II.

Koenraad Vechters had zwijgend en glimlachend het begin der feesten

bijgewoond. Met zekere aarzeling had hij de verzamelde gasten, die zich

in zijne onmiddellijke nabijheid bevonden, gâgeslagen. Daarna had hij al

zijne oplettendheid aan de ceremonieele handelingen van Jasper Jodocus

gewijd, en schoon het mocht schijnen, dat hij alles met de uiterste

aandacht volgde, zou elk, die in zijn gemoed had kunnen lezen, er

slechts deze enkele gedachte gevonden hebben: Pauline van Someren is

hier niet tegenwoordig, anders had ik haar al gezien.

Toen de groote drom der gasten zich naar de danszaal begaf, had hij zijn

arm geboden aan eene onbekende dame, die geheel alleen bleef staan, en

er zich volstrekt niet over scheen te ergeren, dat niemand naar haar

omzag. Er werden een paar woorden gewisseld. Schoon de jonge kunstenaar

zich de uiterste moeite gaf een beleefd gesprek aan te knoopen, daar hij

tot tweemaal toe een geestig antwoord op zijne vragen ontvangen had, was

de weg naar de zaal echter te kort, om dit voornemen ten uitvoer te

brengen—en trok de dame zich aanstonds terug, zoodra men den ingang

bereikt had. Eene poos nog zag hij haar zwart zijden kleed langs de

witte gazen baljaponnen der dansende dames zweven. Eindelijk werd zijn

blik door eene talrijke groep galoppeerende paartjes onderschept en

scheen zij in 't gewoel verdwenen.

In elk ander geval zou Koenraad Vechters ten levendigste getroffen zijn

door eene zoo bevallige verschijning, als thans een oogenblik aan zijne

zijde had getoefd—hij zou gevraagd hebben naar haren naam, naar alles

wat hem inlichting omtrent haar had kunnen geven—hij zou niet vergeten

hebben te vermelden, dat zijne belangwekkende onbekende met een zeer

vreemd Fransch accent sprak, 't welk, eer bevallig dan zonderling, haar

aanstonds als vreemdelinge verried. Thans liep hij verstrooid door de

schitterend verlichte balzaal, en wijdde maar zeer weinig aandacht aan

allen luister van luchters, spiegels en sofa's. Zijne gedachten volgden

telkens eene bepaalde richting, en schoon hij zich ieder oogenblik ten

stelligste voornam, om afleiding te zoeken, stond hij weldra in een

verborgen hoek der zaal te mijmeren en te droomen—en uit te zien wie de

danseressen waren, die hem voorbijkwamen.

Toevallig om zich heen blikkend, bemerkt hij, dat nog iemand dien hoek

gekozen heeft, om te mijmeren en waar te nemen—de gastheer zelf: Caspar

Janssen van der Comme. Vechters had nog maar enkele woorden met hem

gewisseld, en rekende het zijn plicht, zich een oogenblik met hem te

onderhouden.

„Een mooi gezicht, meneer Van der Comme!”—begon hij.—„Zulk eene

prachtige zaal en zooveel vroolijk pratende en dansende jongelui!”

„Ja, niet waar, men doet mij werkelijk veel eer aan. 't Heugt me

niet hier ooit zooveel gasten bij elkaar gehad te hebben—en zeer

fatsoenlijke lui—zeer fatsoenlijke lui, meneer Vechters!”

Caspar Janssen schoof zich zooveel mogelijk naar 't eind der canapé,

waarop hij aarzelend had plaats genomen, toen Vechters voor hem staan

bleef. Hij had daardoor gelegenheid zich zooveel mogelijk achter de

rijzige gestalte van zijn gast te verbergen.

„Ik moet u bekennen”—vervolgde Vechters—„dat ik mij hier bijna geheel

vreemd gevoel. Drie jaren afwezigheid schijnen veel veranderd te hebben.

Oude gezichten zijn verdwenen en nieuwe, onbekende zijn daarvoor in de

plaats gekomen. Uwe familie alleen, meneer Van der Comme! en hare gulle

gastvrijheid zijn nog geheel dezelfde gebleven.”

„Dat kan ook niet anders. 't Is mij groote eer, mijne talrijke kennissen

uit aanzienlijken stand te mogen ontvangen. Mijn kring heeft zich zeer

uitgebreid. Ginder ziet u den heer Versuylen, een zeer rijk man, met

zeer deftige en invloedrijke relatiën in den Haag, en die heer met een

gouden bril op is het nieuwgekozen lid van onzen Gemeenteraad, de heer

Zilverlink, een buitengewoon fatsoenlijk man!”

Er brandde eene vraag op Vechters tong. Reeds wilde hij haar uitspreken,

toen Caspar half fluisterend voortging:

„Me dunkt, zoo drie jaren in het buitenland moeten u met vele

hooggeplaatste mannen in aanraking gebracht hebben. Je ontving je kruis

immers uit de handen van den koning van Beieren?”

„U bedoelt of de koning het mij persoonlijk ter hand stelde?”

Er speelde een ondeugende lach om Vechters' lippen. De koperen bruidegom

kneep zijn oogen geheimzinnig toe, en knikte.

„Ik bracht bijna een halfjaar te Munchen door”—ging Vechters voort—„en

ik betuig u, dat ik noch den koning, noch de koningin, noch een der

vorstelijke personages gezien heb. Ik ging alleen met mijne

kunstbroeders om, met eene groote menigte talentvolle, maar arme

Duitsche schilders!”

Caspar Janssen was uit zijne gebukte houding opgerezen. Er sprak wat

meer leven uit zijne ingezonken oogen, dan gewoonlijk het geval was.

„Ja, zoo ben-jelui, jongelui! Als je de beste gelegenheid hebt je

aanzienlijke relatiën te verwerven, dan zoek je het gezelschap van....

Duitsche schilders. Later als je fortuin maakt—ieder kan fortuin

maken!—zul je je genoeg beklagen. Geloof me, 't is geen duit waard,

om een paar tonnen gouds te bezitten, of mooie schilderijen te kunnen

maken, als men geen aanzien, geene eervolle onderscheiding geniet,

helaas!”

Terwijl de gastheer deze laatste woorden met buitengewone geestdrift

sprak, terwijl Vechters zich zelven vermande, om kalm te blijven, en

's mans grofheden in stilte te belachen, een tweetal gasten langzaam

genaderd. De een is een heer van middelbaren leeftijd, met een nobel

gezicht, dezelfde, dien Caspar Janssen nog kort te voren als den

invloedrijken Versuylen heeft aangewezen. De andere is de jongedame met

fraaie blonde krullen, welke gedurende den zegenwensch van Jasper Jun,

zoo ijverig de kleuren van het tapijt heeft waargenomen. Juist toen

Caspar zijne verzuchting had uitgesproken, traden beiden glimlachend op

hem toe.

„Wij wisten waarlijk niet, dat u zelf in deze zaal was, Van der

Comme!”—ving de heer Versuylen aan.—„Pauline zocht u, om u persoonlijk

geluk te wenschen, en we konden u nergens ontdekken!”

Koenraad Vechters week plotseling eenige schreden terzijde. Zij was

het—geen twijfel, zij was het! En welk eene verandering in zoo korten

tijd. Toen hij, nu bijna vier jaren geleden, Pauline van Someren

voor het laatst gezien had, was zij een vroolijk, geestig meisje van

zeventien jaren, dat, waar ze binnenkwam, elke kamer met blijheid en

levenslust, schaterlachen en gezang opluisterde. Nu zou men bij den

eersten blik niet vermoeden, dat die statige jonkvrouw eenmaal zulk

een luidruchtig, schalklachend kind geweest was. Nu sprak er iets hoog

ernstigs uit de groote helderbruine oogen, en 't was, alsof de wat

bleeke tint van het gelaat, of de prachtige, los krullende lokken er

toe meewerkten, om die uitdrukking van ernst en statigheid tot

zwaarmoedigheid toe te verhoogen.

Vechters was ter zijde geweken, was plotseling onbehoorlijk rood

geworden, en had, om zich eene houding te geven, eene groep bloemen,

vol goeden smaak en vernuft in eene nis gerangschikt, met de uiterste

oplettendheid waargenomen. Zoo stond hij half verscholen, en mocht hij

van tijd tot tijd een blik ter zijde werpen naar 't drietal, 't welk in

druk gesprek gewikkeld was. De schelle dansmuziek overstemde elk geluid,

zoodat er niet de minste onvoegzaamheid in stak, om zoo nabij hen te

blijven toeven.

't Was of er met elken slag van zijn luid kloppend hart tot den

verrasten kunstenaar eene stem sprak: „Zij is veel mooier dan ooit

te voren, en nog hebt ge haar lief met geheel uwe ziel!” Wat was hare

gestalte rijzig en rank geworden! Welk eene bevalligheid in elke harer

bewegingen! Hoe gevoelvol sprak het geestig fonkelend oog! Wat zwaren

strijd had hij gestreden, om dat lieflijk beeld uit zijne herinnering te

verbannen, en nu—in één oogwenk was de moeielijk bevochten zege

vernietigd!

Een storm van vragen en twijfelingen begon nu met klimmend geweld zijn

geest te schokken. Zou zij het weten, welk eene ontvangst den armen,

nog weinig beroemden schilder van haar vader was ten deel gevallen?

Zou zij er misschien om hebben geglimlacht, toen de practische, koude

suikerfabrikant haar van zijn stout aanzoek verhaald had? Zou hij, arme

wroeter, ooit genoeg naam en roem verkrijgen, om naar hare hand te mogen

staan? Was het geene onzinnige dwaasheid te hopen, dat het beste, het

schitterendste talent immer eene aanbeveling zoude zijn bij de dochter

van den Indischen kapitalist?

En wie was de man, aan wiens arm zij zich met zooveel vertrouwen

en vreugde vastklemde? Caspar Janssen had het gezegd, hij was rijk,

hij had grooten invloed. Wat lette het, dat hij het dubbele van haar

leeftijd bezat? Wat hinder, dat zijn hair reeds grijsde—dat hij een

onafwijsbaren aanleg tot zwaarlijvigheid bezat? Zoo de dochter het

gezond verstand des vaders had geraadpleegd, zou er niets belachelijks

in steken, dat zij hare hand den zwaarlijvigen, maar rijken man had

geschonken. Pauline.... de vrouw van ~dien~ man! Het werd hem te eng in

de danszaal, en zonder er zich aan te kreunen, of hij op het balkleed

van mejuffrouw Wilhelmina Zilverlink trapte, en of hij zich den haat des

heeren Brunners op den hals haalde, streefde hij eensklaps vooruit door

de dicht opeengepakte menigte, en snelde hij de zaal uit, alsof hij

gezworen had, er nimmer weer in terug te komen.

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 20 / 58 题