, welk

verzet zich echter heden tot eenige zeer hoffelijke schermutselingen

bepaalt. Wilhelmina Zilverlink geeft den heer Brunner soms een

vriendschappelijk tikje met haar waaier, als hij onder 't langzaam

proeven van een glas kostelijken Bourgogne aan zijne bijzondere neiging

tot mijmeren botviert. Laura Zilverlink barst telkens in gillend

schateren uit, naar aanleiding van de mededeelingen des heeren Proosts,

die, met meer dan gewone geestdrift en opgeheven glas, elken redenaar

aan 't eind zijner toespraak begroet, schoon hij de minst aandachtige

hoorder was en volstrekt niet weet wien de feestdronk geldt.

Juffrouw Rotsenaer zit in een hoek, waaruit ze het gewoel volkomen

overzien kan, schoon 't haar smart, dat ze van de voorvallen in de

tweede zaal maar fragmenten kan opvangen. Haar ridder is een verlegen,

linksch jongmensch, wiens naam ze niet kent, en die telkens zijn mes of

zijne vork op haar lichtblauw zijden balkleed laat vallen. Dat er bij de

Van der Commes altijd iets min of meer zonderlings moet voorvallen,

blijkt haar allerduidelijkst uit de ongepaste vrijheden, die de dames

Berghuysen, Zilverlink, enz. enz. zich in hare gesprekken met jongelui

durven veroorloven. De oudste juffrouw Berghuysen fluistert zoo lief

met dien langen, rooden redenaar, welken niemand heeft willen hooren,

dat hij gemakkelijk een ~souper~ met hare valsche bruine vlechten zou

kunnen doen—en juffrouw Rotsenaer heeft het met eigen oogen opgemerkt,

dat Laura Zilverlink hare hand gelegd had op den schouder van dien

halfbeschonken commissaris van orde, die zoo luide schreeuwt bij iederen

toost, dat zijn voorhoofd en hals er purper van worden.

Ter zijde van den ingang der zaal is een tafeltje ingenomen door

twee teleurgestelde Rederijkers, die niet durven optreden, daar de

beste sprekers der Kamer niet naar eisch worden gewaardeerd. Zij

worden vergezelschapt door mejuffrouw Anne-Kee van Menghelen en eene

dertigjarige blondine, die zeer naïef lacht, eet en drinkt, en ieder

oogenblik bloost. Het derde paar aan dat tafeltje wordt gevormd door

Pauline van Someren en Koenraad Vechters. Toevallig zijn ze allen daar

te zaam gekomen, men heeft derhalve in den beginne enkele beleefde

woorden met het gezelschap gewisseld, vervolgens hebben de Rederijkers

zich uitsluitend tot hunne dames gewend en zoo is het geschied, dat

Vechters een levendig gesprek heeft gevoerd met de zijne.

't Was Zondagmorgen in zijn gemoed geweest van het oogenblik, toen

Pauline hem gul hare hand aangeboden en beweerd had, dat zij oude

kennissen waren, dat hij niet aan haar behoefde voorgesteld te

worden—toen beiden en Mlle de Tourzel, die hen tot elkaar had gebracht,

in een vroolijk lachen saamstemden, schoon zij zelven niet wisten, wat

de eigenlijke oorzaak van hunne vroolijkheid was. Daarna had Vechters

al zijne schroomvalligheid overwonnen, en al zijne welbespraaktheid

teruggevonden. Wat ze beiden gezegd en geantwoord hebben, zou noch de

een noch de andere u hebben kunnen meedeelen, maar Vechters wist, dat

Pauline oneindig schranderder en bevalliger was, dan drie jaren geleden,

en dat zijn hart klopte van verrukking, zoo dikwijls hare welluidende

stem begon te spreken. Zeker had zij nooit iets vernomen van zijn

onderhoud met haar vader—zij had van diens verscheiden met weemoedigen

ernst gesproken—later had zij hem alleen nadrukkelijk gevraagd, waarom

hij toch zoo plotseling verdwenen was, zonder iemand zijner vrienden

vaarwel te zeggen.

Thans verhaalde hij van Italië, van Rome, van zijne ervaringen in den

vreemde, en zag haar daarbij met zoo levendigen blik in de mooie oogen,

dat hem lichtelijk mocht aangezien worden, welk een heerlijk oogenblik

hij doorleefde. In 't geheim van zijn hart schetste hij reeds een

liefelijk beeld der toekomst, en hij was er te talentvol schilder voor,

om niet de schitterendste en schoonste verven van zijn palet te kiezen.

Wel vreesde hij, nog te spoedig en te veel te hopen—maar de gedachte,

dat na het overlijden van den heer Van Someren, niemand over de hand

zijner dochter zou te beschikken hebben dan zij zelve—stelde hem gerust

en moedigde hem aan, zijn tafereel te voltooien. En dan klonk er in zijn

binnenste zulk een zegevierend jubellied, dat hij verbijsterd stilzweeg,

en er niet eer weder aan dacht om te spreken, voordat Pauline hem

lachend gevraagd had, waarom hij zoo afgetrokken en verstrooid in 't

rond staarde.

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 25 / 58 题