Koenraad Vechters had zwijgend en glimlachend het begin der feesten
bijgewoond. Met zekere aarzeling had hij de verzamelde gasten, die zich
in zijne onmiddellijke nabijheid bevonden, gâgeslagen. Daarna had hij al
zijne oplettendheid aan de ceremonieele handelingen van Jasper Jodocus
gewijd, en schoon het mocht schijnen, dat hij alles met de uiterste
aandacht volgde, zou elk, die in zijn gemoed had kunnen lezen, er
slechts deze enkele gedachte gevonden hebben: Pauline van Someren is
hier niet tegenwoordig, anders had ik haar al gezien.
Toen de groote drom der gasten zich naar de danszaal begaf, had hij zijn
arm geboden aan eene onbekende dame, die geheel alleen bleef staan, en
er zich volstrekt niet over scheen te ergeren, dat niemand naar haar
omzag. Er werden een paar woorden gewisseld. Schoon de jonge kunstenaar
zich de uiterste moeite gaf een beleefd gesprek aan te knoopen, daar hij
tot tweemaal toe een geestig antwoord op zijne vragen ontvangen had, was
de weg naar de zaal echter te kort, om dit voornemen ten uitvoer te
brengen—en trok de dame zich aanstonds terug, zoodra men den ingang
bereikt had. Eene poos nog zag hij haar zwart zijden kleed langs de
witte gazen baljaponnen der dansende dames zweven. Eindelijk werd zijn
blik door eene talrijke groep galoppeerende paartjes onderschept en
scheen zij in 't gewoel verdwenen.
In elk ander geval zou Koenraad Vechters ten levendigste getroffen zijn
door eene zoo bevallige verschijning, als thans een oogenblik aan zijne
zijde had getoefd—hij zou gevraagd hebben naar haren naam, naar alles
wat hem inlichting omtrent haar had kunnen geven—hij zou niet vergeten
hebben te vermelden, dat zijne belangwekkende onbekende met een zeer
vreemd Fransch accent sprak, 't welk, eer bevallig dan zonderling, haar
aanstonds als vreemdelinge verried. Thans liep hij verstrooid door de
schitterend verlichte balzaal, en wijdde maar zeer weinig aandacht aan
allen luister van luchters, spiegels en sofa's. Zijne gedachten volgden
telkens eene bepaalde richting, en schoon hij zich ieder oogenblik ten
stelligste voornam, om afleiding te zoeken, stond hij weldra in een
verborgen hoek der zaal te mijmeren en te droomen—en uit te zien wie de
danseressen waren, die hem voorbijkwamen.
Toevallig om zich heen blikkend, bemerkt hij, dat nog iemand dien hoek
gekozen heeft, om te mijmeren en waar te nemen—de gastheer zelf: Caspar
Janssen van der Comme. Vechters had nog maar enkele woorden met hem
gewisseld, en rekende het zijn plicht, zich een oogenblik met hem te
onderhouden.
„Een mooi gezicht, meneer Van der Comme!”—begon hij.—„Zulk eene
prachtige zaal en zooveel vroolijk pratende en dansende jongelui!”
„Ja, niet waar, men doet mij werkelijk veel eer aan. 't Heugt me
niet hier ooit zooveel gasten bij elkaar gehad te hebben—en zeer
fatsoenlijke lui—zeer fatsoenlijke lui, meneer Vechters!”
Caspar Janssen schoof zich zooveel mogelijk naar 't eind der canapé,
waarop hij aarzelend had plaats genomen, toen Vechters voor hem staan
bleef. Hij had daardoor gelegenheid zich zooveel mogelijk achter de
rijzige gestalte van zijn gast te verbergen.
„Ik moet u bekennen”—vervolgde Vechters—„dat ik mij hier bijna geheel
vreemd gevoel. Drie jaren afwezigheid schijnen veel veranderd te hebben.
Oude gezichten zijn verdwenen en nieuwe, onbekende zijn daarvoor in de
plaats gekomen. Uwe familie alleen, meneer Van der Comme! en hare gulle
gastvrijheid zijn nog geheel dezelfde gebleven.”
„Dat kan ook niet anders. 't Is mij groote eer, mijne talrijke kennissen
uit aanzienlijken stand te mogen ontvangen. Mijn kring heeft zich zeer
uitgebreid. Ginder ziet u den heer Versuylen, een zeer rijk man, met
zeer deftige en invloedrijke relatiën in den Haag, en die heer met een
gouden bril op is het nieuwgekozen lid van onzen Gemeenteraad, de heer
Zilverlink, een buitengewoon fatsoenlijk man!”
Er brandde eene vraag op Vechters tong. Reeds wilde hij haar uitspreken,
toen Caspar half fluisterend voortging:
„Me dunkt, zoo drie jaren in het buitenland moeten u met vele
hooggeplaatste mannen in aanraking gebracht hebben. Je ontving je kruis
immers uit de handen van den koning van Beieren?”
„U bedoelt of de koning het mij persoonlijk ter hand stelde?”
Er speelde een ondeugende lach om Vechters' lippen. De koperen bruidegom
kneep zijn oogen geheimzinnig toe, en knikte.
„Ik bracht bijna een halfjaar te Munchen door”—ging Vechters voort—„en
ik betuig u, dat ik noch den koning, noch de koningin, noch een der
vorstelijke personages gezien heb. Ik ging alleen met mijne
kunstbroeders om, met eene groote menigte talentvolle, maar arme
Duitsche schilders!”
Caspar Janssen was uit zijne gebukte houding opgerezen. Er sprak wat
meer leven uit zijne ingezonken oogen, dan gewoonlijk het geval was.
„Ja, zoo ben-jelui, jongelui! Als je de beste gelegenheid hebt je
aanzienlijke relatiën te verwerven, dan zoek je het gezelschap van....
Duitsche schilders. Later als je fortuin maakt—ieder kan fortuin
maken!—zul je je genoeg beklagen. Geloof me, 't is geen duit waard,
om een paar tonnen gouds te bezitten, of mooie schilderijen te kunnen
maken, als men geen aanzien, geene eervolle onderscheiding geniet,
helaas!”
Terwijl de gastheer deze laatste woorden met buitengewone geestdrift
sprak, terwijl Vechters zich zelven vermande, om kalm te blijven, en
's mans grofheden in stilte te belachen, een tweetal gasten langzaam
genaderd. De een is een heer van middelbaren leeftijd, met een nobel
gezicht, dezelfde, dien Caspar Janssen nog kort te voren als den
invloedrijken Versuylen heeft aangewezen. De andere is de jongedame met
fraaie blonde krullen, welke gedurende den zegenwensch van Jasper Jun,
zoo ijverig de kleuren van het tapijt heeft waargenomen. Juist toen
Caspar zijne verzuchting had uitgesproken, traden beiden glimlachend op
hem toe.
„Wij wisten waarlijk niet, dat u zelf in deze zaal was, Van der
Comme!”—ving de heer Versuylen aan.—„Pauline zocht u, om u persoonlijk
geluk te wenschen, en we konden u nergens ontdekken!”
Koenraad Vechters week plotseling eenige schreden terzijde. Zij was
het—geen twijfel, zij was het! En welk eene verandering in zoo korten
tijd. Toen hij, nu bijna vier jaren geleden, Pauline van Someren
voor het laatst gezien had, was zij een vroolijk, geestig meisje van
zeventien jaren, dat, waar ze binnenkwam, elke kamer met blijheid en
levenslust, schaterlachen en gezang opluisterde. Nu zou men bij den
eersten blik niet vermoeden, dat die statige jonkvrouw eenmaal zulk
een luidruchtig, schalklachend kind geweest was. Nu sprak er iets hoog
ernstigs uit de groote helderbruine oogen, en 't was, alsof de wat
bleeke tint van het gelaat, of de prachtige, los krullende lokken er
toe meewerkten, om die uitdrukking van ernst en statigheid tot
zwaarmoedigheid toe te verhoogen.
Vechters was ter zijde geweken, was plotseling onbehoorlijk rood
geworden, en had, om zich eene houding te geven, eene groep bloemen,
vol goeden smaak en vernuft in eene nis gerangschikt, met de uiterste
oplettendheid waargenomen. Zoo stond hij half verscholen, en mocht hij
van tijd tot tijd een blik ter zijde werpen naar 't drietal, 't welk in
druk gesprek gewikkeld was. De schelle dansmuziek overstemde elk geluid,
zoodat er niet de minste onvoegzaamheid in stak, om zoo nabij hen te
blijven toeven.
't Was of er met elken slag van zijn luid kloppend hart tot den
verrasten kunstenaar eene stem sprak: „Zij is veel mooier dan ooit
te voren, en nog hebt ge haar lief met geheel uwe ziel!” Wat was hare
gestalte rijzig en rank geworden! Welk eene bevalligheid in elke harer
bewegingen! Hoe gevoelvol sprak het geestig fonkelend oog! Wat zwaren
strijd had hij gestreden, om dat lieflijk beeld uit zijne herinnering te
verbannen, en nu—in één oogwenk was de moeielijk bevochten zege
vernietigd!
Een storm van vragen en twijfelingen begon nu met klimmend geweld zijn
geest te schokken. Zou zij het weten, welk eene ontvangst den armen,
nog weinig beroemden schilder van haar vader was ten deel gevallen?
Zou zij er misschien om hebben geglimlacht, toen de practische, koude
suikerfabrikant haar van zijn stout aanzoek verhaald had? Zou hij, arme
wroeter, ooit genoeg naam en roem verkrijgen, om naar hare hand te mogen
staan? Was het geene onzinnige dwaasheid te hopen, dat het beste, het
schitterendste talent immer eene aanbeveling zoude zijn bij de dochter
van den Indischen kapitalist?
En wie was de man, aan wiens arm zij zich met zooveel vertrouwen
en vreugde vastklemde? Caspar Janssen had het gezegd, hij was rijk,
hij had grooten invloed. Wat lette het, dat hij het dubbele van haar
leeftijd bezat? Wat hinder, dat zijn hair reeds grijsde—dat hij een
onafwijsbaren aanleg tot zwaarlijvigheid bezat? Zoo de dochter het
gezond verstand des vaders had geraadpleegd, zou er niets belachelijks
in steken, dat zij hare hand den zwaarlijvigen, maar rijken man had
geschonken. Pauline.... de vrouw van ~dien~ man! Het werd hem te eng in
de danszaal, en zonder er zich aan te kreunen, of hij op het balkleed
van mejuffrouw Wilhelmina Zilverlink trapte, en of hij zich den haat des
heeren Brunners op den hals haalde, streefde hij eensklaps vooruit door
de dicht opeengepakte menigte, en snelde hij de zaal uit, alsof hij
gezworen had, er nimmer weer in terug te komen.