Koenraad Vechters was op de deftigste wijze aan Mlle de Tourzel
voorgesteld.
Hij had te Rome zich dikwerf in gezelschap van een vroolijken,
veel schertsenden en luid zingenden Franschen schilder bevonden,
wiens naam Henri de Tourzel was en wiens vaderland—bij latere
kennismaking—Zwitserland bleek te zijn. Ter vlucht had hij van dezen
eens vernomen, dat zekere Mlle de Tourzel in Nederland gouvernante was.
Bij zijn vertrek naar 't vaderland had Henri de Tourzel hem verzocht
eens naar die dame om te zien, en haar te verzekeren, dat zij nog altijd
de meest geliefde zuster was eens broeders, die eene onvergeeflijke
luiheid in 't schrijven van brieven aan den dag legde.
Nu wandelt Koenraad, levendig sprekend, met de Zwitsersche door de
danszaal. Mlle de Tourzel is zeer verheugd iets van den zorgeloozen
broeder te hooren. Koenraad verhaalt veel en steeds gaat hij voort,
alsof hij vreesde, dat eene pijnigende gedachte zich plotseling aan hem
zal opdringen. Hij wenscht in stilte, dat Pauline van Someren moge zien,
hoe kalm en opgeruimd hij met eene andere kan spreken—hij durft de
vraag, door toeval verzwegen, niet uiten, daar hij liever in onzekerheid
wil blijven, dan plotseling de volle waarheid te vernemen.
„En is u niet tevreden, meneer Vechters?”—vraagt onverwacht Mlle de
Tourzel—„onder zoo goede omstandigheden in 't vaderland terug te komen.
Hoe benijd ik u! Konde ik eens even in Zwitserland adem scheppen,
hoeveel lichter zou ik dit Amsterdamsche leven dragen!”
„Ik moest het voorrecht hooger waardeeren, u heeft gelijk, mademoiselle!
Maar ik ben hier een vreemdeling, evenals u zelve. Men spreekt hier eene
taal, die ik niet versta; al mijne vrienden zijn verdwenen of hebben
nieuwe betrekkingen aangeknoopt, waardoor zij.... in mij geen belang
kunnen stellen!”
„~Permettez!~ U oordeelt te spoedig. Zou u gelooven, dat ik u kende,
voor dat ik u ooit had gezien, voor dat ik kon bevroeden, dat Henri te
Rome uw vriend was geweest!”
„Misschien heeft de heer Jasper van der Comme u het een en ander omtrent
mijne bruikbaarheid op de feesten zijns broeders meegedeeld!”
„~Comment donc?~—In welk gezelschap brengt u mij daar! Ik heb genoeg
van de Van der Commes, om te geeuwen, als ik dien heer Jasper zie. ~Mais
vous n'êtes guère clair-voyant, il me semble!~”
„Hoe zou ik het kunnen zijn, ~mademoiselle~! 't Is heden voor 't eerst
na drie jaren afwezigheid, dat ik een klein stukje dier Amsterdamsche
wereld terugzie, die mij te voren nooit eenige genegenheid betoonde, en
mij nu wel volkomen, tot op den klank van mijn naam toe, zal vergeten
hebben!”
„Vergis ik me, of is u van avond niet wat buitengemeen somber gestemd? U
schijnt te vergeten, dat uw naam hier een voortreffelijken klank bezit,
dat u een paar uitmuntende schilderijen naar de expositie hebt
gezonden?”
„O, is het dat, dat alleen maar!”—Vechters zag teleurgesteld voor
zich heen. Eene geheimzinnige hoop, waarvan hij zich volstrekt geene
rekenschap wist te geven, had zich plotseling van hem meester gemaakt.
Maar nog wilde de naam, die hem 't naast aan 't harte lag, niet over
zijne lippen. Hij gevoelde, dat het hem aan kalmte schortte, om dat
woord te spreken tot eene vrouw, zoo schrander en scherp ziende, als
Mlle de Tourzel.
„Ik heb eene lieve vriendin”—ging deze voort—„aan wie ik al mijne
kleine zorgen en bekommeringen meedeel. Dagelijksche omgang deed mij
haar zoo hoogschatten, dat ik haar mijn volle vertrouwen schonk, en in
stilte met haar lachen kan over de duizenden ~indélicatesses~, welke men
hier zonder ophouden mag genieten. Zoo heerscht er hier eene volkomene
onwetendheid omtrent alles wat kunst en letteren aangaat, en vind ik
alleen in haar dien fijnen smaak....”
„Is uwe vriendin getrouwd, ~mademoiselle~!”—Vechters deed eene
heldhaftige poging, om zoo onverschillig mogelijk naar de schitterende
kristallen kroon op te zien, welke zij juist voorbijtraden, schoon hij
met onstuimig kloppend hart het antwoord afwachtte. De Zwitsersche
wendde het hoofd af, om een ondeugenden glimlach te doen verdwijnen, en
dit alles was zoo snel geschied, dat ze haast oogenblikkelijk op het:
„Is uwe vriendin getrouwd, ~mademoiselle~?”—geantwoord had:
„~Ma foi! je ne comprends pas trop pourquoi....~”
„Vergeef mij, ~mademoiselle~, ik begrijp, dat ik onbeleefd gevraagd
heb!”
„Wel niet in 't minst! Maar uwe vraag verbaasde mij, omdat ik u den naam
mijner vriendin niet genoemd heb, en u al scheen te vermoeden, wie ik
bedoelde!”
Vechters is wat bleek geworden. Hij zwijgt, en wacht totdat men hem
verder zal inlichten.
„Wat ik u verhalen wilde”—gaat de looze gouvernante voort, in stilte
het gezicht van den jonkman opmerkzaam waarnemend—„is, dat ik onlangs
met mijne lieve vriendin en haar oom onze expositie bezocht. Toen we
voor uwe Italiaansche dorpstafereelen stonden, en uw naam met hoogen lof
genoemd werd, vernam ik toevallig, dat u een oud bekende was....”
De strijd werd Vechters te zwaar. Hoop en vrees, ontzag voor den fijnen
blik van Mlle de Tourzel en beduchtheid, zijne geheimste gedachte te
verraden, geen enkel bezwaar vermocht nu langer zijne gewone
stoutmoedige voortvarendheid te bedwingen.
„Zoo noem mij dan den naam dier vriendin....”
„Ik wilde u juist van haar spreken, om u te bewijzen, hoe ik volkomen
recht had te beweren, dat ik u kende, voordat ik u gezien had. Mijne
vriendin heet Pauline van Someren—zie, ginder gaat ze gearmd met
mejuffrouw Anna Geertruida van der Comme!”
„En die zwaarlijvige heer met grijs hair, welke nog altijd met den
gastheer keuvelt, kent u hem ook?”
„~Ma foi, oui!~ 't Is Paulines oom, de heer Versuylen!”
„Maar haar vader dan?”
„Voor ruim twee jaren stierf hij. Pauline heeft zich dat verlies zeer
aangetrokken. Ze sloot zich geheel op in 't huis van haar oom en voogd,
waar ik haar toevallig ontmoette, ~pauvre, chère enfant~!”
„En nu uw bewijs, dat u mijn naam kende door.... door inlichting
misschien van mejuffrouw Van Someren!”
„Dat heb ik niet beweerd! Ik zeide eenvoudig, dat we op de expositie
voor uw werk stonden, dat uw naam genoemd werd, en juist wilde ik er
bijvoegen, dat Pauline mij verhaalde, hoe ze zich herinnerde u weleer op
de bals van den heer Caspar van der Comme ontmoet te hebben—toen u me
haastig in de rede viel!”
„~Pardon, mademoiselle!~ Juist ook mij was het voorgekomen, toen ik
hedenavond uwe vriendin terugzag, dat ze eene oude kennis was, maar haar
naam ontsnapte mij, en daarbij bracht mij haar ~cavalier~ in de war!”
„U is een beroemd en talentvol schilder, meneer Vechters! maar u heeft,
dunkt mij, weinig aanleg om uwe geheimen te bewaren!”
Vechters zocht tevergeefs naar een antwoord, en deed eene mislukte
poging om opgeruimd in 't rond te zien. De Zwitsersche lachte fijn en
ongedwongen. Hoe langer hoe meer kwam Vechters in dien zonderlingen
toestand, wanneer eene enkele tirannieke gedachte zich van den geheelen
geest meester maakt, wanneer noch woorden noch feiten eenigen indruk
teweegbrengen, wanneer men luistert zonder te hooren, rondstaart zonder
te zien, antwoordt zonder te denken. Zoo wandelden beiden geruimen tijd
zwijgende voort. Eindelijk zijne stem tot een vreesachtig en vleiend
fluisteren dwingende, sprak hij, het hoofd vooroverbuigend naar Mlle de
Tourzel:
„U is de vriendin van Pauline van Someren. Zou u den vriend van Henri de
Tourzel een dienst willen bewijzen!”
„~Mais certainement!~”
„Stel mij dan voor aan Pauline, of ik haar nooit gekend had, en zeg haar
in stilte, dat ik vrees vergeten te zijn!”