I.

Er heerschte buitengewone drukte in al de rijk gemeubelde vertrekken van

Caspar Janssen. De feestavond was gekomen. Alles zag er recht opwekkend

en aanlokkend uit. Zoo spoedig we de breede vestibule binnentreden,

vinden we links eene kamer tot berging van sjaals en hoeden, met een

reusachtigen spiegel voor al wie nog een laatsten oogopslag aan 't

misschien wat gekreukt feestkleed wil wijden. Deze kamer is het

uitsluitend eigendom van drie luidbabbelende kornetjes, zoo prachtig

gedost, of 't haar eigen feest ware, en zoo hoogrood van kleur, of ze

reeds bloosden over de uitbundige, luidklinkende zegewenschen, haar heer

en meester toegebracht.

Rechts treden we de receptiezalen binnen, welke we al vroeger in stilte

hebben waargenomen. 't Is nog geen tijd, en niemand der gasten is

gekomen. Twee rijen stoelen zijn zeer houterig op kleinen afstand van

de wanden geplaatst. Aan 't eind der tweede kamer is eene sofa, met

blauw fluweel bekleed, onder voorbedachten rade wat vooruitgeschoven

en door prachtige bloemen omringd. Let even op die bloemen! Met welken

smaak zijn ze gerangschikt, 't is of ze eene fraaie gedachte willen

uitdrukken, die donkerroode camelia's, die vruchtdragende oranjeboomen,

die veelkleurige geraniums, alle zoo zorgvuldig en geestig naast andere

rijkbloeiende kasplanten geplaatst, dat ge uwe nieuwsgierigheid niet

kunt onderdrukken, en telkens vraagt, wie ze zoo uitmuntend heeft

saamgeschikt!

Het ruischen van een zijden kleed wekt u uit uwe mijmering. Het is

Mlle de Tourzel, de Zwitsersche. Met een fijnen glimlach staart ze haar

werk aan, en tegelijk schittert er kwalijk verholen spot uit de diepe,

donkerbruine oogen, als ze de kamer overziet, en de twee rijen stoelen

opmerkt. Er spreekt uit hare figuur zooveel ongezochte sierlijkheid en

smaak, dat men onverwijld aan 't zonderling verschil denkt, 't welk de

arme, betaalde gouvernante binnen weinige oogenblikken met de bont

getooide, feestvierende ~parvenus~-familie en de misschien nog bonter

getooide gasten zal vormen.

Mlle de Tourzel nam reeds door hare verschijning ieder voor zich in.

Haar oogopslag en uiterst bekoorlijke glimlach schenen bestemd om ieder

hart stormenderhand te veroveren. Welk een eenvoud, welk eene gratie in

de keuze van haar feestkleed. De laaguitgesneden, zwartzijden japon,

de zwart kanten pelerine daarover hoog aan den hals met eene enkele

diamanten speld vastgehecht, de witte camelia als eenig kapsel, alles

zoo onopgesmukt en zoo welgekozen—waarborgden haar reeds vooraf den

schoonsten triumf over hare omgeving, den triumf van den goeden smaak en

den fijnbeschaafden geest.

„Zoo, heb je er die bloemen toch naar toe gesleept, juffrouw Tourzel!

Laat ze nu maar staan! 't Is maar om de plaats, die ze innemen, vat je!”

De spreker was Jasper Jodocus van der Comme, makelaar enz. enz. Zie

hem eene seconde aan, uit iederen trek van zijn gezicht, uit iedere

bijzonderheid van zijn kostuum spreekt de hooglijk met zijne eigene

heerlijkheid ingenomen ceremoniemeester. Hij heeft een reusachtigen

strik uit zijne rotsharde witte das weten saam te knutselen van zoo

groote symmetrie, dat hij het hoofd nauw durft te bewegen, uit vreeze

iets te bederven. In zijn knoopsgat zwelt eene kokarde van vuurrood

en wit satijn lint, aan den ketting van zijn uurwerk zijn eenige

buitengewone fraaiigheden en medaillons aangebracht.

Mlle de Tourzel had schielijk opgezien, toen ze zijne stem vernam, en

daarna den blik afgewend, en haar fijnen, kanten zakdoek even aan den

mond gebracht.

„Ik weet niet, of je al op de hoogte van de zaken bent, juffrouw

Tourzel!”—ging Jasper voort.—„Als al de gasten zitten, de dames

namelijk, de heeren kunnen tusschen den muur en de stoelen der dames

staan....”

„~Permettez~! Maar wie zal de gasten ontvangen?”

„O! dat komt van zelf in orde.... u, bij voorbeeld, juffrouw!”

„De ~grâce~, dat zou niet passend zijn! Me dunkt, een ceremoniemeester,

zoo vindingrijk, zoo adroit, als u, meneer Van der Comme, moest

zichzelven die taak hebben toegewezen!”

Jasper lachte goedkeurend. Mlle de Tourzel hield even de fijne, witte,

wonderfraaie hand aan de lippen.

„Nu, we zullen zien.... Maar, zooals ik zeide, als al de gasten gekomen

zijn, ga ik Caspar, Mina en de kinderen waarschuwen. Ik keer hier

terug, en bericht den menschen, wat er komen zal, vat je! Ik deel de

gedichten-verzameling rond, voor deze gelegenheid door de leden der

Rederijkerkamer: ~Sic itur ad astra~ expresselijk vervaardigd.....”

„Hebben al die heeren zich in onkosten van verzen gestoken. 't Ontbreekt

hier waarlijk niet aan dichters te Amsterdam!”

„Daarop laat ik de muzikanten komen, om de wijs te spelen van 't

eerste gezang: ~Marlborough s'en va-t-en guerre~, vat je? Dan kan de

trein binnentreden. Eerst ga ik zelf, dan kleine Mina en Jet, dan de

koperen Bruidegom en Bruid, dan kleine Jasper, en eindelijk de zes

orde-commissarissen. Als men goed en wel gezeten is, geef ik kleinen

Jasper het woord, om zijn zegenwensch uit te spreken, welken ik zelf

voor hem heb gesteld. Heeft hij dien reeds voor u opgezegd, juffrouw

Tourzel?”

„Ik ben gouvernante der beide meisjes, meneer Van der Comme!”

„Ja, maar je hadt beloofd, mij zooveel mogelijk te helpen, om het

ondeugend manneke zijne les te leeren!”

„O! ~quant à ça~, ik heb hem eens gevraagd hoe het met de aanspraak van

oom Jasper stond en toen heeft hij zulk een afschuwelijk gezicht gezet,

dat ik hem rustig zijn weg liet gaan. U weet, dat ik den jongeheer

Jasper geheel aan 't bestuur zijner private onderwijzers overlaat, en

ik vermoedde, dat hij onder uwe leiding vooral wonderen zou doen!”

„We willen het hopen. Nu, na zijne aanspraak zullen Jet en kleine Mina

hare liedjes zingen.... Sakkerloot, dat heeft je toch zeker genoegen

gedaan, juffrouw Tourzel, ik heb het juist zoo beschikt, om je ~élèves~

eens te doen uitkomen!”

„~Merci, monsieur~! Ze kunnen het perfect opzeggen, en zingen het zoo

goed het wil. De woorden zijn kostelijk en het ~air~—neen het ~air~ is

~charmant~: ~Du bist der beste Bruder auch nicht~!”

Een lichte blos vloog over het voorhoofd der bevallige Zwitsersche. Ze

keek oplettend naar 't veelkleurig Smyrnaasch tapijt, en sloot de oogen

met een flauw zweempje van toorn.

„Och! het een is zoo goed als het ander! Als je een lied wilt maken,

moet je natuurlijk eene wijs hebben. Nu neem ik altijd die wijs, welke

mij 't eerst invalt. 't Doet me plezier, dat het je bevalt!”

„En daarmee zal wel het eerste bedrijf van de feestelijkheid gesloten

zijn?”

„Nog niet. Na het liedje van de kinderen, kies ik er een ander uit de

verzameling van feestzangen voor deze gelegenheid door de leden der

Rederijkerkamer: ~Sic itur ad astra~ expresselijk.... Sakkerloot! daar

komt een rijtuig aanrollen, ik ga de commissarissen van orde

waarschuwen!”

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 15 / 58 题