Jasper Jodocus was volstrekt niet op zijn gemak. Dat zijn „petekind”
hem zoo had teleurgesteld, was aanvankelijk wel eene onaangename
herinnering, maar hij kende den knaap, en berustte in 't geval. Er
was meer, wat hem hinderde. Sinds het bal begonnen was, scheen hij
zijn gezag als opperceremoniemeester volkomen verloren te hebben. De
commissarissen van orde waren geheel in 't dansgenot verzonken, of zaten
te rooken in een klein, als buffet ingericht zijvertrek, en.... er moest
wederom een feestelijk feit tot stand worden gebracht, er moest gezongen
worden uit den kunstrijken bundel der heeren kameristen: ~Sic itur ad
astra~ op de wijze: Wie staat aan 't hoofd der (!) heldenstoet?
Er was nog meer. Schoon hij zich voorgenomen had, uithoofde zijner
gewichtige betrekking, slechts zeer zelden mee te dansen, had hij toch
het plan gevormd zich aan een paar quadrilles te wagen. Zijne dames
had bij gekozen. De eerste was Mlle de Tourzel. Reeds sedert zeer
langen tijd had hij haar zichtbaar onderscheiden, en ook zij—was
zijne bescheiden meening—had hem genoeg aangemoedigd, maar altijd
had hij geweifeld, of het wel passend ware eene arme gouvernante met
beleefdheden te overladen, bloot omdat ze er lief en aardig uitzag.
En, ongehoorde coquetterie, toen hij haar ten dans had uitgenoodigd,
had zij hem—Jasper Jodocus van der Comme, makelaar enz. enz.,—met
eene zeer alledaagsche uitvlucht geweigerd. Voor 't eerst had bij zich
zelven de ongehoorde moeite gevergd, om na te denken over zulk eene
belachelijke kleinigheid als deze weigering. Hij had ontdekt, dat hij
buitengewoon gekwetst was, dat Mlle de Tourzel verreweg de knapste dame
van het gezelschap was. Hij had besloten haar rechtstreeks te vragen,
wat haar in hem mishaagde, en dan.... en dan zou hij haar nog iets
meedeelen, 't welk zeker een ontzaglijken indruk op haar zou maken,
schoon hij het bij zich zelven nauw waagde uit te spreken.... Jasper
Jodocus wilde geen oude vrijer blijven!
Hij had er lang over nagedacht, hij had gewikt en gewogen. Als
jongmensch had hij te lang gewacht; hij wilde eene „goede partij” doen,
maar—niemand wist het vreeselijk geheim—hij had tot driemaal eene
weigering moeten verduwen. Toen had hij besloten ongehuwd te blijven,
maar langzamerhand had hij vergelijkingen gemaakt tusschen zijn broer
Caspar en zijn eigen, hoogst merkwaardigen persoon. Had Caspar geld om
diners en feesten te geven, hij had smaak en tact om ze te ordenen en te
besturen. Waarom zou hij zijn vernuft altijd aan een ander dienstbaar
maken? Al lang had Mlle de Tourzel zijne aandacht getrokken. Hij was het
nog niet geheel met zich zelven eens, hij wilde er nog eene poos over
nadenken....
Daar treft een luid schaterlachen zijn oor, terwijl hij in de breede
marmeren gang op- en neergaat. Het schijnt uit het buffetkamertje te
komen. Plotseling herinnert hij zich het gezang en den versbundel. Zijne
ceremoniemeestersziel wordt bewogen over zijne eigene nalatigheid, en
ijlings snelt hij naar 't zijvertrek, waar de rookers en lachers zich
bijeen bevinden. Eene groote menigte jongelieden, waaronder vier zijner
trouwelooze trawanten met witte en vuurroode linten in 't knoopsgat,
stonden daar in een wijden kring geschaard, en, midden in dien kring,
met flesch en glas in de hand en een zwaren havanna in den hoek van zijn
mond, bevond zich zijn „petekind”, Jasper Jun.
„Laat ik je nog eens inschenken, meneer Proost! Kom, je bent toch niet
bang voor een glas Rijnwijn! Papa kan 't betalen! Daar ga je!”
Jasper Jun, dronk zijn glas met zwier leeg, en zich tot een buitengewoon
lang jongmensch, met vermiljoen rood hair, wendend, vervolgde hij:
„Geef me eens wat vuur van je, lange? Ben je uit? Zoo, dat staat je
slecht met dien brand op je hoofd!”
Luid gelach van 't gehoor.
„Ha, daar is oom Jasper!”—gaat de knaap voort, door toejuiching en wijn
half beschonken.—„Op je gezondheid, man! Komt heeren, maakt plaats voor
oom Jasper! Een schoon glas Karel! gauw dan wat!”
De heeren evenwel zijn met hunne figuur verlegen. Zij treden op den
verbaasden en verbitterden ceremoniemeester toe, anderen nemen Jasper
Jun. flesch en glas af, en willen den driftig schreeuwenden knaap het
stilzwijgen opleggen. Jasper Jodocus doet zich groot geweld aan, om
bedaard te blijven, verzoekt de heeren naar de danszaal te gaan, en
neemt zijn ~aide-de-camp~ Proost onder den arm, om hem met een order
aan Quastman omtrent het te zingen lied weg te zenden.
Jasper Jun. heeft zich zeer gemakkelijk op eene sofa uitgestrekt. Hij
heeft de oogen gesloten, en haalt hoorbaar adem. Zoo spoedig ieder
verwijderd is, vliegt oom Jasper op hem toe, vat hem bij den arm op,
en poogt hem wakker te schudden. Tevergeefs. De looze knaap veinst in
diepen slaap gevallen te zijn. De lakei uit het buffet snelt toe, en
merkt op, dat de jongeheer misschien wat te veel wijn gedronken heeft,
en dat het maar beter is den jongeheer daar te laten.
Jasper Jodocus geeft echter last, dat men den jongeheer onmiddellijk
te bed legge, en Karel, de lakei, getroost zich schijnbaar de meeste
moeite, om dit bevel ten spoedigste ten uitvoer te brengen.
Verstoord over de slechte orde en het gedrag van zijn neefje, door
wien andermaal zijne vernuftige feestregeling gevaar liep verbroken
te worden, snelde hij ijlings naar de danszaal, toen hij plotseling
staande gehouden werd door Koenraad Vechters. Deze laatste had de zaal
met evenveel opgewondenheid verlaten, als Jasper Jodocus haar wilde
binnenstuiven. Vandaar, dat beiden een oogenblik moesten standhouden,
om eene botsing te vermijden.
„Reeds zocht ik u overal, meneer Van der Comme!”—begon de
schilder—„kan u mij ook zeggen....”
„Nu niet, Vechters! Ik moet op mijn post, vat je! Als ik zelf mijne
bevelen niet geef, komt er niets van terecht. Sakkerloot! je weet niet
welk eene beslommering een ceremoniemeester zich op den hals haalt....
Wat hoor ik.... ja zeker.... uitmuntend: Wie staat aan 't hoofd der (!)
heldenstoet? No. 4.”
De heer Proost, een beetje ontrust, dat men zijne gedragingen met Jasper
Jun. euvel zou nemen, had zich de uiterste moeite gegeven, om het
verlangen van zijn chef ten uitvoer te leggen, en daarom klonk nu zang
en muziek van het bedoelde lied in 't verraste oor van den
opperceremoniemeester.
„Goddank!”—ging deze tot Vechters voort—„nu ben ik tevreden. Ik
geloof, dat je me spreken wildet? Nu heb ik den tijd. 'n Recht
fatsoenlijke partij, hè? Ze zijn allen gekomen: Berghuysen, Versuylen en
ons nieuw lid van den Raad, Zilverlink. Eerst dacht ik, dat de zaak fout
was, toen mijn neefje zoo onverwacht de orde verstoorde, vat je? Maar
als je bij den eersten, kleinen tegenspoed al begint te wanhopen, kom je
er niet. Verbeeld je, Vechters, dat ik van avond eene dame hier om eene
quadrille vraag, en dat ze me weigert.... vat je? Zou ik daarom
aanstonds wanhopen, dat....”
Beide heeren stonden op dit oogenblik stil voor den ingang der balzaal.
Vechters had tevergeefs gepoogd den woordenvloed van den rederijker af
te breken. Geduldig wachtte hij nu met zijne vraag tot Jasper Jodocus
zou zwijgen, en vermaakte zich intusschen door de dansende paren waar te
nemen.
„Wie is die dame in 't zwart?”—had hij eensklaps gevraagd, toen de
onbekende, geestige spreekster, welke hij bij het begin van 't bal naar
de danszaal geleid had, hen bevallig voorbijzweefde.
Zoo was het geschied, dat Jasper Jodocus zijn verhaal moest afbreken,
moest opzien en, de richting van Vechters blik volgend, eene dame
gewaarwerd, waarover hij juist eene uitvoerige mededeeling wilde
beginnen—schoon hij zeer wel bemerkte, dat zijn toehoorder hem in 't
minst niet gevolgd had.
Jasper Jodocus gevoelde eene belachelijke neiging tot blozen. In een
ondeelbaar oogenblik had hij die neiging overwonnen, zijne vuurroode en
wit satijnen linten uitgeplukt, zijn uurwerkketting doen rammelen en,
zich in zijne volle lengte oprichtend, geantwoord:
„Die dame in 't zwart? O! dat is juffrouw Tourzel, de gouvernante van
Caspar, vat je!”
„Tourzel!”—viel Vechters in—„dan is ze de zuster van mijn kunstbroeder
te Rome. Dan heb ik haar wat te zeggen. Wees zoo goed mij aan haar voor
te stellen, meneer Van der Comme!”