De luister van het ~souper~ overtrof ieders verwachting. De lakeien en
kornetjes draafden ijverig heen en weer. De weelde der verlichting,
het schitterend tafelzilver, de rijkdom van porseleinen borden, de
overdreven pracht van fijngeslepen glaswerk, alles werkte mee om de
genoeglijke stemming der gasten tot dat ~sempre crescendo~ op te winden,
't welk den gastheer alleszins gerust mocht stellen omtrent het zeer
fatsoenlijke karakter van zijn feest. De beide groote receptiezalen
waren met tal van kleine tafeltjes gevuld. Een luid gerucht van stemmen,
van gelach, van glazen en kelken, waarmee werd aangestooten, getuigde,
dat de feestvreugde eerst nu haar hoogste glanspunt had bereikt.
Nog altijd zetelde er een wolk op 't voorhoofd van den verdienstelijken
ceremoniemeester ~en chef~. Jasper Jodocus was volkomen terneergeslagen
door de dubbele weigering van Mlle de Tourzel. En thans juist scheen
het, of ze elk oogenblik belangrijker werd in zijne oogen, thans had hij
haar maar een paar minuten afzonderlijk willen spreken, om te beproeven
of ze werkelijk alles zou weigeren, wat hij haar dien avond mocht
voorstellen. Toen de heer Versuylen zich met haar naar 't einde der
tweede zaal begaf, waar koperen Bruidegom en Bruid eene eereplaats was
aangewezen, had hij hen onmiddellijk gevolgd, en nicht Anna Geertruida
zoo haastig meegesleept, dat ze tot tweemalen toe tegen een paartje
jongelui aanbotste, 't welk zich rustig bezighield eene passende plaats
op te zoeken. Nicht Anna Geertruida glimlachte echter zeer opgetogen,
en knikte de gestoorde jongelieden zoo goedhartig toe, alsof hun
plotseling een onverwacht genot was ten deel gevallen. In een oogenblik
had Jasper Jodocus de zaak naar zijn verlangen geregeld. De heer
Versuylen werd zijn tafelgenoot en de groote zilveren schel der
ceremoniemeesterswaardigheid vond eene plaats in de onmiddellijke
nabijheid van 't bord der gouvernante.
Sinds dat oogenblik was hij zeker van zijne zaak, en wijdde hij zich
geheel aan de plichten van zijn feestambt. Hij vond den moed eene lange
rede uit te spreken tot openlijke gelukwensching van den ~jubilaris~ en
zijne echtgenoote. Deze laatste scheen wel de eenige te zijn, die zijn
proza recht genoot, daar zij telkens van het vroolijkste lachen tot de
diepste ontroering oversloeg en den spreker gedurende zijne voordracht
geen oogenblik uit het oog verloor. Caspar Janssen tuurde verlegen op
zijn bord, en bespiedde in stilte de uitwerking van den ~speech~ op
Zilverlink. De jongere helft der gasten fluisterde gestadig voort, en
schertste en dronk, of er geen opper-ceremoniemeester in de nabijheid
ware.
Oogenblikkelijk daarna werd er weder een lied uit den koperrooden bundel
opgezongen, gedurende welke plechtigheid de heeren Proost en Brunner
zich oefenden in het zingen met kunstig nagebootste vrouwenstemmen. Zoo
spoedig Jasper den boozen geest der toosten had wakker gemaakt, scheen
het of deze eene onverbiddelijke toovermacht over het gezelschap zou
uitoefenen. Deftig gevouwen papieren in groot formaat komen eensklaps
aan alle zijden te voorschijn. Men strijdt om het woord. De leden der
kamer: ~Sic itur ad astra~ verkrijgen den voorrang. Jasper werpt
fonkelende blikken naar 't feestvierend echtpaar.
Nicht Anna Geertruida vindt de partij zeer aangenaam en zeer
fatsoenlijk, ze had het in den beginne niet durven denken. Jasper was
toch wel een goed mensch, zoo spraakzaam en zoo beleefd. Waarom hij toch
zooveel wijn drinkt? Gedurig ziet hij glimlachend voor zich, en van tijd
tot tijd spreekt hij een paar woorden met de gouvernante, die naast
hem zit. Die gouvernante! Ze heeft waarlijk meer het voorkomen van
eene aanzienlijke ~logée~ of van eene hooggeborene gast dan van eene
gouvernante. Dat er toch altijd nog menschen moesten zijn die hunne
positie niet begrepen, en zich boven hun stand wilden verheffen!—Nicht
Anna Geertruida verzelt de laatste gedachte met een diepen zucht, en
neemt eene aanzienlijke hoeveelheid ham en kalfsvleesch.
Met koortsachtige haast volgen de officieele feestdronken elkander op.
Caspar Janssen hoort nauwkeurig toe, wie aan 't woord is en richt zijne
belangstelling naar het maatschappelijk gewicht van den spreker. Hij is
geheel oor, daar de heer Zilverlink hem een uitvoerig verslag van zijn
nieuw buiten bij Hilversum meedeelt. Hij betrapt zich zelven op de
stoutmoedige begeerte, om zijne vrouw minzame blikken toe te werpen, en
zijn glas haastig tweemaal te ledigen. Hij is bijkans geheel op zijn
gemak, en beschouwt zijn broeder Jasper Jodocus met meer dan gewone
dankbaarheid.
Deze laatste slingert zijne zilveren schel met uitbundige deftigheid,
zoo dikwijls hij het gezelschap tot gezang of stilte verlangt uit te
noodigen. Voor den scherpen opmerker blijft het niet verborgen, dat iets
buitengemeens in zijn gemoed voorvalt. Zijne stem klinkt opmerkelijk
luid, zijne woorden vloeien met het uiterste gemak, mocht ook zijne
logica bij een paar zijner hoorders de hoogste verbazing opwekken. Zijne
oogen glimmen met zonderlinge opgewektheid, hij schijnt zich zelven te
oefenen in een dom en geheimzinnig lachen. Mocht hij al zijne uiterste
krachten inspannen, om de plichten zijner hooge waardigheid met klem te
vervullen, nog ijveriger doet hij zich als plaatsvervanger van den
gastheer aan zijn tafelgezelschap kennen.
Onafgebroken noodigt hij de heeren Versuylen en Van Menghelen, om hunne
glazen te vullen tot bescheid op den een of ander hoogst belangrijken
dronk. De eerste kreunt zich zeer weinig aan den ijver van 't kleine
manneke, en zet steeds een levendig gesprek voort met Mlle de Tourzel,
waarin somtijds de naam van Koenraad Vechters fluisterend wordt genoemd.
De tweede is geenszins onwillig, om het verlangen des ceremoniemeesters
te bevredigen. Tusschen Anna Geertruida, die in stilte een
eerbiedwekkenden eetlust ontwikkelt, en zijne dochter Suze, voor
wie zich geen gelei-jonker tot het ~souper~ had opgedaan, vindt hij
geene betere uitspanning, dan de volkomene bevrediging van zijn
wijnkoopersgeweten—in 't geheim de fijne merken prijzende, die uit
zijn kelder naar dien van Caspar Janssen zijn overgebracht.
De jongere leden van het feest hebben zich bijna allen in de eerste
receptiezaal aaneengesloten. Ook onder hen verheffen zich van tijd
tot tijd sprekers, maar schoon er opstaan, die onder de bekende en
alom gehuldigde sterren der kunstlievende Kamer: ~Sic itur ad astra~
geteld worden, niets beweegt een al te ondankbaar gehoor, om eene poos
zijn heiligschennend rumoer te staken. De heer Verswayen, de lange
jonkman met vuurrood hair, dien wij reeds onder de drinkers in 't
zijvertrekje hebben opgemerkt, moet tot zijne ongemeene verbazing
gewaarworden, dat dezelfde stuipachtige gebaren, die hem nog kort te
voren, als Don Carlos, de uitbundige toejuiching van een wellevend
publiek hadden verzekerd, thans ten eenenmale nutteloos zijn, nu hij een
koperen-bruiloftsgedicht, voor deze gelegenheid expresselijk vervaardigd
door een leerling van Schenkman, poogt voor te dragen. Ja, zelfs de heer
Sleepman Galmering, de alom geprezen ~jeune-premier~ der Kamer, de held
van wedstrijden en samenkomsten der Nederlandsche Rederijkers, zelfs
Sleepman Galmering wordt onachtzaam verwaarloosd, nu hij eene ode op 't
huiselijk geluk in den vorm van een toost door de zaal doet trillen. Is
't wonder, dat beide jongelieden elkaar blikken van verstandhouding
toewerpen, tot driewerf toe een beker van onderlinge vertroosting
drinken?
Ook de jongedames schijnen niet oningenomen met de vermakelijkheden van
den avond. De dames Zilverlink beheerschen hare omgeving, en vinden naar
gewoonte een krachtig verzet van de zijde der dames Berghuysen, welk
verzet zich echter heden tot eenige zeer hoffelijke schermutselingen
bepaalt. Wilhelmina Zilverlink geeft den heer Brunner soms een
vriendschappelijk tikje met haar waaier, als hij onder 't langzaam
proeven van een glas kostelijken Bourgogne aan zijne bijzondere neiging
tot mijmeren botviert. Laura Zilverlink barst telkens in gillend
schateren uit, naar aanleiding van de mededeelingen des heeren Proosts,
die, met meer dan gewone geestdrift en opgeheven glas, elken redenaar
aan 't eind zijner toespraak begroet, schoon hij de minst aandachtige
hoorder was en volstrekt niet weet wien de feestdronk geldt.
Juffrouw Rotsenaer zit in een hoek, waaruit ze het gewoel volkomen
overzien kan, schoon 't haar smart, dat ze van de voorvallen in de
tweede zaal maar fragmenten kan opvangen. Haar ridder is een verlegen,
linksch jongmensch, wiens naam ze niet kent, en die telkens zijn mes of
zijne vork op haar lichtblauw zijden balkleed laat vallen. Dat er bij de
Van der Commes altijd iets min of meer zonderlings moet voorvallen,
blijkt haar allerduidelijkst uit de ongepaste vrijheden, die de dames
Berghuysen, Zilverlink, enz. enz. zich in hare gesprekken met jongelui
durven veroorloven. De oudste juffrouw Berghuysen fluistert zoo lief
met dien langen, rooden redenaar, welken niemand heeft willen hooren,
dat hij gemakkelijk een ~souper~ met hare valsche bruine vlechten zou
kunnen doen—en juffrouw Rotsenaer heeft het met eigen oogen opgemerkt,
dat Laura Zilverlink hare hand gelegd had op den schouder van dien
halfbeschonken commissaris van orde, die zoo luide schreeuwt bij iederen
toost, dat zijn voorhoofd en hals er purper van worden.
Ter zijde van den ingang der zaal is een tafeltje ingenomen door
twee teleurgestelde Rederijkers, die niet durven optreden, daar de
beste sprekers der Kamer niet naar eisch worden gewaardeerd. Zij
worden vergezelschapt door mejuffrouw Anne-Kee van Menghelen en eene
dertigjarige blondine, die zeer naïef lacht, eet en drinkt, en ieder
oogenblik bloost. Het derde paar aan dat tafeltje wordt gevormd door
Pauline van Someren en Koenraad Vechters. Toevallig zijn ze allen daar
te zaam gekomen, men heeft derhalve in den beginne enkele beleefde
woorden met het gezelschap gewisseld, vervolgens hebben de Rederijkers
zich uitsluitend tot hunne dames gewend en zoo is het geschied, dat
Vechters een levendig gesprek heeft gevoerd met de zijne.
't Was Zondagmorgen in zijn gemoed geweest van het oogenblik, toen
Pauline hem gul hare hand aangeboden en beweerd had, dat zij oude
kennissen waren, dat hij niet aan haar behoefde voorgesteld te
worden—toen beiden en Mlle de Tourzel, die hen tot elkaar had gebracht,
in een vroolijk lachen saamstemden, schoon zij zelven niet wisten, wat
de eigenlijke oorzaak van hunne vroolijkheid was. Daarna had Vechters
al zijne schroomvalligheid overwonnen, en al zijne welbespraaktheid
teruggevonden. Wat ze beiden gezegd en geantwoord hebben, zou noch de
een noch de andere u hebben kunnen meedeelen, maar Vechters wist, dat
Pauline oneindig schranderder en bevalliger was, dan drie jaren geleden,
en dat zijn hart klopte van verrukking, zoo dikwijls hare welluidende
stem begon te spreken. Zeker had zij nooit iets vernomen van zijn
onderhoud met haar vader—zij had van diens verscheiden met weemoedigen
ernst gesproken—later had zij hem alleen nadrukkelijk gevraagd, waarom
hij toch zoo plotseling verdwenen was, zonder iemand zijner vrienden
vaarwel te zeggen.
Thans verhaalde hij van Italië, van Rome, van zijne ervaringen in den
vreemde, en zag haar daarbij met zoo levendigen blik in de mooie oogen,
dat hem lichtelijk mocht aangezien worden, welk een heerlijk oogenblik
hij doorleefde. In 't geheim van zijn hart schetste hij reeds een
liefelijk beeld der toekomst, en hij was er te talentvol schilder voor,
om niet de schitterendste en schoonste verven van zijn palet te kiezen.
Wel vreesde hij, nog te spoedig en te veel te hopen—maar de gedachte,
dat na het overlijden van den heer Van Someren, niemand over de hand
zijner dochter zou te beschikken hebben dan zij zelve—stelde hem gerust
en moedigde hem aan, zijn tafereel te voltooien. En dan klonk er in zijn
binnenste zulk een zegevierend jubellied, dat hij verbijsterd stilzweeg,
en er niet eer weder aan dacht om te spreken, voordat Pauline hem
lachend gevraagd had, waarom hij zoo afgetrokken en verstrooid in 't
rond staarde.