De drukte in de vestibule neemt hoe langer hoe meer toe. Eene lange rij
van vigilantes rangschikt zich daarbuiten op de Heerengracht. Telkens
stapt een nieuw paar feestelijk gekleede gasten naar het domein der
drie kornetjes. Daar is een luid gefladder van veelkleurige linten, een
ruischen van zijden en gazen balkleedjes, een gemengde geur van allerlei
~double-extraits~ en ~Rimmel-bouquets~ te genieten, daar wordt schielijk
eene speld gevraagd aan Leentje, Koosje of Klaartje, dan wordt het
gezicht recht vroolijk en prettig geplooid, dan trekt men uiterst
voorzichtig een paar nieuwe witte balhandschoenen aan, en grijpt men den
arm van den eersten heer, die zich vertoont.... of gaat men alleen, zoo
er zich geen aanbiedt.
Want, schoon dit de taak der orde-commissarissen is, schijnen dezen er
zich luttel om te kreunen, of ze naar eisch vervuld wordt. 't Zijn een
zestal jongelui, die orde-commissarissen, met bleeke troniën, kleine,
zeer zorgvuldig opgemaakte kneveltjes en half gesloten oogen. Daar is
eene dame van middelbare jaren alleen naar binnengekomen. 't Is waar,
haar voorkomen is wat ouderwetsch—er is wat al te eenvoudigs in hare
kleeding—wat onbevalligs in haar gelaat, en daarom heeft mejuffrouw
Anna Geertruida van der Comme, eigen nicht van den feestvierenden
gastheer, zich geheel alleen naar de receptiezaal moeten begeven, waar
niemand naar haar omziet. Want ze is arm en afhankelijk.—„Een lastpost
voor de familie, vat je!”—pleegt Jasper Jodocus te zeggen, terwijl hij
luide met zijn horlogeketting rammelt.
Let op welk een ijver zich eensklaps bij de heeren orde-commissarissen
ontwikkelt, nu een vijftal jongedames en een bejaard heer met een gouden
bril binnentreden. 't Is de heer Zilverlink, een zeer gegoed makelaar in
edele metalen, en zijne vijf zeer knappe dochters. Al deze dames zijn
uiterst prachtvol in wit gaas getooid met kersroode, hemelsblauw of
saffraangele linten, allen hebben een heuveltje van witte en andere
rozen boven op de roetzwarte vlechten of krullen. De commissarissen
lachen en buigen en bieden den arm aan, alles met de volkomenste
onbevalligheid en de volmaakste smakeloosheid.
Het salon en de aangrenzende vertrekken zijn nu bijna gevuld. De dames
hebben de rijen stoelen ingenomen. De heeren houden zich bij den ingang
van de laatste ~suite~ bijeen, of ze ernstig beraadslaagden over
gewichtige staatszaken. Maar ze spraken zeer weinig, en glimlachen
gedurig zoo welwillend tegen elkander, of ze het volkomen eens waren
over alle mogelijke zaken. De dames fluisteren saam, of nemen elkaar
van ter zijde op. Mevrouw Berghuysen heeft zeer veel aan mejuffrouw
Rotsenaer te zeggen. Ze vindt het al heel mal, dat de twee leelijke
dochters van den rijken wijnkooper Van Menghelen gevraagd zijn, dat de
vijf dames Zilverlink en de twee Van Noorts gekomen zijn. Onder de roos
wil ze mejuffrouw Rotsenaer wel meedeelen, hoe Berghuysen er eerst zeer
tegen was, dat Agathe en Anne zouden gaan, want er was altijd zoo iets
raars bij de Van der Commes, en dan, zulke late partijen deugden niet
voor jonge meisjes—ze was maar blij, dat men Mathilde en Elize niet
gevraagd had, die ondeugende kinderen zouden om alles gelachen hebben.
Mejuffrouw Rotsenaer stemt mevrouw Berghuysen alles gaaf toe. Ja er was
iets raars bij de Van der Commes. Als Papa haar niet gedwongen had, zou
ze, heusch! veel liever thuis gebleven zijn—toen ze aankwam had geen
der zes orde-commissarissen haar den arm geboden.
Niemand heeft het getroffen, dat gastheer en gastvrouw afwezig zijn.
Mlle de Tourzel heeft aanvankelijk de eerste gasten verwelkomd, maar
spoedig bemerkend, dat men haar goedig toeknikte, zonder op hare
beleefde woorden acht te geven, trok ze zich diepbuigend terug, en was
uit de zalen verdwenen. Jasper Jodocus had zich nu en dan vertoond, den
een en ander terloops aangesproken, en zeer geheimzinnig wenken gegeven
over het begin der feesten. Ook de zes orde-commissarissen verscholen
zich van tijd tot tijd achter de groep der heeren, en hadden het
schijnbaar zeer druk met rond te gluren naar de jongedames, en innemende
gezichten te zetten.
Juist trad Koenraad Vechters binnen. Hij draagt den afschuwelijken,
zwarten rok met zekere vrijheid, die het gemaakte en stijve van het
danskostuum bijna geheel uitvaagt. Zijn blond krullend hair is wat beter
geordend dan in de studie-uren op zijn ~atelier~—een klein kruis aan
een zilverwit lint prijkt in zijn knoopsgat. Hij loopt haastig vooruit
door het salon en de ~suite~, en stuit eindelijk op de ledige sofa en de
bloemen. Verrast ziet hij rondom zich heen, maar niemand ontwarende,
loopt hij glimlachend en langzaam terug.
Op eens ontdekt hij mejuffrouw Anna Geertruida van der Comme, met een
vrij ontstemd gezicht onder de oudere dames zich verbergende.
„Vergun me”—begon Vechters, na korte begroeting—„daar ik niemand der
feestvierende huisgenooten hier tegenwoordig vind, om u geluk te
wenschen met dezen heuglijken dag.”
't Is waar, Vechters woorden behelsden niet veel meer, dan eene zeer
alledaagsche gemeenplaats, maar ze werden toch op zoo rondborstigen,
hartelijken toon uitgesproken, dat ze beter ontvangst verdiend hadden,
dan het vinnige:
„Dank u, meneer! Ik had het bijna vergeten, dat het vandaag 'n feestdag
was. Niemand van de familie heeft naar me omgezien. Ik heb nog niemand
gesproken. Ik moest heel alleen naar binnen gaan, en ik ben eene eigen
nicht van Caspar....”
„Ik hoop toch, dat onze gastheer niet door ongesteldheid verhinderd
wordt hier te zijn?”
„Ik heb er niets van gehoord, want niemand neemt de moeite om eens
naar mij te komen kijken. Maar ik geloof het niet, anders zou de partij
afgezegd zijn. 't Is zeker eene verrassing van neef Jasper, die me al
vijfmaal voorbijgeloopen is, zonder te groeten. M'n goeie vader placht
altoos te zeggen: Anne-Trui! reken nooit op de neven. Als Caspar noten
eet, steekt Jasper de schillen in z'n zak!”
„Weet u ook wie die heer is met eene viool in de hand en zoo'n
zonderlingen, grooten strik in zijne das. Hij komt daar juist binnen.
Ha, daar komen nog zes andere virtuozen!”
„'t Is meneer Quastman, de dansmeester, die het bal zal dirigeeren. Wat
kan mij een bal schelen! De jongelui zijn allemaal lomp genoeg, om me te
laten zitten, en m'n familie laat me aan m'n lot over. Neen! als Caspar
me ooit weer inviteert, bedank ik—'t is van avond voor 't laatst
geweest!”
„Zoudt u zoo goed willen zijn, meneer! achter de stoelen der dames eene
plaats te zoeken!”
Deze vraag werd tot Vechters door een der ordecommissarissen gericht,
die hem diepbuigend op alle andere heeren wees, reeds geruimen tijd
achter de dames in gelid geschaard. Daar de jonge kunstenaar steeds meer
en meer begon te verlangen, om het gesprek met Anna Geertruida af te
breken, boog hij zich even voor de vergramde oude vrijster, en haastte
hij zich eene toevlucht achter de dameszetels te vinden. Dezelfde
commissaris van orde, mijnheer Proost, een doodsbleek jonkman, met
blauwe cirkelbogen onder de oogleden, naderde hem daarop andermaal, en
bracht hem een net gebonden boekske, koperrood van omslag en verguld
op snee. 't Was de verzameling van feestliederen, door de leden der
Rederijkerkamer: ~Sic itur ad astra~ voor deze gelegenheid expresselijk
vervaardigd. De heer Vechters werd beleefdelijk uitgenoodigd, om, zoo
spoedig de plechtstatige optocht van den koperen Bruidegom en Bruid zich
mocht vertoonen, het eerste lied uit den bundel te willen aanheffen op,
de wijze van: ~Marlborough s'en va-t-en guerre~.