III.

Jasper Jodocus was volstrekt niet op zijn gemak. Dat zijn „petekind”

hem zoo had teleurgesteld, was aanvankelijk wel eene onaangename

herinnering, maar hij kende den knaap, en berustte in 't geval. Er

was meer, wat hem hinderde. Sinds het bal begonnen was, scheen hij

zijn gezag als opperceremoniemeester volkomen verloren te hebben. De

commissarissen van orde waren geheel in 't dansgenot verzonken, of zaten

te rooken in een klein, als buffet ingericht zijvertrek, en.... er moest

wederom een feestelijk feit tot stand worden gebracht, er moest gezongen

worden uit den kunstrijken bundel der heeren kameristen: ~Sic itur ad

astra~ op de wijze: Wie staat aan 't hoofd der (!) heldenstoet?

Er was nog meer. Schoon hij zich voorgenomen had, uithoofde zijner

gewichtige betrekking, slechts zeer zelden mee te dansen, had hij toch

het plan gevormd zich aan een paar quadrilles te wagen. Zijne dames

had bij gekozen. De eerste was Mlle de Tourzel. Reeds sedert zeer

langen tijd had hij haar zichtbaar onderscheiden, en ook zij—was

zijne bescheiden meening—had hem genoeg aangemoedigd, maar altijd

had hij geweifeld, of het wel passend ware eene arme gouvernante met

beleefdheden te overladen, bloot omdat ze er lief en aardig uitzag.

En, ongehoorde coquetterie, toen hij haar ten dans had uitgenoodigd,

had zij hem—Jasper Jodocus van der Comme, makelaar enz. enz.,—met

eene zeer alledaagsche uitvlucht geweigerd. Voor 't eerst had bij zich

zelven de ongehoorde moeite gevergd, om na te denken over zulk eene

belachelijke kleinigheid als deze weigering. Hij had ontdekt, dat hij

buitengewoon gekwetst was, dat Mlle de Tourzel verreweg de knapste dame

van het gezelschap was. Hij had besloten haar rechtstreeks te vragen,

wat haar in hem mishaagde, en dan.... en dan zou hij haar nog iets

meedeelen, 't welk zeker een ontzaglijken indruk op haar zou maken,

schoon hij het bij zich zelven nauw waagde uit te spreken.... Jasper

Jodocus wilde geen oude vrijer blijven!

Hij had er lang over nagedacht, hij had gewikt en gewogen. Als

jongmensch had hij te lang gewacht; hij wilde eene „goede partij” doen,

maar—niemand wist het vreeselijk geheim—hij had tot driemaal eene

weigering moeten verduwen. Toen had hij besloten ongehuwd te blijven,

maar langzamerhand had hij vergelijkingen gemaakt tusschen zijn broer

Caspar en zijn eigen, hoogst merkwaardigen persoon. Had Caspar geld om

diners en feesten te geven, hij had smaak en tact om ze te ordenen en te

besturen. Waarom zou hij zijn vernuft altijd aan een ander dienstbaar

maken? Al lang had Mlle de Tourzel zijne aandacht getrokken. Hij was het

nog niet geheel met zich zelven eens, hij wilde er nog eene poos over

nadenken....

Daar treft een luid schaterlachen zijn oor, terwijl hij in de breede

marmeren gang op- en neergaat. Het schijnt uit het buffetkamertje te

komen. Plotseling herinnert hij zich het gezang en den versbundel. Zijne

ceremoniemeestersziel wordt bewogen over zijne eigene nalatigheid, en

ijlings snelt hij naar 't zijvertrek, waar de rookers en lachers zich

bijeen bevinden. Eene groote menigte jongelieden, waaronder vier zijner

trouwelooze trawanten met witte en vuurroode linten in 't knoopsgat,

stonden daar in een wijden kring geschaard, en, midden in dien kring,

met flesch en glas in de hand en een zwaren havanna in den hoek van zijn

mond, bevond zich zijn „petekind”, Jasper Jun.

„Laat ik je nog eens inschenken, meneer Proost! Kom, je bent toch niet

bang voor een glas Rijnwijn! Papa kan 't betalen! Daar ga je!”

Jasper Jun, dronk zijn glas met zwier leeg, en zich tot een buitengewoon

lang jongmensch, met vermiljoen rood hair, wendend, vervolgde hij:

„Geef me eens wat vuur van je, lange? Ben je uit? Zoo, dat staat je

slecht met dien brand op je hoofd!”

Luid gelach van 't gehoor.

„Ha, daar is oom Jasper!”—gaat de knaap voort, door toejuiching en wijn

half beschonken.—„Op je gezondheid, man! Komt heeren, maakt plaats voor

oom Jasper! Een schoon glas Karel! gauw dan wat!”

De heeren evenwel zijn met hunne figuur verlegen. Zij treden op den

verbaasden en verbitterden ceremoniemeester toe, anderen nemen Jasper

Jun. flesch en glas af, en willen den driftig schreeuwenden knaap het

stilzwijgen opleggen. Jasper Jodocus doet zich groot geweld aan, om

bedaard te blijven, verzoekt de heeren naar de danszaal te gaan, en

neemt zijn ~aide-de-camp~ Proost onder den arm, om hem met een order

aan Quastman omtrent het te zingen lied weg te zenden.

Jasper Jun. heeft zich zeer gemakkelijk op eene sofa uitgestrekt. Hij

heeft de oogen gesloten, en haalt hoorbaar adem. Zoo spoedig ieder

verwijderd is, vliegt oom Jasper op hem toe, vat hem bij den arm op,

en poogt hem wakker te schudden. Tevergeefs. De looze knaap veinst in

diepen slaap gevallen te zijn. De lakei uit het buffet snelt toe, en

merkt op, dat de jongeheer misschien wat te veel wijn gedronken heeft,

en dat het maar beter is den jongeheer daar te laten.

Jasper Jodocus geeft echter last, dat men den jongeheer onmiddellijk

te bed legge, en Karel, de lakei, getroost zich schijnbaar de meeste

moeite, om dit bevel ten spoedigste ten uitvoer te brengen.

Verstoord over de slechte orde en het gedrag van zijn neefje, door

wien andermaal zijne vernuftige feestregeling gevaar liep verbroken

te worden, snelde hij ijlings naar de danszaal, toen hij plotseling

staande gehouden werd door Koenraad Vechters. Deze laatste had de zaal

met evenveel opgewondenheid verlaten, als Jasper Jodocus haar wilde

binnenstuiven. Vandaar, dat beiden een oogenblik moesten standhouden,

om eene botsing te vermijden.

„Reeds zocht ik u overal, meneer Van der Comme!”—begon de

schilder—„kan u mij ook zeggen....”

„Nu niet, Vechters! Ik moet op mijn post, vat je! Als ik zelf mijne

bevelen niet geef, komt er niets van terecht. Sakkerloot! je weet niet

welk eene beslommering een ceremoniemeester zich op den hals haalt....

Wat hoor ik.... ja zeker.... uitmuntend: Wie staat aan 't hoofd der (!)

heldenstoet? No. 4.”

De heer Proost, een beetje ontrust, dat men zijne gedragingen met Jasper

Jun. euvel zou nemen, had zich de uiterste moeite gegeven, om het

verlangen van zijn chef ten uitvoer te leggen, en daarom klonk nu zang

en muziek van het bedoelde lied in 't verraste oor van den

opperceremoniemeester.

„Goddank!”—ging deze tot Vechters voort—„nu ben ik tevreden. Ik

geloof, dat je me spreken wildet? Nu heb ik den tijd. 'n Recht

fatsoenlijke partij, hè? Ze zijn allen gekomen: Berghuysen, Versuylen en

ons nieuw lid van den Raad, Zilverlink. Eerst dacht ik, dat de zaak fout

was, toen mijn neefje zoo onverwacht de orde verstoorde, vat je? Maar

als je bij den eersten, kleinen tegenspoed al begint te wanhopen, kom je

er niet. Verbeeld je, Vechters, dat ik van avond eene dame hier om eene

quadrille vraag, en dat ze me weigert.... vat je? Zou ik daarom

aanstonds wanhopen, dat....”

Beide heeren stonden op dit oogenblik stil voor den ingang der balzaal.

Vechters had tevergeefs gepoogd den woordenvloed van den rederijker af

te breken. Geduldig wachtte hij nu met zijne vraag tot Jasper Jodocus

zou zwijgen, en vermaakte zich intusschen door de dansende paren waar te

nemen.

„Wie is die dame in 't zwart?”—had hij eensklaps gevraagd, toen de

onbekende, geestige spreekster, welke hij bij het begin van 't bal naar

de danszaal geleid had, hen bevallig voorbijzweefde.

Zoo was het geschied, dat Jasper Jodocus zijn verhaal moest afbreken,

moest opzien en, de richting van Vechters blik volgend, eene dame

gewaarwerd, waarover hij juist eene uitvoerige mededeeling wilde

beginnen—schoon hij zeer wel bemerkte, dat zijn toehoorder hem in 't

minst niet gevolgd had.

Jasper Jodocus gevoelde eene belachelijke neiging tot blozen. In een

ondeelbaar oogenblik had hij die neiging overwonnen, zijne vuurroode en

wit satijnen linten uitgeplukt, zijn uurwerkketting doen rammelen en,

zich in zijne volle lengte oprichtend, geantwoord:

„Die dame in 't zwart? O! dat is juffrouw Tourzel, de gouvernante van

Caspar, vat je!”

„Tourzel!”—viel Vechters in—„dan is ze de zuster van mijn kunstbroeder

te Rome. Dan heb ik haar wat te zeggen. Wees zoo goed mij aan haar voor

te stellen, meneer Van der Comme!”

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 21 / 58 题