I.

De koperen-bruiloftsfeestelijkheden hadden elkaar intusschen met

stelselmatige orde opgevolgd. Er werd druk gedanst en geschertst.

Sommige jeugdige gasten met zwarte rokken hadden zich om het buffet

geschaard in het zijvertrekje. De heer Proost is in vertrouwelijk

gesprek gewikkeld met Karel, den lakei. Hij vraagt naar den afloop van

't tooneel tusschen Jasper Sen. en Jasper Jun. Karel lacht geheimzinnig,

en vertelt, dat hij den jongeheer naar zijne kamer had moeten brengen,

maar dat de jongeheer dit volstrekt niet wilde toelaten, dat de

jongeheer nog meer wijn gedronken had, en zeer bleek begon te zien, dat

hij den jongeheer eindelijk met moeite te bed had gelegd, en dat de

jongeheer nu zeer ziek was.

De heeren schateren luide over de heldenfeiten van Jasper Jun. en gaan

over tot de orde van den dag: het Park, de Opera, het Ballet, de Dames.

Eenige meer bejaarde heeren spreken fluisterend over handelsbelangen,

een paar anderen twisten over moderne of rechtgeloovige godgeleerdheid.

Jasper Jodocus verschijnt van tijd tot tijd, fluistert met de

commissarissen van orde, en glimlacht, of hij de held van 't feest ware.

In de beide groote receptiekamers is een vijftal lakeien met de drie

kornetjes ijverig bezig met het plaatsen van kleine tafeltjes. Ieder

dezer tafeltjes wordt voor zes personen gedekt, en beladen met een leger

van fijn geslepen glazen, van alle vormen en tot velerlei doel bestemd.

De commissarissen van orde nemen de zalen in oogenschouw, en 't ontsnapt

niemand, dat de blikken van de heeren Proost en Co. steeds zonderling

glimmen van ondubbelzinnig genoegen. Alles voorspelt, dat het bal weldra

ten einde zal spoeden, en het feestelijk maal alras zal beginnen.

In de danszaal is juist de slotquadrille aangekondigd. Ettelijke

paartjes streven haastig door elkander en plaatsen zich in slagorde.

Eene groote menigte dames van middelbaren leeftijd en twijfelachtige

jeugd houdt de stoelen aan den wand bezet. Door haar opgeruimd lachen

zou men mogen vermoeden, dat ze den ondeugenden Henri van Meerbeeke

nooit gelezen hebben, en volstrekt geene bewustheid koesteren van de

„muurbloemen”-leer, door dezen schranderen opmerker met zooveel

juistheid in 't licht gesteld.

Gesproken wordt er genoeg. Mevrouw Berghuysen weet waarlijk niet, hoe ze

geschikte woorden vinden zal, om mevrouw Van der Comme haar compliment

te maken over de lieve partij. Ja, dat is juffrouw Rotsenaer ook geheel

met haar eens, en nicht Anna Geertruida ook al, en iedereen, die in

de nabijheid van de gastvrouw zit. Mevrouw Van der Comme lacht zeer

tevreden en zeer onnoozel. Zij laat alles maar aan Jasper over, dat

begrijpen de dames wel—en dan bemoeit de juffrouw er zich eens mee, als

deze laatste dat zoo eens in 't hoofd komt.

Mevrouw Berghuysen zou het met zoo'n juffrouw nimmer kunnen uithouden.

Ze had er den heelen avond al op gelet, hoe dat dametje met een voornaam

~air~ in 't ronde liep, en zich niet schaamde te dansen als jongere

meisjes bleven zitten. Daaraan had ook juffrouw Rotsenaer zich „fameus”

geërgerd, en nicht Anna Geertruida ook, en alle andere dames in de

nabijheid. Mevrouw Van der Comme zuchtte zachtjes, streek de breede

lichtgroene linten van hare monstermuts glad, en bekende, dat Caspar

altijd zeer tevreden was over de juffrouw, omdat ze zulke fatsoenlijke

manieren had, zulke fatsoenlijke familierelatiën en zulke fatsoenlijke

kennissen in de stad.

Wat verder op zitten twee jonge meisjes met volmaakt gelijke

baltoiletten en hoogroode wangen. 't Zijn de dames Van Menghelen,

Anne-Kee en Suze, beiden zeer grof van uiterlijk en onverbiddelijk

leelijk. Anne-Kee had het Suze vooraf wel gezegd, dat ze zich toch niet

amuseeren zouden, en als Pa het niet volstrekt gewild had, omdat hij

zoo'n goeden klant als meneer Van der Comme wat ontzien moest, dan

zou zij althans liever thuis gebleven zijn. Dat kan Suze niet zeggen:

hadden ze beiden niet uit blijdschap door de kamer gewalst, toen de

uitnoodiging kwam? En dan vond zij het toch altijd aardig het dansen te

zien, men kon soms zulke dwaze gevalletjes opmerken. Dat vond Anne-Kee

ook. Suze moest maar eens letten op dien langen heer met vuurrood haar,

die daar juist zijn ~cavalier seul~ zou maken. Hij sloeg met armen en

beenen zoo driftig van zich af, of hij in een net gevangen zat en zich

met alle geweld wilde vrijmaken. En dan die eene juffrouw Zilverlink met

„~cerise~-roode” linten! Wat eene belachelijke drukte, ze hing in de

armen van dien bleeken jongen, alsof ze bang was, dat hij haar op den

grond zou laten vallen.

In denzelfden hoek en op dezelfde sofa zit nog altijd de omzichtige

koperen bruidegom. Hij heeft met Versuylen en Zilverlink eene geruime

poos gesproken. Hij heeft zelfs een weinigje geredetwist met den eerste

over de beteekenis eener buitenlandsche decoratie, waartoe een toevallig

voorbijgaan van den jongen schilder aanleiding gegeven had. Hij gelooft,

dat hij recht fatsoenlijk gesproken heeft. Koenraad Vechters is enkele

percenten in zijne hoogachting gerezen, vooral door 't gunstig advies

van Versuylen over zijn talent en zijne ter tentoonstelling gebrachte

stukken.

Caspar Janssen vermaakt zich op dit oogenblik met zijne beide meisjes,

die met van genoegen schitterende blikken de figuren der quadrille

volgen. De vader is volstrekt niet tegen den ~parvenu~ opgewassen. Hij

verliest zijne belachelijke bedeesdheid, zoodra hij zich met zijne

kinderen bezighoudt. Hij kan ongedwongen met hen spreken en schertsen,

zelfs voor het oog zijner gasten. Het oudste meisje vertelt, dat de

juffrouw wel vriendelijk was geweest, maar het toch geweigerd had, toen

ze gedwongen hadden, om tot het einde van 't feest op te blijven—dat

broer Jasper zoo ondeugend was, en zooveel wijn had gedronken, dat hij

al lang te bed was gelegd—dat er zooveel heeren in 't zijkamertje zaten

te praten, en dat ze soms hardop begonnen te lachen, men kon het in

de gang duidelijk hooren. Eene wolk trok over het voorhoofd van den

schatrijken gastheer. 't Was goed, dat men den jongen maar weggebracht

had, hij mocht nog andere onfatsoenlijke stoornis veroorzaken. Caspar

was onherroepelijk van voornemen, den knaap op dat strenge kostschool in

Noord-Brabant te brengen, waarvan Berghuysen hem nog onlangs gesproken

had; lang genoeg was de jongen thuis bedorven, en, wat Mina er ook tegen

zeggen mocht, 't zou geschieden.

Juist eindigde de quadrille. Jasper Jodocus trad met onverstoorbare

deftigheid in 't midden van zijn staf voorwaarts, en kondigde aan,

dat men zich naar de andere zalen begeven zoude ten einde een

vriendschappelijk feestmaal te gebruiken. Terstond snellen alle

ordecommissarissen uit het gelid, om hun arm aan de dame hunner keuze

aan te bieden. De heer Zilverlink wandelt met de gastvrouwe deftig rond

en wacht het teeken, om de zaal te verlaten. Caspar Janssen denkt een

oogenblik na, en biedt daarna zijn arm aan mevrouw Berghuysen, die hem

aanstonds dezelfde gemoedsbezwaren meedeelt, welke zij nog onlangs aan

zijne echtgenoote heeft geopenbaard.

De muziek heft een marsch aan, de stoet zet zich in beweging. Waarom

ziet Jasper Jodocus zoo verstoord? Hij heeft nicht Anna Geertruida aan

zijne zijde, maar Mlle de Tourzel heeft hem geweigerd—de heer Versuylen

had hem de pas afgesneden.

En midden onder de paartjes gaat er ook een door de gang, 't welk zeer

zacht keuvelt, en voor niemand oogen heeft, dan voor zich zelf. Vechters

buigt zich van tijd tot tijd voorover, en fluistert eenige woorden tegen

de zijzachte krullen van Pauline van Someren. Als hij dan het hoofd weer

opheft, en heimelijk de lieve gestalte aan zijne zijde met een enkelen

blik omvat, straalt er zoo heerlijke vreugde en zoo teedere hartstocht

uit zijne levendige oogen, dat hij zich wel in acht mag nemen voor de

omstanders, zoo hij er nog prijs op stelt, dat zijn geheim bewaard

blijve.

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 24 / 58 题