Een zacht gemompel van verwondering en onderdrukten lachlust doorliep de
rijen der gasten. Twee dames alleen glimlachten niet: de koperen Bruid,
die vragend naar Jasper Jodocus opzag, en nog eene andere jongedame met
fraaie blonde krullen, die gedurende de speech van Jasper Jun, toevallig
eens had omgezien en eensklaps—toen ze Koenraad Vechters onder een
drom van jongelui herkend had—de kleurschakeeringen van het tapijt
met zooveel ijver begon te bestudeeren, dat ze verrast opzag bij de
ontknooping van een tooneel, waarvan ze den samenhang niet gevolgd had.
Jasper Jodocus had zich geen oogenblik verslagen getoond. Onmiddellijk
had hij den heer Quastman een wenk gegeven, de twee kleine meisjes vóór
de feestvierende ouders geplaatst en juist toen de brutale knaap uit het
gezicht verdween, hieven de muzikanten aan: „~Du bist der beste Bruder
auch nicht~!” Ditmaal speelde er een zeer ondeugende lach over het
geestig gelaat van Mlle de Tourzel, die zich bij de meest verwijderde
rij der dames had aangesloten en rustig den afloop van 't gezang harer
leerlingen scheen af te wachten.
De kleinen deden haar best. Het liedje, met al zijne laffe
gemeenplaatsen en zouteloozen onzin, werd zonder haperen voorgedragen.
Mevrouw Van der Comme zag den talentvollen ceremoniemeester met
dankbaarheid aan, Caspar Janssen knoopte zijn rok tweemalen toe, en
ontknoopte hem wederom tweemalen met angstige zijblikken. Daarna bleef
hij met saamgevouwen handen rustig naar het slot van 't gezang wachten.
Zoo spoedig de meisjes geëindigd hadden, trok hij beiden naar zich toe
en verschool zijn kaal hoofd achter de kunstig gekapte kopjes zijner
kinderen.
„Wat moet er nu nog komen, Jet?”—vroeg hij zachtjes aan zijne oudste.
„Het bal, Pa. Al de lichten zijn achter in de zaal al opgestoken. O, zoo
mooi! En de juffrouw zegt, dat we met ons beiden wel eens mogen
meewalsen!”
„Goddank!”—zucht Caspar bij zich zelven—„dan ben ik ten minste vrij.
Tot nog toe kan niemand zeggen, dat het niet hoogst fatsoenlijk is!”
Er is intusschen beweging onder de gasten gekomen. Eene dichte groep
vormt zich rondom de beide echtelingen, die haastig opstaan. Ieder
schudt hun de hand en spreekt een paar onverstaanbare woorden, waarop
mevrouw Van der Comme zeer luid antwoordt:
„Dank u wel, meneer Van Menghelen!—Wel verplicht, juffrouw
Zilverlink!—Dat willen we hopen, meneer Versuylen! Dank u, juffrouw Van
Someren!—Zeer verplicht, mevrouw Berghuysen! Zeer verplicht, Agathe!
Dank je, Anne!—Zeer lief, dat u gekomen is, meneer Vechters! Hartelijk
dank, nicht! ik hoop dat je 't nog menigmaal moogt beleven!”
En zoo vloeide het gestadig voort, totdat alle gasten den geijkten
zegenwensch hadden uitgesproken. Luid gerucht en geruisch begint nu de
deftige stilte van het begin af te breken. Men schaart zich in kleine
afdeelingen bij elkaar—begroetingen en gesprekken volgen. Als meneer
Proost 't heusch nimmer over zal vertellen, dan wil juffrouw Rotsenaer
hem wel verzekeren, dat ze er eigenlijk plezier in had, toen de kleine
Jasper zoo brutaal was. Meneer Proost zou het zeker wel bemerkt hebben,
dat meneer Jasper van der Comme niet durft spreken—neen, dan was de
vorige partij toch aardiger, toen meneer Proost zelf zoo'n geestige
aanspraak tot opening van 't feest had gehouden. Meneer Proost had de
heele zaak buitengewoon dwaas gevonden, en dacht, dat men kinderen
buiten zoo iets laten moest. Wie zou zoo indiscreet zijn, om een
kwajongen het woord te geven, als de beste leden van de Rederijkerkamer:
~Sic itur ad astra~ tegenwoordig waren. Overigens was Jasper een patente
kerel en de beste thesaurier, dien de kamer ooit bezeten had.
Mevrouw Berghuysen vindt, dat nicht Anna Geertruida er zeer slecht
uitziet. Nicht Anna Geertruida zucht diep, en vertelt, dat ze zooveel
aan hoofdpijn lijdt. Ze zou stellig niet gekomen zijn, want in
vertrouwen wil ze mevrouw Berghuysen wel bekennen, dat de familie
volstrekt geene notitie van haar neemt, en ze is toch eene eigen nicht
van Caspar—maar ~zij~ wil nooit aanleiding tot onaangenaamheden geven,
en zooveel mogelijk toonen, dat er nog fatsoenlijke leden in de familie
zijn.
Mejuffrouw Wilhelmina Zilverlink verlangt, dat het bal moge aanvangen.
Ze was gisteren nog op eene prachtige partij bij Jhr. Van Naerssen tot
Stompwijk geweest. Ze begreep niet, waarom ze meneer Brunner daar niet
gezien had. Meneer Brunner, een der zes ordecommissarissen, had wel eene
invitatie ontvangen—waarheid spreken is zijne eerste deugd niet—maar
hij had zich voor eenigen tijd bij een diner van den Zweedschen consul
enorm geërgerd over de importante ~airs~, welke freule Cornelie van
Naerssen zich had aangewend, en daarom had hij maar liever bedankt.
Daar klinkt schetterend luid de wijze van een levendigen galop. De heer
Quastman en zijn muzikaal gevolg hadden zich reeds voor eene poos
verwijderd. Jasper Jodocus noodigt met luider stem tot den dans, de
paren zetten zich in beweging—het eigenlijke feest vangt aan.