IV.

Koenraad Vechters was op de deftigste wijze aan Mlle de Tourzel

voorgesteld.

Hij had te Rome zich dikwerf in gezelschap van een vroolijken,

veel schertsenden en luid zingenden Franschen schilder bevonden,

wiens naam Henri de Tourzel was en wiens vaderland—bij latere

kennismaking—Zwitserland bleek te zijn. Ter vlucht had hij van dezen

eens vernomen, dat zekere Mlle de Tourzel in Nederland gouvernante was.

Bij zijn vertrek naar 't vaderland had Henri de Tourzel hem verzocht

eens naar die dame om te zien, en haar te verzekeren, dat zij nog altijd

de meest geliefde zuster was eens broeders, die eene onvergeeflijke

luiheid in 't schrijven van brieven aan den dag legde.

Nu wandelt Koenraad, levendig sprekend, met de Zwitsersche door de

danszaal. Mlle de Tourzel is zeer verheugd iets van den zorgeloozen

broeder te hooren. Koenraad verhaalt veel en steeds gaat hij voort,

alsof hij vreesde, dat eene pijnigende gedachte zich plotseling aan hem

zal opdringen. Hij wenscht in stilte, dat Pauline van Someren moge zien,

hoe kalm en opgeruimd hij met eene andere kan spreken—hij durft de

vraag, door toeval verzwegen, niet uiten, daar hij liever in onzekerheid

wil blijven, dan plotseling de volle waarheid te vernemen.

„En is u niet tevreden, meneer Vechters?”—vraagt onverwacht Mlle de

Tourzel—„onder zoo goede omstandigheden in 't vaderland terug te komen.

Hoe benijd ik u! Konde ik eens even in Zwitserland adem scheppen,

hoeveel lichter zou ik dit Amsterdamsche leven dragen!”

„Ik moest het voorrecht hooger waardeeren, u heeft gelijk, mademoiselle!

Maar ik ben hier een vreemdeling, evenals u zelve. Men spreekt hier eene

taal, die ik niet versta; al mijne vrienden zijn verdwenen of hebben

nieuwe betrekkingen aangeknoopt, waardoor zij.... in mij geen belang

kunnen stellen!”

„~Permettez!~ U oordeelt te spoedig. Zou u gelooven, dat ik u kende,

voor dat ik u ooit had gezien, voor dat ik kon bevroeden, dat Henri te

Rome uw vriend was geweest!”

„Misschien heeft de heer Jasper van der Comme u het een en ander omtrent

mijne bruikbaarheid op de feesten zijns broeders meegedeeld!”

„~Comment donc?~—In welk gezelschap brengt u mij daar! Ik heb genoeg

van de Van der Commes, om te geeuwen, als ik dien heer Jasper zie. ~Mais

vous n'êtes guère clair-voyant, il me semble!~”

„Hoe zou ik het kunnen zijn, ~mademoiselle~! 't Is heden voor 't eerst

na drie jaren afwezigheid, dat ik een klein stukje dier Amsterdamsche

wereld terugzie, die mij te voren nooit eenige genegenheid betoonde, en

mij nu wel volkomen, tot op den klank van mijn naam toe, zal vergeten

hebben!”

„Vergis ik me, of is u van avond niet wat buitengemeen somber gestemd? U

schijnt te vergeten, dat uw naam hier een voortreffelijken klank bezit,

dat u een paar uitmuntende schilderijen naar de expositie hebt

gezonden?”

„O, is het dat, dat alleen maar!”—Vechters zag teleurgesteld voor

zich heen. Eene geheimzinnige hoop, waarvan hij zich volstrekt geene

rekenschap wist te geven, had zich plotseling van hem meester gemaakt.

Maar nog wilde de naam, die hem 't naast aan 't harte lag, niet over

zijne lippen. Hij gevoelde, dat het hem aan kalmte schortte, om dat

woord te spreken tot eene vrouw, zoo schrander en scherp ziende, als

Mlle de Tourzel.

„Ik heb eene lieve vriendin”—ging deze voort—„aan wie ik al mijne

kleine zorgen en bekommeringen meedeel. Dagelijksche omgang deed mij

haar zoo hoogschatten, dat ik haar mijn volle vertrouwen schonk, en in

stilte met haar lachen kan over de duizenden ~indélicatesses~, welke men

hier zonder ophouden mag genieten. Zoo heerscht er hier eene volkomene

onwetendheid omtrent alles wat kunst en letteren aangaat, en vind ik

alleen in haar dien fijnen smaak....”

„Is uwe vriendin getrouwd, ~mademoiselle~!”—Vechters deed eene

heldhaftige poging, om zoo onverschillig mogelijk naar de schitterende

kristallen kroon op te zien, welke zij juist voorbijtraden, schoon hij

met onstuimig kloppend hart het antwoord afwachtte. De Zwitsersche

wendde het hoofd af, om een ondeugenden glimlach te doen verdwijnen, en

dit alles was zoo snel geschied, dat ze haast oogenblikkelijk op het:

„Is uwe vriendin getrouwd, ~mademoiselle~?”—geantwoord had:

„~Ma foi! je ne comprends pas trop pourquoi....~”

„Vergeef mij, ~mademoiselle~, ik begrijp, dat ik onbeleefd gevraagd

heb!”

„Wel niet in 't minst! Maar uwe vraag verbaasde mij, omdat ik u den naam

mijner vriendin niet genoemd heb, en u al scheen te vermoeden, wie ik

bedoelde!”

Vechters is wat bleek geworden. Hij zwijgt, en wacht totdat men hem

verder zal inlichten.

„Wat ik u verhalen wilde”—gaat de looze gouvernante voort, in stilte

het gezicht van den jonkman opmerkzaam waarnemend—„is, dat ik onlangs

met mijne lieve vriendin en haar oom onze expositie bezocht. Toen we

voor uwe Italiaansche dorpstafereelen stonden, en uw naam met hoogen lof

genoemd werd, vernam ik toevallig, dat u een oud bekende was....”

De strijd werd Vechters te zwaar. Hoop en vrees, ontzag voor den fijnen

blik van Mlle de Tourzel en beduchtheid, zijne geheimste gedachte te

verraden, geen enkel bezwaar vermocht nu langer zijne gewone

stoutmoedige voortvarendheid te bedwingen.

„Zoo noem mij dan den naam dier vriendin....”

„Ik wilde u juist van haar spreken, om u te bewijzen, hoe ik volkomen

recht had te beweren, dat ik u kende, voordat ik u gezien had. Mijne

vriendin heet Pauline van Someren—zie, ginder gaat ze gearmd met

mejuffrouw Anna Geertruida van der Comme!”

„En die zwaarlijvige heer met grijs hair, welke nog altijd met den

gastheer keuvelt, kent u hem ook?”

„~Ma foi, oui!~ 't Is Paulines oom, de heer Versuylen!”

„Maar haar vader dan?”

„Voor ruim twee jaren stierf hij. Pauline heeft zich dat verlies zeer

aangetrokken. Ze sloot zich geheel op in 't huis van haar oom en voogd,

waar ik haar toevallig ontmoette, ~pauvre, chère enfant~!”

„En nu uw bewijs, dat u mijn naam kende door.... door inlichting

misschien van mejuffrouw Van Someren!”

„Dat heb ik niet beweerd! Ik zeide eenvoudig, dat we op de expositie

voor uw werk stonden, dat uw naam genoemd werd, en juist wilde ik er

bijvoegen, dat Pauline mij verhaalde, hoe ze zich herinnerde u weleer op

de bals van den heer Caspar van der Comme ontmoet te hebben—toen u me

haastig in de rede viel!”

„~Pardon, mademoiselle!~ Juist ook mij was het voorgekomen, toen ik

hedenavond uwe vriendin terugzag, dat ze eene oude kennis was, maar haar

naam ontsnapte mij, en daarbij bracht mij haar ~cavalier~ in de war!”

„U is een beroemd en talentvol schilder, meneer Vechters! maar u heeft,

dunkt mij, weinig aanleg om uwe geheimen te bewaren!”

Vechters zocht tevergeefs naar een antwoord, en deed eene mislukte

poging om opgeruimd in 't rond te zien. De Zwitsersche lachte fijn en

ongedwongen. Hoe langer hoe meer kwam Vechters in dien zonderlingen

toestand, wanneer eene enkele tirannieke gedachte zich van den geheelen

geest meester maakt, wanneer noch woorden noch feiten eenigen indruk

teweegbrengen, wanneer men luistert zonder te hooren, rondstaart zonder

te zien, antwoordt zonder te denken. Zoo wandelden beiden geruimen tijd

zwijgende voort. Eindelijk zijne stem tot een vreesachtig en vleiend

fluisteren dwingende, sprak hij, het hoofd vooroverbuigend naar Mlle de

Tourzel:

„U is de vriendin van Pauline van Someren. Zou u den vriend van Henri de

Tourzel een dienst willen bewijzen!”

„~Mais certainement!~”

„Stel mij dan voor aan Pauline, of ik haar nooit gekend had, en zeg haar

in stilte, dat ik vrees vergeten te zijn!”

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 22 / 58 题